Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen
Part 9
De soortenrijkste familie van de Langstaartige Decapoden is die der Garnalen (Carididae); de Europeesche zeeën alleen leveren een contingent van ongeveer 100 soorten. De meeste leden van deze groep zijn gemakkelijk te herkennen aan hunne buigzame lichaamsbekleedselen, het zijdelings samengedrukte lichaam en de groote schub, die naast de zweep op den top van het grondstuk der buitenste sprieten ontspringt. Meestal hebben sommige lichaamsdeelen buitengewoon teere kleuren, terwijl andere bijna even doorzichtig zijn als glas. Met groote behendigheid maken deze dieren bliksemsnelle sprongen. Sommige soorten worden in ontzaglijke groote hoeveelheid gevangen en gegeten.
De Garnalen i.e.z. (Crangon) onderscheiden zich door de plaatsing der sprieten, welker aanhechtingsplaatsen naast elkander op een rechte lijn staan, terwijl bij de meeste andere geslachten der familie de binnenste sprieten hooger ontspringen dan de buitenste. De bovenkaken zijn tasterloos; het derde paar kaakpooten is lang en tastervormig. De voorpooten zijn dik; de onbeweeglijke vinger van hun schaar is door een kort stekeltje vervangen. De volgende pooten eindigen in een zeer kleine schaar en zijn zeer dun, evenals die van het derde paar, waaraan evenmin een schaar voorkomt, als aan de beide laatste paren, die iets dikker en langer zijn. De "voorhoofdstekel", het voorste uiteinde (rostrum) van het rugschild van het kopborststuk, is kort, niet voorbij de oogstelen verlengd.
De Gewone Garnaal (Crangon vulgaris), die in ontzaglijke menigte de ondiepe kustgedeelten van de Noordzee bewoont, heeft een nagenoeg glad lichaam; alleen op het kopborststuk komen 3 korte stekels voor: één achter de oogen en één onder ieder oog. Voor haar vangst dient een zakvormig net, opengehouden door een langwerpig ijzeren raam, dat de rand gespannen doet blijven. Van achteren, waar het net spits uitloopt, kan men het openen door een touw los te maken, dat er omheen gebonden wordt, voordat men begint te visschen. Een Paard sleept in water van 1 M. diepte het net over den zeebodem, die op deze wijze door den achterrand van het ijzeren raam afgeschraapt wordt. Op een doek, die men op het strand uitbreidt, wordt het net leeggeschud, na het losknoopen van het touw. "De vruchtbaarheid der Garnalen", schrijft Snellen van Vollenhoven, "is onbegrijpelijk groot; men vindt de wijfjes des zomers nagenoeg altoos tusschen de buikpooten met kuit bezet; hoe bruiner deze is, des te nader zijn de jongen aan het uitkomen. De garnaalvangers verzekeren, dat bij elk springtij een groot gedeelte der Garnalen kuit schiet. Hoe verder in zee de Garnaal gevangen wordt, des te witter is de schaal, die bruinachtig is aan het strand en in den mond der rivieren. Die van de Noordzee worden door het koken fraai zalmrood, die van de Zuiderzee in geringere mate."
Deze soort is minder fraai dan sommige harer verwanten; zij dankt haar kleur (bleek-bruinachtig met groenachtige tint) aan zwarte, grijsbruine en oranjekleurige vlekken; waarvan vele bij sterke vergrooting stervormig blijken te zijn. Wanneer men een Garnaal laat vallen op een plaats, waar het water 2 à 5 cM. diep is, zal zij geen pogingen doen om op te springen, zooals op het droge, maar zich rustig op den bodem laten zakken. Men ziet in 't volgende oogenblik een kleine stofwolk in 't water opstijgen aan weerszijden van het dier, en dit zoo diep inzinken, dat zijn rug bijna op gelijke hoogte ligt met het omringende zand. Nu wordt de beteekenis van de eigenaardige kleursverdeeling ons duidelijk: de dichtbijeenstaande vlekken gelijken door hare verschillende tinten van bruin, grijs en rood zoo volkomen op de kleuren van het zand, dat men de Garnaal, die zooeven op den bodem gezien werd, in 't volgende oogenblik niet meer van haar omgeving onderscheiden kan. Slechts de beide oogen steken als schildwachten boven het zand uit. Zoo heeft het dier niets te vreezen van de meeste zijner vijanden, tenzij deze in het zand wroeten, zooals de ijzeren lip van het garnalennet.
