Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen
Part 8
De leden van een aantal andere geslachten hebben aan alle pooten, ook aan de achterste, een dun en spits, klauwvormig eindlid. Een voorbeeld hiervan levert de Gewone Zeekrab (Cancer pagurus), die in de Adriatische en de Middellandsche zee minder veelvuldig voorkomt dan de Strandkrab, maar daarentegen sterk vertegenwoordigd is bij de kusten der Noordzee. Van boven is zij bruinachtig, van onderen lichter van kleur; de vingers van de scharen zijn zwart. Zij kan meer dan 30 cM. breed worden en verdient wegens haar grootte en smakelijkheid de voorkeur boven alle andere Krabben van de Noordzee. Zij bewoont liever een rotsachtigen dan een zandigen zeebodem en wordt vooral aan de Engelsche kust veel gevangen. De opbrengst van de krabbenvisscherij in het Vereenigd Koninkrijk bedroeg in 1896 ruim 8 1/2 millioen stuks ter waarde van bijna 800000 gulden. Ook in sommige Nederlandsche havens worden vele groote Krabben aangebracht, te Harlingen b.v. in 1896, 4400 stuks.
De Krabben met nagenoeg driehoekig rugschild, welks voorhoofdsgedeelte spits vooruitsteekt, noemt men Driehoekkrabben (Oxyrhyncha). Zij zwemmen niet, maar kruipen en hebben door hare veelal lange pooten een spinachtig, dikwijls zeer zonderling voorkomen. Dit geldt vooral van de Stenorhynchus- en Inachus-soorten. De laatstgenoemde zijn altijd met allerlei algen en vastzittende dieren begroeid. Gesteelde diatomeën (kristalwieren), Hydroidpolypen, Infusoriën, samengestelde Ascidiën en andere bedekken den stam en de ledematen als een fijn dons of als een zode. Dit kleed verschaft nut en genoegen: de Krab beschouwt het als een groentetuin en plukt hieruit met de scharen af en toe een versnapering.
Een van de merkwaardigste leden dezer familie is de Groote Zeespin (Maja squinado), die in de Europeesche zeeën, vooral in de Middellandsche zee tot aan Triëst, veelvuldig voorkomt. Ieder jaar worden vele duizenden van deze Krabben op de vischmarkten der Zuid-Europeesche kuststeden verkocht, meestal in groote, los gevlochten korven, waarin de roodachtige, ongeveer 11 cM. lange dieren een schijnbaar niet te ontwarren klomp van ruig behaarde lichamen en pooten vormen. Vooral in de volksgaarkeukens worden zij, in haar eigen schaal geroosterd, veelvuldig opgedischt en verschaffen den minderen man een smakelijke spijs bij den zwarten wijn. Ook van deze Krab wisten de ouden allerlei zonderlinge zaken te verhalen. Men beweerde, dat zij buitengewoon schrander is en veel van muziek houdt; op vele munten komt haar beeltenis voor, ook op het halssieraad van het Diana-beeld van Ephese.
De Rondkrabben (Oxystomata), kenbaar aan het afgeronde kopborststuk zonder vooruitstekend voorhoofd, ontleenen haar wetenschappelijken naam aan den driehoekigen vorm van de mondopening. Een zeer eigenaardig voorkomen hebben de Schaamachtige Krabben (Calappa), zoo genoemd, omdat zij met de groote, samengedrukte, lijstvormig verbreede schaarpooten zich het aangezicht bedekken. De wetenschappelijke naam doelt op de zeer bolle gedaante van het lichaam, dat met een halven kokosnoot (klapper of kulapa) vergeleken wordt. Nadat zij de korte pooten onder de borst teruggetrokken hebben, trotseeren zij, op den bodem rustend, of voor een deel er in bedolven, hare vijanden. Zij bewonen de warme zeeën. De noordelijkste soort van dit geslacht is Calappa granulata, die in de Middellandsche zee gevonden wordt en hoogstens 5 à 8 cM. lang is.
