Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen
Part 6
De geslachtsrijpe Trichinen leven uitsluitend in den darm van den mensch en van een aantal Zoogdieren en Vogels; zij heeten "Darmtrichinen" naar de plaats waar zij volwassen worden, zich voortplanten en sterven. Het aantal wijfjes overtreft dat der mannetjes in hooge mate; de verhouding is ongeveer van 12 tot 1. De wijfjes zijn zelden meer dan 3, hoogstens 5 mM. lang; de mannetjes kunnen een lengte van 1.5 mM. bereiken. Met goede oogen kan men ze dus bij zeer oplettende beschouwing van den darminhoud zonder vergrootglas waarnemen. De mond is geheel vooraan gelegen; tot over het midden neemt de dikte gelijkmatig toe; zij vermindert verderop een weinig tot aan het achtereinde, dat bij het wijfje stomp afgerond is, bij het mannetje een paar kegelvormige uitwassen vertoont. Zooals reeds gezegd is, begeven de Darmtrichinen zich nooit naar de spieren, maar blijven in het spijskanaal, waar zij in normale omstandigheden nog 5 weken of iets langer (bijna uitsluitend tusschen de darmvlokken, niet in de spijsbrij) leven; zij groeien intusschen zoo snel en brengen hare geslachtsproducten zoo schielijk tot rijpheid, dat reeds 5 dagen na het binnendringen van de oude Trichinen in den darm de nieuwe generatie zich vertoont. Deze is verbazend talrijk; voorin het lange, buisvormige orgaan, welks achterste deel de eieren voortbrengt, liggen de embryonen, die reeds in den eileider hun hulsel afwerpen, dicht opeengepakt bijeen. De opening, waardoor zij het lichaam van de moeder verlaten, licht op korten afstand van het mondeinde. Ieder wijfje brengt 1500 à 2000 jongen ter wereld, bij hoopjes van 60 à 80. De jongen zijn bij de geboorte 0.1 mM. lang. Daar hun verblijf in den darm van korten duur is, zou het eerste hoofdstuk van hun levensgeschiedenis tot opschrift kunnen hebben: de trekkende Trichinen. De openingen van het lymphvatenstelsel aan de binnenste oppervlakte van den darmwand maken het de reizigsters gemakkelijk in de bloedvaten door te dringen en zich door den bloedstroom tot in de spieren van de verst verwijderde organen te laten vervoeren. Dit schijnt echter slechts bij uitzondering te geschieden; veelvuldiger begeven de jonge Trichinen zich actief door den darmwand heen naar de lichaamsholte en zetten van hier de reis voort door het losse bindweefsel, dat de bloedvaten vergezelt, totdat zij het spierweefsel bereiken. Hoe rijkelijker het bindweefsel een spier omkleedt, des te grooter is in den regel het aantal der hierin gevestigde Trichinen. Deze bewonen echter nagenoeg uitsluitend de "dwarsgestreepte" spieren, die voor de willekeurige beweging dienen, niet de "gladde" spieren van den darmwand, evenmin de "dwarsgestreepte", doch niet aan den wil onderworpen spieren van het hart. Over 't algemeen komen zij in veel geringer aantal voor in de ledematen van den stam. Deze kan in de spieren van alle zijne deelen Trichinen herbergen; het meest vindt men ze echter in het middelrif, de halsspieren, de kauwspieren, de tong, kortom in allerlei spieren en spiergroepen, die bij het ademen en kauwen diensten bewijzen en voortdurend (of althans veelvuldig) werkzaam zijn. Waarschijnlijk bevordert de samentrekking der spieren de verplaatsing der trekkende Trichinen. Gemiddeld zijn alle in de buikholte aangeland op den 8en of 9en dag na het eten van het trichineuze varkensvleesch door den gastheer en hebben weinige dagen later de spier, het doel van de reis, bereikt. Dit is het begin van de periode der Spiertrichinen, die ongeveer 3 weken na het binnendringen harer ouders in den darm van den gastheer zulk een trap van ontwikkeling bereikt hebben, dat het door hen bewoonde vleesch in staat is de besmetting over te brengen. De spieren (gewoonlijk "vleesch" genoemd) bestaan uit onderling evenwijdige, zeer lange, 0.01 à 0.05 mM. dikke, rondachtige, samentrekbare vezeltjes; gemiddeld zijn deze spiervezels of "primitiefvezels" bij den mensch ten getale van 