De Garnalenvangst is op onze kust niet onbelangrijk: in 1896 bedroeg de uitvoer van Garnalen uit Nederland 2373000 KG, waarvan 2162000 KG. naar Engeland werden verscheept. In de Zuiderzee is dit bedrijf van minder beteekenis dan aan de Noordzeekust, maar levert toch in sommige jaren een bruto verdienste van 40000 gulden op.
Een meer ridderlijk voorkomen dan de Gewone Garnaal hebben de Steurkrabben (Palaemon). Haar kopborststuk heeft een overlangsche kiel, die naar voren uitloopt in een langen, sabelvormigen voorhoofdstekel (rostrum) met zaagtanden langs den boven- en den onderrand. De krijgshaftige uitrusting dezer dieren gaat echter niet met strijdlust gepaard. Hoewel men hen jaren achtereen in aquariën gehouden heeft, zag men hen nooit hun schijnbaar zoo gevaarlijke speer als middel tot aanval of verdediging gebruiken. Door kleur en levenswijze komen de meeste Steurkrabben ongeveer met de Garnalen overeen. Zij leven gezellig op den zandigen zeebodem in de nabijheid der kusten en worden overal, waar zij in menigte voorkomen, veelvuldig gevangen en gegeten; door het koken verkrijgen zij een meer geelachtig roode kleur dan de Garnalen.
De 50 mM. lange Gewone Steurkrab (Palaemon squilla) is bij onze kust het meest vertegenwoordigd, vooral in de Zeeuwsche stroomen. De grootere, bij ons veel zeldzamere Zaagtandige Steurkrab (Palaemon serratus), wordt vooral in de Middellandsche Zee en bij de noordkust van Frankrijk veelvuldig gevangen; zij verschilt van de vorige soort door de grootere lengte van den voorhoofdsstekel, zijn sterkere bovenwaartsche kromming en het grootere aantal tanden (5 à 6) aan zijn onderrand.
Een groote, in de Middellandsche Zee veelvuldig, in de Noordzee zelden voorkomende soort, die veel op een Steurkrab gelijkt, de 15 à 25 cM. lange Caramote (Penaeus caramote), wordt in menigte gevangen en vormt gezouten een belangrijk handelsartikel. Merkwaardig is zij bovendien door haar ontwikkelingsgang, die in 1863 voor 't eerst door Frits Müller werd waargenomen. Zij doorloopt n.l. een ontwikkelingsstadium, dat men overigens uitsluitend bij de Lagere Crustaceën (Entomostraca) aantreft. Deze larve, Nauplius genaamd, heeft een ongeleden stam met slechts 3 paar ledematen, die de voorste en de achterste sprieten en de bovenkaken vertegenwoordigen. De overige ledematen ontstaan achtereenvolgens bij de talrijke vervellingen: ieder verder naar voren gelegen paar eerder dan de daarachter aangehechte. Daar bij dieren, die tot één natuurlijke groep behooren, de opeenvolgende toestanden, waarin de hoogere vormen gedurende hun wordingsgeschiedenis verkeeren, overeenstemmen met die, welke bij de lager ontwikkelde leden derzelfde groep voorbijgaand of blijvend worden aangetroffen, was het van belang aan te toonen, dat ook de Hoogere Schaaldieren (Malacostraca), zoowel die met oogstelen (Podophthalmata) als die met "zittende" oogen (Hedriophthalmata), in den Nauplius-toestand hebben verkeerd. Bij Penaeus nu is dit zeer duidelijk, daar deze als Nauplius het ei verlaat. Na eenige vervellingen verkrijgt deze larve