Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen

Part 7

Chapter 73,540 wordsPublic domain

De meeste Schaaldieren hebben 2 paar sprieten (antennen) die echter niet altijd dragers zijn van zintuigelijke organen, maar soms (vooral bij de parasitisch levende en vastzittende vormen) voor geheel andere verrichtingen dienen, n.l. als organen om van plaats te veranderen, om voedsel te grijpen of om zich vast te hechten aan andere dieren of aan levenlooze voorwerpen. De volgende aanhangselen zijn de monddeelen, bestaande uit 3 paar kaken (een paar boven- en 2 paar onderkaken), die, evenals bij de kauwende Insecten, van buiten naar binnen bewogen worden. Bij vele Schaaldieren evenwel vormen zij een zuigsnuit, waarmede deze dieren vloeibaar voedsel opnemen.

De Tienpootige Schaaldieren, o.a. de Krabben, Kreeften en Garnalen, hebben, behalve de groote bovenlip, die in dwarse richting boven de mondspleet gelegen is, niet minder dan 6 paar organen, die de rol van monddeelen spelen. De drie eerste (a, b, c) komen overeen met de monddeelen der overige Gelede Dieren: de dikke bovenkaken (a) verschillen er van door het bezit van een beweeglijken taster; fig. b stelt een der onderkaken van het eerste paar voor; die van het tweede paar (c), hoewel volkomen gescheiden, moeten vergeleken worden met de onderlip der Insecten. Fign. d, e en f geven den vorm aan van de zoogenaamde hulpkaken of kaakpooten. Zij komen overeen met de pooten der Insecten door haar wijze van ontstaan en plaats van aanhechting, doch worden voor een geheel ander doel gebruikt, daar zij, evenals de beide paren onderkaken, voor het vasthouden, betasten en terechtleggen van het voedsel dienen, terwijl de bovenkaken voor de grovere verdeeling der spijs zorgen.

De overige ledematen van het "voorlijf" hebben een zeer verschillend maaksel in verband met het doel hunner beweging. Het zijn looppooten bij de Tienpootigen en Pissebedden, bladvormige roeipooten bij de Kieuwpootigen, tweetakkige zwempooten bij de Cyclopiden, "maalstroomorganen" bij de vastzittende Zeepokken en Eendenmossels. Bij sommige door parasitisme ontaarde soorten zijn zij soms geheel verdwenen.

Ook de na-achterlijfspooten hebben bij verschillende groepen van Schaaldieren verschillende verrichtingen. Zij kunnen behulpzaam zijn bij de voortbeweging, als ademhalingsorganen optreden, voor het dragen van de eieren dienen, enz.

De spijsverteringsorganen van de Crustaceën vertoonen meer overeenstemming van maaksel dan de aanhangsels der segmenten. Bijna alle Schaaldieren gebruiken uitsluitend dierlijk voedsel, dat zij verkrijgen door levende dieren te vangen, of als parasieten hun bloed te zuigen, of door op lijken te azen. In overeenstemming met deze voedingswijze is het spijskanaal meestal recht en kort. De mond bevindt zich aan de buikzijde op eenigen afstand van den voorsten koprand en staat bij de hoogst ontwikkelde vormen door den slokdarm in gemeenschap met een ruime, aan de rugzijde holle maag, welker binnenste oppervlakte bezet is met een aantal uitsteeksels, lijsten en tanden; deze voltooien de vermaling van het voedsel, welke door de bovenkaken is aangevangen. Algemeen bekend zijn de zoogenaamde kreeftsoogen van onze Rivierkreeften, twee lensvormige kalkconcrementen in klierachtige zakjes aan weerszijden van den maagwand, die na de jaarlijksche vervelling bij het herstellen van het huidpantser gebruikt worden. Bij de maag begint een bijna recht door het achterlijf loopende, dunne darm, die bij de Rivierkreeften met het eindstuk van den staart gemakkelijk uitgetrokken kan worden, welke bewerking vóór het koken van deze dieren steeds moet plaats hebben.

De bloedsomloopsorganen zijn op zeer verschillende wijzen ontwikkeld. Een hart of kloppend ruggevat ontbreekt bij sommige lagere vormen; bij de overige kan het zeer ongelijk zijn van omvang en gedaante, door meer of minder talrijke, zijdelingsche openingen het bloed ontvangen en het door een meer of minder samengesteld slagaderstelsel aan de lichaamsdeelen toevoeren. In den regel is het bloed kleurloos.

