Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen
Part 3
De Gewone Kruisspin wordt in 't grootste deel van Europa in tuinen, kreupelhout en ijle naaldhoutbosschen gevonden; meestal vestigt zij zich op betrekkelijk geringen afstand van den grond, bij voorkeur in de nabijheid van slooten, moerassen, meren, kortom op plaatsen waar Vliegen en Muggen gewoonlijk in overvloed rondvliegen. In 't begin van Mei verlaten de jongen de eischaal; gedurende ongeveer 8 dagen blijven zij bijeen, of liever komen telkens weer samen na zich verspreid te hebben; na de eerste vervelling verlaten zij haar geboorteplaats. Langzamerhand, na verscheidene vervellingen ontwikkelt zich de teekening, die het volwassen dier onder de fraaiste inheemsche soorten een plaats verschaft. Zoodra de jonge Kruisspinnen zich verstrooid hebben, spint ieder een web, dat natuurlijk wegens zijn geringe grootte minder de aandacht trekt dan de wielvormige weefsels van 30 en meer cM. middellijn, welke men later ontmoet. De plaats waar zij zich vestigen zal, wordt eerst na rijp beraad bepaald; voordat zij aan den arbeid tijgt, loopt zij geruimen tijd op allerlei voorwerpen rond; dit is volstrekt noodig, daar zij op deze plaats op een andere wijze te werk moet gaan dan op gene om de buitendraden te spannen, die het drie- of vierhoekige raam begrenzen, waaraan het web bevestigd is. Haar eerste werk bestaat in het vasthechten van den draad, dien zij zal spinnen, door drukking met de spits van het achterlijf; in verreweg de meeste gevallen geschiedt dit op een hoog gelegen plaats. Zij laat deze los en zakt langzamerhand door haar eigen gewicht, hangend aan den steeds langer wordende, uit de spintepels komenden draad, die vervolgens in strak gespannen toestand bevestigd wordt; het tweede aanhechtingspunt is steeds lager gelegen dan het eerste. Groote zorgvuldigheid vereischt het spinnen van den bovensten dwarsdraad, die als een strak gespannen touw twee soms ver uiteenliggende punten verbindt. Wanneer het niet mogelijk is te voet van het eene punt naar het andere te komen, schiet de Spin een draad uit, die door luchtstroomingen naar het tweede aanhechtingspunt wordt vervoerd; soms laat zij zich, onder aan een draad hangend, zoo lang heen en weer slingeren, totdat zij met de pooten de gewenschte plaats bereiken kan. Indien de draad niet dadelijk de noodige spanning heeft, wordt hij door korte zijdraden strak getrokken. Als het raam gereed is, verbindt de Spin twee tegenovergestelde punten door aan het eene een draad te bevestigen, langs de buitendraden naar het andere punt te loopen en intusschen den steeds langer wordende nieuwen draad met den achterpoot van zich af te houden. Door tusschen het midden dezer lijn en den omtrek heen en weer te gaan komen de spaken van het wiel tot stand, waarbij de laatste verkregene steeds als weg dient bij het spinnen van de volgende. De nu volgende arbeid, het verbinden van alle stralen door cirkels, levert geen bezwaar op. In het middelveld, dat zich ongeveer zoo ver uitstrekt, als de Spin hare pooten kan uitsteken, zijn deze draden droog, evenals de tot dusver gebruikte; verderop zijn zij bezet met zeer talrijke, buitengewoon fijne, kleverige knobbeltjes en hierdoor in staat om denzelfden dienst te doen als de lijmroeden bij het vogelvangen: zij houden de vliegende Insecten vast, die er mede in aanraking komen. Men heeft uitgerekend, dat een web van 36 à 39 cM. middellijn ongeveer 120 000 van deze knobbeltjes bevat.
