Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen
Part 6
De Kaasmijt (Tyroglyphus siro), die zich aan het ongewapende oog als een klein, moeielijk te onderscheiden, lichtkleurig stofje vertoont, is een langwerpig, met lange borstels bezet diertje, met schaarvormige kaaksprieten en 3-ledige kaaktasters; de 4-ledige pooten eindigen ieder in een zuignap, die door een langen steel gedragen wordt. Tusschen het 2e en het 3e paar pooten komt een ringvormige groeve voor. Bij millioenen vindt men diertjes van deze soort in oude, steenharde kaas, die door hen mettertijd veranderd wordt in een poeder, die uit uitwerpselen en velletjes van Mijten bestaat. Een variëteit van deze soort is de Meelmijt (Tyroglyphus farinae), die in oud, muf meel voorkomt. Op kaas en meel vindt men echter ook nog wel eenige andere soorten van Mijten.
Het witte laagje, dat op gedroogde, zoete vruchten--pruimen, kersen, rozijnen, vijgen, enz.--ontstaat door uitzweeting van een suikerhoudend vocht, wordt niet zelden vervangen door Mijten, die tot verschillende soorten van het geslacht der Suikereters (Glycyphagus) behooren.
Eeuwen lang waren de geleerden, vooral de geneeskundigen, het niet eens over den oorsprong van de lastige, walging wekkende huidziekte, die "schurft" (scabies) wordt genoemd. Toen men de verschillende huidziekten nauwkeuriger had leeren onderscheiden en met zorg haar wijze van ontstaan had nagespoord, kon men bewijzen, dat het verblijf van Mijten in de opperhuid de schurft veroorzaakt; deze ziekte kan dus geen anderen dan een zuiver uitwendigen oorsprong hebben; zij treedt alleen dan op, als de parasieten of hunne eieren onmiddellijk of door tusschenkomst van kleederen, bedden, enz. van een schurftlijder op een anderen persoon overgebracht worden. Het dier, dat bij den mensch de genoemde ziekte teweegbrengt, heet Schurftmijt van den mensch (Sarcoptes hominis).
De schurft vertoont zich als verspreide, lijnvormige verhevenheden, gangen, die meestal tot enkele, met een dunne opperhuid bedekte lichaamsdeelen, zooals het polsgewricht, de elleboog, de kniebocht, enz., beperkt blijven; iedere schurftplek heeft een bepaald uitgangspunt en is, al naar het lichaamsdeel, waarop zij voorkomt en den lichaamstoestand van den aangetasten persoon, verschillend van uitzicht: een stip, een knobbeltje, een blaartje of een puist. Wanneer n.l. Schurftmijten op de huid komen, boren zij in meer of minder schuinsche richting in een plooi van de huid of naast een haar een gang; de scherpe vloeistof, die zij intusschen uitwerpen, doet door haar prikkelende werking knobbeltjes, blaartjes, enz. ontstaan. Bij deze eerste ziekteverschijnselen merkt men geen Mijten op: de jonge mannetjes en de onbevruchte wijfjes leiden n.l. een zwervend leven, verlaten spoedig weder hare gangen om nieuwe te graven en zijn vooral hierdoor oorzaak van de ondragelijke jeukte, die men waarneemt. De bevruchte wijfjes daarentegen graven langere holen (nestgangen), waarin zij hare eieren leggen en die zij niet weer verlaten; men vindt ze dood in het gesloten uiteinde van de gang. In den regel komen evenmin Mijten voor in de schubben en korsten, die van de huid van den patiënt los geraken. Beide omstandigheden maken het verklaarbaar, dat men zoo lang vruchteloos naar de oorzaak van de ziekte gezocht heeft.
Onder de Mijten merkt men drieërlei hoofdvormen op: 8-pootige mannetjes en wijfjes, gene met zuignappen, deze met borstels aan de achterste ledematen, en 6-pootige larven.