Sommige Schaaldieren bezitten geen afzonderlijke ademhalingsorganen; bij hen komt de uitwisseling van koolzuur tegen zuurstof door de gewone huid tot stand; alle overige hebben kieuwen.

De centrale deelen van het zenuwstelsel bestaan bij eenige lagere vormen eenvoudig uit een boven den slokdarm gelegen zenuwknoop, vanwaar alle zenuwen uitstralen. Bij de hooger ontwikkelde leden der klasse treft men, behalve de hersenzenuwknoop boven den slokdarm, een meer of minder duidelijk gelede buikzenuwstreng onder het spijskanaal en een bijzonder goed ontwikkeld sympathisch zenuwstelsel aan.

Zintuigen zijn bij de meesten aanwezig en soms zeer hoog ontwikkeld. De oogen vertoonen tweeërlei vorm, die echter nooit beide gelijktijdig op hetzelfde dier voorkomen. Bij de lagere Crustaceën komen geen andere dan enkelvoudige oogen voor (soms slechts één); de hoogere hebben samengestelde oogen, die bij sommige uit een zeer groot aantal facetten bestaan. De beweegbare oogstelen (opthalmophoren), die bij de hoogst ontwikkelde Schaaldieren de oogen dragen, zijn bij eenige Krabben (Podophthalmus) zeer lang. Sommige op zeer groote diepte levende verwanten van onze Kreeften missen de oogen geheel.

Dat het reukvermogen der Schaaldieren vooral dat van de hoogere vormen, uitmuntend ontwikkeld is, blijkt uit het feit, dat deze dieren door de aanwezigheid van voedingsmiddelen in het water in zeer korten tijd aangelokt worden; men gebruikt doode dieren, stukken van Visschen b.v., als lokaas in de vallen, waarmede men Rivierkreeften, Zeekreeften en Krabben vangt. Als reukorganen dienen waarschijnlijk zenuwrijke lichaampjes, die aan de voorste sprieten voorkomen en door fijne haren of draden prikkels opnemen. Van de smaakorganen is eigenlijk niets bekend.

Gehoororganen zijn bij vele Crustaceën aangetoond; zij komen op verschillende lichaamsdeelen voor; o.a. bij eenige Spleetvoetigen, die tot het geslacht Mysis behooren, in de zijplaten van den staartvin, bij den Gewonen Rivierkreeft in de grondleden van de kleinste of bovenste sprieten.

Als tastorganen mag men over 't algemeen de fijne, haarvormige uitsteeksels beschouwen, die bij vele Schaaldieren ook wel aan de meeste gewrichtsverbindingen en vrije randen van lichaamsdeelen, maar toch het meest aan de sprieten gevonden worden. Bij de blinde, in diepe zeeën levende Kreeften wordt het gemis van de gezichtsorganen ruimschoots en op zeer doeltreffende wijze vergoed door kolossaal groote speur- en tastorganen.

Verreweg de meeste Schaaldieren zijn éénslachtig; hermaphroditisme komt uitsluitend bij vastzittende (deels parasitisch levende) soorten voor (zie de Cirripediën); sommige Ostracoden en Phyllopoden vermenigvuldigen zich ook wel parthenogenetisch. De meeste vrouwelijke Schaaldieren zijn uitgerust met eigenaardige organen, die bij de verzorging van de nakomelingen diensten bewijzen. Zeer algemeen treft men klieren aan, die de stof vormen, waaruit de eischaal bestaat, of een soort van lijm bereiden, waarmede de eieren aan het lichaam van de moeder bevestigd worden. Bij vele soorten zijn bepaalde broedruimten aanwezig, die nu eens door vervorming van ledematen of kieuwbladen, dan weer door wijzigingen van het rugschild ontstaan. Van het aantal eieren dat sommige dezer dieren voortbrengen, kan men zich een denkbeeld vormen door de mededeeling, dat een vrouwelijke Zeekreeft (Palinurus vulgaris) van 44 cM. lengte en 197 gram gewicht er niet minder dan 148416 bij zich droeg.

De meeste Schaaldieren hebben bij het verlaten van de eischaal nog niet den vorm van hunne ouders, maar moeten een meer of minder samengestelde metamorphose ondergaan. Bij de vastzittende en parasiteerende vormen komt teruggaande gedaantewisseling voor.

Sommige Schaaldieren kunnen een hoogen leeftijd bereiken; van den Rivierkreeft o.a. weet men, dat hij in gunstige omstandigheden 20 jaar oud kan worden; zulke veteranen zijn vermoedelijk schaarsch.

