Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen
Part 7
Zooals reeds gezegd is, neemt in gunstige omstandigheden het aantal individuën der kolonie door knopvorming toe; een soortgelijke wijze van ongeslachtelijke vermenigvuldiging komt in ongunstige omstandigheden voor, b.v. bij 't naderen van den winter en in tijden van droogte. Vermoedelijk geschiedt dit echter uitsluitend bij de Zoetwater-Bryozoën. Bij Paludicella b.v. ontstaan tegen het einde van September binnen weinige dagen aan den stok, welks overige deelen sterven, zoogenaamde winterknoppen, die, aan de doode overblijfselen van de kolonie vastgehecht blijvend, zich in 't volgende voorjaar op dezelfde plaats tot een nieuwen stok ontwikkelen. Ze zijn kleiner en harder van wand dan de gewone, uit den stok ontspruitende knoppen, doch komen met hen in maaksel overeen.
In soortgelijke omstandigheden scheiden zich van andere Zoetwater-Bryozoën, ook van Cristatella, zeer vreemdsoortige knoppen af, die statoblasten worden genoemd. Het zijn veelcellige lichamen van schijfvormige gedaante en ronden of ovalen omtrek, die zich, zoodra de zomer voorbij is, aan den funiculus vormen. Hun hoornachtige, doorzichtige, bruin- of geelachtige schaal bestaat uit twee kleppen, die als horlogeglazen op elkander passen. Bij Cristatella is de rand van dit lensvormige voorwerp omsloten door een breeden, uit luchtkamertjes samengestelden ring (den "zwemgordel") en bovendien gewapend met straalsgewijs naar buiten gerichte, stijve hoorndraadjes, die aan 't einde weerhaakjes dragen. Door den zwemgordel blijft de statoblast drijven op den waterspiegel. Uit de statoblasten (fig. 2) en andere winterknoppen ontspruiten in 't volgende voorjaar individuën, die zich geslachtelijk voortplanten, en tevens door knopvorming nieuwe koloniën vormen, welker leden ten slotte opnieuw de genoemde, overwinterende knoppen voortbrengen. De geheele ontwikkelingsgang verdient dus den naam van teeltwisseling.
Men kent tegenwoordig ver over de 2500 soorten van Bryozoën, waarvan ruim 1800 fossielen uit alle tijdperken van de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde. Deze komen vooral in de Jura-, krijt- en tertiaire lagen in groote menigte voor en worden ook in die van de primaire periode gevonden. De ruim 700 thans nog levende soorten zijn zonder eenige uitzondering echte waterdieren; verreweg de meeste leven in zee. Vele hebben een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. (Paludicella b.v. vindt men in 't oostelijk zoowel als in 't westelijk halfrond, in Europa zoowel als in Indië, uitsluitend in zoetwater). Niet slechts de warme, maar ook de koude zeeën zijn zeer rijk aan geslachten en soorten.
Paludicella behoort tot een orde van Mosdieren, waarin ook alle fossiele leden der klasse een plaats verdienen en bovendien alle hedendaagsche Zee-Bryozoën. Deze--de Naaktkeeligen (Gymnolaemata)--hebben een cirkelvormigen tentakeldrager met een enkelvoudigen krans van tentakels; een deksel tot het afsluiten van de mondopening komt bij hen niet voor.--Een tweede, veel kleinere orde--de Dekselkeeligen (Phylactolaemata)--bevat geen andere dan Zoetwater-Bryozoën, o.a. Christatella. Hun hoefijzervormige tentakeldrager zou men (daar hij een dubbele reeks van 10 à 80 tentakels draagt en daartusschen, op de plaats waar de beide armen van het hoefijzer samenkomen, de mondopening) kunnen afleiden van den vorigen, door dezen tot een halven ring samen te knijpen. Boven de mondopening is steeds een deksel geplaatst, dat aan een strotklepje herinnert.