Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen

Part 4

Chapter 43,706 wordsPublic domain

Van geen enkelen Zakspinner biedt de levenswijze zoovele merkwaardige eigenaardigheden aan als van de Gewone Waterspin (Argyroneta aquatica); door haar uiterlijk trekt zij volstrekt niet de aandacht. In tegenstelling van 't geen bij de overige Spinnen als regel geldt, is het mannetje bij deze soort forscher gebouwd (15 mM. lang) dan het wijfje (ruim 12 mM. lang). Bij beide heeft het bijna onbehaarde, roestroodachtige kopborststuk aan de zijden en van achteren een bruine, om het voorhoofd een zwartbruine tint; van voren is het met 3 zwarte, overlangsche strepen, van achteren met zwarte stralen geteekend. Het olijfbruine achterlijf is met een teer waas van witachtig grijze, fluweelachtige haren bedekt, waarop 2 reeksen van putjes in 't oog vallen.

Deze Spin leeft bijna voortdurend in 't water en ademt door longen en tracheën te gelijk. Op haar uiterlijk afgaande, zou men haar licht kunnen verwarren met andere soorten van Spinnen, van welke zij zich echter aanmerkelijk onderscheidt door haar levenswijze. Zij bewoont stilstaand of langzaam stroomend water, dat rijk is aan Mijten en kleine Insecten, aan eendenkroos en verschillende andere waterplanten; hier zwemt zij en bouwt er haar nest. Zij kan echter gedurende korten tijd buiten haar element leven. De zwemmende Spin levert een verrassend schouwspel op, daar haar achterlijf omgeven is door een dunne luchtlaag, die als een druppel kwikzilver glinstert (haar geslachtsnaam beteekent "met zilver omspannen"). Deze luchtlaag verraadt de aanwezigheid van het diertje, dat anders wegens zijn kleinheid licht onopgemerkt zou blijven; zij wordt niet alleen door de fluweelachtige beharing vastgehouden, die het natworden van de huid verhindert, maar bovendien door een soort van vernis van het omgevende water gescheiden.

Wanneer deze kleine duikkunstenares een nest wil bouwen, begeeft zij zich naar den waterspiegel en steekt, op den kop staande, met naar boven gerichten buik, de spits van haar achterlijf boven de oppervlakte in de lucht, spreidt de spintepels uit en daalt schielijk weer in 't water af. Zoodoende neemt zij, zonder dat het zilveren omhulsel van het achterlijf er bij te pas komt, een meer of minder groote, aan de spits van 't lichaam hangende luchtbel mede. Deze wordt zwemmend vervoerd naar de waterplant, die bij een vroeger bezoek geschikt werd geoordeeld voor 't bouwen van een woning en hier vastgehecht. Dit vereischt natuurlijk het gebruik van spinstof, die, uit de spintepels ontwijkend, als een soort van vernis, dat met de achterpooten wordt uitgestreken, de lucht van het water scheidt, daar deze anders onmiddellijk weer naar boven zou stijgen. Opnieuw gaat zij een luchtbel halen, die na doelmatige vergrooting van het reeds aanwezige spinsel met de eerste samenvloeit; deze arbeid wordt voortgezet, totdat de kleine, met de opening naar beneden gerichte duikerklok ongeveer de grootte van een walnoot bereikt heeft. Verscheidene draden moeten natuurlijk gedurende het bouwen gespannen worden om aan het nest de vereischte stevigheid te verschaffen. Andere, die rondom den ingang zich in alle richtingen uitspreiden, dienen als valstrikken voor den zwemmenden buit. Indien de Spin hare slachtoffers afwachtte, zou zij menigmaal honger moeten lijden; zij gaat ze echter ook wel opzoeken en houdt zich niet strikt aan één bepaalde wijze van jagen gelijk hare verwanten, die in de lucht vangwebben hebben. Zoodra zij een prooi gegrepen heeft, kruipt zij bij den eersten den besten stengel omhoog en verslindt het lekkere hapje in de lucht; soms kiest zij tot eetzaal haar duikerklok, of hangt hierin het overschot voor toekomstig gebruik op, zoodra haar honger gestild is. In de gevangenschap bevestigt de Waterspin haar duikerklok ook wel aan den wand van het glas, waarin zij leeft.

Het wijfje legt eieren in een luchtbel, die, met een dubbele laag spinsel omkleed en tot een min of meer platbol zakje vervormd, aan een waterplant of in de duikerklok opgehangen en zorgvuldig bewaakt wordt.