De Rugpootigen (Notopoda) vormen door de hooger, nader bij den rug gelegen plaats van inplanting van het vijfde (of van het vijfde en het vierde) paar pooten, een overgang tot de volgende, groote onderafdeeling van de Tienpootigen.
De Wolkrab (Dromia vulgaris) heeft het lichaam dicht behaard met uitzondering van de roodachtige spitsen der scharen; zij bewoont de Middellandsche Zee en de Noordzee op 20 à 35 vademen diepte. Dit dier heeft de zeer eigenaardige gewoonte een beschermend dak met zich om te dragen; hiervoor gebruikt het bijna uitsluitend Sponsen, meestal Sarcotragus spinolosus, of een variëteit van de Kurkspons (Suberites domuncula); deze worden met de rugpooten op haar plaats gebracht en gehouden. De Spons vleit zich met haar ondervlakte nauw tegen het rugschild aan en bereikt dikwijls zulk een grootte, dat zij de Krab volkomen bedekt, zonder deze echter bij hare niet zeer vlugge bewegingen te hinderen. Hoe sterk de behoefte aan zulk een deken of mantel is, blijkt uit de wijze, waarop de Wolkrabben in een aquarium zich gedragen, nadat men haar de Spons ontnomen heeft; zij hangen zich dan een stuk wier over den rug dat haar een zeer zonderling voorkomen verschaft.
Een andere, tot dezelfde familie behoorende Krab, Dorippe lanata, zoekt, zonder een bepaalde voorkeur te toonen, allerlei voorwerpen uit haar omgeving op. Phallusiën en Holothuriën, vischkoppen, lijken van soortgenooten en levende Dromia's, ja zelfs stukken vensterglas worden met de beide achterste paren pooten op eenigen afstand boven den rug gehouden, terwijl zij als een Spin rondstapt en met de lange pooten het lichaam hoog opgeheven houdt. Zij gebruikt deze voorwerpen niet zoozeer als kleed dan wel als schild; zij houdt ze haren aanvaller voor en maakt er allerlei kunstgrepen mede, zonder haar lichaam te bewegen, blijkbaar met het doel om hare beschuttingsmiddelen, waarmede de vijand zich bezig houdt, in zijne klauwen achter te laten en te rechter tijd de vlucht te nemen.
Een aardig staaltje van de list der Krabben komt voor in de volgende beschrijving van een natuurtafereel aan de Engelsche kust: "Wij waren zoo verdiept in de beschouwing van de Strandvlooien (Talitrus locusta), dat verscheidene donkere gedaanten, die zich in de verst op het strand komende golfjes vertoonden, niet door ons opgemerkt werden, voordat een lid van het gezelschap er onze aandacht op vestigde. Wij zagen toen een groene Krab van een op deze kust zeer gewone soort, niet veel breeder dan 3 cM., oogenschijnlijk een zeer onbeduidend, niets aantrekkelijks vertoonend dier. Langzaam kwam het nader over het zand, dat slechts op enkele plaatsen door het water bespoeld werd, intusschen zorgvuldig op alles lettend. Door een groot Weekdier, dat de golfjes nu eens verder op het strand spoelden, dan weer terugtrokken, werd het genoopt de klauwen, die bij het gaan eenvoudig als krukken schenen te dienen, voor een ander doel te gebruiken: zij plozen het eene stukje na het andere uit het Weekdier en brachten dit vervolgens naar den mond op een wijze, die aan de beweging van een hand herinnerde. Toen de Krab eenige klauwen vol genomen had, scheen dit voedsel haar niet meer te behagen; langzaam bewoog zij zich verder in de richting van het droge zand. Voortkruipend langs een vochtige plaats, zocht een fraaie Strandvloo een hoopje zeegras op; zij bewoog zich zonder haast, onbewust van de nabijheid van den loerenden vijand en was weldra op het zeegras bezig haar maal te