--Met dit deksel moet men niet verwarren dat, waarmede de Naaktkeelige Zee-Bryozoën van de onderorde der Lipmondigen (Chilostomata), o.a. de Hoornwieren (Flustra), den mond van de cel afsluiten en het hierin teruggetrokken lichaam op nog doelmatiger wijze beschutten. Een andere belangrijke eigenaardigheid van de talrijke (1500) soorten van Lipmondigen is de deeling van den arbeid, die aan den stok in toepassing wordt gebracht. De leden der kolonie zijn ongelijk van maaksel en hebben verschillende verrichtingen. Men onderscheidt ze in Cellen of Zooeciën, Stolonen, Aviculariën, Vibrakels en Ovicellen. De Zooeciën zijn van al deze individuën het veelzijdigst ontwikkeld; zij bestaan ieder uit een cel, welks bewoner organen voor het ademhalen en opnemen van voedsel (de ons reeds bekende tentakeldrager met zijne aanhangselen) en een spijskanaal bezit; waarschijnlijk is hij bovendien ook voor zintuigelijke waarnemingen geschikt. De Stolonen of wortelvormige uitloopers van den stok hebben tot taak het geheele gezelschap aan steenen, enz. vast te hechten. Hoogst eigenaardige wezens zijn de Aviculariën; zij gelijken op den kop van een Vogel, b.v. van een Papegaai, die zich voortdurend, als een tang, door spierwerking opent en sluit. Zij worden gedragen door een korten, beweegbaren hals, die dicht bij den ingang van een Zooecium aangehecht is. Happend wenden zij zich naar alle richtingen. Daar het in de nabijheid van de Bryozoënstokken wemelt van allerlei diertjes, die hier een rustplaats opzoeken, kan het niet uitblijven, dat af en toe zulk een wezen binnen het bereik van den happenden snavel komt, die het grijpt en vasthoudt en zich niet opent, voordat het vergaan is. Daar het lijk zich in de onmiddellijke nabijheid van een tentakelkrans bevindt en dit orgaan een maalstroom veroorzaakt, zullen de door verrotting losgerakende deeltjes en tevens allerlei kleine, hierop azende organismen gevoerd worden naar den mond van het individu, dat met de spijsvertering belast is. De Vibrakels zijn lange, draadvormige lichamen, die op een korten steel rusten en, als zweepen, aanhoudend heen en weer slaan. Met welk doel dit geschiedt, is onbekend. De Ovicellen zijn klok-, helm- of blaasvormige lichamen, die, aan het onderste uiteinde van een Zooecium gezeten, ieder een ei bevatten. Of zij werkelijk op een lijn gesteld moeten worden met de vroeger genoemde, ieder in een eigenaardige richting ontwikkelde individuën, of slechts beginsels van Zooeciën zijn, is nog niet uitgemaakt; de laatste zienswijze is de waarschijnlijkste.
ZEVENDE KLASSE.
DE ARMPOOTIGEN (Brachiopoda).
Toen Duméril aan de dieren, die nu besproken zullen worden, den naam gaf, dien men hen tot dusver heeft laten behouden, ging hij uit van de onjuiste onderstelling, dat twee spiraalswijs opgerolde organen, die naast de mondopening ontspringen, "vangarmen" zouden zijn, bestemd om voedsel te grijpen en naar den mond te voeren. Later is het gebleken, dat zij volkomen ongeschikt zijn voor deze verrichting en als kieuwen dienst doen. Door het bezit van een tweekleppige schelp gelijken de Brachiopoden naar het uitwendige veel op Mossels; zij werden daarom vroeger tot de Weekdieren gerekend. Op een nauwgezet onderzoek van het inwendig maaksel en de ontwikkelingsgeschiedenis dezer dieren is de thans heerschende meening gegrond, dat zij nader aan de Wormen verwant zijn en als zeer sterk gewijzigde leden van deze hoofdafdeeling beschouwd moeten worden.
Van de levensverrichtingen der Armpootigen valt weinig mede te deelen. Wat hun handel en wandel betreft, behooren zij tot de saaiste en geheimzinnigste leden der dierenwereld. Van een ander standpunt bezien, verdienen zij echter wel degelijk onze belangstelling. In de hoogste mate passief, zijn zij, zonder belangrijke veranderingen te ondergaan, getuigen geweest van alle wijzigingen van levensomstandigheden, die sedert de alleroudste ons bekende perioden van het bestaan van dierlijk leven hebben plaats gehad. De bloeitijd van deze klasse is sinds lang voorbij. Dat zij in vroegere perioden niet slechts door verscheidenheid van soorten, maar ook, en in nog hoogere mate, door talrijkheid van individuën heeft uitgemunt, getuigen de ontzaglijk dikke steenlagen, die uit overblijfselen van Brachiopoden bestaan. Deze fossielen zijn voor de studie van de samenstelling der aardkorst onontbeerlijke hulpmiddelen, die een nauwkeurige bepaling van de opeenvolging der gesteenten in de oudere formaties mogelijk maken.