28000 voorhanden in iedere cM2 oppervlakte van de dwars doorgesneden spier. Zij zijn vereenigd tot 0.5 à 1 mM. dikke bundels, ieder omsloten door een dunne bindweefselscheede (sarcolemma), die op hun beurt dikkere, evenzoo omhulde, secundaire bundels vormen, die, soms herhaaldelijk opnieuw op deze wijze gegroepeerd, de door een algemeene scheede omhulde spier samenstellen. De jonge Trichine, die, het sarcolemma doorborend, in den spierbundel is doorgedrongen, legt hierbinnen een zekeren weg af en vernielt zoodoende de fijnste weefselbestanddeelen. Het is mogelijk, dat de Worm, zooals Virchow vermoedt, de vleeschzelfstandigheid in zijn spijskanaal opneemt; in ieder geval doet de prikkel, die hij uitoefent, onder gedeeltelijke verandering van het sarcolemma en zijn inhoud, rondom den intusschen steeds grooter wordenden parasiet een massa ontstaan, die allengs steviger en dichter wordt en waaraan men nog geruimen tijd de omhullende laag en de inwendige woekering onderscheiden kan. Naarmate het aanvankelijk recht uitgestrekte of lusvormig gekromde dier langer wordt, neemt het hoe langer hoe meer een spiraalvormige gedaante aan; reeds in de 3e-5e week na de vestiging heeft deze verandering plaats. Vervolgens neemt de dikte van de kapsel allengs toe; vooral haar inhoud wordt dichter, in mindere mate de omhullende laag. Het middelste deel van de kapsel vertoont zich bij matige vergrooting als een nagenoeg kleurlooze, bol- of eivormige massa, waarin het dier duidelijk zichtbaar is; enkele malen bevat een kapsel 2, zelden 3 of 4 Trichinen. Ongeveer een jaar na de infectie van de spier begint de kapselwand te verkalken en is dan als een wit puntje te midden van de roodachtige spier met het bloote oog zichtbaar. De Worm is nu, als een vogelei, door een kalkschaal omgeven en kan met den microscoop niet meer waargenomen worden, voordat men met een druppel verdund zoutzuur de koolzure kalk heeft weggenomen; hij groeit niet meer, is 0.8 à 1 mM. lang en vertoont gewoonlijk 4 spiraalwindingen, zoodat hij de gemiddeld 0.4 mM. lange, 0.26 mM. dikke kapsel op verre na niet vult. Jaren lang kan hij in dezen toestand leven en voor verdere ontwikkeling geschikt blijven. Van verandering is echter geen sprake, voordat hij in den darm van een ander dier is geraakt. Wel zal ten langen laatste de Worm bezwijken en verkalken. Ontzaglijk groot is soms het aantal kapsels; in een door Cobbold onderzocht lijk werd het op 100 millioen geschat: Leuckart vond er 60 in een spierbundeltje van 0.01 Gram, hetgeen bij gelijkmatige verbreiding van de Trichinen door een menschelijk lichaam van 20 KG. spiergewicht een totaal van 120 millioen zou opleveren.
Menschen en dieren, die de hevige en gevaarlijke ziekteverschijnselen, waarmede de immigratie van tallooze Trichinen in de spieren gepaard gaat, te boven zijn gekomen en welker vernielde spiervezels door nieuwe vormingen vervangen zijn, hebben van de gasten, die zij herbergen, later geen last meer. Dit blijkt o.a. uit het volgende merkwaardige geval: In het jaar 1845 ontbeten na eene schoolinspectie in een Saksische provinciestad de 7 personen, die hierbij dienst hadden gedaan, in een hôtel. Worst, ham, witte en roode wijn, enz. werden hun voorgediend. Alle 7 werden zeer zwaar ziek; vier er van stierven. Daar een achtste persoon, die ook bij het gezelschap was geweest, maar niets anders had gebruikt dan een glas rooden wijn, gezond bleef, kwam men tot het vermoeden van vergift in den witten wijn. Ofschoon dit niet bewezen kon worden, bleef op den herbergier zulk een zware verdenking rusten, dat hij zich genoodzaakt zag het land te verlaten. Toen een der genezen patiënten in 1863 wegens een gezwel aan den hals een operatie moest ondergaan, ontdekte Prof. Langenbeck in de blootgelegde spier een groot aantal ingekapselde Trichinen; nogmaals de ziekteverschijnselen bij de vermeende vergiftiging nagaande, kwam men tot de overtuiging, dat ook deze op een geval van trichinose wezen.