Kort na 1840 ontdekten Henle en Simon in de huid van den mensch een soort van Mijt, die haar gastheer in den regel weinig hindert. Een nauw aan haar verwante soort of variëteit brengt bij Honden en Katten een meestal ongeneeslijke huidziekte teweeg. De Haarwortelmijt van den mensch (Demodex folliculorum hominis) komt voor in de haarzakjes en in de (veelal hiermede in gemeenschap staande) smeerklieren. Zij veroorzaakt de kleine opzwellingen met een zwarte vlek in 't midden (meteters of comedonen), die dikwijls op de huid van neus, lippen, wangen, voorhoofd en nek waargenomen worden. Het is niet moeielijk, hieruit een propje huidsmeer te verwijderen, welks naar buiten gericht gedeelte door stof en vuil zwart geworden is. Hierin verborgen leeft de hoogstens O.4 mM. lange, 0.05 mM. breede parasiet, die 4 paar rudimentaire pootjes en uiterst kleine monddeelen heeft.
De Galmijten (Phytoptus) gelijken door haar lichaamsbouw veel op de leden van het vorige geslacht. Ook zij zijn op het langwerpige achterlijf van fijne, ringvormige groefjes voorzien en zeer klein (hoogstens 0.25 mM. lang en 0.05 mM. breed). Zij hebben evenwel beter ontwikkelde ledematen: de beide voorste paren zijn 5-ledig en aan 't einde met een gladden klauw en een vedervormigen borstel of met andere hechtorganen uitgerust; de beide achterste paren zijn rudimentair, soms door voetstompjes, soms eenvoudig door borstels aangeduid. Alle leden van dit geslacht parasiteeren op planten en geven aanleiding tot het ontstaan van zeer verschillende, galachtige misvormingen (phytopto-cecidiën), die men vroeger voor zwammen hield, omdat zij meestal met een vilt van vleezige haren bedekt zijn. Dit is o.a. het geval met de bladgallen van de Wijnstokgalmijt (Phytoptus vitis).
ACHTSTE ORDE.
DE WORMSPINNEN (Linguatulida).
Een klein aantal parasieten, die men vroeger wegens hun levenswijze en hun wormvormige gedaante bij de Ingewandswormen rekende, verdienen op grond van hun inwendig maaksel en het bezit van 2 paar rudimentaire ledematen een plaats in de nabijheid van de Mijten. Alleen gedurende hun jeugd zijn zij als Arthropoden kenbaar; het geheele lancet-vormige lichaam heeft ringvormige groefjes, die, evenals bij de Haarwortel- en Galmijten, niet dieper gaan dan de huid en geen kenteekenen van inwendige geleding zijn. De monddeelen ontbreken evenals de tracheeën. 2 paar haakjes bij de mondopening zijn beweegbaar gehecht aan korte pootstompjes. Het mannetje is aanmerkelijk kleiner dan het wijfje.
De in Nederland zeldzame Lintwormachtige Wormspin (Pentastomum taenioides) bewoont als geslachtsrijp dier vooral de neusholte van den Hond en den Wolf, bij uitzondering ook die van Paarden, Muildieren en Geiten. Het wijfje bevat soms wel een half millioen eieren. Deze komen bij het niezen met het neusslijm naar buiten, dus ook op plantendeelen en hierdoor in het spijskanaal van Konijnen, Hazen en andere plantenetende dieren, slechts zelden in dat van den mensch. Zoodra de jongen de eischaal verlaten hebben, dringen zij, gelijk de Trichinen, door den darmwand heen en begeven zich naar de lever; hier omgeven zij zich met een hulsel (kapselen zich in) en bereiken in ongeveer 6 maanden een voldoende ontwikkeling om verdere reizen te ondernemen. Van hun hulsel bevrijd, doorkruisen zij de lever, veroorzaken den dood van hun gastheer, wanneer hun aantal groot is, maar trachten in ieder geval de longen te bereiken om op deze wijze in de vrije natuur te komen. Nadat zij direct of indirect in de neusholte en voorhoofdsboezems geraakt zijn van den Hond of den Wolf (die de besmette lever verslond of voorwerpen, waarop zich Wormspinnen bevinden, besnuffelde), ontwikkelen zij zich in 2 of 3 maanden tot geslachtsrijpe dieren. Deze hebben een witachtig geel, lancetvormig lichaam, dat aan de buikzijde plat, aan de rugzijde eenigszins bol is. De wijfjes zijn 70 à 130, de mannetjes 8 à 10 mM. lang. Bij den Hond brengt hun aanwezigheid een pijnlijke ontsteking van het slijmvlies teweeg, die aanleiding kan geven tot het kwaadaardig worden van dit dier.
