Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen
Part 1
HET LEVEN DER DIEREN
DE WORMEN EN DE MANTELDIEREN
DOOR
A. E. BREHM.
DE WORMEN.
Na de Gewervelde en de Gelede Dieren liggen de Wormen aan de beurt. De grenzen van deze hoofdafdeeling hebben belangrijke veranderingen ondergaan sedert den tijd toen Linnaeus het geheele dierenrijk in 6 klassen verdeelde, n.l. in Zoogdieren, Vogels, Amphibiën, Visschen, Insecten en--Wormen. Een aantal diergroepen zijn van de Linnaeaansche klasse der Wormen afgescheiden en tot den rang van hoofdafdeelingen verheven; dit is geschied met de Protozoën of Oerdieren, de Coelenteraten of Holtedieren, de Stekelhuidigen, de Weekdieren en de Salpen met de Ascidiën. Daarentegen heeft men het Lancetvischje, dat vroeger als een Worm werd beschouwd, als het laagst ontwikkelde Gewervelde Dier leeren kennen en zijn de Slijmprikken (Myxinidae) als een merkwaardige groep van Visschen ontmaskerd. Voorts hebben de Raderdieren en de Armpootigen (Brachiopoda), die eeuwen lang onder de Weekdieren werden gerekend, in de hoofdafdeeling der Wormen een plaats gekregen; zelfs heeft men het wenschelijk geacht de Mosdieren (Bryozoa) hierin op te nemen. Ook de Dicyemiden, die Van Beneden als een afzonderlijke hoofdafdeeling op de Protozoën laat volgen, als een overgang van deze tot de hoogere dieren (Metazoa), worden thans Wormen genoemd.
Het ligt in den aard der zaak, dat het uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk is, van deze veelomvattende groep een beknopt algemeen overzicht te geven. De nu volgende inleiding geldt daarom meer bepaaldelijk voor de drie klassen Ring-, Rond- en Platwormen, die de kern van de hoofdafdeeling vormen.--Met het woord Worm verbindt iedereen de voorstelling van een tweezijdig symmetrisch, min of meer langwerpig lichaam, dat soms rolvormig is, als bij den Regenworm, soms duidelijk aan de buikzijde afgeplat, zooals bij den Bloedzuiger, soms ook op den rug plat, zooals de Lintworm-leden. Over 't algemeen zijn de huidbekleedselen week; zeer dikwijls dragen deze, althans in een bepaald levenstijdperk, op sommige plaatsen van hun oppervlakte trilhaartjes. Het ontbreken van deze microscopisch kleine organen bij alle Insecten, Spinachtigen, Duizendpooten en Schaaldieren, in tegenstelling met de Wormen, die er zoo overvloedig mede bedeeld zijn, is een zeer opmerkelijk feit. Gewoonlijk is een samenhangende laag van spiervezels, die elkander in dwarse en overlangsche richting kruisen, onmiddellijk met de huid verbonden. De samentrekkingen van het lichaam, de slangswijze kronkelingen bij het zwemmen, de verplaatsing van enkele organen, b.v. van de met borstels bezette huidstompjes, worden veroorzaakt door dezen huidspierzak of door zijne deelen. De mogelijkheid van deze bewegingen berust op het week blijven van de huid, welker bekleedselen niet, gelijk bij de Arthropoden tot een skelet verharden. Een belangrijk en algemeen bekend kenmerk van de Wormen is het ontbreken van de pooten; daarom juist kronkelen zij zich. Vele doen dit in horizontale richting, zooals de Slangen; andere, b.v. de Bloedzuigers, bewegen zich voort door vertikale golvingen van het lichaam. Bovendien maken vele Wormen bij het kruipen gebruik van knobbelvormige uitstulpingen van de huid en den huidspierzak, waarin afzonderlijk geplaatste of tot bundels gegroepeerde borstels vastgehecht zijn. Voorts bezitten vele parasiteerende en ook een aantal vrij levende Wormen zuignappen als hulpmiddelen bij de voortbeweging.