den Zoëa-vorm, die zich kenmerkt door het bezit van 7 paar ledematen (2 paar sprieten, 3 paar monddeelen, 2 paar kaakpooten), van "zittende" oogen en van 4 (soms zeer groote) stekels op het kopborststuk (aan het voorhoofd, op den rug en aan de zijden). Later wordt zij aan een volwassen Mysis in hoofdzaken gelijk; eindelijk bereikt zij in den Penaeus-vorm het toppunt van haar ontwikkeling. Bij de andere Crustaceën met oogstelen wordt het Nauplius-stadium niet waargenomen, althans niet na het ophouden van den kiemtoestand. Gedurende een zeker tijdperk van het embryonale leven (binnen de eischaal dus) komen echter verschijnselen voor, die meer of minder duidelijk bewijzen, dat de bedoelde ontwikkelingsperiode niet ontbreekt, maar eenvoudig vervroegd is, of afloopt, voordat het dier een zelfstandig leven begint te leiden. De meeste in zee levende Schaaldieren met oogstelen verlaten als Zoëa-larven het ei en worden volwassen na het doorloopen van den Mysis-toestand, waarin de Schizopoden reeds bij de geboorte verkeeren en waarboven zij zich niet verheffen. Bij vele soorten echter, o.a. bij de Zeekreeft (Homarus), is dit ontwikkelingsproces afgekort en merkt men reeds bij de geboorte een aan Mysis herinnerenden vorm op. Een nog verdere afkorting ondergaat het bij andere Astaciden en bij vele Landkrabben (Gelasimus); de jongen dezer dieren gelijken direct na de geboorte op hunne ouders; zij doorloopen dus ook de Zoëa- en de Mysis-periode vóór het verlaten van de eischaal. Iets dergelijks komt ook bij de Hoogere Schaaldieren met "zittende" oogen voor.
Door de op groote schaal verrichte onderzoekingen van diepe zeeën, die in den laatsten tijd hebben plaats gehad, zijn een groot aantal, ten deele zeer merkwaardige, nieuwe soorten van Garnalen bekend geworden. De meeste hebben goed gevormde, sommige zelfs buitengewoon groote oogen, ofschoon tot de diepten waar zij leven, slechts enkele zeer verzwakte lichtstralen doordringen. Tevens zijn hunne tastwerktuigen verbazend sterk ontwikkeld. In de Middellandsche Zee ontdekte Chun tusschen 800 en 1200 M. diepte een soort (Sergestes magnificus), die bij een lichaamslengte van 38 cM., 115 mM. lange sprieten had; deze waren aan de zijden met draadjes bezet, die op hun beurt tastborstels droegen.
TWEEDE ORDE.
DE SPLEETVOETIGEN (Schizopoda).
De naaste verwanten van de Decapoden zijn kleine, weekschalige, bij oppervlakkige beschouwing aan Garnalen herinnerende Crustaceën, die op verschillende diepten de zee bewonen en onder bovenstaanden naam tot een orde zijn samengevat. Bij hen hebben 1, 2 of 3 paar van de ledematen, die bij de Decapoden als kaakpooten dienst doen, denzelfden vorm als de volgende ledematen van het kopborststuk, waardoor het aantal paren gangpooten tot 6, 7 of 8 toeneemt; elk dezer pooten heeft aan de buitenzijde een lang, veelledig aanhangsel en is dus als 't ware in twee takken gespleten. In onze zeeën is de genoemde orde vertegenwoordigd door eenige soorten van Aasgarnaaltjes (Mysis), vooral door het Kleine (Mysis vulgaris) en het Groote (Mysis flexuosa).