De duikerklok dient ook tot winterkwartier. Bij voorkeur overwintert de Waterspin echter in een ledig slakkenhuis, welks mond zij met een kunstvol weefsel afsluit. Naar het schijnt, komt onze soort hoofdzakelijk in Noord- en Midden-Europa voor; reeds in het noorden van Frankrijk is zij zeldzaam; in het zuiden vindt men haar niet.

Een groot aantal over verschillende geslachten verdeelde Zakspinnen leven verborgen onder steenen, in mos, in spleten van muren en rotsen en achter schorsschilfers van oude boomen. Op de laatstgenoemde plaats merkt men dikwijls wit zijden lichaampjes op, die op hemdsknoopjes gelijken, in 't midden een weinig uitpuilen en een vlakken rand hebben; verscheidene soorten van Zakspinnen maken zulke eiernestjes; hun platte zijde is vastgekleefd aan de binnenzijde van de schorsschilfers of tegen den ontschorsten stam; ook vindt men ze wel in opgerolde bladen. Een van de meest verbreide soorten dezer afdeeling, de Atlasspin (Clubiona holosericea), wordt, behalve in tuinen, waar zij de genoemde schuilhoeken bewoont, niet zelden ook in huizen gevonden.

De Buisspinners i.e.z. (Dysderinae) weven onder steenen, in spleten, rietstengels, enz. buizen van dichte zijde en onderscheiden zich door het bezit van niet meer dan 6 oogen, van een rolrond, op korte, maar krachtige pooten rustend lichaam en van een bijklauw met slechts één tand.

Zeer algemeen vindt men onder steenen, boomschors of mos, in gaten van muren, in kelders en in stroodaken de 10 à 11 mM. lange Kelderspin (Segestria senoculata); zij bewoont een middelmatig lange, witte, aan weerszijden geopende buis, van waar zij in verschillende richtingen draden spant om Insecten te vangen. Aan den ingang dezer buis zit zij op de loer, houdt de 6 voorste pooten naar voren gericht en het lichaam tegen den wand gedrukt. Het in de vangdraden verschijnende slachtoffer wordt onmiddellijk gegrepen en medegenomen naar het achterste deel van de buis. Koen en behendig valt zij Insecten aan, die haar door grootte en kracht verre overtreffen; zelfs voor Wespen, die door de meeste andere Spinnen gevreesd worden, deinst zij niet terug. In het midden van den zomer verlaten de jongen het nagenoeg bolvormige eierenzakje en houden zich aanvankelijk in het nest van de moeder op. De Kelderspin heeft een betrekkelijk slanke gedaante; het langwerpig eivormige, glanzig zwartbruine kopborststuk is bijna dubbel zoo lang als breed; het bruinachtig gele achterlijf is behaard en op den rug met een reeks van 6 donkerbruine vlekken getooid.--Een van hare naaste verwanten is de op Cuba onder steenen levende Nops Guanabacoae, die door het bezit van slechts 2 oogen een merkwaardige uitzondering vormt op den voor alle overige Spinnen geldenden regel.

Onder den naam van Krabspinnen (Laterigradae, Thomisidae) vereenigt men een vrij groot aantal door levenswijze en lichaamsvorm merkwaardige soorten, die vooral in Europa en Noord-Amerika voorkomen, zonder in de overige werelddeelen geheel te ontbreken. Duidelijk herinneren haar gestalte en beweging aan die der Kortstaartige Kreeften of Krabben. Zij strekken n.l. hare pooten, waarvan de beide achterste paren aanmerkelijk korter zijn dan de beide voorste, ver zijwaarts, drukken deze ledematen en het platte lichaam stevig tegen het voorwerp, waarop zij zich bevinden en verplaatsen zich met even groot gemak voor-, achter- en zijwaarts, kortom in iedere gewenschte richting. Men ziet ze, loerend op buit, rondloopen op boomstammen en bladen, vooral echter op bloemen, die druk bezocht worden door Insecten. Gewoonlijk spinnen zij slechts enkele draden, voornamelijk tot regeling harer bewegingen, o.a. om zich er aan te laten zakken. In den tijd van 't eierenleggen vestigen verscheidene soorten zich tusschen saamgesponnen bladen of in bloeiwijzen van schermbloemigen, duizendblad (Achillea) en andere planten, die zij van binnen met een meer of minder dicht weefsel bekleeden; andere zoeken een schuilplaats onder steenen of achter schorsschilfers; hier leggen zij hare platte of ronde eierenzakjes neder, die met de gewone moederlijke zorgvuldigheid bewaard worden.