doen. Het was nu een lust naar de bewegingen van de Krab te kijken. Zij hield de Strandvloo voortdurend in 't oog, kwam langzaam nader en maakte met de behendigheid van een ervaren jager als dekking gebruik van een tusschen beide liggend hoopje zeegras; zij was nog slechts 20 cM. van haar prooi verwijderd en trachtte dezen afstand zooveel mogelijk te verminderen. De Strandvloo was echter op haar hoede en scheen, op grond van vroegere ervaringen, de nabuurschap van een vijand mogelijk te achten. De Krab verliet haar schuilplaats, bukte zich en kroop op hoogst kunstige wijze nader bij haar buit: toen zij er ongeveer 10 cM. van verwijderd was, staakte de Strandvloo haar maal en maakte een beweging in de richting van de Krab. Een oogenblik werd onze aandacht afgeleid door een ander voorwerp, in 't volgende was de Krab verdwenen. Het was ons onmogelijk te ontdekken, waar zij zich bevond. Het zand in de omgeving was vlak, zonder eenige andere bedekking dan eenige nietig kleine hoopjes zeegras. Zoo scherp mogelijk toekijkend, zagen wij een kluit zand dicht bij de Strandvloo, als door een onderaardsche kracht gedreven, langzaam omhoog rijzen; de Krab, die onder het zand gekropen was, om aan de aandacht van de Strandvloo te ontgaan, kwam er uit te voorschijn, deed ter sluiks 1 of 2 stappen vooruit en schoot toen plotseling, als een Kat op een Muis, op de rustig arbeidende Strandvloo toe. De bewonderenswaardige, op handen gelijkende klauwen werden onder het lichaam van het slachtoffer gestoken, grepen het, scheurden het in twee stukken en staken deze in den bek. Terwijl wij onze volle aandacht schonken aan deze Krab, hadden wij niet opgemerkt, dat vele van zijne soortgenooten slechts weinige schreden verder ijverig op dezelfde wijze aan 't jagen waren."
Op rotsachtige kusten van de Middellandsche zee kan men zich den tijd verdrijven met den niet minder sluwen Grapsus varius, een middelmatig groote, bont gekleurde Vierhoekkrab, die zich op den oever met de jacht bezig houdt en met de behendigheid van een Muis van gaten en rotsspleten gebruik weet te maken.
De Middelstaartigen (Anomura) vormen een overgangsgroep, daar hun staart, hoewel sterker ontwikkeld dan die der Krabben, in den regel niet den omvang van dien der Langstaartige Tienpootigen bereikt, of, zoo dit wel het geval is, een zachte huid heeft en daarom gewoonlijk in een ledig slakkenhuis verborgen wordt. Vooral de Eremietkreeften (Paguridae) verdienen onze belangstelling, daar zij aan alle zeekusten voorkomen en een hoogst eigenaardige levenswijze hebben, die met hun lichaamsbouw ten nauwste samenhangt. Vóór het langwerpige kopborststuk steken lange, zeer beweeglijke oogstelen uit, die hen in staat stellen om van uit hun woning de omgeving te bespieden. Ook de schaarpooten zijn lang, krachtig en gewoonlijk ongelijk ontwikkeld; deze asymmetrie komt bij vele Kreeften voor, maar strekt zich bij de Paguriden over allerlei andere lichaamsdeelen uit en staat eveneens in verband met hun levenswijze. De beide laatste pooten zijn zeer weinig ontwikkeld en klauwvormig; evenals de pootstompjes van het achterlichaam (soms ook nog geholpen door eenige zuignappen aan dit lichaamsdeel), houden deze organen het slakkenhuis vast, waarin het dier zijn langwerpigen, zakvormigen staart verbergt; deze heeft beschutting noodig, daar hij bedekt is door een grootendeels weeke huid, die slechts aan de bovenzijde eenige harde platen bevat. Het dier zoekt zich een woning, groot