De Spiertrichinen moeten, om geslachtsrijp te kunnen worden, overgaan in het darmkanaal van den mensch of van sommige dieren. Voor deze laatste ontwikkelings- en levensperiode zijn, voor zoover men thans weet, de volgende dieren geschikt: Paard, Zwijn, Konijn, Haas, Guineesche Biggetje, Muis, Rat, Kat, Hond, Egel, Kalf, Groote Ooruil, Vlaamsche Gaai, Duif, Kalkoen, Huishoen. Deze lijst is waarschijnlijk nog voor zeer veel uitbreiding vatbaar. Er, dient echter bij opgemerkt te worden, dat bij geen enkelen Vogel de jonge Trichinen uit den darm naar de spieren verhuizen. Voorts kunnen van de Zoogdieren, die geregeld den mensch tot voedsel dienen, de plantenetende Konijnen, Hazen en Runderen uit den aard der zaak slechts in zeer bijzondere omstandigheden door trichinose aangetast worden; zij komen bij gevolg als bronnen van besmetting niet in aanmerking. Iedereen begrijpt, dat alleen ten aanzien van het Zwijn voorzorgsmaatregelen reden van bestaan hebben. Het optreden van trichinose bij het Varken moet, misschien, soms geweten worden aan de Muizen en Ratten, die dit dier toevallig verslindt, in de meeste gevallen echter zal de oorzaak van de ziekte wel een ander Varken zijn geweest; er is reden om aan te nemen, dat vooral door het mesten van dit vee met het afval van varkensslachterijen de gevreesde ziekte in de hand gewerkt wordt. In Nederland schijnt zij niet of nagenoeg niet voor te komen. Bekend is het, dat door kookhitte (en zelfs reeds bij een temperatuur van 65 à 70° C.) de bedoelde parasieten gedood worden; alle deelen van het vleesch moeten echter aan deze temperatuur blootgesteld zijn geweest; dit mag dus van binnen niet meer bloederig of zelfs roodachtig zijn.
Een onschadelijken bewoner van het menschelijk lichaam is de Haarkopworm (Trichocephalus dispar), die ruim 3 cM. lang kan worden. Het voorste deel, dat den betrekkelijk langen slokdarm bevat, is haarvormig en neemt bijna 3/5 van de geheele lichaamslengte in beslag; het achtereinde is stomp, bij 't mannetje spiraalsgewijs opgerold, bij 't wijfje niet. Dit dier bewoont den blinden darm, in welks slijmvlies het een gang boort, die het geheele dunne voorlijf bevat. Het komt even veelvuldig voor als de Spoelworm en stemt met dezen overeen door de wijze, waarop het zich verbreidt.
DERDE ORDE.
DE SNAARWORMEN (Gordiacei).
De Snaarwormen (Gordiacei) worden wegens een eigenaardig, bij de overige Rondwormen niet voorkomend verschijnsel in den ontwikkelingsgang, als een afzonderlijke orde beschouwd. Het aanvankelijk bij hen aanwezige, van mond tot aars reikende spijskanaal gaat in de laatste levensperiode, terwijl de geslachtsorganen en het zenuwstelsel in volkomenheid toenemen, gedeeltelijk te niet: de voorste afdeeling met den mond verdwijnt bij de Koordwormen (Gordiidae), de achterste afdeeling met den aars bij de Mermiswormen (Mermitidae). Daar beide gedurende dit tijdperk van hun bestaan vrij leven en dus niet door de huid stoffen uit de omgeving kunnen opnemen, beteekent het genoemde verlies voor de Gordiïden het ophouden van voedseltoevoer. De inheemsche Koordwormen, die niet zelden in het langzaam stroomend water van beken, vaarten en slooten voorkomen, worden gewoonlijk aangeduid met den naam Gordius aquaticus. Soms geven zij door vorm en afmetingen in zekeren zin rekenschap van het oude volksgeloof, dat hen door de werking van 't water op paardenhaar doet ontstaan. Mannelijke exemplaren van 1 M. lengte en 1 mM. dikte komen voor. De lengte is echter zeer verschillend: die van het mannetje bedraagt gemiddeld 10 à 15 cM. bij een dikte van 0.2 à 0.5 mM., die van het iets dikkere wijfje 10 cM. De mannetjes, die, in tegenstelling met de overige Rondwormen, veel talrijker gevonden worden dan de wijfjes, zijn kenbaar aan den vorm van 't achterste lichaamseinde: dit splitst zich even achter de kloakopening in 2 korte, afgeronde stukken, ieder ongeveer half zoo dik als het overige lichaam. De kleur, die in den regel door verschillende tinten van bruin varieert, is bij de mannetjes donkerder dan bij de (soms geelachtige) wijfjes.