Het nu voltooide werkstuk levert een sterk sprekend bewijs van de buitengewone kunstvaardigheid der Spin; de stralen en cirkels, hoewel minder zuiver van constructie dan die van den met liniaal en passer uitgerusten teekenaar, vormen te zamen een bewonderenswaardig geheel. Met lofwaardigen ijver is deze arbeid verricht; vooral na een zachte regenbui wordt er gewoonlijk slechts één dag of één nacht aan besteed. Met omlaag gericht kopborststuk troont op 't middelveld de kunstenares. Soms acht zij het verkieselijker aan den buitenkant van haar web onder een blad of op een andere beschutte plaats haar hoofdkwartier te vestigen; steeds is dit plekje met het middelpunt van het wiel verbonden door eenige sterk gespannen draden, die als telegraaf dienst doen, van iedere beweging van het web terstond kennis geven. Zij geraken in trilling door de onbesuisde Vlieg, die het ongeluk had met het net in aanraking te komen en bij hare pogingen om zich te bevrijden hoe langer hoe meer in de draden verward geraakt. Niet in eens, maar bij rukken schiet de Spin van uit de hinderlaag op haar slachtoffer toe; zij is altijd voorzichtig, gaat nooit met blinde overhaasting te werk. Eerst begeeft zij zich naar het middelpunt en van hier naar de plaats waar de Vlieg, door geweldig te spartelen en te gonzen, hare krachten verspilt. Een beet met de gifkaken brengt haar spoedig tot rust. De Spin zal, indien zij zeer hongerig is, onmiddellijk na de vangst den buit verslinden, maar dezen, bij minder groote behoefte aan voedsel, met een breeden band van draden omwikkelen. Als een pop in een cocon, blijft het goed ingepakte slachtoffer voorloopig hangen; ter gelegener tijd bijt de Spin den opgespaarden voorraad los en vervoert dezen naar haar schuilplaats; hier gaat zij op haar gemak aan 't kauwen, waarna de met speeksel tot een brijachtige massa verwerkte prooi opgezogen wordt. Als een Wesp of een dergelijk onbruikbaar dier in het web geraakt, zal de Spin zelf door het stuk bijten van eenige draden tot de bevrijding van de gevangene medewerken. Soms zit het web vol van kleine Mugjes, die nagenoeg geen voedsel opleveren, maar door hun donkere kleur en door het bedekken van de kleverige knobbeltjes der draden de bruikbaarheid van het vangtoestel zoo zeer verminderen, dat de Spin zich genoodzaakt ziet een ander web te vervaardigen. Onze Kruisspin heeft geen helpsters zooals sommige van hare West-Indische verwanten, in welker web Darwin dikwijls kleinere spinnetjes aantrof, die, naar hij vermoedt, op de gevangene Insecten azen, die wegens hun geringe grootte door de eigenares van het web versmaad worden. Dat de Kruisspin haar weefsel herstelt, wanneer het beschadigd is, wordt door sommige onderzoekers beweerd, door andere betwist; waarschijnlijk geschiedt dit alleen op plaatsen, die zoo gunstig gelegen zijn voor de vangst, dat de Spin geen lust gevoelt ze te verlaten.
De omstandigheden bepalen de wijze, waarop de Spin te werk gaat, zoowel bij het aanleggen van het raam voor haar web als bij de behandeling en het verslinden van den buit; evenals in deze gevallen, toont zij ook overleg bij de keuze van maatregelen, om aan een dreigend gevaar te ontkomen. Haar gewone redmiddel is, zich te laten zakken aan een draad; soms acht zij het blijven hangen in de lucht voldoende; soms echter daalt zij tot op den bodem af en houdt zich dood; zoodra het gevaar geweken is, keert zij langs den draad naar haar vroegere zitplaats terug. In andere gevallen van verontrusting blijft zij stevig vastgehecht zitten op het middelveld van haar web, maar deelt hieraan zulk een hevige, trillende beweging mede, dat men haar lichaam niet meer kan onderscheiden. In den herfst zijn de Kruisspinnen volwassen. In een streek waar deze dieren talrijk zijn, schat men het aantal wijfjes op 10 à 15 tegen 1 mannetje. Het mannetje heeft een eigen web en toont gedurende de kortstondige spinnenvrijage een niet ongegronde vrees voor zijn veel grootere wederhelft. In September of October legt het wijfje ongeveer 100 gele eieren in een door haar gesponnen zakje, dat zij op een veilige plaats ophangt. De omvang van haar achterlijf vermindert hierdoor zoo sterk, dat zij bijna onkenbaar wordt. Zij sterft vóór den aanvang van den winter, maar blijft tot aan het einde van haar leven hare eieren zorgvuldig bewaken. Zelden treft men in den winter onder boomschors of mos Gewone Kruisspinnen aan; steeds zijn dit onvolwassene exemplaren, die later dan gewoonlijk (Mei) de eischaal verlieten.