Als voorbeeld zullen wij de Rondzwervende Krabspin [Thomisus (Xysticus) viaticus] beschrijven; daar zij in vele kleurverscheidenheden voorkomt, kan van kleur en teekening niet veel anders gezegd worden, dan dat geelachtig bruin de overhand heeft, niet zelden tot vuilwit verhelderd of tot bruin verduisterd. Op den rug van het voorborststuk zijn de rand en een gaffelvormige figuur het helderst; ook op den rug van het achterlijf ziet men een lichtere figuur, die zijwaartsche vertakkingen heeft. Het nauwelijks 4.5 mM. lange mannetje is over 't algemeen donkerder van kleur en scherper geteekend dan het 7 mM. lange wijfje, dat ook kenbaar is aan de aanmerkelijk grootere breedte van het achterlijf. Deze soort komt van Zweden af in geheel Europa en ook in Egypte voor; zij is eer traag dan vlug van beweging. Bij voorkeur houdt zij zich op tusschen bladen, die zij met eenige draden omspint; hier worden in Mei of in het begin van Juni de eieren gelegd. Deze zijn besloten in een goed gevuld, afgerond zakje, dat door het wijfje met zooveel ijver bewaakt wordt, dat zij zich zelfs door aanraking niet laat verdrijven. De ontwikkeling der jongen schijnt zeer ongelijkmatig plaats te hebben. In den herfst ziet men ze in verschillende grootten; vele vliegen dan met behulp van spinragdraden door de lucht.

Het verschijnsel, dat door den naam "herfstdraden" wordt aangeduid, heeft men sinds lang gekend, maar dikwijls verkeerd beoordeeld [1]. Ontelbare, ragfijne draden, glinsterend als zilver en door de aanhangende dauwdruppels als met edelgesteenten bezet, tooien op een zonnigen herfstmorgen de stoppelvelden en weiden, bedekken de struiken en heggen, hangen als lange wimpels aan boomen en andere hooge voorwerpen, vliegen als witte vlokken door de zwak bewogen lucht en steken scherp af bij den donkerblauwen hemel. Alleen bij zeer fraai, bestendig weder wordt dit verschijnsel waargenomen. De herfstdraden wijzen den weg aan, die door ontelbare spinnetjes gevolgd werd en hebben in 't geheel niet ten doel Insecten te vangen. Zij worden vervaardigd door Spinnen, die geen vangwebben maken, maar loopend of springend haar prooi bemachtigen. Dit doen, behalve een aantal met de Kruisnetspinners vereenigde soorten (Pachygnathinae), vooral de Krabspinnen, Wolfspinnen en Springspinnen; de 3 laatstgenoemde familiën worden daarom onder den naam van Jachtspinnen (Vagabundae) samengevat. Deze Spinnen trekken vooral in den herfst de aandacht, omdat haar ontwikkeling dan eerst ver genoeg is voortgeschreden om haar te veroorlooven andere gewesten op te zoeken. De plaatsen, waar zij geboren zijn en tot dusver vertoefden, de waterkanten en moerassige oorden, die gedurende het gunstige seizoen wemelen van Muggen en andere Insecten, waarvan de larven in 't water leven, verschaffen in 't najaar aan de intusschen sterk toegenomen spinnenbevolking niet genoeg voedsel meer. De nood dringt haar zich te verspreiden. Bovendien wordt het allengs tijd uit te zien naar geschikte winterverblijven, die in de streken, welke zij gedurende den zomer bewonen, niet in voldoende getale te vinden zijn. Alleen bij mooi weder merkt men hare draden op, omdat geen enkel lid der geheele orde bij ongunstige weersgesteldheid spint.