Voor zoover aan het lichaam van een Worm geleding valt waar te nemen, onderscheidt deze zich door de gelijkvormigheid der leden belangrijk van die der Arthropoden. Het zenuwstelsel van de hoogst ontwikkelde Wormen (Anneliden) bestaat, evenals dat van vele Arthropoden, uit een hersenknoop, die door den slokdarmring verbonden is met een enkelvoudige buikzenuwstreng, waarvan het aantal gangliën in den regel met dat der segmenten overeenstemt en nooit door samensmelting vermindert, gelijk bij de Krabben, Spinnen, enz., in verband met de samenvoeging der segmenten tot grootere afdeelingen, geschiedt. Bij vele lager ontwikkelde vormen, o.a. bij de Lintwormen, ontbreekt ook dit ganglion en bestaat het geheele zenuwstelsel uit twee bij den rand van het afgeplatte lichaam gelegen zenuwen, die aan het voorste "lid" door een dwarsstreng verbonden zijn. Alleen bij de Dicyemiden ontbreekt het zenuwstelsel geheel. De meerdere of mindere ontwikkeling van de zintuigen staat in verband met de levenswijze; bij de vrij levende Wormen is hun trap van volkomenheid geëvenredigd aan de geschiktheid tot beweging. Om gelijke redenen als die, welke gelden voor de in holen levende Kevers en Schaaldieren, die het gezichtsvermogen verloren hebben, zijn ook bij de Wormen, die door hun verblijf in het lichaam van andere dieren, geen behoefte hebben aan zintuigelijke waarnemingen, de organen hiervoor achterwege gebleven. Slechts bij enkele Ringwormen, Nemertinen en Turbellariën vindt men gehoorblaasjes. Tastorganen komen veelvuldig voor en zijn verschillend van vorm.
Het inwendig maaksel der Wormen biedt zooveel verscheidenheid aan, dat er weinig in 't algemeen van te zeggen valt. Dit zal het duidelijkst blijken bij het beschouwen van de Platwormen, daar in deze klasse allerlei trappen van ontwikkeling der voedingsorganen voorkomen. De meeste van hare leden (n.l. de Lintwormen of Cestoden, de Zuigwormen of Trematoden en de Eigenlijke Platwormen of Turbellariën) hebben geen opene, doorloopende lichaamsholte: de ruimte in den huidspierzak is, voor zoover zij niet door de ingewanden wordt ingenomen, gevuld met een week weefsel (het zoogenaamde parenchym), op onregelmatige wijze in zeer talrijke, kleine vakjes verdeeld door spierbundels en bindweefselstrengen, die zich van de rugzijde naar de buikzijde uitstrekken. Dikwijls (bij alle Lintwormen) gaat deze inrichting gepaard met het gemis van een darmkanaal, terwijl ook mondopening en aarsopening ontbreken. Het voedsel kan in dit geval alleen in vloeibaren vorm en langs osmotischen weg, door de huid, in het lichaam dringen. Bij enkele Turbellariën ontbreekt wel is waar het darmkanaal, maar is een mondopening aanwezig, waardoor de spijs in het haar verterende parenchym geraakt. Bij de overige Turbellariën volgt op den mond een blind eindigend spijskanaal: bij sommige zakvormig, bij andere boom- of netvormig vertakt. De Trematoden hebben een gaffelvormig spijskanaal en, evenals de meeste Turbellariën, een mond, die tevens als aars dienst doet. Den hoogsten rang in de klasse der Platwormen nemen de Snoerwormen of Nemertinen in, daar zij zoowel een echte lichaamsholte als een spijskanaal met mond en aars bezitten, evenals de Borstelwormen, Brugwormen (Gephyreën), Raderdieren, Mosdieren en Echte Draadwormen (Nematoden). Het spijskanaal is kort en slank bij die, welke hun voedsel snel verwerken: het is voorzien van als voorraadschuren dienende verwijdingen bij de Wormen, die, gelijk de Bloedzuigers, een groote hoeveelheid voedsel te gelijk in hun lichaam opnemen en dit langzaam verteren.
Met de ontwikkeling van het spijskanaal houdt de inrichting van het bloedvatenstelsel gelijken tred. Bij vele Hoogere Wormen kan men het aan het levende dier, tot in kleine bijzonderheden, nauwkeurig nagaan. Met ziet dan het (meestal roodachtige) bloed circuleeren in eenige dikke en vele fijnere bloedvaten, die niet met de lichaamsholte in gemeenschap staan. Het volkomen gesloten zijn van dit bloedvatenstelsel, waarin groote kloppende vaten de rol van "harten" vervullen, is een karakteristieke eigenaardigheid van de Ringwormen.
De ademhaling komt bij sommige Wormen door de geheele oppervlakte van de huid tot stand; bij andere heeft de huid aanhangselen, die als kieuwen dienen; nog andere bezitten vaatrijke, inwendige organen, die tot op zekere hoogte vergeleken kunnen worden met de luchtbuizen der Insecten, daar zij het ademhalingswater diep in het lichaam doen doordringen.