De Uitgerekte Oeverspin (Tetragnatha extensa) heeft vele eigenaardigheden, waardoor zij zich van de overige Wielspinners onderscheidt; de opmerkelijkste zijn: het langwerpige achterlijf en de zeer lange pooten; het rustende dier strekt de beide naast elkander gelegde voorste paren regelrecht naar voren, de beide achterste paren op dezelfde wijze naar achteren; ook de kaaksprieten steken ver vóór het kopborststuk uit. De volwassen Spin is 15 à 19.5 mM. lang; de pooten en het voorste deel van 't lichaam zijn roodachtig geel; het achterlijf is van onderen meestal geelachtig wit, aan de zijden zilverwit en van boven versierd met een roodbruin, bladvormig rugveld, dat door donkere, ingekorven randen omgeven wordt. Tusschen halmen van riet, biezen of grassen, bij moerassen, poelen en andere vochtige plaatsen, bij ons ook in tuinen, vindt men haar loodrecht geplaatst wielvormig web en in het middenveld of tegen een naburige bieshalm aangedrukt, de op buit loerende Spin. Deze is in 't heetst van den zomer volwassen; het mannetje toont in den paartijd geen vrees voor het wijfje. De lichtgele eieren worden in een halfbolvormig zakje, door een vlokkig spinsel omhuld, aan een stengel opgehangen. De jongen komen nog in 't zelfde jaar uit, vliegen soms aan "herfstdraden" door de lucht en zijn gedurende den winter dikwijls verscholen in holle leden van rietstoppels.
In de warme landen van beide halfronden, in Amerika tot in den staat Ohio, leven talrijke, tot verschillende geslachten behoorende soorten van Wielspinners, die zich kenmerken door een hoornachtig, van achteren in twee lange, rechte of kromme doornen eindigend rugschild op het achterlijf. Tot de meest verbreide behoort het geslacht der Doornspinnen (Gasteracantha), dat nog wel zonderlinger vormen omvat dan de hierna afgebeelde Tangvormige Doornspin (Gasteracantha arcuata), die op Java gevonden wordt.
Sommige Kruisnetspinners (Theridiidae--meer bepaaldelijk de Linyphiinae en de Theridiinae) spinnen in de struiken of tusschen grashalmen een horizontaal, dekenvormig web, welks draden elkander in alle richtingen kruisen. Onder dit nest wonen in den paartijd de mannetjes en de wijfjes gezellig bijeen; in de overige tijden van 't jaar leeft ieder afzonderlijk. Andere leden van dezelfde familie spinnen enkele draden in verschillende richtingen, overlangs, overdwars, naar boven, naar onderen, of werpen er een uit onder het loopen, maar vervaardigen geen echt web (Pachygnathinae); evenals de zoogenaamde Jachtspinnen (Vagabundae), vangen zij hun prooi loopend of springend. Bij de leden der eerstgenoemde afdeeling zijn er, die onder hun met een troonhemel vergelijkbaar weefsel nog een klein, horizontaal, wielvormig web vervaardigen en bovendien een klein, klokvormig broeinestje, waarin het wijfje één of eenige eierenhoopjes bewaakt. Al deze Spinnen zijn gewoon om, aan de pooten, met naar beneden gekeerden rug, onder haar net hangend, haar buit af te wachten. De meeste hebben een zeer bol, bijna kogelvormig achterlijf; de pooten zijn dun en lang; de voorste steeds de langste.
De Baldakijnspin (Linyphia montana) bewoont zoowel vlakke als bergachtige streken en wordt, ofschoon zeldzamer dan hare (vooral op heidegrond levende) verwanten, ook in Nederland in dennebosschen gevonden. Zij bouwt haar nest in tuinen tegen schuttingen of oude huizen, in holle wilgen, ook wel in bosschen, maar hier liever tusschen lage heidestruiken dan in hooger opschietend struikgewas. Oorden, die gunstig gelegen zijn voor de insectenvangst, vindt men dikwijls wijd en zijd met nesten overdekt, die niet zelden op verschillende hoogten zoldersgewijs boven elkander voorkomen; door den morgendauw bepareld, leveren zij een prachtig schouwspel op. In Juni legt het wijfje omstreeks 100 eieren in een plat-rond nestje, dat zij onder boomschors of op een andere beschutte plaats verbergt, met losse draden overspint en met de bij Spinnen gewone moederliefde bewaakt. In Juni komen de jongen uit.
