Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen
Part 2
Bonellia viridis (fig. a), kenbaar aan haar in twee vleugels eindigenden snuit, leeft in de Middellandsche Zee en aan de Canadeesche kust, verborgen tusschen steengruis en in rotsspleten. Een groene kleurstof doordringt zoowel den snuit als het overige lichaam. Dit is met vele wratjes bedekt en kan zich op allerlei wijzen insnoeren en samentrekken. De snuit is, zoo mogelijk, voor nog grootere vormsveranderingen geschikt, daar hij, bij groote exemplaren van ongeveer 8 cM. lichaamslengte, meer dan 50 cM. ver kan worden uitgestoken en in saamgetrokken toestand slechts een paar cM. lang is. De mondopening is een met trilharen bekleede, overlangsche groeve aan den wortel van den snuit. Nu en dan verlaat de Bonellia haar schuilhoek en kruipt over den bodem met behulp van haar snuit, welks voorste hoornen als hechtorganen dienst doen. De groote buigzaamheid van het lichaam stelt haar in staat zeer nauwe rotsspleten tot schuilplaats te bezigen; van het volle daglicht is zij afkeerig, de morgenschemering bevalt haar beter. De mannetjes, die men eerst sinds kort als zoodanig heeft leeren kennen, hebben een geheel ander voorkomen dan de wijfjes, zijn nietig klein en gelijken op Turbellariën.
Tot een over alle zeeën verbreide familie van Brugwormen behoort het geslacht Phascolosoma, welks meeste leden, evenals die van eenige andere geslachten, in steengruis en gesteenten gangen bewonen, die zij zelf geboord hebben. Phascolosoma vulgare, die aan de Europeesche kusten en in de Roode Zee voorkomt, heeft een lichaamslengte van 25 mM.
Voor de rangschikking is, behalve het al of niet aanwezig zijn van een terugtrekbaren snuit, ook de plaatsing van de afvoeropening van het spijskanaal aan den rug, nader bij het voorste dan bij het achterste uiteinde van 't lichaam, een belangrijk kenmerk. Hiermede gaat bij de Spuitwormen (Sipunculus) een door overlangsche en dwarse ribben netvormige huid gepaard. De Gewone Spuitworm (Sipunculus nudus), die in de Europeesche zeeën, maar ook in die van Oost- en West-Indië, van het strand tot op 2400 M. diepte aangetroffen wordt, kan een lengte van 15 cM. bereiken. Nu en dan vindt men hem ook op ons strand.
De derde van de hier afgebeelde dieren, Priapulus caudatus, verdient reeds door zijn uiterlijk een afzonderlijke plaats. De snuit is zwak knotsvormig verdikt, aan de afgeknotte voorvlakte voorzien van een tamelijk groote mondopening, aan de zijden van 25 overlangsche ribben, die met kleine, scherpe puntjes bezet zijn. Het eigenlijke lichaam is van den snuit door een insnoering gescheiden en vertoont duidelijke, ringvormige groeven. Het eindigt in één voorbij de aarsopening uitstekend aanhangsel, welks oppervlakte met papillen bezet is, die waarschijnlijk als kieuwen dienst doen. (Bij andere soorten komen twee staartaanhangsels voor.) De buikzenuwstreng, die men door de huid heen kan zien, is evenals bij alle Gephyreën, ongeleed, niet in gangliën verdeeld. Deze worm kan 18 cM. lang worden; hij bewoont, naar het schijnt, uitsluitend de noordelijke zeeën van Groenland, IJsland en Noorwegen tot aan de Duitsche kusten; zijn veelvuldigheid neemt naar het noorden toe. De gangen, die hij op verschillende diepten in den kleiachtigen of zandigen bodem graaft, waarschijnlijk door het beurtelings uitsteken en terugtrekken van den snuit, zijn groot genoeg om er het geheele lichaam in te verbergen en verraden haar aanwezigheid door het daarnevens ontstaande aardhoopje.
DERDE KLASSE.
DE KIEUWSPLEETWORMEN (Enteropneusta).