Met uitzondering van hun laatste levenstijdperk, parasiteeren de Koordwormen voortdurend in verschillende waterdieren. De 0.05 mM. lange larve heeft een cilindervormig lichaam, waaraan men 2 afdeelingen kan onderscheiden: uit de voorste en dikste kan een soort van kop worden uitgestulpt, die met twee kransen ieder van 6 haakjes gewapend is en waaruit bovendien nog een hoornachtig snuitje te voorschijn komt. Deze werktuigen stellen haar in staat de eischaal te verlaten en vervolgens de huid van een Haft- of Kokerjufferlarve, bij voorkeur het dunne geledingsvlies van een der pootgewrichten, te doorboren. Zij dringt door het gaatje naar binnen en klimt door het afwisselend uitstulpen en weer terugtrekken van het kopgedeelte tusschen de spiervezels van den poot omhoog. De parasieten vestigen zich in allerlei deelen van de Insectenlarve, gaan in een rusttoestand over en kapselen zich in, evenals de Spiertrichinen. Met het door hen bewoonde dier worden de jonge Gordiën door Zoetwatervisschen ingeslikt; omgeven door een nieuwe schaal vertoeven zij 5 of 6 maanden in het slijmvlies van het darmkanaal van dezen tweeden gastheer en ondergaan daarna de laatste gedaantewisseling.
Ook de Mermitiden zijn tamelijk lang: de wijfjes hebben een lengte van hoogstens 10.5 cM.; de veel minder talrijke mannetjes zijn korter. Vooral in den zomer na een warmen regen gedurende den nacht vindt men deze Wormen des morgens soms bij duizenden aan de oppervlakte van den grond. Door hun plotselinge verschijning hebben zij aanleiding gegeven tot het sprookje van den "wormenregen". Overigens liggen zij gewoonlijk afzonderlijk of tot kluwens ineengerold in den grond, bewegen zich langzaam, wanneer de aarde besproeid wordt en komen dan voor eenigen tijd aan de oppervlakte. Tegen aanraking verzetten zij zich door een snelle, ontwijkende beweging.
Uit de eieren, die Mermis albicans in den zomer legt, komen eerst in 't volgende voorjaar larven. Deze dringen, na een kortstondig verblijf in den grond, borend door in de lichaamsholte van Insecten of Insectenlarven, om hier te blijven, totdat de laatste gedaantewisseling heeft plaats gehad. De larven kunnen, in verhouding tot haar grootte (8 mM.), verre reizen doen: bij vochtig weer klimmen zij zelfs in de boomen, om zich o.a. te vestigen in de lichaamsholte van rupsen van den Appelbladroller (Carpocapsa pomonella), die in appels en peren gangen knagen. Het meest komen de Mermis-larven voor in rupsen van Vlinders, veelvuldig ook in Sprinkhanen, bovendien echter in allerlei andere Insecten.
Zeer zonderlinge wezens zijn de Pijlwormen of Vinwormen (Sagitta), die men tegenwoordig meestal als leden van de klasse der Rondwormen beschouwt. Borstelkakigen (Chaetognathi) heeten zij wegens de borstels naast de mondopening, die de rol van kaken vervullen. Uitwendig gelijken zij op vischjes: de vrij duidelijk begrensde kop draagt 2 oogen, de romp aan weerszijden 2 vinvormige verbreedingen; voorbij het midden komt de aarsopening, verder achterwaarts de geslachtsopening, aan 't einde een horizontale staartvin voor. De Zeepijl (Sagitta bipunctata), die door Slabber het eerst (in 1768 aan onze kust) werd waargenomen, is 30 à 45 mM. lang, over alle zeeën verbreid en een bewoner van de bovenste waterlaag, waar deze Wormen niet zelden groote scholen vormen.
ZESDE KLASSE.
DE MOSDIEREN (Bryozoa).