De genoemde soort komt in vorm ongeveer met de Oeverspin overeen, hoewel zij in rust aan hare pooten een geheel andere richting geeft en veel kleiner is; haar lengte bedraagt 5 à 7 mM. Het kopborststuk is bruin, aan de zijden met donkerder randen; het achterlijf prijkt op witten grond met een langwerpig, bruin schild, dat een donkerder, gehakkelden zoom heeft; de buik is donkerbruin met 4 witte vlekken. De geelachtige pooten hebben op de dij en de scheen en aan den achtervoet 2 zwartbruine ringen, één bovendien aan de uiteinden der knieën en aan de leden der overige voeten.
De Omkranste Weefspin (Theridium redimitum), die bij ons vrij algemeen, vooral in tuinen, voorkomt, wordt hoogstens 5 mM. lang; dit kleine, vette spinnetje bewoont allerlei laag groeiende kruiden en heesters; hier spint het (fig. 1) een paar bladen aaneen door onregelmatig gerichte draden, waaraan de kleine diertjes blijven hangen, die zijn voedsel uitmaken. De moeder bevestigt het kogelronde, blauwachtige eierenzakje aan een blad (fig. 2), houdt er naast de wacht, totdat de jongen zijn uitgekomen en gaat hiermede voort gedurende de weinige dagen van hun samenwoning. Deze fraaie spinnetjes zijn zeer veranderlijk van kleur en teekening. In hun prille jeugd doorschijnend en bijna wit, alleen op den rug van het achterlijf zwart gevlekt; hebben zij tegen het einde van Juni, in Juli en in Augustus een bleekgele kleur aangenomen, sommige effenkleurig, andere met een vlek op 't achterlijf, die zuiver rozerood of gedeeltelijk groenachtig, kringvormig of ovaal kan zijn. Bovendien zijn de rand en een lijn over het midden van het kopborststuk, 6 paar ronde stippels op het achterlijf, de top van de tasters en de scheenen zwart.--Alle Theridiën verraden in hare bewegingen meer traagheid dan de meeste andere Spinnen en laten zich gemakkelijk grijpen.
Het beruchtste lid van deze familie is de Zuid-Europeesche Malmignatte (Latrodectus tredecimguttatus). Sedert 1786 heeft deze fraaie Spin in Toscane meer algemeen de aandacht getrokken; zij wordt hier, vooral in Augustus, wegens haar "giftigen" beet gevreesd. In Spanje werd zij eerst sedert 1830 meer algemeen bekend, omdat zij zich toen in Catalonië in grooten getale vertoonde; dit geschiedde in 1833 nogmaals en wederom in 1841. Merkwaardigerwijze hebben deze zelfde jaren een treurige herinnering achtergelaten wegens schade, door de Sprinkhanenzwermen aangericht. Proefondervindelijk werd aangetoond, dat alle lichaamsdeelen van de Malmignatte, zelfs de pooten en de onrijpe eieren, vergiftig zijn. In het jaar 1839 werden door deze Spin aan den benedenloop van den Wolga 3000 Runderen gedood; in sommige gewesten van Afrika bezwijken 33 percent van alle Kameelen aan haar beet. Dat deze ook bij den mensch doodelijke gevolgen kan hebben, leeren berichten uit Spanje, Italië en Rusland. De Malmignatte is 13 mM. lang, gitzwart van kleur en op het bolvormige, van achteren eenigszins spits toeloopende achterlijf met 13 bloedroode vlekken van verschillende grootte en kleur geteekend, waarvan 2 op de buikzijde voorkomen. Zij houdt zich op tusschen steenen of in uithollingen van den bodem, waarover zij enkele vangdraden spant, en schiet met voor niets terugdeinzende stoutmoedigheid toe op de Insecten, die hierin verward geraken en door haar snel werkend vergif schielijk overmeesterd worden, zelfs als zij de Spin in grootte aanmerkelijk overtreffen. Vooral geldt dit van de Sprinkhanen, waarvan zij er vele verdelgt. Het wijfje omspint hare talrijke eieren (dikwijls meer dan 200) met een bolvormig, naar de eene zijde een weinig spits toeloopend, stevig hulsel van licht koffiebruine kleur en 13 mM. middellijn.