De 6 soorten van het geslacht Balanoglossus (Eikeltong), die de bovengenoemde klasse vormen, komen in lichaamsbouw het meest met Wormen overeen, maar ontwikkelen zich uit larven, welke op die der Stekelhuidigen gelijken. Door de geheel afwijkende inrichting der ademhalingsorganen herinneren zij aan sommige Manteldieren en zelfs aan de laagst ontwikkelde Visschen, hetgeen een nadere verwantschap van de Balanoglossen tot de Gewervelde Dieren doet vermoeden. Sommige dierkundigen willen daarom aan deze groep den rang van hoofdafdeeling toekennen.
De hiernevens afgebeelde soort leeft in de Middellandsche Zee op 1 of 2 vademen diepte. De eivormige voorste afdeeling van het langwerpige, cilindervormige, slijmerige lichaam, de eikel, is van den daarop volgenden kraag gescheiden door een diepe insnoering, waarin zich de mondopening bevindt. De eikel, welks groote inwendige holte door twee openingen met water gevuld en geledigd kan worden, verandert hierdoor van vorm en omvang; hij dient, behalve als hechtorgaan bij het kruipen, als boor bij het graven van gangen in den zeebodem, waarin het lichaam gewoonlijk tot aan den mond verborgen is. Het spijskanaal, waarin, behalve voedsel, ook water wordt opgenomen, staat in gemeenschap met twee overlangsche reeksen van kieuwzakken, die in het voorste of kieuwgedeelte van den romp aan de rugzijde liggen. Het water, dat voor de ademhaling heeft gediend, stroomt weg door een reeks van ongeveer 20 fijne spleten aan de buikzijde. De wijdste afdeeling van het spijskanaal bevindt zich in het maaggegedeelte van den romp; zij is steeds gevuld met zand, welks organische bestanddeelen het dier tot voedsel dienen. De staart is ringvormig gegroefd; door de eindstandige aarsopening wordt het zand uitgeworpen, dat naast de opening van de gang, hoopjes vormt.
VIERDE KLASSE.
DE RINGWORMEN (Annelides).
Het lichaam van de Ringwormen bestaat, zooals hun naam te kennen geeft, uit een reeks van segmenten of ringen, welker grenzen uitwendig door groeven zijn aangeduid. De hier voorkomende dwarsschotten dringen meer of minder diep in de lichaamsholte door. Deze ringen stemmen in maaksel overeen. Het aantal is onbepaald. De mond is altijd achter het eerste of kopsegment aan de buikzijde van het mondsegment gelegen. De meeste Ringwormen kunnen het voorste deel van het spijskanaal naar buiten omstulpen in den vorm van een snuit, die voor 't graven of voor 't vangen van dieren geschikt is. Dat de Ringwormen de hoogst ontwikkelde leden van de hoofdafdeeling zijn, blijkt vooral uit den vorm en de ontwikkelingstrap van hun zenuwstelsel, waardoor zij zich bij de Echte Arthropoden aansluiten. In verband hiermede blinken zij door de energie en de menigvuldigheid van hunne levensverrichtingen boven de andere Wormen uit en naderen ook in dit opzicht tot de hooger ontwikkelde Gelede Dieren. De klasse der Ringwormen wordt gesplitst in twee onderklassen, die door de bewegingsorganen van elkander verschillen. Van de eene is de Regenworm, van de andere de Bloedzuiger een algemeen bekende vertegenwoordiger.
EERSTE ONDERKLASSE.
DE BORSTELWORMEN (Chaetopoda).
De Borstelwormen kenmerken zich vooral door het bezit van borstels, die bij wijze van bundels of kammen aan weerszijden van het lichaam in de huid zijn vastgehecht. De microscoop geeft ons hier een aantal zeer fraaie vormen te aanschouwen. De borstels vertoonen zich als haken, spiesen, pijlen, messen, kammen, gladde en geribde roeiriemen en allerlei andere stekende en snijdende werktuigen in miniatuur. De eenvoudigste van deze organen, die meer bepaaldelijk haken en haarborstels heeten, komen voor bij de bescheiden uitgeruste Weinigborstelige Wormen. Met fijnere toestellen, die eigenaardige spitsen, tanden, tandjes, klingen en scherpe randen vertoonen, zijn de meeste zeebewoners dezer groep, de Veelborsteligen, getooid.
Om praktische redenen kennen wij de eereplaats toe aan de orde der Weinigborsteligen (Oligochaeta), die zoomin voetstompjes als kieuwen aan de zijden der ringen en geen aanhangsels aan den kop--zoomin sprieten (aan het kopsegment) als voelers (aan het mondsegment)--bezitten. Hunne eenvoudige borstels staan in geringen getale aan weerszijden van het lichaam op reeksen en zijn ingeplant in kuiltjes van de huid.