De leden van dit geslacht missen de kieuwen geheel, hun ademhaling geschiedt hoofdzakelijk door het dunwandige rugschild; bij de overige geslachten komen aan de pooten pluimvormige kieuwen voor, die echter niet door de zijstukken van het rugschild overdekt worden.
Deze diertjes, die voor 't meerendeel niet langer zijn dan 25 mM., vormen, daar zij op vele plaatsen in ontzaglijke groote menigte voorkomen, een belangrijk bestanddeel van de voeding der Visschen en andere Waterdieren. Zelfs de groote Groenlandsche Walvisch (Balaena mysticetus) onderhoudt zijn reusachtig lichaam met deze kleine wezens, die in de noordelijke zeeën zoo veelvuldig zijn, dat de Walvisch slechts den bek heeft te openen om het materiaal voor millioenen vetdrupjes in zich op te nemen.
DERDE ORDE.
DE MONDPOOTIGEN (Stomatopoda).
De Mondpootigen komen met de leden der beide vorige orden overeen door het bezit van samengestelde oogen, die op beweegbare steeltjes rusten en door het aantal segmenten in den stam. Het rugschild laat drie borstringen vrij en dient niet tot beschutting van de kieuwen; het heeft daarom een veel minder grooten omvang dan bij de Decapoden en is tot een horizontale, bijna vierzijdige plaat verminderd. De groote, op een korten steel rustende oogen zijn aan een voorsten, beweegbaren ring gehecht, waarop een ring volgt, die de binnenste sprieten draagt. Het lichaamsdeel, dat door het rugschild overdekt wordt, draagt de buitenste sprieten, de monddeelen (welke in hoofdzaken overeenstemmen met de bovenkaken en onderkaken van den Rivierkreeft) en de kaakpooten. Daar 2 van de paren ledematen, die zich bij de Decapoden tot looppooten ontwikkelen, hier den vorm van kaakpooten aangenomen hebben, bezitten de Mondpootigen 5 paar van deze dicht bij den mond opeengedrongen organen. Alle, behalve die van het eerste paar, eindigen in een klauwlid, dat, als een knipmes in het hecht, naar het vorige lid teruggebogen kan worden. Vooral het tweede paar kaakpooten, dat alle overige in lengte en dikte overtreft en spitse tanden aan het klauwlid heeft, is een uitmuntend orgaan voor den aanval en de verdediging. Op de kaakpooten volgen 3 paar in twee takken eindigende roeipooten. Het eigenlijke bewegingsorgaan is echter het groote, sterk gespierde na-achterlijf, dat in een breede vin uitloopt. De ledematen van de 5 voorste na-achterlijfsleden dragen pluimvormige kieuwen.--Deze orde bevat ruim 50 soorten, waarvan 5 tot de Europeesche fauna behooren.
De Gewone Sprinkhaankreeft (Squilla mantis), die men in het Kanaal soms aantreft, wordt in de Middellandsche Zee veelvuldig gevangen en levert een smakelijk gerecht; hij kan een lengte van 18 cM. bereiken en bevat vele eetbare deelen. In een aquarium ziet men hem dikwijls met de lange, lenige grijppooten verschillende deelen van zijn lichaam reinigen, zich als 't ware kammen; zelfs de staart kan een beurt krijgen.
VIERDE ORDE.
DE CUMACEËN (Cumacea).