De grootte der Schaaldieren is zeer verschillend; de reuzen dezer orde overtreffen verre de grootste Insecten: de Japansche Reuzenkrab b.v. heeft schaarpooten, die meer dan 3 M. spannen en de dikte van een mansdij hebben; de romp van dit dier is 50 cM. lang. Men heeft zeer oude Zeekreeften (Homarus) gevangen, die een lengte van 70 cM. hadden. Zulke groote exemplaren komen echter onder de hedendaagsche Crustaceën slechts bij uitzondering voor. De meeste lagere Schaaldieren zijn klein en zelfs zeer klein, hoewel zij in volkomen ontwikkelden toestand altijd wel zonder microscoop waargenomen kunnen worden.

Een eigenaardigheid dezer dieren is het weer aangroeien van verloren lichaamsdeelen; soms werpen zij als 't ware "vrijwillig" een lichaamsdeel af, dat door een vijand gegrepen is, met het doel om niet geheel in zijn macht te geraken. Op de plaats, waar door hen zelf of door anderen een amputatie is verricht, ontwikkelt zich een soort van kegelvormigen knop, die langzamerhand den vorm van het afgeworpen lichaamsdeel aanneemt.

Verreweg de meeste Crustaceën zijn waterdieren en wel zeebewoners; de groote orde der Rankpootigen is zelfs geheel tot de zee beperkt, terwijl een andere, die der Kieuwpootigen, bijna uitsluitend in 't zoetwater vertegenwoordigd is. Tienpootigen, Pissebedden, Cyclopiden en Ostracoden vindt men in zoet en in zout water; landbewoners zijn alleen enkele Pissebedden en Tienpootigen alsmede een paar Vlookreeften. In de meren van Noord-Europa, vooral van Zweden en Finland, leven een aantal vormen, die overigens niet anders dan in de zee aangetroffen worden. In de watervergaarplaatsen tusschen de bladen van ananasachtige planten (Bromeliaceën), die op de hooge oerwoudboomen van tropisch Brazilië epiphytisch leven, komen eigenaardige kleine Cyclopiden en Ostracoden voor, die, naar het schijnt, nergens anders gevonden worden. In de zwavelbronnen van Paravisa in Italië vond Pavesi kleine Ostracoden. De merkwaardige Artemia salina, een soort van Kieuwpootige, zwemt in de zouttuinen van Capo d'Istria (waar door de zon het zeewater wordt uitgedampt) vlug en vroolijk rond in een pekel, die minstens 26 of 27 percent zout bevat.

Vele Schaaldieren, vooral Krabben en Eremietkreeften, staan in een vriendschappelijke betrekking, waarvan vuig eigenbelang evenwel de drijfveer is, tot andere dieren, hoofdzakelijk Zeeanemonen. Op deze hoogst interessante verschijnselen, die men onder den naam van symbiose (samenleving) samenvat, komen wij bij de behandeling der Decapoden terug.

Vele Schaaldieren zijn den mensch nuttig, doordat zij hem direct of indirect voedsel verschaffen: Zeekreeften, Rivierkreeften, Langoesten, Krabben, Garnalen zijn, gelijk bekend is, niet te versmaden toevoegselen aan onzen disch. In vele landen langs de zeekust spelen de Schaaldieren geen onbelangrijke rol in de volksvoeding, echter niet in die mate als een Kieuwpootige (Artemia Oudenyi) uit de zoute meren van Fezzan, die door de omwonende bevolking Doet wordt genoemd en met dadels tot een deeg gekneed, een veelvuldig gebruikte spijs oplevert.

De Schaaldieren zijn indirect nuttig voor ons door het verslinden van allerlei organische stoffen, die de zee verontreinigen zouden, voorts doordat zij voedsel leveren aan Visschen, die ons tot spijs dienen. De tallooze scharen van kleine Roeivoetigen (Copepoden), die de Haringen naar onze kusten en de Lodden (Mallotus villosus) naar de oostelijke kusten van Noord-Amerika lokken, zijn hierdoor oneindig veel nuttiger dan alle hierboven genoemde, als lekkernijen dienende Schaaldieren; zij verschaffen indirect aan duizenden van menschen een kostwinning. Ook Luchtbuisvisschen, zooals de Scandinavische Zalm en de Houtingen van de meren der Voor-Alpen voeden zich bijna uitsluitend met kleine Schaaldieren, gene met Zoetwater-pissebedden, deze met Cyclopiden en Watervlooien. De Gewone Krabben en de weeklijvige, vette Eremietkreeften dienen dikwijls als lokaas bij de vischvangst. De Garnalen worden soms in zulk een ontzaglijk groote hoeveelheid gevangen, dat men ze tot een mestspecie, de Garnaal-guano, en in den laatsten tijd ook tot een uitmuntend voedingsmiddel voor pluimvee en kamervogels verwerkt.