De kern van deze groep wordt gevormd door de onderorde der Regenwormachtigen (Terricolae, Lumbricina), welker leden alle behooren tot de familie der Regenwormen, Aardwormen of Pieren (Lumbricidae). Zij kenmerken zich door de talrijkheid en kortheid der segmenten, waarvan het eerste, het kopsegment, als een kegelvormige lip boven den mond uitsteekt, en door de plaatsing der zeer korte, haakvormige borsteltjes op 2, 4 of meer rijen. Behalve inwendige organen, welker verrichting ons onbekend is, aan den rand van het ook wel bovenlip genaamde kopsegment, hebben de Regenwormen geen afzonderlijke zintuigen; meer bepaaldelijk missen zij oogen en gehoororganen, hoewel zij voor lichtprikkels gevoelig zijn. Hoe voorzichtig men hen ook nadert, terwijl zij 's nachts aan de oppervlakte rondkruipen, het licht van den lantaarn drijft hen steeds in hunne holen terug. Natuurlijk is deze gevoeligheid niet aan het geheele lichaam eigen, maar alleen aan de beide eerste ringen, waarin de zenuwen, die van den slokdarmring uitgaan, zich verspreiden.
De meeste soorten van Regenwormen vullen hun wijd spijskanaal met humusrijke aarde en gebruiken de hierin aanwezige rottende plantaardige en dierlijke stoffen als voedsel. Iedereen weet, dat de stroohalmen, vederen, bladen, papiersnippers, enz., die men 's morgens in tuinen en op binnenplaatsen in den grond ziet steken, als waren zij hier door kinderen geplant, door de nachtelijke werkzaamheid van Regenwormen in dezen toestand zijn gekomen. Het dier trekt met zoo veel kracht, dat een dikke stroohalm, in 't midden aangevat, geknakt in zijn gang doordringt; een kippeveer met breede vlag wordt zonder moeite in een nauw gat gesleurd. Darwin, wiens in alle opzichten bewonderenswaardige verhandeling over de Regenwormen hun groote beteekenis voor den mensch en de belangrijke rol, door hen in de geschiedenis der aarde gespeeld, duidelijk doet uitkomen, heeft deze dieren, die zooveel te lijden hebben door vooroordeel en haat, volkomen in hun eer hersteld: "In vele deelen van Engeland," zegt hij, "bedraagt het gewicht van de aarde, die per jaar en per acre (0.405 H.A.) door hun spijskanaal naar de oppervlakte wordt vervoerd, in drogen toestand meer dan 10 ton (10516 KG.): de geheele bovenste laag teelaarde gaat dus binnen weinige jaren door hun lichaam. Op deze wijze worden steeds nieuwe bestanddeelen van den bouwgrond blootgesteld aan den invloed van 't koolzuur en van de humuszuren van den bodem; vooral de laatste schijnen een krachtige ontledende werking op de gesteenten uit te oefenen. De Regenwormen brengen de bestanddeelen van de humuslaag, waarmede de bouwgrond bedekt is, in omstandigheden die voor de rotting en de verwering in hooge mate gunstig zijn. De bodem wordt door hen op uitmuntende wijze voorbereid voor den plantengroei en voor de ontkieming van zaden; door hun werkzaamheid komt de bouwgrond herhaaldelijk met de lucht in aanraking en worden zijne bestanddeelen op zulk een wijze gesorteerd, dat er ten slotte geen steentjes in achterblijven, die te groot zijn voor het spijskanaal der Wormen. Zij mengen alles goed dooreen, gelijk een tuinman doet, die fijne aarde gereed maakt voor zijne kostbaarste planten. In dezen toestand is de bodem goed geschikt om vocht terug te houden en alle oplosbare bestanddeelen tot zich te trekken, waardoor ook het proces van de salpetervorming bespoedigd wordt. Tot wonderbaarlijke gevolgtrekkingen leidt het feit, dat de geheele, aan de oppervlakte liggende humusmassa herhaaldelijk door het lichaam van de Regenwormen is heengegaan en binnen luttele jaren opnieuw dezen weg zal nemen. Hoewel de ploeg een van de alleroudste en belangrijkste uitvindingen is, die ooit door den mensch gedaan zijn, werd reeds lang voordat dit werktuig in gebruik kwam, het land geregeld omgeploegd door de Regenwormen, en houden deze zich nog voortdurend met denzelfden arbeid bezig. Het is te betwijfelen, of eenig dier een even belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis der aarde als deze laag georganiseerde wezens."