Wij zullen beginnen met de beschouwing van de familie der Terebratels (Terebratulidae), die de meeste thans nog levende soorten van Brachiopoden bevat. Bij alle valt dadelijk de ongelijkheid van de helften of kleppen der schelp in 't oog. De eene, de buikklep, is grooter dan de andere en vertoont een binnenwaarts gebogen top of snavel, die van een opening is voorzien. Door dit gat treedt een taaie steel naar buiten, waarmede het dier aan den zeebodem is vastgehecht. Wanneer men aan een ledige schelp de beide kleppen van elkander tracht te verwijderen, blijkt het, dat zij in de nabijheid van den snavel verbonden zijn door een paar tanden van de grootste of buikklep, die in kuiltjes van de kleinere rugklep passen. Hoewel haar de veerkrachtige slotband ontbreekt, die de kleppen van een mosselschelp verbindt, kunnen zij niet uitvallen. Van het "slotveld" van de rugklep gaat het sierlijke, hier lisvormig gebogene, verkalkte steuntoestel der armen uit, dat naar den tegenoverliggenden, vrijen bovenrand gericht is. De grootte en de vorm van dit toestel zijn verschillend en leveren belangrijke kenmerken op voor de onderscheiding der familiën en geslachten. Het dient als drager en tot steun van twee spiraalswijs opgerolde, met lange franje (cirren) bezette lipaanhangsels (de zoogenaamde "armen"). Deze vullen het grootste deel van de holte der schelp; onder den mond, vanwaar zij uitgaan (zie de achterstaande afbeelding bij o), zijn zij verbonden door een vliezige brug, die eveneens cirren draagt. De gekromde steel of schaft der armen is slechts voor geringe bewegingen geschikt, ook de franjes zijn tamelijk stijf; al deze deelen bevatten echter kanalen en zijn hierdoor in hooge mate geschikt voor de rol van ademhalingswerktuigen. Zij zijn bezet met trilharen, die in 't water een strooming veroorzaken, waardoor de fijn verdeelde voedseldeeltjes naar de mondopening worden gevoerd. Het spijskanaal is kort en eindigt blind bij x.
De tot dusver besprokene deelen, die bij het openen van de schelp onmiddellijk in 't oog vallen, zijn omhuld door twee dunne mantellobben, nauw aansluitend tegen de binnenste oppervlakte van de schelpkleppen, die er als 't ware de verharde buitenlaag van zijn. De mannetjes en de wijfjes zijn in sommige gevallen kenbaar aan een verschil in vorm van de schelp.
De verwantschap van de Brachiopoden met de Wormen blijkt vooral uit hun ontwikkelingsgeschiedenis en gedaantewisseling. De eieren geraken na het verlaten van den eierstok in een door de onderste mantellob gevormden zak; waar zij zich tot kiemen ontwikkelen. In deze ruimte bevinden zich nu ook de beide naastbij gelegen armcirren, die, dikker wordend, aan haar einde een knobbel vormen, waaraan de eieren zich hechten en waarmede de kiemen, ieder door tusschenkomst van een korten band, vergroeien. Het embryo heeft aanvankelijk eenigszins den vorm van een kadetje, maar krijgt allengs het voorkomen van een korten, plompen Ringworm. Het duidelijkst is deze overeenkomst op den hieronder (fig. a) afgebeelden trap van ontwikkeling. Van boven, onder a, ziet men den steel, die den nek van het embryo verbindt met de armfranje, welke in den broedzak ligt. Op de voorste en kleinste afdeeling van het lichaam komen 4 oogstippels voor, daartusschen een kuiltje, de toekomstige mond. De twee dikste, middelste afdeelingen zijn, evenals de daarop volgende kleinere, met trilharen bekleed.
Met de achterste afdeeling hecht het jonge dier zich vast, wanneer het zich gereed maakt voor de laatste gedaantewisseling; de kop en het daarop volgende, kraagvormige segment worden opgenomen in een omwalling, die van het derde segment uitgaat (fig. b). Deze kom groeit al meer en meer naar boven uit en vormt de beide mantellobben, die men zoo dikwijls ten onrechte vergeleken heeft met de mantelhelften der Plaatkieuwige Weekdieren, hoewel deze huidplooien van de rugzijde uitgaan. De nevenstaande afbeelding b toont, hoe de jonge Thecidium, als 't ware tot zichzelf inkeerend, afscheid neemt van het vrije leven, dat hij tot dusver leidde om voortaan in een geheel andere gedaante zich aan eenzelvige bespiegelingen te wijden.