De Mosdieren (Bryozoa), waarvan Trembley in 1740 de eerste zoetwaterwormen ontdekte, werden destijds als Polypen beschouwd, zoowel omdat zij in volwassen toestand steeds tot "stokken" of "koloniën" vereenigd zijn, als wegens de voelers, die de mondopening omgeven en hier één krans of twee bundels vormen. Milne-Edwards heeft na een nauwkeurig onderzoek van het inwendig samenstel der Bryozoën aangetoond, dat zij veel meer overeenkomen met de Manteldieren, (die destijds, evenals de Armpootigen tot de Weekdieren werden gerekend) dan met de Polypen. Dit gaf aanleiding tot de plaatsing van de Mosdieren in de hoofdafdeeling der Weekdieren, waaruit zij later met andere klassen, die in belangrijke opzichten afwijkingen van het hoofdtype vertoonen, verwijderd werden, om onder den naam "Weekdierachtigen" of Molluscoïden met de Manteldieren en de Armpootigen een afzonderlijke hoofdafdeeling te vormen. Toen (vooral door de onderzoekingen van Kowalévsky) de aandacht was gevestigd op de overeenkomst tusschen de ontwikkelingsgeschiedenis der allereenvoudigste Gewervelde Dieren en die der Manteldieren, werden de laatstgenoemde tot een hoofdafdeeling verheven. Tegenwoordig worden de Mosdieren en de Armpootigen, eveneens op grond van hun ontwikkelingsgeschiedenis, gewoonlijk als Wormen beschouwd. Het naast zijn de Bryozoën aan de Raderdieren verwant. Ter kennismaking moge de hieronder afgebeelde dienen. Zij heeft betrekking op Paludicella Ehrenbergii, een bewoonster van stilstaand en langzaam stroomend zoetwater. Door Kraepelin werd zij (met 60 andere diervormen) in de buizen van de Hamburger waterleiding gevonden. Tot voor korten tijd was zij de eenige Europeesche soort van haar geslacht. Men kent er tegenwoordig ook een uit brakwater. Op één enkele uitzondering na (Loxosoma) vormen alle Mosdieren koloniën. Die van Paludicella zijn aan steenen vastgehecht en er grootendeels over uitgespreid; enkele fijne takjes zijn vrij naar boven gericht. In onze afbeelding is slechts een enkel dier voorgesteld; zijne buren werden bij d en bij e afgebroken. De overigens stijve lichaamswand is van voren buigzaam genoeg om door de werking van verscheidene spieren (m) naar binnen omgestulpt te worden. Aan dit voorste uiteinde bevindt zich de tentakeldrager, een cirkelvormige schijf, die in 't midden de mondopening en aan den rand een enkelvoudigen krans van met trilharen begroeide voeldraden of tentakels (a) vertoont. Deze dienen voor de ademhaling en voeren ook als "maalstroomorganen" het voedsel naar binnen. De tentakels en hun drager bevatten een voortzetting van de lichaamsholte, maar worden toch eenvoudig teruggetrokken, niet omgestulpt. Het spijskanaal, dat met een gespierd slokdarmhoofd (b) begint, hangt lusvormig in de met voedingsvocht gevulde lichaamsholte, zoodat de maag (g) het laagst gelegen is; de darm, die zich hier naar boven ombuigt, eindigt op korten afstand van den mond (bij x). Het overigens geheel vrije spijskanaal is van onderen door een korte streng (funiculus) losjes met den lichaamswand verbonden. Deze wand bestaat uit 2 lagen: de buitenste, de taaie ectocyst, is van binnen bekleed met de weeke endocyst, die haar gevormd heeft. De ectocyst heet cel, voor zoover zij niet door het dier teruggetrokken kan worden; het zijwaarts naar boven gerichte stuk, dat na het terugtrekken van den tentakeldrager naar binnen gestulpt is, heet tentakelscheede. Nagenoeg alle Bryozoën zijn tweeslachtig: de mannelijke geslachtsorganen (t) en de eierstokken (o) bevinden zich aan den wand der lichaamsholte; deze is inwendig met trilharen bekleed, die het voedingsvocht in beweging houden.