EERSTE ORDE.

DE TIENPOOTIGEN (Decapoda).

Deze orde, die de hoogst ontwikkelde Schaaldieren omvat, munt ook door haar omvang boven alle overige orden uit, daar zij meer dan 2000 soorten omvat; hare belangrijkste kenmerken zijn: het bezit van samengestelde, op beweegbare stelen rustende oogen en de vergroeiing van de 13 voorste, ledematen dragende lichaamssegmenten tot een kopborststuk, dat door een groot schild bedekt is en 5 paar ware pooten draagt. Aan weerszijden van het kopborststuk bevindt zich een door het zijstuk van het rugpantser beschutte kieuwholte, die een verschillend aantal vedervormige kieuwen bevat, vastgehecht deels aan de huid van den stam, deels aan de pooten. Het water dringt van onderen en van achteren in de kieuwholte door en stroomt langs de kieuwen naar voren. De strooming ontstaat door voortdurende beweging van de ademhalingsklep, een als een pompzuiger werkend aanhangsel van het tweede paar onderkaken, in het naar voren gerichte, buisvormige afvoerkanaal van elke kieuwholte.

Geen der andere orden levert zulke opmerkelijke voorbeelden op van overleg, van sluwheid bij het overmeesteren van de prooi of bij de vlucht voor vijanden; het nauwkeurig acht geven op al wat er in de omgeving voorvalt, het gebruik maken van list tot het bereiken van het beoogde doel treedt nergens zoo duidelijk aan 't licht als hier. Deze eigenschappen, die getuigenis afleggen van de hooge ontwikkeling van het zenuwstelsel en van de zintuigelijke organen, vooral van de oogen, gaan gepaard met een grooter stevigheid van het huidskelet en met een krachtiger spierstelsel dan bij andere Schaaldieren voorkomt. Buiten het water zijn vele Tienpootigen zeer onbeholpen, nauwelijks in staat om de kolossale scharen op te heffen. Men moet hen echter in hun eigenlijk element zien, waar zij evenveel lichter zijn als het gewicht van de door hen verplaatste hoeveelheid water bedraagt, om een juist oordeel over hunne bekwaamheden te vellen. Dan toonen vele Tienpootigen, die, gelijk onze Rivierkreeft, een lang achterlijf hebben, dat het hun aan vlugheid en behendigheid niet ontbreekt. Wegens hun korter achterlijf zijn de Krabben beter dan de Kreeften geschikt voor de beweging op het land en op den zeebodem. Op de lengte van den zoogenaamden "staart" berust de verdeeling der orde in drie onderafdeelingen: de Kortstaartigen (Brachyura), de Middelstaartigen (Anomura) en de Langstaartigen (Macrura).

De Kortstaartige Tienpootigen of Krabben hebben een korten, plaatvormigen, onder het kopborststuk teruggeslagen staart. De wijfjes verschillen van de mannetjes door de grootere breedte van deze staartplaat, die niet zelden een soort van schotel vormt, waarin de eieren, aan draadvormige aanhangels van de pooten gehecht, tot aan de geboorte der jongen blijven. Het kopborststuk is kort, dikwijls breeder dan lang en draagt niet zelden allerlei uitwassen en stekels, die aan deze dieren een zeer zonderling voorkomen verschaffen. De meeste Krabben loopen zijwaarts en maken hierdoor, vooral als zij zich vlug bewegen, een komische vertooning. Zeer dikwijls zijn de beide scharen ongelijk ontwikkeld; bijna altijd is die aan de rechterzijde de dikste; zij wordt gedurende het loopen niet zelden in dreigende houding boven den rug geheven. Andere soorten, welker achterpooten door plaatvormige verbreeding der leden uitmuntende zwemorganen zijn geworden, hebben de beide scharen gelijkmatig ontwikkeld; ook zijn zij veel minder dan hunne loopende verwanten tot zelfverminking geneigd; beide verschijnselen kunnen in verband gebracht worden met het feit, dat een dier bij het zwemmen veel meer dan bij het loopen gehinderd wordt door de ongelijke zwaarte der beide lichaamshelften.