Andere soorten van Wormspinnen heeft men gevonden in de keelholte van den Krokodil, in de longen van de Brilslang, bij Reuzen- en Ratelslangen en ook in de lever van een Egyptischen neger. Haar ontwikkelingsgeschiedenis is echter minder goed bekend.
NEGENDE ORDE.
DE MOSBEERTJES (Tardigrada).
Het is twijfelachtig, of de Mosbeertjes (Tardigrada), die vroeger tot de Raderdieren, later tot de lagere Schaaldieren worden gerekend, in de klasse der Spinachtigen het best op hun plaats zijn. Het langwerpige, wormvormige lichaam van deze microscopisch kleine wezens, waarvan slechts enkele soorten 1 mM. lang worden, vertoont zoomin geleding als verdeeling in kopborststuk en achterlijf; het is van voren verlengd tot een zuigbuis, waaruit twee dolkvormige kaken naar buiten gestoken kunnen worden en wordt gedragen door 4 paar ongelede voetstompjes, die in verscheidene klauwen eindigen; het laatste paar komt achter aan 't lichaam voor. Zij voeden zich met planten of met diertjes, die nog kleiner zijn dan zij en houden zich op tusschen mos en algen (wieren), vooral op daken, die met mos begroeid zijn, of in dakgoten; enkele soorten leven in het water. Zij hebben een zekere vermaardheid gekregen door de eigenschap om bij bevochtiging te herleven uit den schijndood, waarin zij vervallen, wanneer het noodige water hun ontbreekt. Ook bij vele andere, op soortgelijke plaatsen voorkomende dieren neemt men dit verschijnsel waar, o.a. bij de Raderdiertjes, die een hoofddeel van het voedsel van sommige Mosbeertjes uitmaken. Het 15-tal soorten, dat men kent, is over verschillende geslachten verdeeld. Macrobiotus dankt aan een reeds genoemde eigenschap zijn naam ("Langlevende"). In het mos van dakpannen en goten vindt men bij ons veelvuldig het Gewone Waterbeertje (Macrobiotus ursellus).
TIENDE ORDE.
DE ZEESPINNEN (Pantopoda).
Waarschijnlijk moeten de Zeespinnen (Pantopoda, Pycnogonidia) als een afzonderlijke klasse tusschen de Spinachtigen en de Schaaldieren geplaatst worden. Achtereenvolgens heeft men ze als leden van deze en van gene klasse beschouwd, zonder dat door een van deze wijzen van rangschikking de verwantschapsbetrekkingen dezer dieren op bevredigende wijze werd uitgedrukt. Men vindt ze aan de zeekust onder steenen, tusschen zeeplanten (waarmede zij zich laten ronddrijven) en ook wel vastgehecht op andere dieren. Het grootste deel van haar lichaam bestaat uit de veelledige pooten; want het achterlijf is nietig klein en het vierledige voorborststuk, dat aan den voorrand 4 oogen draagt, schijnt niet grooter dan volstrekt noodig om een steunpunt aan de ledematen te verschaffen. Aan de buitenste oppervlakte van den aan een kop herinnerenden zuigsnuit zijn de schaarvormige kaaksprieten aangehecht, die soms echter geheel ontbreken, evenals het eerste paar kaaktasters; het volgende paar tasters vertoont hetzelfde maaksel als de 3 paar overige ledematen; deze bestaan uit 7 à 9 leden en eindigen in een stevigen klauw.--De jongen verkrijgen bij verreweg de meeste soorten eerst na verscheidene vervellingen de gedaante hunner ouders; bij de geboorte is hun lichaam ongeleed en met slechts 2 paar pooten uitgerust; bij sommige loopen de kaaksprieten ieder in een langen zweep uit.