Deze orde bevat een 70-tal soorten van kleine, deels bij de kust, deels op grootere diepte levende Schaaldieren, waarvan enkele, o.a. de 12 mM. lange Diastylis Rathkei, in de Noordzee niet zeldzaam zijn. Als Garnalen rusten zij over dag op den bodem; 's nachts zwemmen zij rond. Zij onderscheiden zich van de vroeger genoemde en gelijken op de beide volgende orden door het gemis van oogstelen. Het rugschild is nog korter dan bij de Stomatopoden, daar het de 5 leden van het achterlijf, die bij de Decapoden met het kopborststuk vereenigd zijn, onbedekt laat. De kieuwen (één paar) zijn aan het eerste paar kaakpooten gehecht. Vroeger hield men de Cumaceën voor larven van Decapoden; het is echter gebleken, dat zij zelf eieren leggen. De hieruit voortkomende jongen gelijken bijna volkomen op hunne ouders en ondergaan dus geen gedaantewisseling; ook in dit opzicht komen de Cumaceën met de beide volgende orden overeen.--De hierboven genoemde soort, die, behalve de Noordzee en de Oostzee, ook de Noordelijke IJszee bewoont tot op 50 vademen diepte, is van groot belang als voedsel voor allerlei Visschen.
VIJFDE ORDE.
DE PISSEBEDDEN (Isopoda).
De Isopoden en de op hen volgende Amphipoden hebben, evenals alle vroeger behandelde Schaaldieren, een uit 19 segmenten samengestelden stam (de aarsplaat of "telson" wordt niet als een segment beschouwd); zij missen echter de bij deze nagenoeg altijd voorkomende oogstelen en dragen daarom den gemeenschappelijken naam van Hedriophthalmata. Bij beide orden ontbreekt een rugschild, zooals bij de vorige Crustaceën (de Podophtalmata) gevonden wordt. Deze heeten daarom ook wel Grootschaligen (Thoracostraca), gene Ringschaligen (Arthrostraca). De kop (die ook hier uit 5 vereenigde segmenten bestaat) is n.l. met slechts 1 (of hoogstens 2) borstsegmenten tot een kopborststuk vergroeid. De 7 volgende segmenten, die het "middellijf" (pereion) vormen, zijn in den regel vrij en dragen ieder 1 paar pooten. Het "achterlichaam" (pleon) bestaat uit 6 (soms gedeeltelijk vergroeide) meestal ledematen dragende segmenten (en den telson). Een belangrijk verschil tusschen de Pissebedden (Isopoda) en de Amphipoden, hare naaste verwanten (van welke zij zich bovendien door haar in den regel van boven naar onderen afgeplat lichaam onderscheiden), is gelegen in de vervorming der valsche of na-achterlijfspooten in dubbele plaatjes, die als ademhalingsorganen dienen. Die van het laatste paar hebben dikwijls een afwijkenden vorm en worden daarom "staartpooten" (uropoden) genoemd. De middellijfspooten van de wijfjes dragen plaatvormige aanhangsels, die een broedholte begrenzen, waarin de eieren uitkomen en de jongen hunne eerste dagen doorbrengen. Deze gelijken veel op hunne ouders, maar missen nog het laatste segment van het middellijf en de daarbij behoorende ledematen. Over 't algemeen behooren de Pissebedden tot de kleine Schaaldieren; haar lengte bedraagt gemiddeld 18 à 26 mM. Zij voeden zich hoofdzakelijk met rottende stoffen en hebben zich gewijzigd in overeenstemming met zeer verschillende levensomstandigheden. Men vindt onder hen echte landdieren en echte waterbewoners; deze zoowel in zoetwater als in de zee, gene op vochtige zoowel als op droge plaatsen. De meeste leven vrij, sommige parasiteeren echter op andere Schaaldieren of op Visschen. Er zijn ongeveer 800 soorten bekend, waarvan ongeveer het derde deel op het land leeft.