Daar de Spinnen de vleugels van de trekkende Insecten missen en de reis te voet te lang zou duren, gebruiken zij hare draden op zeer eigenaardige wijze als middelen om door de lucht te zeilen. Gedurende het rondloopen worden altijd eenige draden gesponnen, die zich aan den weg hechten en aan de Spin steun verschaffen. Zoodra zij lust heeft om een luchtreis te maken, hecht zij ergens een draad vast, maakt een geringe wending zijwaarts en gaat een weinig vooruit, licht bovendien de spits van het achterlijf hoog op in een richting, tegengesteld aan die van de heerschende luchtstrooming en blijft vervolgens, met stijf gestrekte pooten, het lichaam zoo hoog mogelijk opheffend, stil staan. De draad, die lusvormig het spinveld met een naast haar standplaats gelegen punt verbindt, wordt door den luchtstroom gevat en hoe langer hoe verder uitgetrokken. Terby zag binnenshuis, eerst toen hij begon te blazen, de Spin het achterlijf opheffen en een draad voortbrengen, die zich in de richting van den luchtstroom verlengde, zoolang het blazen voortduurde, en dezelfde lengte behield, toen het blazen gestaakt werd; na 10 seconden was de draad ongeveer 2 M. lang. Het is, alsof het dier een draad uitschiet; het bijt haar bij de plaats van aanhechting af, zoodra de lengte 2 of 3 M. bedraagt, heft de pooten op boven het ondersteuningsvlak, legt ze in gebogen toestand tegen het lichaam aan en wordt nu door de opstijgende luchtstrooming, die overal aanwezig is, waar de zon vaste voorwerpen verwarmt, aan den draad hangend, medegevoerd. Op eenigen afstand van den grond, waar de horizontale luchtstroom de overhand heeft, neemt de draad een minder steile richting aan. Soms duurt de reis niet lang, daar de draad aan het een of ander voorwerp blijft hangen; soms echter wordt op deze wijze een zeer groote weg afgelegd. Darwin zag, op een afstand van 60 zeemijlen van de kust, duizenden kleine, roodachtige spinnetjes aan draden vliegend, op zijn schip aankomen. Deze behoeven echter niet de reis voort te zetten, totdat de opstijgende luchtstroom en de wind hun werking staken, maar kunnen, door een zeer eenvoudig middel toe te passen, zelf het eindpunt van den tocht bepalen: zij hebben daartoe slechts bij haar draad op te klimmen en deze met de pooten tot een kluwentje op te wikkelen; zoodoende komen zij langzamerhand, op soortgelijke wijze als de luchtreiziger in een valscherm, op de aardoppervlakte terug. De vlokken vallen soms in opmerkelijk groote menigte uit de lucht; niet zelden vindt men er nog een spinnetje op.

Hoe bekoorlijk het uitzicht ook moge zijn, dat de weiden verkrijgen door het van de Spinnen afkomstig, gazen kleed, waarin dikke dauwdruppels in de morgenzon schitteren, lastig is het voor den boer, die er het gras moet afmaaien om er hooi van te maken, daar dit zoo sterk met vocht doordrongen is, dat het over dag niet droog wordt. Hierdoor richten de overigens voor den landman zoo nuttige Spinnen, die de veldvruchten van zoo menig schadelijk Insect bevrijden, op sommige plaatsen schade aan. In de lente, als de Spinnen hare winterkwartieren verlaten, herhaalt zich het verschijnsel, dat men in den herfst te zien kreeg, nu echter op veel kleiner schaal. Men heeft dit niet slechts in onze streken, maar ook in Paraguay en stellig ook in vele andere landen opgemerkt. De Duitschers noemen deze "lentedraden" "Mädchensommer" (Meisjeszomer), in tegenstelling met de herfstdraden, die bij hen als "Altenweibersommer" (Oudevrouwenzomer) bekend zijn.

Nog meer luchtreizigers dan in de vorige familie vindt men in die der Wolfspinnen of Jachtspinnen i.e.z. (Lycosidae), waarvan enkele soorten door haar aanzienlijke grootte in de gematigde luchtstreek de Boschspinnen der keerkringslanden vervangen. Het uitzicht, de grootte en de woeste bewegingen dezer snel loopende, langpootige, over alle werelddeelen verbreide dieren, hun onverwachte verschijning en even plotselinge vlucht na het toevallig openen van een hunner schuilplaatsen, b.v. na het optillen van een steen, maken hen meer dan de meeste andere Spinnen geschikt om aanleiding te geven tot het vooroordeel, dat de geheele orde uit afschuwwekkende wezens zou bestaan.

Vele Wolfspinnen bewonen gaten in den grond, welker wanden zij met haar spinsel bekleeden. Sommige voeren haar eierenzakje aan den buik mede of zitten er op, als om te broeden; door andere wordt het aan dennenaalden of aan lagere planten bevestigd, zoodat het aan een sierlijk vrachtje herinnert (fig 1); nog andere handelen op soortgelijke wijze, hoewel haar nestje een minder regelmatigen vorm en door de zand- en leemkorrels, die er aan kleven, niet zulk een schitterend witte kleur vertoont.