Evenals alle overige Oligochaeten, zijn de Regenwormen tweeslachtig. De geslachtsorganen bevinden zich in den regel in het 9e à 15e segment. In deze zelfde lichaamsafdeeling heeft het bij de Lumbriciden met rood bloed gevulde gesloten vaatstelsel, dat soms gedeeltelijk door de huid heenschemert, bijzonder wijde, kloppende ringvaten, die de beide groote bloedvaten boven en onder het spijskanaal verbinden. Iets verder naar achteren, ongeveer op het midden van de voorste lichaamshelft, merkt men in den voortplantingstijd, vooral in het voorjaar, den gordel op (zie de bovenstaande afbeelding onder a). Dit bij de paring noodige orgaan kenmerkt zich door huidklieren, die veel slijm afscheiden en wordt gevormd door zwelling van den rug en de zijden van 6 à 10 ringen; zijn kleur wisselt, al naar de soort, van witachtig of geelachtig tot rood en bruin af. Ook door de plaats die de gordel inneemt, onderscheiden zich de soorten; hij begint tusschen het 20e en het 30e segment. De eieren worden gelegd in een door klieren van den gordel gevormde slijmlaag, die ringvormig het lichaam omgeeft; uit deze slijmlaag ontstaat, nadat de Worm haar van zich afgestroopt heeft, een cocon met hoornachtigen wand, die verscheidene eieren bevat, waarvan echter slechts één uitkomt. Gedaantewisseling komt bij de Oligochaeten niet voor. De grootste en meest verbreide, inheemsche soort is de Akker-aardworm [Lumbricus terrestris (L. agricola)], die soms wel 40 cM. lang wordt en dan uit 200 ringen bestaat; hij houdt zich niet slechts in de bovenste, maar ook in diepere aardlagen op. Even veelvuldig, doch gewoonlijk nader bij de oppervlakte, ontmoet men den meestal veel kleineren Gemeenen Aardworm (Lumbricus communis), kenbaar aan den vorm van het kopsegment, dat van voren een inham en aan de buikzijde een overlangsche groeve vertoont. Eenzaam of tot kluwens vereenigd, slapen onze Aardwormen 's winters op een diepte van 2 à 3 M. in den grond; zij keeren in de eerste warme lentedagen naar het tooneel hunner werkzaamheid terug, doch komen over dag zelden vrijwillig uit hunne schuilhoeken te voorschijn, daar zij het zonlicht schuwen. Vooral na warme, niet te hevige regenbuien treft men hen in de morgen- en avondschemering tot diep in den nacht buiten hunne gangen aan; zij komen aan de oppervlakte om voedsel op te sporen en om te paren.
De vreedzame, niet veel eischende Regenworm is een van de meest vervolgde dieren. De vijandschap van den mensch drukt zwaar op zijn geslacht. "In bloempotten," zegt Ritzema Bos, "mag men geen Regenwormen dulden, daar het zuurachtige vocht, 't welk zij afscheiden, in een zoo enge ruimte voor den groei der planten hinderlijk is. Hiervan kan geen sprake zijn op den akker, waarin zij echter op eene andere wijze nadeelig kunnen worden. Wel is mij herhaaldelijk voorgekomen, dat de tuinlieden hen ten onrechte beschuldigden, jonge, sinds kort ontkiemde plantjes van allerlei soort te hebben vernield, terwijl 't mij bleek, dat nu eens Emelten, dan weer Ritnaalden, Engerlingen of larven van Rozenkevertjes, bij bieten doorgaans de Bietenkevertjes, de schuldigen waren. Maar toch heb ik vaak genoeg de gelegenheid gehad, mij ervan te overtuigen, dat--vooral op vochtige plekken--de Regenwormen vele kiemplanten en andere jonge planten van allerlei soort in hunne gaten trekken om ze op te eten." Van de viervoetige dieren maken vooral de Mollen, Egels en Spitsmuizen jacht op hen. Tallooze Vogels, niet slechts die, welker voedsel uitsluitend of voor een groot deel uit levende dieren bestaat, maar ook hunne gewoonlijk zadenetende verwanten, beschouwen den Regenworm als een heerlijke versnapering. Padden, Salamanders en Tritonen loeren 's nachts bij zijn hol. Voor de Visschen, die alleen zijne in rivier- en zeeslib levende verwanten kunnen belagen, is hij een verleidelijk lokaas. Nog talrijker zijn de Wormen-etende Ongewervelde Dieren. De gewone nachtelijke bezigheid van de groote Loopkevers en Kortschildkevers bestaat in het opzoeken van dezen gemakkelijk te vermeesteren buit, die in nog meerdere mate het aangewezen wild is van hunne larven. De felste vervolging hebben de Aardwormen te verduren van de groote Duizendpooten, die, uit het hol van de voor hen vluchtende prooi komend, dikwijls midden op den dag niet schromen den strijd in het door hen gehate zonlicht voort te zetten.