Een kenmerk van de familie der Landpissebedden (Oniscidae) is o.a., dat een der takken van elk der beide uropoden stijlvormig verlengd is, zoodat twee staartjes aan weerszijden voorbij de spits van het achterlijf uitsteken. Alle overige valsche pooten hebben twee bladvormige takken, waarvan de achterste, dunste en kleinste als kieuw dienst doet en door den voorsten beschut wordt. De meeste soorten moeten, om te kunnen ademen, door een met waterdamp verzadigde lucht omgeven zijn en houden daarom gewoonlijk verblijf op vochtige plaatsen, aan den voet van muren, onder groote steenen, in kelders en dergelijke donkere ruimten; zij mijden het licht. Sommige soorten, o.a. van de geslachten Oniscus en Armadillidium, die op volkomen droge en zelfs op zonnige plaatsen leven, hebben, naar het schijnt, behalve de bedoelde, zwakke kieuwademhaling, ook nog een soort van luchtademhaling, die tot stand komt, doordat de beide voorste kieuwdekselplaatjes een stelsel van holten en fijn vertakte kanaaltjes bevatten, welke door spleten met de buitenwereld in gemeenschap staan. Algemeen bekend zijn Muurpissebedden of Kelderpissebedden, in sommige deelen van ons land ook wel Varkentjes genoemd (Oniscus murarius), en de door haar korrelige lichaamsbekleeding gekenmerkte Ruwe Pissebedden (Porcellio scaber). Beide worden door sommige lieden als afschuwwekkende wezens beschouwd. Daar zij, behalve rottende, ook wel gave plantendeelen aantasten, richten zij in tuinen schade aan. Een veel bollere rugzijde hebben de Rolpissebedden (Armadillidium), die het vermogen hebben om zich bij dreigend gevaar tot een kogeltje op te rollen. Het meest vindt men in tuinen onder bloempotten, doch ook wel vroeg in 't voorjaar op straatwegen de Gewone Rolpissebed (Armadillidium vulgare). Een verwante soort uit Zuid-Europa, Noord-Afrika en Klein-Azië (Armadillo officinarum) werd vroeger als geneesmiddel gebruikt en kwam daarom in gedroogden toestand in de apotheken voor.
Van de Landpissebedden verschillen de Waterpissebedden (Asellidae) door den meer langwerpigen vorm van het lichaam, dat nagenoeg overal even breed is; de segmenten van 't achterlijf zijn kort, met uitzondering van het laatste, dat lang en schildvormig is. Deze dieren bewegen zich loopend en niet zwemmend. Bij de Gewone Zoetwaterpissebed (Asellus aquaticus) bestaat het achterlijf nagenoeg geheel uit een enkel groot, schildvormig segment, waarachter 2 rolronde, tweetakkige staartpooten uitsteken. De grootste mannetjes zijn 14 mM. lang, de wijfjes 7 à 8 mM. Zij komen voor in slooten en grachten, waar planten groeien of bladeren rotten, zitten dikwijls op de wortels en wortelstokken van oever- en waterplanten en voeden zich hoofdzakelijk met rottende stoffen. Daar zij gewoonlijk in ondiep water leven, komt het niet zelden voor, dat hun woonplaats in den zomer uitdroogt; zij kruipen dan zoo diep mogelijk in den modder en vervallen hier in een soort van zomerslaap, die voortduurt, totdat een regenbui hen tot nieuw leven opwekt.
De Zoetwaterpissebedden bewonen allerlei niet te snel stroomende wateren. De soorten, die men in onderaardsche en diepe meren aantreft, missen de oogen.
De Zeepissebedden (Idotea) hebben een lang en smal lichaam; de 3 of meer laatste segmenten zijn tot een lang staartschild vergroeid. De meest gewone soort aan onze stranden, de langwerpig ovale, 20 à 30 mM. lange Idotea tricuspidata, vertoont veel verscheidenheid van vorm en kleur. Zij is donkerbruin onder de bruinzwarte blaaswieren (Fucus), lichtgroen onder de groene watervliezen (Ulva). De Zeepissebedden gebruiken zoowel dierlijk als plantaardig voedsel.