genoeg om in tijd van nood het geheele lichaam achter den rand van de opening te kunnen verbergen; het houdt zich zoo stevig vast, dat men het bijna nooit levend en ongeschonden uit de schelp kan trekken; gewoonlijk breken de scharen, waarbij men het dier het best kan aanvatten, of wordt het kopborststuk van het achterlichaam afgescheurd. Wanneer de Kreeft te groot geworden is voor zijn woning, moet hij haar wel verlaten en een nieuw, hem passend huis opzoeken. De Kurkspons (Suberites domuncula), die in de Noordzee bij onze kusten zeer zelden, in de Middellandsche zee daarentegen veelvuldig voorkomt, vestigt zich bij voorkeur op slakkenhuizen, die door Eremietkreeften bewoond worden en brengt hunne eigenaars dikwijls in groote verlegenheid. Hoe ijveriger de Kreeft rondwandelt, des te beter gedijt de Spons, welker op kurk gelijkend, geelachtig rood lichaam weldra het geheele huisje bedekt en nu voor den bewoner gevaar begint op te leveren. Indien deze zich n.l. niet te rechter tijd uit de voeten maakt, wordt hem de deur voor den neus gesloten, daar de Spons zich ook over den ingang van de woning uitbreidt. Men vindt dikwijls Eremietkreeften in dezen ellendigen toestand. Door het kleine gaatje, dat de Spons heeft overgelaten, kan het dier de gesteelde oogen steken en de heerlijkheden van de buitenwereld begluren, of met de spits van een schaar een weinig voedsel opnemen, ternauwernood voldoende om het leven te rekken; eindelijk bezwijkt het van honger.
Evenals vele Krabben, leven ook verscheidene soorten van het geslacht Coenobita op het land, in kuststreken van tropische gewesten; zij gebruiken meestal huisjes van Landslakken van het geslacht Bulimus als middel tot beschutting van haar achterlichaam en sleepen deze mede op hare tochten, die zich dikwijls zeer ver en over zeer oneffene wegen uitstrekken.
De eenige soort van het Pagurus, die tot onze fauna behoort, wordt door de visschers in Holland Snijder, in Groningen Soldaat en door schrijvers uit de beide vorige eeuwen Kreeftslak genoemd (Pagurus Bernhardus). Hare hoogstens 12 à 15 cM. lange vertegenwoordigers leven zoowel vlak bij de kust, op zeer geringe diepte, als verderop, waar 20 vaâm water staat. De volwassenen danken aan Wulken (Buccinum undatum), de jongen aan Tepelhoorns hun woning, die in den regel bedekt is met een harde, bruine korst, de gemeenschappelijke grondlaag van een Polypen-soort, van de Ruwe Zeerasp (Hydractinia lactea).--Op 15 à 20 vademen diepte komt in de Europeesche zeeën de 7 à 10 cM. lange Pagurus Prideauxii voor, op wiens slakkenhuis men bijna altijd een fraaie Polyp--de Mantelactinie [Actinia (Adamsia) palliati]--vastgehecht vindt. Opmerkelijk is het, dat de Kreeft, wanneer hij van woning verwisselt, zijn Actinie medeneemt, d.w.z. haar van de oude schelp losmaakt, met de scharen op het nieuwe huis neerzet en steunt, tot zij zich hieraan met de voetschijf heeft vastgehecht. Dat de Actinie bij deze verhuizing niet geheel passief blijft, kan men afleiden uit het feit, dat zij, wanneer de Snijder gewelddadig uit het huisje verwijderd wordt, uit eigen beweging van standplaats verwisselt en een anderen Pagurus tot bondgenoot kiest. Beide dieren profiteeren van de samenleving. De Adamsia heeft netelorganen, die bij aanraking een pijnlijke, brandende gewaarwording veroorzaken. Terwijl zij de vijanden op een afstand houdt, stelt de beweging van Pagurus haar in staat om van een zeer uitgestrekt terrein voedsel in te zamelen.