De Lumbriciden zijn in ruim 100 soorten, die een 20-tal geslachten vormen, over de geheele wereld verbreid; men ontmoet ze nog op de afgelegenste eilanden, voorzoover hier omstandigheden heerschen, die hun het leven mogelijk maken. Zelfs bij den mond van de Lena komen zij voor; verscheidene soorten zijn rondom de pool woonachtig: in Noord-Amerika even overvloedig als in Europa en Siberië. Reusachtige exemplaren worden in de keerkringsgewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld aangetroffen: sommige soorten van het geslacht Megacolex bereiken een lengte van ruim 1 M. Andere onderscheiden zich door een zeer in 't oog vallende kleur, b.v. hemelsblauw.
De naaste verwanten van de Aardwormen--een vijftal familiën met ongeveer 120 soorten--worden vooral wegens den afwijkenden bouw der voorttelings- en bloedsomloopsorganen in een afzonderlijke onderorde samengevat onder den naam van Modderwormen (Limicolae), welken zij rechtvaardigen door hun verblijf in zeer vochtigen grond, modderig water of ondiepe plassen en beken. De meeste zijn aanmerkelijk kleiner dan de Aardwormen; exemplaren van 12 cM. lengte zijn zeldzame uitzonderingen.
Bij de Slingerwormen (Tubificidae) zijn de borstels van de bovenste reeks dikwijls verlengd tot haren, die even lang zijn als het lichaam breed is; de kleur dezer diertjes wordt tot rood of bruin verhoogd door het geelroode of roode bloed, dat onder hunne dunne lichaamsbekleedselen circuleert. De slijkerige, vervuilde bodem van slooten en beken is dikwijls rood gekleurd door de aanwezigheid van uiterst talrijke, 1 à 2 cM. lange, dunne, doorzichtige wormpjes. Deze Bonte Slingerwormen (Tubifex rivulorum) houden het voorste deel van 't lichaam verborgen in de nauwe, door hen gegraven gangen, waarboven het voortdurend heen en weer slingerende, achterste lichaamsdeel uitsteekt. Zij bekommeren zich niet om de nabijheid van den voorzichtig naderenden toeschouwer, maar verdwijnen onmiddellijk alle te gelijk in hunne kwalijk riekende schuilhoeken, wanneer een slag op het water hen verschrikt. Als men ze uit den modder trekt en in schoon water werpt, kronkelen zij zich spiraalsgewijs ineen.
Een geheel andere levenswijze hebben de volkomen doorzichtige, witachtige Waterslangetjes of Naïden (Naïdidae). Wanneer men uit een met eendenkroos begroeiden vijver of sloot in 't wilde weg een aantal plantjes opschept, zal men, nadat hun thuis de gelegenheid werd gegeven zich over den waterspiegel te verspreiden, ongetwijfeld eenige, zoo niet vele van deze sierlijke wormpjes opmerken; met behulp van haak- en haarborstels weten zij met slangsgewijze kronkelingen hun weg te vinden tusschen de wortels van het eendenkroos en de dooreengewarde draden der conferven (van het flap).