Van de levenswijze van Terebratula caput-serpentis, een tot de Terebratels behoorende soort, die in de zee om Noorwegen veelvuldig voorkomt, zegt Barett: "Deze vertoont zich veelvuldiger dan eenige andere en steekt bovendien hare cirren verder uit; in kleinen getale werd zij op een diepte van 30 à 150 vademen overal gevonden, dikwijls vastgehecht aan polypenstokken van een soort van Koraaldieren (Oculina). De cirren aan het naar boven gerichte deel van de armen zijn korter dan die op het benedenwaarts gerichte deel; zij waren bijna voortdurend in beweging; dikwijls zag men, dat zij kleine voorwerpjes naar het aan haar basis aanwezige kanaal geleidden. Wanneer men het dier in een bak met zeewater plaatste, opende het langzaam de schelp. Individuën, die aan andere voorwerpen vastgehecht waren gebleven, toonden een merkwaardige neiging en geschiktheid om zich op hun steelspier te bewegen. Losgemaakte exemplaren kon men heen en weer schuiven, zonder dat het dier hierin aanleiding vond om zijn schelp te sluiten. Het aanraken van eenige der uitgestoken cirren, was het sein tot het onmiddellijk terugtrekken van al deze organen en tot het sluiten van de schelp, die echter spoedig weder geopend werd. Als de armen teruggetrokken zijn, hebben ook de cirren een binnenwaarts gebogen stand; wanneer de schelp zich opent, ziet men de cirren een bovenwaartsche richting aannemen en recht worden. Dikwijls werd echter waargenomen, dat het dier vóór het openen van de schelp een klein aantal cirren naar buiten steekt en heen en weer beweegt, als om te onderzoeken, of er ook gevaar dreigt. Ik trachtte het bestaan van stroomingen te bepalen door met een penseel een kleine hoeveelheid indigo toe te voegen aan het water, dat het dier omgaf; drie-maal zag ik, dat de kleurstof met geweld naar binnen getrokken werd en door het kanaal aan de basis der cirren in de richting naar den mond zich voortbewoog."
Reeds in den tijd toen de Devonische aardlagen uit de zee bezonken, leefden vertegenwoordigers van de familie der Terebratuliden; tot in de jongste perioden van de aardgeschiedenis zijn uit dezen stam takken ontsproten; die van den tegenwoordigen tijd vormen 10 geslachten met ruim 60 soorten, welker gezamenlijk verbreidingsgebied alle zeeën omvat. De meeste zijn bewoners van groote, hoewel niet van de allergrootste diepten; hun schelp is sterk verkalkt, tamelijk dik en ondoorzichtig, evenals die van alle in diepe zeeën levende Armpootigen.
Het geslacht Thecidium kenmerkt zich door een zeer eigenaardige ontwikkeling van het verkalkte steuntoestel der armen; het is zonder steel vastgehecht en vertegenwoordigt daarom een afzonderlijke familie (Thecidiidae). Het omvat slechts 2 hedendaagsche soorten, waarvan één, Thecidium mediterraneum, in de Middellandsche Zee, op een diepte van 40 à 50 vademen, aan onderzeesche voorwerpen vastgehecht, gevonden wordt. Het waarnemen van dit dier is zeer gemakkelijk, daar het in een aquarium maanden lang blijft leven. De kleine rugklep, die zich bij het openen van de schelp verheft, tot zij een rechten hoek vormt met de buikklep, valt bij de geringste beweging die men maakt, bliksemsnel weer om. Het blijkt duidelijk, dat de Thecidiën gevoelig zijn voor het licht, daar de exemplaren, die door schaduw getroffen worden, oogenblikkelijk hun schelp sluiten. Als de schelp open is, kan men, wegens het sterk uiteenwijken der kleppen, alle lichaamsdeelen goed onderscheiden, vooral de franjes en de armen. De binnenste oppervlakte van de schelp is zoo schitterend wit en de haar bedekkende mantel zoo doorzichtig, dat men het verkalkte, lusvormige steuntoestel der armen en de verhevenheden op de kleppen volkomen duidelijk kan onderscheiden, zonder den mantel op te merken. Van buiten is de schelp zelden wit en glad, gewoonlijk daarentegen bedekt met daarop gevestigde planten en dieren.