Veelvuldig vindt men in de Europeesche zeeën (meer bepaaldelijk ook in de Noordzee) onder steenen en tusschen waterplanten langs de kust de 13 mM. lange Oever-zeespin (Pycnogonum littorale); soms wordt zij op Visschen gevonden. Het roestige of bleeker gekleurde lichaam heeft een doffe, korrelige oppervlakte.
DE ZWAARDSTAARTEN.
De Zwaardstaarten of Molukken-kreeften (Merostomata, Xiphosuridae, Xiphuridae) zijn zeer zonderlinge wezens, overblijfselen van een uitgestorven dierenwereld, aan geen der thans bestaande groepen nauw genoeg verwant, om er in opgenomen te worden. In belangrijke opzichten wijken zij af van de Schaaldieren, waaraan de meeste dierkundigen hen toevoegen, zij het dan ook met eenig voorbehoud. Meer naderen zij tot de Spinachtigen en meer bepaaldelijk tot de Schorpioenen. Met deze laatste orde vereenigd, behooren zij waarschijnlijk een afzonderlijke klasse te vormen. Tot haar rekent men ook de alleroudste, ons bekende Arthropoden, de Trilobiten, zoo genoemd naar de 3 afdeelingen van de rugzijde, niet slechts in lengterichting (kop-, romp- en staartschild), maar ook overdwars (as- en zijstukken). Deze kort na het einde van de steenkolen-formatie uitgestorven orde heeft (vooral in de Cambrische en Silurische aardlagen) overblijfselen van meer dan 1700 soorten achtergelaten.
De meeste groote zeedieren-aquariën verschaffen de gelegenheid om nader kennis te maken met een Molukken-kreeft. Van boven gezien gelijkt hij op een braadpan. Het lichaam is met twee schilden bedekt. Het voorste en grootste is halvemaanvormig en loopt naar achteren in twee stekels uit; zijn middelste deel is van de beide zijstukken gescheiden door twee stekelige overlangsche lijsten, waarnaast de beide niervormige samengestelde oogen gelegen zijn. Twee enkelvoudige oogen zijn nader bij den voorrand geplaatst. Met deze pantserplaat, die het kopborststuk bedekt, is door een gewricht het achterste, bijna zeszijdige schild verbonden, dat aan de zijden getand is en scherpe stekels draagt. Aan zijn achterrand is, eveneens door een gewricht, de lange, scherpe staartstekel gehecht, die, behalve als wapen ook als hefboom dient, om, wanneer hij bij toeval op den rug komt te liggen, zich zoo om te wentelen, dat het lichaam den gewonen stand herkrijgt. Door langzaam omhoog te zwemmen langs de wanden der groote glazen bakken, die hun in onze aquariën tot woonplaats dienen, stellen deze dieren den toeschouwer dikwijls in staat om hun buikzijde te bekijken, op de zeer vreemdsoortige wijze van rangschikking der hier aangehechte ledematen te letten en op hun verrichting acht te geven. De mondopening, die bij de Schaaldieren nooit aan het voorste lichaamsuiteinde voorkomt, is er bij de Molukken-kreeften verder dan gewoonlijk van verwijderd; 6 paar in scharen eindigende ledematen omgeven haar. Het voorste en kleinste paar is onmiddellijk vóór de mondopening aangehecht en kan dus met de sprieten vergeleken worden. De volgende 3 paren, die volkomen gelijken op de scharendragende pooten der Tienpootige Schaaldieren, onderscheiden zich van deze door de afgeronde, met vele kleine doornen bezette heupen, waarmede dit zonderlinge wezen kauwt. Een niet op deze wijze gevormde heup vindt men aan de beide volgende paren ledematen, welker overige leden in hoofdzaken op die der vorige schaarpooten gelijken.