De Wolfspinnen zijn kenbaar aan eenige zeer in 't oog loopende eigenaardigheden. Het kopborststuk is sterk naar voren versmald en verheft zich in het midden tot een stompe, overlangsche kiel. De oogen zijn op 3 rijen geplaatst: vier kleine vooraan, dicht bijeen, op een meestal rechte lijn, twee aanmerkelijk grootere hierachter op korten afstand van elkander, de beide laatste eveneens groot, nog verder achteruit en door een groote tusschenruimte gescheiden. De pooten zijn slank, die van het laatste paar langer dan alle overige.

Verscheidene Wolfspinnen vertoeven bij voorkeur op vochtige en moerassige plaatsen, loopen bij het vervolgen van haar buit soms ook eenigen tijd op den waterspiegel, maar duiken niet; men merkt dit o.a. op van de Gerande Jachtspin (Dolomedes fimbriata, fig. 3).

De meest verbreide soort is de Zakspin (Pardosa saccata), die gedurende haar jeugd luchtreizen onderneemt en een van de eerste Gelede Dieren is, die in 't begin van 't volgende jaar, uit den winterslaap ontwakend, op zonnige plaatsen verschijnen. Reeds in de tweede helft van Mei ziet men het wijfje met een eenigszins platgedrukten eierenzak aan den buik tusschen droge bladen rondloopen. Hier blijven hare jongen nog geruimen tijd; ook ziet men ze wel op het lichaam van hun moeder rondkruipen. Deze soort is hoogstens 6.5 mM. lang, bruingrijs, met een geelachtige, overlangsche vlek op den rug van het achterlijf en bruinachtig gele, zwart geringde pooten. Verscheidene, door uiterlijk en levenswijze op de vorige gelijkende soorten (Pardosa montana, arenaria, enz.) ontmoet men zoowel op vochtige als op droge en zonnige plaatsen.

Zonder twijfel heeft men over den vergiftigen beet van geen enkele Spin zooveel beweging gemaakt, zoovele fabelen in omloop gebracht, als over die van de Tarantel (de Tarantola der Italianen). Verscheidene Spinnen van het geslacht Lycosa dragen dezen naam, die oorspronkelijk gegeven werd aan een vooral bij Tarente (Taranto) levende Spin, welker beet als de oorzaak van allerlei hoogst zonderlinge ziekteverschijnselen werd beschouwd. Aldrovandi, die in zijn "Natuurlijke Geschiedenis van de Insecten" (1602) alles heeft verzameld, wat vóór hem over de Gelede Dieren te boek gesteld was, geeft een uitvoerige beschrijving van de werking van het Tarantelgif en van de middelen om haar tegen te gaan. Een ziekte, die de lijders tot allerlei ten deele zeer kinderlijke en dwaze gebaren noopte, werd, volgens hem, aan den beet van de Tarantel toegeschreven. De hierdoor aangetaste personen werden "Tarantulati" genoemd. Sommige zongen aanhoudend, andere dansten, lachten, weenden of jammerden. Velen werden door slapeloosheid gekweld, anderen daarentegen door slaapzucht. Bij de meesten merkte men brakingen op, bij velen een overvloedige zweetuitscheiding, bij vele anderen rillingen of hartkloppingen. Tal van andere stoornissen kwamen voor, o.a. hadden sommige patiënten hinder van het kijken naar blauwe en zwarte voorwerpen, terwijl daarentegen het zien van de roode en de groene kleur hen verblijdde. Om de "Tarantulati" te genezen, speelde men hen op het een of ander muziekinstrument twee dansmelodiën voor, de "Pastorale" en de "Tarantola", die door de schrijvers over deze ziekte zoo nauwkeurig mogelijk worden weergegeven. De lijder begint te dansen, totdat hij, sterk zweetend en volkomen uitgeput, ter aarde stort. Men legt hem te bed en laat hem uitslapen; bij zijn ontwaken is hij geheel genezen en weet zich niets meer te herinneren van hetgeen er met hem heeft plaats gehad. Er komen echter ook herhalingen van de ziekte voor, die zich over een tijdperk van 20 of 30 jaren of zelfs over den geheelen levensduur van den lijder kunnen uitstrekken.--Deze en dergelijke dwaasheden vonden nog in een deel van onze eeuw niet slechts bij het groote publiek, maar ook bij enkele door en door geleerde geneeskundigen geloof; zij hadden echter ook het gunstige gevolg, dat vele verstandigere menschen zich de moeite gaven het fabelachtige dier nader te leeren kennen, waardoor het weldra bleek, dat de vergiftige werking van zijn beet zeer overdreven was voorgesteld. Zoo wist o.a. een Poolsch edelman tegen het einde van de vorige eeuw een Napolitaan door een geschenk over te halen om zich in zijn tegenwoordigheid door een Tarantel in den vinger te laten bijten. Hoewel dit een ontsteking van de hand ten gevolge had, waarbij de vingers opzwollen en hevig jeukten, was de zieke spoedig volkomen hersteld. Tot geheel andere inzichten over de hierboven bedoelde, gedurende den zomer heerschende ziekte, die "Tarantel-dans" heet en waarvan reeds in berichten uit de 15e eeuw melding wordt gemaakt, hebben nauwgezette onderzoekingen over den "Zomerdans in de Middeleeuwen" geleid. Hieruit is gebleken, dat in verscheidene landen (Denemarken, Zweden, Engeland, Frankrijk, Duitschland) ziekteverschijnselen voorkomen, die volkomen overeenstemmen met de Tarantel-dans der Italianen. Herhaaldelijk is het geschied, dat vele personen, jonge lieden en ouden van dagen, mannen en vrouwen, gelijktijdig aangetast werden, huis en hof verlieten en dansend van de eene stad naar de andere trokken.