Ook de voortplantingsorganen zijn zeer verschillend van maaksel; bij sommige Wormen, vooral bij laag ontwikkelde, zijn zij zeer samengesteld, bij andere zeer eenvoudig. Alle mogelijke wijzen van voortplanting en ontwikkeling, knopvorming, metamorphose, generatiewisseling, parasitisme van den eitoestand tot aan den dood, parasitisme op lateren leeftijd bij wezens die gedurende hun jeugd vrij leven, parasitisme van jeugdige vormen en vrije beweging bij oudere, het vrij leven in alle tijdperken--al deze gevallen gaan in bonte mengeling ons voorbij bij 't beschouwen van verschillende groepen der hoofdafdeeling.
Na het zooeven gezegde zal het niemand verwonderen, dat men de Wormen in evenveel klassen heeft verdeeld, als in de beide voorafgaande hoofdafdeelingen van het dierenrijk te zamen voorkomen. Ook zal het blijken, dat deze splitsing niet te ver is gevoerd, daar de uiterste groepen van elk dezer klassen veel meer uiteenloopen dan bij de Gewervelde en de Gelede Dieren gewoonlijk het geval is. De hier aangenomen klassen zijn: 1) Raderdieren (Rotatoria), 2) Brugwormen (Gephyrea), 3) Kieuwspleetwormen (Enteropneusta), 4) Ringwormen (Annelides), 5) Rondwormen (Nemathelmintes), 6) Mosdieren (Bryozoa), 7) Armpootigen (Brachiopoda), 8) Platwormen (Plathelminthes), 9) Tweebladigen (Dicyemidae).
EERSTE KLASSE.
DE RADERDIEREN (Rotatoria).
De Raderdieren zijn in 1865 door Leeuwenhoek ontdekt, ongeveer in denzelfden tijd als de Infusoriën, die als hunne naaste verwanten werden beschouwd, totdat Ehrenberg de hoogere organisatie van de Raderdieren aantoonde. Hoewel sommige dierkundigen hen tot de Schaaldieren hebben gerekend, waaraan hun uiterlijk eenigszins herinnert, zijn zij het naast aan de Wormen verwant. De grootste soorten bereiken een lengte van 2 mM.; verreweg de meeste zijn echter geen halve mM. lang. Bijna zonder uitzondering is hun lichaam zoo doorzichtig, dat men bij het levende dier zelfs van de binnenste organen het maaksel in alle bijzonderheden door den microscoop kan nagaan. Wegens de stevigheid van de lichaamsbekleedselen levert dit onderzoek geen moeilijkheden op. De meeste Raderdieren verschaffen een zeer merkwaardig schouwspel aan ieder, die ze bij 200- à 300-voudige vergrooting beschouwt. Zij zijn over de geheele aarde verbreid en bijna overal te verkrijgen; zij leven in zoet- en in brak water, enkele ook in de zee; men vindt ze in het mos op de daken en in het stof van dakgoten; dikwijls (vooral in 't midden van den zomer) is hun aantal zoo groot, dat zij als een melkachtige schimmellaag de waterplanten bedekken. Hoewel de uitwendige gedaante der Raderdieren zeer uiteenloopt, stemmen zij in maaksel zoozeer overeen, dat men ze nagenoeg alle kent, wanneer men er één nauwkeurig heeft nagegaan. Als voorbeeld kiezen wij de Vierhoornige Schilddrager (Noteus quadricornis) van de familie der Schildraderdieren (Loricata), die zich kenmerken door het harde, schildvormige pantser, dat hun van boven naar onderen samengedrukt lichaam omgeeft. Bij onze soort is het van voren op sierlijke wijze uitgesneden en van 4 op hoornen gelijkende uitsteeksels voorzien. Het voorste deel van 't lichaam is met een weeke huid bedekt en kan geheel onder dit pantser teruggetrokken worden. Bij 't zwemmen en eten ontplooit het dier zijn raderorgaan; dit bestaat uit twee halfschotelvormige, vleezige lobben, die door spieren teruggetrokken en door het inpersen van bloed uit de lichaamsholte naar buiten gestulpt kunnen worden; haar vrije rand is bezet met een reeks van teere wimpers, die het dier willekeurig in trilling brengt; het geheele toestel maakt dan bij vele Raderdieren den indruk van twee raderen, die snel om hun as draaien. Bij Noteus heeft het raderorgaan tusschen de twee groote lobben een eveneens met trilharen bedekten kegel. Bij andere geslachten is de trilhaarschijf onverdeeld, bij nog andere in meer dan 2 lobben gesplitst, enz. Door de beweging der wimpers zwemt het dier op zeer elegante wijze, terwijl het langzaam om zijn as draait en dus spiraallijnen beschrijft. Tevens wordt hierdoor een maalstroom in 't water veroorzaakt, die--geholpen door de beweging van de wimpers langs den rand van den trechter, welks diepste deel den mond vormt--de voedseldeeltjes in het spijskanaal voert. Dit geschiedt vooral, nadat het dier als 't ware voor anker is gaan liggen, hetwelk geschiedt met de tang, waarin de "voet", het dunnere achterste gedeelte van 't lichaam, eindigt. In de spitsen van deze tang monden n.l. 2 langwerpige "cement-klieren" uit, die een kleverige stof afscheiden. Wanneer aan den druppel water, waarin het onder den microscoop liggende dier zich bevindt, een fijn verdeelde kleurstof, indigo of karmijn, wordt toegevoegd, kan men den hevigen maalstroom, die de vaste deeltjes naar den mond voert, duidelijk waarnemen.