Deze vorm van symbiose komt niet slechts bij Anomuren, maar ook bij Brachyuren voor. Möbius zag er een voorbeeld van: alle exemplaren, de mannetjes zoowel als de wijfjes, van een soort van Zeekrabben (Melia tesselata), die hij bij de Seychellen waarnam, droegen op elke schaar een Actinia prehensa. Wanneer men de Polyp wegneemt en doorsnijdt worden de stukken door de Krab bijeengezocht.
Tot de Anomuren, welker achterlichaam beschutting noodig heeft en symmetrisch ontwikkeld is, behoort de groote landkreeft, die op de Oost-indische eilanden Notendief (Birgus latro) wordt genoemd. De rugzijde van zijn na-achterlijf is met pantserplaten bedekt, de buikzijde niet. Zijn nachtverblijf is een gat in den grond, dat door hem zelf gegraven en met vezels van kokosnootbolsters gevoerd wordt. Zijn voedsel bestaat uit kokosnoten, die hij over dag onder de boomen opzoekt en zeer behendig weet te openen. De bewering van Rumph (schrijver van de "Amboineesche Rariteitenkamer", 1627-1702), dat hij in den boom zou klimmen om noten te plukken, is gebleken onjuist te zijn. De bewoners van Amboina en van sommige andere Oost-indische eilanden eten dit dier; het kan een aanzienlijke lengte bereiken; zijn kopborststuk is soms wel 15 cM. lang.
Paguriden met een recht, symmetrisch ontwikkeld achterlichaam vindt men ook wel in diepe zeeën; sommige leven vrij en hebben een hard huidskelet; andere kruipen in den grond, of vervaardigen kokers van zand, waarin zij hun achterlichaam verbergen. De merkwaardigste soort, de Gestrekte Houtsnijder (Xylopagurus rectus) bewoont op een diepte van 500 à 730 M. een hol stuk bamboes of een andere houten koker, die aan beide einden open is.
De derde en grootste afdeeling der Decapoden wordt gevormd door de Langstaartigen (Macrura), welker achterlichaam flink ontwikkeld en even lang is als het kopborststuk of langer dan dit. Alle 6 na-achterlijfsringen dragen één paar ledematen; die van het laatste segment vormen met den "telson" (het afgeplatte, laatste stuk van den stam, waaraan men tegenwoordig den rang van segment ontzegt) een groote, horizontale staartvin.
De familie van de Pantserkreeften (Loricata) kenmerkt zich door zeer harde lichaamsbekleedselen en een zeer groot achterlichaam. Alle 5 paren pooten eindigen in een klauwvormig lid en niet in een schaar.--Het belangrijkste geslacht is dat der Langoesten (Palinurus); hare buitenste sprieten zijn langer dan het lichaam; zij bestaan uit een grondstuk van 3 dikke, stekelige leden en een lange zweep.--De Gewone Langoeste (Palinurus vulgaris) komt het veelvuldigst voor in de Middellandsche zee; toch worden ook aan de westelijke en zuidelijke kusten van Ierland en Engeland zoovele Kreeften van deze soort gevangen, dat zij een belangrijk artikel op de Londensche markt vormen. Het kopborststuk is aan den voorrand voorzien van 2 dikke stekels en ook overigens dicht met stekels bezet; het achterlijf is glad. De levendige roodachtig violette kleur van het pantser verandert bij verhitting, door ontleding van de blauwe kleurstof, in rood. Sommige exemplaren worden meer dan 40 cM. lang en 6 à 8 KG. zwaar. In de Middellandsche zee is deze soort veel talrijker vertegenwoordigd dan de Gewone Zeekreeft, die daarentegen in de kustlanden van den Atlantischen Oceaan en van de Noordzee het veelvuldigst op den disch van den Kreeftenliefhebber prijkt. De Langoesten bewonen op zeer verschillende diepten bij voorkeur rotsachtige, oneffene, met zeeplanten begroeide gronden.