De familie der Vierhoekkrabben (Catometopa) heeft het kopborststuk meer of minder duidelijk vierhoekig, van voren dwars afgeknot. Zij omvat een aantal landbewoners, die tot de geslachten Gecarcinus, Uca, Gelasimus, Ocypoda, Grapsus e.a. behooren.

Van de Landkrabben (Gecarcinus) zegt Pöppig: "Bij voorkeur bewonen zij vochtige, schaduwrijke wouden, verbergen zich onder boomwortels of graven in den grond gaten van aanzienlijke diepte. Sommige verlaten nooit de moerassige lage landstreken in de nabijheid van de zee, andere leven op tamelijk grooten afstand van de kust, zelfs op steile, rotsachtige bergen. Op de volkomen waterlooze, met lang struikgewas begroeide, maar overigens bijna van teelaarde ontbloote kalkrotsen van Cuba komen gedurende 8 maanden van het jaar groote Landkrabben voor, die den eenzamen voetganger menigmaal schrik aanjagen door het ratelend geluid van haar beweging in de dorre bladen en zich met veel moed verweren, wanneer men haar bedreigt. Hoewel zij veelvuldig voorkomen, ziet men ze steeds alleen; buiten den voortplantingstijd toonen zij geen neiging tot gezelligheid. Niet zelden vestigen zij zich op zeer onzuivere plaatsen, o.a. naast de open riolen der landgoederen. Daar zij een bijzondere voorliefde toonen voor kerkhoven beweert men in West-Indië algemeen en vermoedelijk te recht, dat zij zich een weg banen naar lijken, die dicht bij de oppervlakte begraven zijn en hieraan knagen. Om deze reden zijn nagenoeg alle volksklassen afkeerig van het gebruik dezer dieren als spijs. De Gewone Landkrab (Gecarcinus ruricola) wordt op alle West-Indische eilanden en op de kusten van het naburige vasteland gevonden. Eenmaal per jaar verlaat zij haar 1 à 2 uur van de kust gelegen woonplaats en trekt naar de zee. In Februari verschijnen de eerste van deze reizigers, welker aantal voortdurend toeneemt. Het trekken duurt tot in April. Zoodra de Landkrabben op het strand zijn gekomen, begeven zij zich in de golven; maar vermijden alle plaatsen, waar een hevige branding heerscht. Over 't algemeen blijven zij niet lang in het water, maar verlaten het, nadat het wijfje de talrijke eieren heeft losgespoeld, die aan de onderzijde van haar achterlijf door een taaie vloeistof zijn vastgehecht. In Mei en Juni aanvaarden zij de terugreis en zijn dan volstrekt niet eetbaar. Een rust van eenige weken is voldoende voor haar herstel; tegen het midden van Augustus verbergt zich de Landkrab in een met dorre bladen goed bekleede holte, verstopt den toegang met veel beleid en blijft hier, totdat de vervelling is afgeloopen, d.i. ongeveer een maand. Met een rood geaderde, zeer dunne en hoogst gevoelige huid bekleed, blijft de Krab tot het midden van September in haar schuilplaats; zij wordt dan door velen als een fijne spijs beschouwd. Op nieuw met een stevig pantser bekleed, waagt zij het buiten te komen, maar doet dit liever 's nachts dan over dag; langzamerhand wordt zij vetter, totdat na Januari de reeds beschreven reis opnieuw wordt ondernomen."

Bij de Roepkrabben (Gelasimus) hebben de wijfjes kleine scharen; die van het mannetje hebben door haar ongelijke grootte aanleiding gegeven tot den naam van het geslacht, daar de groote schaar omhoog geheven wordt als om iemand te roepen of te wenken. De Engelschen noemen dit dier Winkcrab. Met de groote schaar verspert het de ingang van zijn in den grond gegraven hol. Sommige soorten gebruiken alleen de vlakke kuststrook als wandel- en jachtterrein; andere geven bovendien bewijzen van bekwaamheid in 't klimmen. Zoo maakt Frits Müller melding van een alleraardigst, vlug krabbetje uit deze familie, dat de mangleboomen bestijgt en aan hunne bladen knaagt. Het wordt door de korte, buitengewoon spitse klauwen, die als naalden prikken, wanneer het iemand over de hand loopt, in staat gesteld om zeer behendig bij de dunste takjes omhoog te klimmen.--Sommige Roepkrabben laten het water, dat zij in de kieuwholte medenemen, wanneer zij zich aan land begeven, zoodra het voor de ademhaling ongeschikt geworden is, door de fijne tusschenruimten van het viltachtig bekleedsel van haar pantser stroomen. Nadat in aanraking met de lucht de uitwisseling van koolzuur tegen zuurstof tot stand gekomen is, keert het water in de kieuwholte terug. In zeer vochtige lucht duurt het uren lang, voordat de watervoorraad in de kieuwholte verdampt is; eerst dan licht het dier zijn pantser op en laat lucht doordringen in de voor 't water bestemde ruimte. Van nu af ademen zij werkelijk lucht, evenals de snelvoetige Zandkrabben (Ocypoda), die voortdurend op het land verblijf houden en in 't water nauwelijks een dag in 't leven kunnen blijven. Andere verwante soorten--de Rivierkrabben (Telphusa)--zijn geschikt geworden voor het leven in zoetwater. Telphusa fluviatilis is in Italië, vooral in de meren van Albano en Nemi bij Rome, niet zeldzaam.