De beide volgende familiën (Sphaeromidae en Cymathoidae) kan men onder den naam van Zwemmende Pissebedden (Natantia) samenvatten, daar de staartpooten plat zijn en met het eindlid van 't lichaam een voor 't zwemmen geschikte staartvin vormen.--Een algemeen verbreid, doch vooral aan de kusten der warme zeeën talrijk vertegenwoordigd geslacht wordt gevormd door de Kogelpissebedden (Sphaeroma), zoo genaamd, omdat zij zich bij aanraking tot een bal ineenrollen. Veelvuldig vindt men bij ons aan 't strand en in brak water de 10 mM. lange Sphaeroma rugicauda, die zeer snel (dikwijls ook op den rug) zwemt en gezellig onder steenen rust.--Merkwaardig is de 4 à 5 mM. lange Boorpissebed (Limnoria terebrans) door de verwoestingen, die zij in verschillende zeeplaatsen (o.a. te Havre en te Plymouth) heeft aangericht. Zij knaagt n.l. in het hout van havenwerken cilindervormige gangen van hoogstens 2 mM. middellijn, die zoo dicht bij elkander liggen, dat er slechts dunne schotten tusschen overblijven; eerst wordt de buitenste laag, later het geheele voorwerp in een sponsachtige massa veranderd. Men heeft haar aangetroffen op verschillende plaatsen van de Europeesche kust, van de Middellandsche Zee tot aan de oostkust van Sleeswijk-Holstein. Ook bij ons komt zij nevens den Paalworm geregeld voor.
Tot de Cymathoïden, die zich van de vorige familie onderscheiden door de beweegbaarheid van den binnensten tak der staartpooten, behoort o.a. de hoogstens 7 mM. lange en 3 mM. breede Agaatpissebed (Eurydice pulchra). Haar vorm is langwerpig eirond, op den rug tamelijk bol, de kleur wit, met sierlijke, bruine figuurtjes op verscheidene afdeelingen van het lichaam; de schitterende, donkerzwarte oogen zijn gefacetteerd, half aan de buikzijde, half aan de rugzijde gelegen en dus geschikt om gelijktijdig in alle richtingen te kijken; de achterste sprieten zijn zeer lang en reiken tot voorbij het begin van den staart. Van de levenswijze geeft Ritzema Bos de volgende interessante beschrijving: "Aan 't strand van Rottum zag ik ze op eenigen afstand van den vasten wal steeds bij ebbe over het water rondzwemmen. Nooit vond ik ze ver in zee, maar ook nooit in poelen of kreekjes, waar minder dan ongeveer 1 voet water stond. Het meest zag ik ze daar rondzwemmen, waar bij ebbe het zeewater het strand nog ter hoogte van 2 à 3 voet bedekte. Naarmate het water verder terugweek, gingen zij ook verder zeewaarts op. Zij zijn dus geen eigenlijke stranddieren, maar leven meest pelagisch en wel aan de oppervlakte van laag water. Zij zwemmen zeer snel en herinneren van verre gezien aan de Draaikevertjes onzer slooten: dezelfde vlugge beweging over de oppervlakte des waters, dezelfde grootte, dezelfde glans, als de zon hen beschijnt. Zij zijn zeer vraatzuchtig en schijnen uitsluitend van dierlijk voedsel te leven. Ongeveer een twaalftal vond ik op en in een klein scholletje; zij waren druk bezig het te verslinden. Sprinkhanen en Kevers, die van de duinen in zee waren gewaaid of gevlogen, werden geheel leeggevreten, zoodat slechts het huidskelet overbleef. Ook vond ik ze op en in Kwallen, zoo levende als doode. Als men gaat baden, dan hechten zij zich graag op de huid vast en bijten vrij gevoelig. Met het leven van dierlijk voedsel zijn de krachtige, van scherpe tanden voorziene bovenkaken in volkomen overeenstemming. Zoo is het ook met de zeer groote, bijkans het geheele "middellijf" vullende kauwmaag, wier wand dikke spierlagen bevat en waarvan de binnenste bekleeding van scherpe, tandvormige, chitineuze uitsteeksels voorzien is."
De leden van het typische geslacht Cymothoa parasiteeren op Visschen.