Men treft de Langoesten, tegenwoordig, nevens Gewone Zeekreeften en Zeekrabben, in alle groote aquariën aan. Zij brengen een knorrend geluid voort, door schuring van een ronde plaat, die aan het onderste beweegbare lid van de buitenste sprieten voorkomt, over de gladde oppervlakte van den onbeweeglijken ring, waarmede dit lid verbonden is.
De Echte Kreeften (Astacidae) zijn kenbaar aan hun kopborststuk, dat zijdelings een weinig samengedrukt en, evenals het achterlichaam, door het (gewoonlijk zeer stevige) skelet beschut is. Het eerste paar pooten draagt steeds groote scharen; ook het 2e en het 3e paar pooten zijn bij eenige geslachten met scharen uitgerust, die echter veel kleiner zijn.
De Gewone Rivierkreeft (Astacus fluviatilis) wordt 20, soms zelfs 25 cM. lang. Niet als larve, maar als een ongeveer 9 mM. lange Echte Kreeft verlaat hij het ei, dat aan een der haren van de zwemvoeten der moeder is vastgehecht; hij groeit zoo snel, dat zijn lengte reeds aan 't einde van 't eerste jaar bijna 45 mM. bedraagt. De eieren, die reeds in den herfst gelegd worden, ontwikkelen zich daarentegen zoo langzaam, dat de jongen eerst in de volgende lente of in het begin van den zomer uitkomen. Hoewel hun zelfstandig leven na de eerste vervelling een aanvang neemt, keeren zij toch af en toe onder den staart van hun moeder terug, als 't ware om beschutting te zoeken; na de 2e vervelling (ongeveer op den 28en dag na het verlaten van het ei) verspreiden zij zich en staan van nu af volkomen op zich zelf.
De Rivierkreeften zijn alleseters en bovendien veelvraten; zij verslinden alle eetbare voorwerpen, die zij machtig kunnen worden: doode dieren, kleine Kikkers, larven van Amphibiën, Waterslakken, Insecten en hunne larven, zwakkere soortgenooten. Zelfs zegt men, dat de Kreeft, in zijn hol op de loer liggend, soms een Waterrat grijpt, deze zoo lang onder water houdt, tot zij verdronken is en haar vervolgens met grooten smaak oppeuzelt. Het schijnt voor hen een behoefte te zijn nu en dan plantaardig voedsel te gebruiken; zij eten zeer gaarne kranswieren (Chara), waarschijnlijk wegens haar kalkgehalte, knagen aan de wortels van allerlei waterplanten en eten met smaak de penen, komkommers, enz., die men hun toewerpt.
In Nederland komt de Rivierkreeft zelden voor, volgens Van der Hoeven nog het meest in de omstreken van Maastricht. Het best gedijt hij in rustig stroomend, niet te diep water met schaduwrijke oevers van leem- of kalkgrond, waarin de rivier of de beek tusschen de wortels der boomen allerlei tot schuilplaats geschikte gaten heeft uitgespoeld, of waarin hij deze gemakkelijk zelf kan graven. Voor den ingang van zulk een hol zit hij voortdurend hongerig op buit te loeren. Wanneer een gevaar hem bedreigt, zijn een paar slagen met den zwemstaart voldoende om hem pijlsnel in achterwaartsche richting in zijn hol te doen verdwijnen, waar hij zich met zijne krachtige scharen uitmuntend weet te verdedigen en te handhaven. Des nachts, of als een onweer in aantocht is, maakt hij verre tochten en begeeft zich zelfs, naar men beweert, voor korten tijd op het land.