De Raderdieren zijn met een paar kaken uitgerust. Bij Noteus zijn zij ongeveer handvormig; bij vele andere gelijken zij op een tang met spitsen bek; voor ieder geslacht hebben zij een vasten vorm, die niet minder karakteristiek is dan die van de tanden der Zoogdieren; evenals bij deze, kan men uit den vorm der kaken de levenswijze van het dier afleiden. In de as van het lichaam bevindt zich het bochtige, zeer ruime darmkanaal (a). Men ziet het voedsel in de maag door de werking van de trilharen, die haar wand bekleeden, een ronddraaiende beweging behouden, die tot op zekere hoogte de peristaltische beweging van andere dieren vervangt. De beide vleugelvormige aanhangselen (b) van het bovenste deel van 't darmkanaal kan men met speekselklieren vergelijken. Een vaatstelsel komt bij de Raderdieren niet voor, evenmin een hart. Het bloed is bevat in de ruimte tusschen het spijskanaal en den lichaamswand en wordt verdund door het willekeurig opnemen van water. Dikwijls ziet men de Raderdieren zich samentrekken en hierdoor den omvang van hun lichaam aanmerkelijk verminderen. Dit kan op geen andere wijze gebeuren dan door het naar buiten persen van een groot deel van het in de lichaamsholte aanwezige vocht; waarvoor, zoodra het lichaam zijn oorspronkelijk volume herkrijgt, door een opening in den nek water uit de omgeving in de plaats komt. Bovendien heeft een geregelde afvoer van stoffen uit het bloed plaats door slangsgewijs gekronkelde kanalen (d), die een aantal knotsvormige "wimperorganen" dragen, ieder met één opening. Deze zoogenaamde watervaten--welke men ook aantreft bij de Draadwormen en Platwormen--monden uit in de blaas (e), die in gemeenschap staat met de kloakopening aan den wortel van den voet, waarin ook het darmkanaal en de eileider eindigen. Onze Noteus heeft een zeer ontwikkelden eierstok (c). De mannetjes zijn zeldzaam, nog zeldzamer dan bij vele van de laagst georganiseerde Schaaldieren; op zeer zonderlinge wijze wijkt hun lichaamsbouw van dien der wijfjes af. Zij zijn veel kleiner; gastronomische genietingen zijn hun ontzegd, wegens het geheel of bijna geheel ontbreken van het spijskanaal; over 't geheel genomen spelen zij een zeer ondergeschikte rol, worden, naar het schijnt, slechts gedurende korten tijd door de andere sekse geduld en verdwijnen dan van het wereldtooneel.