De familie der Rhynchonelliden, die in de hedendaagsche zeeën door 7 soorten vertegenwoordigd wordt, is veel ouder dan de vorige en bestond zelfs eerder dan die der Terebratuliden. Reeds in het Silurische tijdperk was het aantal leden van het geslacht Rhynchonella zeer aanzienlijk; in de Jura- en krijtperioden bereikte het zijn grootste hoogte; thans leven nog 6 van de 500 bekende soorten. Een daarvan--Rhynchonella psittacea--komt in de noordelijke zeeën voor, ofschoon niet zeer veelvuldig; men vindt haar bij Tromsö op een diepte van 70 à 150 vademen.
De tot dusver genoemde vormen maken deel uit van de orde der Slotschaligen (Testicardines); zij hebben een verkalkte schelp met goed ontwikkeld slot en leven (of leefden) voor 't meerendeel op den bodem van diepe zeeën.
De meeste thans nog levende Slotlooze Brachiopoden (Ecardines) behooren tot de familiën der Linguliden en Disciniden. Deze hebben een hoornachtige schelp, waaraan geen uitsteeksels tot het steunen der armen voorkomen. Wegens het ontbreken van het slot worden de kleppen alleen door spieren bijeengehouden en laten de zijwaartsche verschuiving toe, die bij het openen der schelp wordt waargenomen. Deze dieren bewonen hoofdzakelijk de oeverzone van de zee en zijn tot de warme luchtstreek beperkt; het aantal bijeenlevende individuën is dikwijls zeer groot. Zij zijn weinig veranderde afstammelingen van de alleroudste Brachiopoden, daar reeds in lagen van de eerste of Cambrische afdeeling der Silurische formatie vele soorten van de geslachten Lingula en Discina voorkomen; hun aantal heeft in de volgende tijdperken weinig verandering ondergaan. Het geslacht Lingula omvat, behalve 100 fossiele, 11 nog levende soorten. Alle hebben een dunne, hoornachtige, bijna buigzame schelp, vastgehecht door een steel, die aan het eenigszins spitse einde, waar ook de top zich bevindt, tusschen de nagenoeg gelijke kleppen naar buiten komt. Geen der levende soorten wordt bij Europa gevonden. Lingula pyramidata woont bij de Amerikaansche kust. Haar groenachtige schelp is 2.5 cM. lang en bijna 1 cM. breed. De steel (9 maal zoo lang als het lichaam en niet vastgegroeid aan de tot steun dienende voorwerpen) kan zich als een Worm bewegen en is, evenals sommige Wormen, in staat om aan zijn oppervlakte het zand tot een koker samen te voegen. Zoowel in de vrije natuur als in het aquarium maken deze dieren in het zand holten, die hun tot schuilplaats dienen. De over elkander gelegde, lange borstels van den rand der beide mantellobben vormen een soort van zeef, waardoor het zand van de kieuwen verwijderd wordt gehouden.
Cirkelrond en bijna gelijk van grootte en vorm zijn de meestal gladde, dunne en glanzige schelpkleppen van Discina, waarvan 4 soorten thans nog de tropische zeeën bewonen. De top is nagenoeg in 't midden gelegen. De rugklep is bol. Aan de iets plattere buikklep komt achter het midden een kleine, driehoekige verhevenheid voor, met een ronde opening, die den ter vasthechting dienenden steel doorlaat.
ACHTSTE KLASSE.
DE PLATWORMEN (Plathelminthes).