Algemeen bekend zijn de driehoekige spinnewebben, die in stallen, schuren, kerken en in alle ruimten van huizen, die niet dikwijls een schoonmaakbeurt krijgen, de hoeken van muren, vensters, nissen, enz. ontsieren door hun zwarte kleur, welke een gevolg is van het stof, dat, er in is blijven hangen. De Huisspin (Tegenaria domestica), die deze vangwebben vervaardigt, is niet slechts over geheel Europa, maar ook over Noord-Afrika verbreid, overwintert bij ons op jeugdigen leeftijd en is gemiddeld in Juni volwassen; het mannetje heeft dan een lengte van 11, het wijfje van 17 à 19.5 mM. bereikt. De okergele grondkleur van het lichaam vertoont een bruine teekening. Donkerder zijn de rand van het kopborststuk, een streep over het midden van het kopgedeelte en straalsgewijs gerichte lijnen met 3 maanvlekken aan weerszijden op het borstgedeelte; de roestroode of bruingele streep over het midden van het achterlijf is aan weerszijden vergezeld door een reeks van gele vlekken; de dicht bijeengeplaatste, schuinsche strepen op de zijden zijn bruin. De okergele pooten hebben getakte, donkere ringen.
Als de Huisspin haar nest begint te bouwen, drukt zij het spinveld op een afstand van eenige cM. van den hoek tegen den eenen muur, wandelt naar den anderen, intusschen een draad spinnend, die zij hier, ongeveer op denzelfden afstand van den hoek als zooeven, vasthecht, na haar strak gespannen te hebben. Daar zij de buitenste en belangrijkste draad is, wordt haar dikte achtereenvolgens verdubbeld en verdrievoudigd. Door het aanhoudend heen-en-weer loopen langs dit samenstel van 3 draden en de steeds korter wordende, die hieraan achtereenvolgens verder naar binnen in onderling evenwijdige richting worden toegevoegd, ontstaat de "ketting", die met de haar kruisende, als "inslag" dienende dwarsdraden het vangweb vormen, dat in het midden een weinig hol staat. Hiermede is echter het geheele kunstwerk nog niet voltooid. Voor zich zelf weeft de Spin nu achter in den hoek een aan beide einden geopende buis, waaraan, als aan een korten steel, het vroeger vervaardigde, driehoekige net vastgehecht is. Daar zij zich bij voorkeur vestigt op plaatsen waar gaten en spleten in den muur voorkomen, mondt de buis in zulk een gat uit, waarin de Spin bij naderend gevaar zich verschuilt. In 't voorste gedeelte van deze buis loert zij op buit; de op het net komende Vlieg of Mug wordt onmiddellijk gegrepen en naar haar hinderlaag vervoerd, waar zij het slachtoffer op haar gemak verslindt.
Iedere Spin moet spaarzaam zijn met de stof, waarvan zij haar web spint, omdat de beschikbare voorraad afhangt van de hoeveelheid voedsel, die haar ten deel valt, en dus geringer is bij een uitgehongerd dan bij een goed doorvoed exemplaar; daarom spint zij niet, wanneer storm of regen haar arbeid onmiddellijk weder kunnen vernielen en dus nutteloos maken. In verband hiermede zijn de Spinnen zeer gevoelig voor weersveranderingen. Men heeft ze zelfs tot het voorspellen van een toekomstige weersgesteldheid in staat geacht en deze trachten af te leiden uit het werken of rusten, te voorschijn komen of zich verbergen van de Spinnen, uit haar houding in het web, uit de meerdere of mindere stevigheid, die zij geven aan de buitendraden van haar nest, uit het vervaardigen van nieuwe of het vergrooten van reeds bestaande weefsels, enz. Vooral op de handelingen van de Kruisspin en de Huisspin heeft men acht gegeven. Als de Kruisspin eenige van de buitendraden van haar web verscheurt en vervolgens een schuilplaats opzoekt, als de Huisspin of een andere Trechterspin, enz. zich diep in haar buisvormige woning begeeft, wordt in 't eene geval op de ligging der bedoelde draden, in 't andere op de richting van de spits van het achterlijf gelet en hieruit afgeleid, dat er weldra een hevige wind uit dien hoek zal waaien. Wanneer echter de Huisspin de draden van het raam van haar web herstelt en een afwachtende houding aanneemt, als de Huisspin en hare verwanten met buitenwaarts gericht kopgedeelte aan den ingang van haar woning verschijnen en de pooten strekken, alsof zij zich gereed maken een prooi te bespringen, verwacht men verbetering van de weersgesteldheid. Tot staving van de bedoelde voorwetenschap der Spinnen wordt gewoonlijk gewezen op een gebeurtenis, die in het jaar 1794 aan het Fransche leger, dat Holland trachtte te bezetten, de zege verschafte. De Fransche bevelhebber Pichegru was van oordeel, dat hij tegen de door onderwaterzettingen beschermde stellingen van het Hollandsche leger niets zou kunnen uitrichten en stond op het punt onverrichter zake terug te keeren, toen hij van den te Utrecht gevangen gehouden generaal-adjudant Quatremère d'Isjonval het op waarnemingen aan Spinnen gegronde bericht ontving, dat men binnen 10 dagen op vorst kon rekenen. Pichegru bleef, de voorspelde weersverandering had plaats en het Fransche leger kon over het ijs tot Amsterdam doordringen. Nauwgezette onderzoekingen hebben geleerd, dat men geen staat kan maken op dergelijke voorspellingen, al komen zij toevalligerwijze een enkele maal uit. Het is mogelijk, dat de Spin aan verschijnselen, die aan onze zintuigen ontgaan, een reeds ingetreden verandering van den toestand der atmosfeer opmerkt; stellig bezit zij echter geen profetische gave, die haar in staat stelt om dagen van te voren over het komende weer te oordeelen.