De familie der Diklijven (Hydatinaea) verschilt van die der Schilddragers door het gemis van een pantser en door de kortheid van den voet. Vooral door het onderzoeken van het algemeen verbreide, 0.5 à 0.6 mM. lange Bultige Diklijf (Hydatina senta)--dat in het stilstaande water van kleine plassen en van buitenshuis geplaatste bakken dikwijls bij millioenen voorkomt--leerde Ehrenberg den samengestelden bouw van de Raderdieren kennen. Evenals bij alle groote Raderdieren, werd bij deze soort in den slokdarmstreek een groote zenuwknoop gevonden, die door zenuwen in gemeenschap staat met de spieren en de zintuigen, n.l. met 1 of 2 oogen en met een tastorgaan. De oogen zijn roode vlekken aan de rugzijde van het vooreinde van 't lichaam en van een lens voorzien. Het buis- of stijlvormige tastzintuig is aan de rugzijde van het raderorgaan gelegen en draagt aan den top een bundel fijne borstels.--Evenals de Daphniën, brengen ook de meeste soorten van Raderdieren tweeërlei soort van eieren voort: parthenogenetisch gevormde "zomereieren", waaruit in het gunstigste seizoen alleen wijfjes, in den herfst wijfjes en mannetjes ontstaan, en bevruchte "wintereieren", die na overwintering uitsluitend wijfjes opleveren. Hoe snel de vermenigvuldiging dezer dieren geschiedt, blijkt uit de mededeelingen van Ehrenberg. Deze zag in een exemplaar 2 à 3 uren na de geboorte de eerste eikiemen te voorschijn komen. In de eerste 24 uur van zijn leven had het vier jongen voortgebracht. Als ieder wijfje 4 eieren per dag legt en hare jongen den volgenden dag hetzelfde doen, zal één individu na 10 dagen ruim 10 millioen nakomelingen hebben en zal dit aantal op den 11en dag tot ruim 50 millioen zijn toegenomen. Hoewel dergelijke berekeningen niet volkomen betrouwbaar zijn, daar een zoo groote vruchtbaarheid bij een en 't zelfde wezen nooit lang aanhoudt, kunnen zij toch een verklaring leveren van het plotseling verschijnen van een buitengewoon groote menigte dieren van een soort.
Tot de familie der Langlijven (Philodinaea) behooren de Raderdieren, die het meest besproken worden en het algemeenst verbreid zijn; bij hen is de beweging van het raderorgaan het eerst waargenomen en kan dit het gemakkelijkst geschieden. Het Gewone Raderdiertje (Rotifer vulgaris) en zijne naaste verwanten hebben aan het vooreinde, in den nek, een slurfachtig aanhangsel, dat 2 roode oogen draagt. Hun in een gaffel eindigende voet kan, evenals bij alle overige leden der familie, bij wijze van een verrekijker tot een aanmerkelijke lengte uitgerekt en ingekort worden. De eigenlijke verblijfplaats van de dieren dezer soort en van de meeste hunner verwanten is stilstaand water, waarin zij zich tusschen flap en andere algen zoo sterk kunnen ophoopen, dat de plantjes er als beschimmeld uitzien. Vele soorten leven echter in de zee en wel in den regel vrij, aan de oppervlakte van 't water, soms echter parasitisch, op kleine Schaaldieren, Ringwormen, in huidgroefjes van Synapten, enz. Andere leven wel is waar op vochtige plaatsen, maar toch niet eigenlijk in het water en zijn ook in den regel parasieten. Een soort leeft vastgehecht aan de huid van een kleinen zoetwater-Regenworm, maar kan ook zijn gastheer verlaten, bij wijze van Spanrups wegkruipen of zijn raderorgaan uitsteken en op elegante wijze wegzwemmen. Andere wonen in de lichaamsholte van Regenwormen of Naakte Slakken.
Sommige op vochtige plaatsen groeiende levermossen uit de familie der Jungermanniaceën worden bewoond door talrijke exemplaren van een soort van Raderdieren (Callidina parasitica). De bedoelde mossen komen voor op de schors van eiken of beuken en zijn aan de naar den stam gekeerde zijde voorzien van klokvormige of kapvormige organen, die ieder 1 à 3 Raderdieren bevatten. Bij vochtige weersgesteldheid (ook in heldere nachten ten gevolge van den dauw) zijn de moszoden meestal vochtig genoeg om de Rotatoriën in staat te stellen haar raderorgaan te ontplooien; meestal steken zij dit dan buiten haar woonplaats en raderen ijverig. Wanneer de plant een enkele maal te droog wordt, is dit voor hare bewoners geen onoverkomelijke ramp. Onze Callidina trekt zich dan terug op den bodem van haar huisje, vervalt in een toestand van schijndood en droomt van betere, vochtigere tijden.