Eveneens nog aan de onderzijde van het groote, halvemaanvormige schild is het groote deksel bevestigd, dat over de 5 paar platte, als roeiorganen en kieuwen dienende ledematen van het achterlijf ligt. De staartstekel, aan welks basis zich de aarsopening bevindt, is nog niet aanwezig bij de pasgeboren jongen, die ook de achterste zwempooten missen, maar overigens geheel het voorkomen van hunne ouders hebben.
Eén soort (Limulus polyphemus) leeft aan de vlakke oevers van Florida, Carolina en de Antillen, noordwaarts tot aan Nieuw-Schotland; 4 andere soorten worden gevonden langs de vlakke kusten van de Molukken, China, Japan en Californië. Langzaam bewegen de Zwaardstaarten zich over den ondiepen, zandigen of modderigen zeebodem en zoeken er hun voedsel, dat hoofdzakelijk uit Ringwormen bestaat. De grootste lengte (60 cM.) bereikt de Japansche Limulus polyspinus. De Zwaardstaarten van den Atlantischen Oceaan leggen de eieren in het slijk, die van den Indischen Oceaan en van de Stille Zuidzee dragen ze met zich mede.
De Gewone Molukkenkreeft, de Mimi der Javanen (Limulus moluccanus), wordt in de maanden Juli en Augustus dagelijks op de reede van Batavia in menigte gevangen en levend ter markt gebracht. Ofschoon men ook hun vleesch eet, zijn deze dieren vooral gezocht om de eieren, die, met rijst en azijn toebereid, een smakelijk gerecht opleveren. Het mannetje wordt 32, het wijfje 40 cM. lang; hiervan komt de helft op den staartstekel. De Indianen, die vroeger de Atlantische kusten van Noord-Amerika bewoonden, gebruikten de scherpe staartstekels der Limuliden als pijlspitsen.
DE SCHAALDIEREN.
Met niet minder recht dan de voorafgaande klassen nemen de Schaaldieren (Crustacea) plaats in de hoofdafdeeling der Arthropoden. De uitwendig waarneembare segmentatie strekt zich ook over de inwendige organen uit; zoowel de ledematen als de stam zijn uit opeenvolgende, gelijkwaardige deelen samengesteld. Overeenstemming in alle hoofdzaken tusschen deze en de overige klassen komt voor in den oorsprong en de rangschikking der organen; de meest in 't oog loopende afwijkingen hangen samen met het feit, dat de Schaaldieren bewerktuigd zijn voor het leven in 't water en kieuwen bezitten. Een niet gering aantal leden van deze klasse, vooral Pissebedden en Krabben, zijn echter door secundaire wijzigingen in den loop der tijden geschikt geworden voor het ademen van lucht.