Spinrag--vooral dat van de Huisspin, daar dit het gemakkelijkst kan worden verkregen--behoort ook tot het tallooze heir van middelen, die tot het bestrijden van ziekteverschijnselen aangewend worden of werden; naar men beweert, helpt het tegen afwisselende koorts. Algemeener bekend is de bloedstelpende werking van spinnewebben, die op een wonde gelegd zijn; niet zelden echter heeft het toepassen van dit middel, wegens den onvoldoende staat van zuiverheid waarin het verkeerde, aanleiding gegeven tot verergering van de kwaal. Ook heeft men getracht spinrag als zijde te verwerken; het ligt echter voor de hand, dat de productie van een dergelijke, van een roofdier afkomstige grondstof, nooit voldoende zal kunnen zijn om hierop een voordeel afwerpende industrie te gronden.
De Gewone Labyrintspin (Agelena labyrinthica) leidt op opene plekken in bosschen, op weiden en op zonnige berghellingen, die met laag groeiende planten en struiken begroeid zijn, een soortgelijke levenswijze als de Huisspin. Zij is nog forscher gebouwd dan deze (13 à 22 mM. lang), heeft dezelfde gestalte en is op het grijsgele kopborststuk geteekend met 2 zwartbruine, overlangsche strepen, die in de nabijheid van de zijoogen spits eindigen. Over het deels grijs, deels zwart gekleurde achterlijf loopt in 't midden een streep van roodachtig grijze haren, van waar aan de zijden 5 à 6 schuins naar voren gerichte strepen uitgaan, die eveneens uit roodachtig grijze haren bestaan. De heup en de dij zijn geel, de overige leden van de pooten roodgeel. De oogen, die alle ongeveer gelijke grootte hebben, zijn gerangschikt als bij de vorige soort; de kruinoogen zijn echter verder achterwaarts verschoven en nader (bijna zoo dicht als de voorhoofdsoogen) bij elkander gelegen. Omdat het eindlid van de bovenste spintepels lang en omhoog gericht is, schijnt het dier een sterk ontwikkeld staartje te hebben. Bij fraai weer wandelt de Labyrintspin dikwijls langs de grenzen van haar web, welks wijde rand door draden van meer dan 30 cM. lengte met de omgeving verbonden is. Zij beweegt zich flink en is zeer gretig naar buit. Zij verlaat haar nest niet licht, maar herstelt het telkens weer, zoodra het op de een of andere plaats beschadigd werd. In Juli en Augustus legt het wijfje een betrekkelijk gering aantal (60 à 70) groote eieren in een uit verscheidene lagen bestaande buis, welks buitenste oppervlakte met aardkluitjes en plantaardige overblijfselen saamgesponnen is. In de nabijheid van het nest opgehangen, worden de eieren door de moeder met zorg bewaakt. Deze Spin bewoont een uitgestrekt gebied; men vindt haar in Engeland, Zweden, Duitschland, Frankrijk, Hongarije en zonder twijfel ook in Rusland.
De beide genoemde en eenige verwante geslachten worden onder den naam van Trechterspinners (Ageleninae) tot een onderfamilie vereenigd, die zich o.a. kenmerkt door het bezit van een bijklauw met 8 à 5 tanden. Een andere afdeeling van de familie der Buisspinners (Tubitelae) vormen de Zakspinners (Drassinae); deze hebben een rolrond of langwerpig eivormig achterlijf en korte pooten, waaraan de bijklauw meestal ontbreekt.