De Mosselkrabben (Pinnotheres), die zich in de mantelholte van verscheidene in zee levende Plaatkieuwige Weekdieren ophouden, hebben een meer ronden vorm dan de soorten van overige Vierhoekkrabben, waarmede zij eenige eigenaardigheden van het maaksel der monddeelen en der ademhalingswerktuigen gemeen hebben. Haar huid is tamelijk week en levert geen voldoende beschutting, die zij daarom zoeken in de schelpen harer vriendinnen. Als een vriendschapsbond wordt sedert overouden tijd de betrekking tusschen de Krab en de Mossel opgevat. Deze verschaft een schuilplaats aan het zachthuidige Schaaldier, dat door zijne goede oogen in staat is om zijn gastvrouw te rechter tijd op een naderend gevaar opmerkzaam te maken. De soort, die tot deze sage aanleiding heeft gegeven, is Pinnotheres veterum, die in de Middellandsche zee voorkomt, zich bij voorkeur in de Groote Steekmossel (Pinna squamosa) ophoudt en hierdoor aanleiding heeft gegeven tot den naam van het geslacht (die "Pinna-dier" beteekent). Aan onze kust treft men het 9 à 12 mM. lange Mosselkrabbetje of Roode Krabbetje (Pinnotheres pisum) dikwijls in Gewone Mossels (Mytilus edulis) aan.

De Boogkrabben (Cyclometopa) hebben het kopborststuk van voren breed, meestal boogvormig afgerond, van achteren veel smaller. Alle bewonen de zee; de meeste zijn goede zwemmers.

Van het geslacht der Zwemkrabben (Portunus) leven 9 soorten in de Middellandsche zee, 6 in de Noordzee. Het laatste lid van de achterpooten is in een breede, ovale plaat veranderd, waardoor deze ledematen bijzonder goed voor 't zwemmen geschikt zijn.

De Gemarmerde Zwemkrab (Portunus marmoreus) komt o.a. veelvuldig voor aan den door 't water bespoelden voet van gebouwen te Venetië; men ziet haar op de groote Lidodammen of Murazzi aldaar en ook in de haven van Triëst bij de muren opklimmen.

Het Porceleinkrabbetje (Portunus holsatus) verdient den naam Gewone Zwemkrab, daar het aan onze kust overal, tot op 20 vademen diepte, veelvuldig voorkomt; dikwijls wordt het tusschen gekookte Garnalen gevonden.

De Strandkrabben (Carcinus), welker drielobbig, voorbij de oogholten uitpuilend voorhoofd met de dunne, vijftandige, voorste zijranden van het rugschild een booglijn vormt, hebben het laatste lid van de achterpooten sterk samengedrukt, maar smal.

De Gewone Strandkrab (Carcinus maenas) is misschien wel de meest verbreide soort der Europeesche zeeën; zij komt bij ons ook wel in brak water voor. In groote hoeveelheid (139000 vaatjes van 80 pond per jaar) wordt zij van de Venetiaansche kust o.a. naar Italië uitgevoerd, waar zij als lokaas voor de Sardellenvangst dient. In olie gebakken zijn deze Krabben (molecche) een lievelingsgerecht van de Venetianen, die de mannetjes granzo, de wijfjes masseneta noemen. De wijfjes, die nog eieren bevatten, zijn het meest gezocht; hiervan worden ieder jaar te Venetië en de naburige plaatsen van het vasteland 38000 vaatjes (à 70 pond) verkocht, bovendien nog 86000 pond Krabben met weeke schalen, ter gezamenlijke waarde van 1/4 millioen gulden.