De Snuitdragende Naïs [Naïs (Stylaria) proboscidea], die hoogstens 13 mM. lang wordt en veelvuldig bij ons in slooten, en poelen voorkomt, is kenbaar en dankt haar naam aan het tot een langen, vooruitstekenden draad verlengde kopsegment. Reeds Réaumur heeft opgemerkt, dat na het doormidden snijden van dezen Worm elk stuk zich tot een volkomen dier aanvult. De meest gewone wijze van vermenigvuldiging der Naïden berust op een soortgelijk verschijnsel, dat echter uitsluitend waargenomen wordt bij exemplaren, waarin nog geen geslachtsorganen zichtbaar zijn. Zonder eenige uitwendige aanleiding ontwikkelt het achterste segment zich tot een nieuw individu; het verlengt zich sterk, verkrijgt oogstipjes en later ook ringvormige groeven in de huid, doch blijft nog steeds verbonden met het oude dier, in wiens achterste segment hetzelfde verschijnsel zich herhaalt. Op deze wijze ontstaat gewoonlijk een lange reeks van Naïden, voordat de achterste en oudste zich afscheidt om een zelfstandig leven te gaan leiden; bij deze heeft dan dikwijls reeds de vervorming van het achterste segment tot een nieuw wezen een aanvang genomen. Alle op deze wijze, door knopvorming, ontwikkelde Wormen worden later geslachtsrijp en brengen dan eieren voort.
Veel soortenrijker dan de vorige en nagenoeg geheel tot de zee beperkt, is de orde der Veelborsteligen (Polychaeta). Hunne groote borstels vertoonen zeer verschillende vormen, zijn soms "enkelvoudig", uit één stuk, soms uit twee beweeglijk verbonden stukken "samengesteld". In den regel ontspruiten zij in betrekkelijk grooten getale, bundelsgewijs of op een rij naast elkander, op ongelede, knobbel- of kamvormige voetstompjes (parapodiën), die aan weerszijden van 't lichaam een dubbele reeks kunnen vormen (4 op ieder segment) en dan onderscheiden worden in rug- en buikparapodiën. Deze zijn niet zelden zoo dicht bijeengeplaatst, dat zij één zijwaarts gericht geheel uitmaken, al of niet in twee lobben verdeeld en hierna "tweeriemig" of "éénriemig" genoemd. Aan de voetstompjes komen dikwijls, behalve borstels, ook nog andere aanhangsels voor; deze organen, die den vorm hebben van gladde of in ringen verdeelde draden, kegels, cilinders, bladen, schubben, enz., noemt men ranken of cirren. Gewoonlijk draagt ieder segment er 2 (één rug- en één buikcirre, waarvan de eerste meestal het sterkst ontwikkeld is), zelden meer. Andere aanhangsels van de segmenten zijn de kieuwen, die eveneens een groote verscheidenheid van vorm vertoonen. Soms zijn zij over een groot deel van 't lichaam verspreid (bij de Rugkieuwigen), soms aan de voorste segmenten of zelfs aan den kop gehecht (bij de Kopkieuwigen). De aanhangsels van den kop heeten, al naar zij aan het eigenlijke kopsegment of aan het mondsegment voorkomen, voeldraden of sprieten (antennen) en voelers of tasters (palpen).--Nagenoeg alle Veelborsteligen zijn éénslachtig; hun ontwikkeling gaat steeds met een (soms zeer samengestelde) gedaantewisseling gepaard.
Een aantal familiën kan men onder den naam van Vrijlevende Rugkieuwigen (Dorsibranchiata errantia) in een onderorde samenvatten. Deze hebben een duidelijk begrensden kop en hieraan, in overeenstemming met hun vrije, rondzwervende levenswijze, in den regel goed ontwikkelde oogen en voeldraden. Een deel van het spijskanaal kan door de mondopening naar buiten gestulpt worden en een slurf vormen, die bij de diereneters (en deze vormen de meerderheid) met krachtige (soms kaakvormige), voor 't grijpen van de prooi dienende tandplaten gewapend is. De voetstompjes zijn goed ontwikkeld, doen als roeiwerktuigen dienst en dragen borstels van zeer verschillenden vorm. Kieuwen zijn meestal aanwezig als kam- of boomvormige aanhangsels aan het ruggedeelte van de voetstompjes. De meeste leden dezer groep prijken met metaalachtige kleuren; hun huid, welker haarvormige aanhangsels alle kleuren van den regenboog weerspiegelen, schittert als een zijden kleed.