Een tweede eigenaardigheid van alle volkomen ontwikkelde Schaaldieren, die niet door parasitisme tot een lageren trap van organisatie zijn afgedaald, is het bezit van meer dan vier paar pooten. Dit maakt het in vele gevallen gemakkelijk om reeds na een oppervlakkig onderzoek een Schaaldier als zoodanig te herkennen. Een Insect heeft 3, een Spinachtige 4 paar pooten. Hoewel men over 't algemeen niet licht een Schaaldier voor een Duizendpoot zal aanzien, daar deze geen kieuwen en in den regel een wormvormige gedaante heeft, bestaat er toch een merkwaardige uitwendige overeenkomst tusschen sommige Pissebedden (Armadillo etc.) en eenige Duizendpooten (Glomeris).--De chitine-laag, die de huid bedekt, verkrijgt bij vele Schaaldieren door tusschenvoeging van koolzure kalk een grootere dikte en stevigheid. Dit is ongeveer al wat van de Schaaldieren in 't algemeen gezegd kan worden. Want, hoe soortenrijk de klasse der Insecten ook moge zijn, die der Schaaldieren biedt nog veel meer verscheidenheid van bouw en levenswijze aan. In de open zee is zij even sterk vertegenwoordigd als aan de kusten; bovendien vindt men hare leden in alle dieptegordels, die voor dierlijk leven geschikt zijn. De leden van een aantal orden bewonen het zoetwater en vertoonen afwijkingen, waardoor zij geschikt geworden zijn voor deze verblijfplaats. Sommige verlaten hun eigenlijke element en leven onder steenen en struiken; andere ondernemen verre reizen over zandvlakten; enkele Krabben, ja zelfs langstaartige Kreeften, beklimmen boomen en struiken. De meeste leven vrij van roof en zijn voor de jacht geschikt door hunne uitmuntende zintuigen, krachtige kaken en scharen en stevige ledematen. Een aantal andere echter, welker aanvankelijk veel belovende ontwikkeling in een bepaald levenstijdperk tot stilstand is gekomen, beginnen een parasitisch leven te leiden op Visschen of Schaaldieren, waarschijnlijk ook op Wormen, en ontaarden hierbij tot zakvormige lichamen, die men bij oppervlakkig onderzoek niet als levende wezens herkent.
Het huidpantser, dat het geheele lichaam met al zijne aanhangselen bedekt, is niet overal even dik; tusschen de ringen en in de geledingen is de verharding minder ver voortgeschreden en de beweegbaarheid behouden gebleven. Zeer vele Rankpootigen hebben een veel kalkzouten bevattende schaal, die zooveel overeenkomst met een schelp van een Weekdier vertoont, dat de dierkundigen van vroegere eeuwen hen voor afwijkende, vreemdsoortige Mollusken hielden.
De Schaaldieren prijken niet zelden met prachtige, bonte kleuren, die in sommige gevallen over de geheele schaal verdeeld zijn, in andere haar zetel hebben in de huidlaag onder de schaal; de hier voorkomende kleurstofcellen vertoonen bij verscheidene soorten vormsveranderingen. Rood of roodachtig geel is bij de Schaaldieren een zeer gewone kleur, als 't ware hun oerkleur, tot welke de meeste leden dezer klasse na den dood terugkeeren. Schaaldieren, die holen en dergelijke onderaardsche verblijven bewonen of onder zand en slib kruipen en op deze wijze aan den invloed van 't licht onttrokken zijn, hebben een bleekzuchtige, lichte kleur. Die welke pelagisch (d.w.z. aan de oppervlakte van de zee) leven, zijn dikwijls doorzichtig als glas. Bij exemplaren van een en dezelfde, in ondiep water levende soort merkt men soms kleurverschillen op in verband met het koloriet der omgeving.