Zonder microscoop ziet men weinig of niets van de zooeven geschetste verschijnselen, die, wat hoofdzaken betreft, bij alle Bryozoën voorkomen. Over 't algemeen trekken zelfs de zoetwaterbewoners dezer klasse zeer weinig de aandacht van niet-deskundigen. De sierlijke gestalte der individuën komt wegens hun geringe grootte niet tot haar recht. Meestal zijn zij nog kleiner dan de door ons als voorbeeld gekozen soort: gemiddeld bedraagt hun lengte 1 à 5 mM., zelden meer, dikwijls minder. Wel kunnen de door hen gevormde "stokken" of kolonies een vrij aanzienlijke grootte bereiken, b.v. 30 of meer cM. lang worden, of de wortels en stengels van plompen tot op armdikte omkorsten; op deze stokken wordt echter in den regel niet gelet, daar zij week, onaanzienlijk van vorm en wankleurig zijn. De stokken van de talrijke Zee-Bryozoën daarentegen--waarvan sommige, o.a. de bladvormige Hoornwieren (Flustra), zoo veelvuldig op onze stranden aangetroffen worden--hebben een bevalliger voorkomen; hunne meestal harde, sterk gechitiniseerde of zelfs verkalkte cellen zijn op zeer verschillende wijzen vereenigd en vormen een zeer groote verscheidenheid van stokken, die niet zelden bewonderenswaardig fraai zijn. Aan allerlei voorwerpen--steenen, wieren, gevulde en ledige slakkenhuisjes, mosselschelpen, enz.--vindt men ze vastgehecht. De vasthechting van het uit een ei ontwikkelde individu is de eerste aanleiding tot het ontstaan van de kolonie; haar uitbreiding geschiedt uitsluitend door knopvorming. De jonge cellen komen soms uit den rugwand, soms uit de zijden, soms uit het voorste einde van het moederdier te voorschijn en zijn, nog voordat zij zich volledig ontwikkeld hebben, in staat om zelf knoppen voort te brengen. Haar eerste beginsel--een onbeduidende, blaarvormige verhevenheid op den wand der moedercel--wordt allengs grooter en harder en neemt eindelijk de gedaante van de oude cel aan. Al naarmate de knoppen vrij naast elkander of dicht opeengedrongen staan--op één of meer reeksen gerangschikt, of op onregelmatige wijze naast en boven elkander opeengehoopt zijn, hebben de stokken verschillende vormen. Sommige gelijken op kruipende draden, netten, naar boven groeiende struiken, boompjes en zoden; andere ontwikkelen zich tot korsten, die aan bladmossen of korstmossen, gelobde en gekroesde bladen, enz. herinneren; nog andere leveren massieve lichamen van onregelmatigen vorm op. Bij bladvormige stokken ziet men soms slechts aan de eene zijde, soms op beide vlakken tentakelkransen naar buiten treden. Bij de korstvormende soorten groeien in den regel alle cellen met de rugzijde aan het onderliggende voorwerp vast; bij die, welke zich omhoog verheffen, ontwikkelen zich meestal rondom de moedercel een aantal knoppen, die met haar een stevigen grondslag opleveren voor de overige naar boven strevende individuën. Bij sommige Bryozoën heeft reeds de eerste cel een loodrechten stand en sluiten alle volgende zich in verticale richting bij haar aan; in dit geval is de stok met hoornachtige worteltjes aan het onderliggende voorwerp bevestigd. De lichaamsholte van de dochter blijft meestal met die van de moeder op de plaats van aanhechting door het zoogenaamde "spruitkanaal" verbonden. Bovendien komen bij vele kalkafscheidende Bryozoën fijne poriën in den wand voor, waardoor de verschillende leden van den stok met elkander in gemeenschap staan; misschien kan hierdoor de overtollige voedselvoorraad van het eene individu aan een ander, dat minder bevoorrecht is, ten goede komen.
Een zeer merkwaardige uitzondering op den regel, dat de Bryozoën vastgehecht zijn en blijven, vertoont het geslacht Cristatella, waarvan slechts één soort bekend is, n.l. de op pag. 657 (fig. 3) afgebeelde Cristatella mucedo. Zij komt in ons land en in geheel Europa in heldere meren en plassen vrij veelvuldig voor en vormt geelachtige, platte, elliptische koloniën, welker lengte meestal 5 cM. niet overtreft, soms evenwel aanmerkelijk grooter is en bij enkele niet minder dan 30 cM. bedraagt. Deze schijven zijn niet vastgehecht, maar kruipen langzaam voort. Opmerkelijk is het, dat zij het licht zoeken, terwijl de overige Bryozoën, voor zoo ver men weet, aan beschaduwde plaatsen de voorkeur geven, zich liefst onder steenen en dergelijke voorwerpen verbergen. Het bij alle Bryozoën voorkomende "koloniale" zenuwstelsel dient ongetwijfeld tot het regelen van de "koloniale" bewegingen. Bovendien heeft ieder Mosdiertje een zenuwstelsel voor privaat gebruik.