De Platwormen, die in zóó belangrijke opzichten van alle vroeger genoemde Wormen verschillen, dat zij naar het oordeel van sommige dierkundigen een afzonderlijke hoofdafdeeling moeten vormen, danken hieraan hun plaatsing in 't laatste gelid. Een enkele vertegenwoordiger van deze klasse is aan iedereen, althans bij name, bekend, n.l. de een of andere soort van Lintworm. Een in spiritus geconserveerd exemplaar van dezen parasiet kan de behoefte bevredigen aan minstens één voorwerp, waarop bij een algemeene bespreking de gedachten gevestigd blijven. Bij 't beschouwen van een Lintworm treden echter eigenaardigheden, die voor het recht begrip van de klasse in 't algemeen niet van 't allerhoogste belang zijn, op den voorgrond en doen hierdoor andere van meer gewicht minder duidelijk uitkomen. In het niet onwaarschijnlijke geval, dat de lezer geen anderen Platworm kent, meenen wij hem te moeten aanraden, voor de eerste kennismaking met deze vormenrijke klasse een harer vrij levende vertegenwoordigers te kiezen, b.v. den 12 à 25 mM. langen, (half-schematisch) afgebeelden Melkwitten Platworm (Dendrocoelum lacteum), die op vele plaatsen van ons land in stilstaand water veelvuldig voorkomt. Den meesten uwer zal trouwens het nagaan van dit bevallige diertje meer aanlokken dan het beschouwen van een dooden parasiet. Ofschoon de Dendrocoelum misschien sommigen eenigszins aan een Naakten Slak herinnert, zal men in hem, zelfs zonder nader onderzoek, allicht een Worm herkennen. Pogingen om hem met de vingers of, zoo het een klein exemplaar is, met een tangetje te vatten, zullen dikwijls tot de ervaring leiden, dat het diertje betrekkelijk teer is en licht beschadigd wordt. Bij zulk een onwillekeurige verscheuring en bij het opzettelijk ontleden van de buit gemaakte exemplaren zal men opmerken, dat hunne organen niet, gelijk die der meeste Ring- en Rondwormen, min of meer vrij liggen in een door den huidspierzak omhulde lichaamsholte, maar dicht omgeven zijn door een vlokkig en vezelachtig weefsel, dat parenchym wordt genoemd. Soortgelijke ervaringen, als men bij de hier tot voorbeeld gekozene, vrij levende Platwormen opdoet, leveren de talrijke, parasiteerende leden van dezelfde klasse, b.v. de Lintwormen en de Leverbotten. Op den regel, dat de meeste Platwormen een platte gedaante hebben, komen niet minder uitzonderingen voor dan op dien, dat de meeste Rondwormen op de dwarsdoorsnede cirkelrond zijn. De toevoeging "in den regel" kan men evenmin ontberen bij een omschrijving van de overige eigenaardigheden. De lichaamsholte ontbreekt in den regel, zooals reeds gezegd is, maar wordt bij de Nemertinen duidelijk waargenomen. Van een spijskanaal is soms geen spoor voorhanden (Cestoden); waar het aanwezig is, ontbreekt meestal de aarsopening (Zuigwormen, Trilwormen); bij de Snoerwormen komt zoowel een mond- als een aarsopening voor. Alleen bij deze treft men afzonderlijke organen voor bloedsomloop en ademhaling aan. Nagenoeg alleen bij hen zijn de geslachten gescheiden. Als hoofddeelen van het zenuwstelsel zijn in den regel één paar zenuwknoopen aanwezig in 't voorste deel van 't lichaam (boven den slokdarm bij de vormen, die een spijskanaal bezitten); alleen bij de Nemertinen is dit gangliënpaar verbonden met een tweede onder den slokdarm. Van de centrale deelen gaan, behalve zenuwtakken naar voren en naar de zijden, twee achterwaarts gerichte zenuwstammen uit. Oogvlekken met of zonder lichtbrekende organen zijn bij vele groepen aanwezig; een gehoorblaasje komt slechts bij enkele soorten voor.
Wij verdeelen de Platwormen in 4 orden: 1) de Lintwormen (Cestodes), 2) de Zuigwormen (Trematodes), 3) de Trilwormen (Turbellaria) en 4) de Snoerwormen (Nemertini).
EERSTE ORDE.
DE LINTWORMEN (Cestodes).
Evenals de Trichinen, zijn de Lintwormen zoo populair, dat het ons volstrekt niet gewaagd voorkomt, in goed gezelschap van hen en hun levensloop te spreken. Iedere huisvrouw, die in haar keuken een voldoend sanitair toezicht wil oefenen, zal, om haar doel te bereiken, met deze dieren en hunne onwillekeurige verhuizingen kennis moeten maken. Hierdoor zal trouwens zonder eenigen twijfel belangstelling worden gewekt in den bouw en de levensgeschiedenis van de samengestelde wezens of koloniën van dieren, die men gewoon is Lintwormen te noemen, alsof elk dezer lange linten slechts één dier is. Bovendien is zoo'n wezen, wanneer het, gewikkeld om een plaat glasporcelein, in een schoone flesch met zuiveren spiritus bewaard wordt, volstrekt geen afkeerwekkend voorwerp. Wanneer men liever niet met een Menschenlintworm te maken heeft, kan men zeer goed een wezen van soortgelijk maaksel beschouwen, dat een anderen gastheer bewoonde. Er is keuze genoeg: Honden, Katten, Vorschen, Visschen en nog vele andere dieren kunnen Cestoden leveren. Dat deze niet bij alle menschen afkeer wekken, blijkt uit het gebruik, dat door de gastronomen wordt gemaakt van de met Ingewandswormen gevulde darmen der Snippen: gehakt en behoorlijk gekruid, op stukken brood gebakken, leveren zij een smakelijk gerecht.