Daar alle gedeelten van het pantser stijf zijn, en niet in dezelfde mate groeien als de overige lichaamsdeelen, moeten zij van tijd tot tijd afgeworpen worden; levenslang heeft deze periodieke vervelling plaats; de groei houdt hiermede gelijken tred en is dus onbeperkt. Geheel anders is het bij de Insecten. Wanneer men een honderdtal Meikevers met elkander vergelijkt, merkt men geringe verschillen van grootte op, die sedert den aanvang van den poptoestand hebben bestaan en gedurende den korten vliegtijd geen wijziging ondergaan. Een kleine Kreeft daarentegen kan steeds de hoop koesteren, dat hij grooter zal worden. Wel is het opmerkelijk, dat het dier ieder jaar zijn pantser kan afwerpen, daar alle, zelfs de fijnste organen--sprieten, oogen, kieuwen, enz.--aan dit proces deelnemen en hun omkleedsel verliezen; zelfs het spijskanaal vervelt. Dat deze verandering aanstaande is, blijkt, als men den vinger op het huidskelet drukt en ontdekt, dat het een weinig meegeeft. Korten tijd daarna wordt de Kreeft onrustig. Hij wrijft de pooten tegen elkander en gaat op den rug liggen; door krachtige samentrekking van de buigspieren van den stam gelukt het hem eindelijk de huid, die het pantser van het kopborststuk met dat van den staart verbindt, op de rugzijde te doen barsten. Tevens verheft zich het groote rugschild. Op deze hevige inspanning volgt een korte rust. Weldra begint de Kreeft opnieuw de pooten en alle andere lichaamsdeelen te bewegen; men ziet het pantser van het kopborststuk hoe langer hoe meer oprijzen en zich al verder en verder van de pooten verwijderen. In minder dan een half uur heeft de Kreeft zijn huid los gewrikt: eerst heeft hij, door den kop naar achteren te schuiven, de oogen en de sprieten uit hunne omhulsels bevrijd, daarna de pooten teruggetrokken uit de nauwe kokers, die hen omgeven. Deze laatste arbeid, waarbij soms een der pooten verloren gaat, veroorzaakt de meeste moeite, en zou zelfs onmogelijk zijn, indien niet in het hulsel van ieder pootlid een overlangsche spleet ontstond. Na deze moeilijke en ongetwijfeld pijnlijke bewerking is het afwerpen van het kleed spoedig afgeloopen. De kop wordt buiten het rugschild gebracht en de staart vervolgens zonder groote inspanning uit zijn foedraal gelicht. Het huidskelet is volkomen gaaf gebleven met uitzondering van de opengebarsten pooten en de spleet tusschen kopborststuk en staart. Reeds na eenige dagen heeft zich op de aanvankelijk weeke huid, door overvloedige uitscheiding van chitine en koolzure kalk, een korst gevormd, niet minder hard dan die, welke haar vroeger bedekte.
Het aantal vervellingen, dat ieder Schaaldier in zijn leven ondergaat, is bij verschillende soorten ongelijk. Onze Rivierkreeft wisselt in het eerste levensjaar 8- à 10-maal van huidskelet, in het tweede 6-maal, in het derde 4-maal; in het vijfde wordt hij voor de voortplanting geschikt en vervelt 2-maal; in elk van de 10 volgende levensjaren geschiedt dit éénmaal, na het 15e jaar niet meer. Bij de vervelling wordt de omvang van het dier aanmerkelijk grooter; de lengte van een Zeekreeft was bij deze gebeurtenis, volgens Hyatt, met meer dan een vijfde toegenomen.
Het lichaam van de Schaaldieren bestaat, evenals dat van alle Arthropoden, uit een reeks van opeenvolgende segmenten. Ook bij hen bestaat een innig verband tusschen de uitwendige en inwendige geleding. De ringen van het chitine-pantser van den stam kunnen echter in zeer verschillende mate vereenigd zijn. Het eene uiterste is de versmelting van nagenoeg alle ringen tot een geheel, waarvan zoowel de hoogst ontwikkelde vormen (Krabben) als veel lager georganiseerde (Ostracoden) voorbeelden leveren; het andere uiterste, het gescheiden blijven van nagenoeg alle ringen, komt o.a. voor bij Branchipus. In de meeste gevallen is de kop met het eerste borstsegment en zelfs met een meer of minder groot aantal volgende segmenten [ook van het vóór-achterlijf (prae-abdomen)] vergroeid tot het kopborststuk (cephalothorax). De overige ringen van het achterlijf, gezamenlijk niet zelden staart genoemd, blijven meestal beweegbaar; zij vormen het na-achterlijf (post-abdomen), ook wel nalijf geheeten in tegenstelling met het overige deel van den stam (het voorlijf).