De soortnaam Tarantula, die door Linnaeus aan de Apulische Tarantel werd gegeven, dient tegenwoordig tot aanduiding van een geslacht, waarin men een aantal Wolfspinnen samenvat, die zich vooral door een eenigszins andere rangschikking van de oogen van hare verwanten onderscheiden. Het wijfje draagt het kleine, bolronde eierenzakje aan de spintepels. De Tarantels houden van droge, zonnige plaatsen. De soort--Apulische Tarantel (Tarantula Apuliae)--komt niet slechts in Apulië voor, waar men haar in de omstreken van Tarente en Napels veelvuldig aantreft, maar ook in andere deelen van Italië, in Spanje en Portugal. Het achterlijf is reekleurig met eenige zwarte, roodachtig wit gezoomde dwarsstrepen op den rug en een zwarte streep over het midden van den buik. De lichte gedeelten van het overigens zwarte kopborststuk hebben eveneens een roodachtige kleur. Het wijfje kan 37 mM. lang worden. Deze spin graaft op zonnige, onbebouwde hellingen een gat in den grond, dat over een afstand van ongeveer 30 cM. een vertikale richting heeft, een korte wending maakt en vervolgens over een nagenoeg gelijke lengte verder in de diepte doordringt. De ingang van dit hol is achter een wal van saamgesponnen gras en droge bladen verborgen. Over dag verlaat de Spin niet licht haar nest; eerst na zonsondergang gaat zij aan den ingang op de loer liggen; als de nacht aanbreekt, zwerft zij in de buurt van haar woning jagend rond. Met het gevangen Insect begeeft zij zich binnenshuis en verslindt het hier op haar gemak; de naar buiten geworpen, oneetbare deelen omzoomen dikwijls den ingang. De jongen komen in Augustus en September uit; men ziet ze beurtelings op den rug van de moeder klauteren en hier rondloopen; evenals de volwassen Spin, gebruiken zij 's winters geen voedsel.

Het ontbreken van den klauw aan de tasters van het wijfje en van den bijklauw aan de voeten, welker ware klauwen slank en met korte kamtanden uitgerust, de buitenste soms zelfs tandeloos en met bundels van veervormige haren bezet zijn, het vermogen om te springen en de eigenaardige verhouding tusschen de grootte der oogen, zijn kenmerken van de familie der Spring- of Tijgerspinnen (Saltigradae, Attidae). De 4 oogen van de voorste rij, vooral de beide middelste zijn zeer groot, de buitenste voorhoofdsoogen en de achterste kruinoogen komen door hun grootte en, behoudens enkele uitzonderingen (Salticus), ook door hun onderlingen afstand overeen; met deze zijn de tusschenliggende, buitengewoon kleine zijoogen bijna op een rechte lijn gelegen. Deze voor 't meerendeel kleine, niet zelden fraai bont gevlekte Spinnen hechten haar ei- of bolvormig eierenzakje aan planten of aan steenen.