Men onderscheidt twee rassen, vormen of, zoo men wil, soorten van den Rivierkreeft, de Edelkreeft (Astacus fluviatilis nobilis) en de Rotskreeft (Astacus fluviatilis torrentium), die, naar beweerd wordt, niet met elkander kruisen, zoodat er geen tusschenvormen van bestaan. De Edelkreeft komt voor in Duitschland, Denemarken, het zuiden van Zweden, het stroomgebied van de Finsche Golf en van de Witte Zee, Frankrijk en Italië; hij geeft aan kalm vlietend water de voorkeur. De Rotskreeft wordt meer in bergstreken gevonden, komt op geschikte plaatsen veelvuldig naast den Edelkreeft voor, maar is de eenige soort in Engeland, het Iberische Schiereiland, de hooge bergstreken van Duitschland en Oostenrijk-Hongarije. Een derde vorm--de Slankvingerige Rivierkreeft (Astacus leptodactylus)--bewoont het stroomgebied van alle rivieren, die in de Zwarte Zee, de Zee van Azow en de Kaspische Zee uitmonden. Sedert eenigen tijd is hij ook in het stroomgebied van de Finsche Golf en in dat van de Witte Zee verschenen, nu deze door kanalen met den Wolga, enz. verbonden zijn; hij begint hier den Edelkreeft te verdringen.
In Noord-Amerika vindt men ten oosten van het Rotsgebergte, van Canada tot Florida en Mexico het nauw aan Astacus verwante geslacht Cambarus, waarvan merkwaardigerwijze een afgedwaalde soort in de holen van Krain en van den Karst voorkomt. Ook in het groote Mammoeth-hol van Kentucky leeft een Cambarus-soort, die, evenals de zooeven bedoelde, blind is en in allerlei opzichten veel op haar gelijkt.
De eigenaardigheden, waardoor de Gewone Zeekreeft (Homarus vulgaris, Astacus marinus) zich van den Rivierkreeft onderscheidt, zijn zoo onbelangrijk, dat het bijna overbodig schijnt, hem tot een ander geslacht te rekenen. Hij bewoont alle Europeesche zeeën, maar is in de Middellandsche Zee niet bijzonder veelvuldig; aan de Britsche en vooral aan de Noorsche kust vindt men hem in menigte. Bij onze kust komt hij zelden voor. Evenals vele andere zeedieren, houdt hij bij voorkeur verblijf op het uitgestrekte terras, dat de Atlantische kust omzoomt en waarop met een steile helling de eigenlijke oceaanbodem volgt.
Nergens in Europa worden zoovele Zeekreeften gegeten als in Engeland. Op de Londensche markt werden in 1870 150000 stuks aangevoerd van Schotland en de naburige eilanden en bovendien ongeveer 600000 stuks uit Noorwegen; het vervoer geschiedt in kleine, snel zeilende schepen met dubbelen bodem, die een met zeewater gevulde, als kaar dienende ruimte bevatten. Het meest gezocht is dit artikel van Maart tot Augustus. De opbrengst van de kreeftenvisscherij in het Vereenigd Koninkrijk bedroeg in 1896 bijna 2 millioen stuks, ter waarde van bijna 1 millioen gulden. Noorwegen voerde in 1895 120000 Kreeften uit, ter waarde van bijna een half millioen kronen. Het verbruik van Zeekreeften in Noord-Europa kan geschat worden op 5 à 6 millioen per jaar; hieruit kan men eenigermate afleiden, hoe buitengewoon vruchtbaar deze dieren zijn. Het wijfje legt meer dan 12000 eieren, die, vastgekleefd aan het na-achterlijf en zijne aanhangselen, door de moeder medegedragen worden, totdat de jongen uitkomen. Het spreekt vanzelf, dat slechts een klein aantal dezer dieren, ondanks de beschutting, die de moeder hen verleent, ontkomen aan het gevaar van door de talrijke Roofvisschen en andere vijanden, die op hen loeren, verslonden te worden. De jonge dieren verschuilen zich onder het lichaam van de moeder, die, volgens de verzekering van geloofwaardige visschers, althans aan een deel van haar kroost gedurende geruimen tijd bijstand verleent.