De plant verschaft aan het Raderdier niet slechts een woning, maar bovendien nog een ander voordeel; zij geniet hiervoor trouwens een belooning. De levermossen hebben n.l. veel te lijden van parasitische algen; daar deze tot voedsel dienen aan de Raderdieren, bewijzen deze gasten aan hun hospita een belangrijke dienst. Hier hebben wij dus een niet minder sterk sprekend voorbeeld van symbiose dan dat, waarmede wij bij het bespreken van de betrekking tusschen de Snijders en de Zee-anemonen kennis maakten.
Men heeft nagegaan in hoe verre de Raderdieren weerstand kunnen bieden aan uitdroging. Deze onderzoekingen hebben geleerd, dat geen enkele van de Rotatoriën, die voortdurend het water bewonen, hare levensverrichtingen hervat, wanneer zij, na uitdroging, opnieuw bevochtigd wordt. Daarentegen zijn de Raderdieren, die in mossen wonen, niet geschikt om in het water te blijven, hoewel zij van nature waterdieren zijn. In den loop der tijden hebben deze soorten zich zoodanig gewijzigd, dat hare leden slechts gedijen, wanneer haar leven uit snel opeenvolgende perioden van vochtigheid en droogte bestaat. Vroeger onderstelde men tot verklaring van de geographische verspreiding der Raderdieren, dat zij, tot een uiterst gering gewicht verdroogd, door den wind overal heen gevoerd zouden worden. Naar het schijnt, geschiedt dit echter alleen met de wintereieren der Raderdieren. Zoo komt het, dat deze bijna overal gevonden worden, waar het hun mogelijk is te leven, zelfs tusschen korstmossen en mossen op daken en in het stof van dakgoten. Ehrenberg vond dezelfde soorten in het mos van Potsdam en Berlijn als in dat van de ceders van den Libanon. Naar het schijnt, treft men in geheel Europa, in Noord-Amerika en op Nieuw-Zeeland dezelfde Callidina-soort aan. Schmarda vond Raderdieren in de geconcentreerde zoutoplossing van het meertje El Kab in Opper-Egypte en op groote hoogten in de Andes van Amerika. Ehrenberg nam ze waar in de sneeuw van de toppen der Alpen, waar zij van eigenaardige algen-soorten leven, en in monsters aarde, die de Gebroeders Schlagintweit in den Himalaja op een hoogte van 18000 voet verzameld hadden. Dr. Joseph ontdekte 9 soorten in de holen van Krain.
De afgebeelde Sierlijke Bloempolijp (Floscularia ornata) is een vertegenwoordiger van een laatste groote familie, die men Buisbewoners (Tubicolariae) kan noemen, daar zij, althans voor 't meerendeel, door een hulsel omgeven zijn. Het opmerkelijkste verschijnsel, dat zij aanbieden, is de zeer sterke wijziging van hun raderorgaan. Op 5 kegelvormige uitsteeksels van den koprand ziet men bundels van lange haren, die den naam van trilharen niet verdienen, daar zij stijf en bijna onbeweeglijk zijn. Nagenoeg in den mondtrechter bevindt zich de krans van trilharen, die voedsel aan het dier toevoert. Dit is omgeven door een fijne, geleiachtige koker, waarin het zich, evenals de leden van verwante geslachten, door het ineenschuiven van den voet kan terugtrekken.
Zeer merkwaardig zijn de Kogeldiertjes (Conochilus), doordat de vrouwelijke in vrij grooten getale een bolvormigen geleiklomp tot gemeenschappelijke woning hebben. Slechts den kop verheffen zij boven de oppervlakte van den bol, die door de gezamenlijke werking van de trilharen dezer dieren een draaiende beweging verkrijgt. De mannetjes daarentegen leven vrij, zonder hulsel.
TWEEDE KLASSE.
DE BRUGWORMEN (Gephyrei).
Over de plaats, die de Brugwormen of Sterwormen (Gephyrei) in het stelsel behooren in te nemen, heeft een groot verschil van meening geheerscht. Door sommige dierkundigen werden zij tot de Stekelhuidigen, door anderen tot de Wormen gerekend, hetzij tot de Anneliden of tot de Acanthocephalen. Daar zij op zekere hoogte een overgang (een brug) vormen van de Zeerollen (Holothuria) tot de Wormen, noemt men hen Brugwormen. Tegenwoordig telt de meening, dat zij gedegenereerde Ringwormen zijn, vermoedelijk de meeste aanhangers. Zonder nadere beschouwingen over den graad van verwantschap van deze kleine groep van zeedieren met andere groepen, bepalen wij ons tot eenige inlichtingen over de drie afgebeelde vormen.