Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen

Part 2

Chapter 23,251 wordsPublic domain

De meest algemeen verbreide soort, de Gewone Hooiwagen (Opilio parietinum, fig. 4), is op de heup, de dij en het kopborststuk met fijne doorntjes bezet. De lichtbruinachtige rugzijde vertoont een nagenoeg ruitvormige, zwartbruine teekening; de buikzijde is witachtig. Het lichaam wordt 8 à 10 mM. lang. Zeer gretig heeft men deze Spin de wijfjes van de Roodbruine Sparrelootgallen-bladluis (Chermes coccineus, C. strobilobius) zien grijpen; zij perste hare slachtoffers de eieren uit het lichaam en vrat deze op, waarna zij de overige, hardere deelen liet liggen. Naar het schijnt, duurt de ontwikkeling van deze soort 3 jaren, waarin verscheidene vervellingen voorkomen.

Behalve de Hooiwagens onderscheidt men nog een zestal andere familiën (met 150 soorten) van Bastaardspinnen. De zonderlingste vormen treft men aan in het Zuid-Amerikaansche geslacht Gonyleptes. Het achterlijf is bij deze zoo goed als geheel onder het stevig gepantserde kopborststuk verborgen. Daarachter steken de ver uiteenwijkende, breede en zeer lange achterpooten uit, die een bijzonder dikke heup hebben en met krachtige doornen gewapend zijn. Alleen de mannetjes vertoonen deze afwijkingen; bij de wijfjes is achter het rugschild van 't kopborststuk een deel van het achterlijf zichtbaar. De bruinroode Gonyleptes curvipes bewoont Brazilië en Chili en blijft over dag verscholen achter boomschors, onder omgehouwen boomstammen, in gaten van den grond en dergelijke schuilhoeken, waar andere duisterlingen haar tot voedsel dienen.

ZESDE ORDE.

DE ECHTE SPINNEN (Araneina).

In 't oog vallende eigenaardigheden van de Spinnen zijn haar arglistig loeren op buit van uit een verborgen hinderlaag en de alles behalve vriendschappelijke betrekking, waarin zij, vooral het mannetje en het wijfje, tot elkander staan. Om de hevigste openbaring van vijandschap tusschen twee menschen aan te duiden, vergelijkt men hen met Spinnen. Daar hare uitwendige kenteekenen al even weinig innemend zijn als de beide reeds genoemde karaktertrekken, worden de Spinnen door de meeste menschen gemeden en verafschuwd, hoewel zij in vele opzichten onze bewondering verdienen. Haar lichaamsbouw is niet minder merkwaardig dan die der overige Arthropoden; haar arbeid heeft evenveel aanspraak op onze waardeering. Reeds door de ouden werd dit erkend. Volgens een Grieksche sage had Arachne, de dochter van den purperverwer Idmon, die van Pallas-Athene de weefkunst had geleerd, de onbescheidenheid om aan haar goddelijke leermeesteres een wedstrijd voor te stellen. Te vergeefs werd dit waagstuk haar ontraden door de godin, die de gedaante van een oude vrouw had aangenomen. Arachne bleef bij haar voornemen en vervaardigde een kunstig weefsel, dat de minnarijen der goden voorstelde. Toen Athene, hierover vertoornd, het weefsel verscheurde, hing Arachne uit wanhoop zich op. De godin riep haar in 't leven terug in de gestalte--van een Spin, opdat zij naar welgevallen zou kunnen hangen.--Koning Salomo stelde de Spin tot voorbeeld aan zijne hovelingen wegens haar vlijt, kunstvaardigheid, schranderheid, matigheid en deugd.

Bij alle Echte Spinnen is zoowel het achterlijf als het kopborststuk ongeleed; beide afdeelingen zijn door een dunnen steel verbonden. Als pareltjes in 't goud, zijn aan de bovenzijde van 't kopborststuk de enkelvoudige oogen geplaatst, die door hun aantal, rangschikking, afstand, grootte en richting betrouwbare kenmerken voor de onderscheiding der talrijke geslachten opleveren. Bij de meeste Spinnen komen 8, bij sommige 6, bij enkele 2 en bij eenige bewoners van donkere holen in 't geheel geen oogen voor. Elke kaakspriet (fig. 5) bestaat uit een dik, aan de binnenzijde gegroefd grondlid en een klauwvormig eindlid, dat in deze groeve teruggeslagen kan worden en, als een giftand van een Slang, doorboord is; dit kanaal staat in gemeenschap met een gifklier in den vorm van een langwerpigen, blinden zak (fig. 6). Bij een beet met de beide kaaksprieten storten dus 2 gifklieren venijn in de wonde. Kleine dieren worden er bijna onmiddellijk door gedood, doch ook voor groote dieren en zelfs voor den mensch is het gif van eenige soorten van Spinnen gevaarlijk. Aan weerszijden van de mondspleet komen de heupleden van het volgende paar ledematen, de kaken, voor; hunne 5 overige leden vormen den kaaktaster. Het eindlid, dat bij het wijfje altijd een (meestal getande) klauw draagt, is bij het mannetje vervormd tot een voor deze orde karakteristiek voortplantingsorgaan. Het volgende paar kaken eindigt, evenals de 3 paar eigenlijke pooten, in 2 kamvormig getande klauwen (fig. 7) en komt er ook in andere opzichten (o.a. door de verdeeling in 7 leden) zoozeer mede overeen, dat men het gewoonlijk als een paar pooten beschouwt en aan de Spinnen 4 paar bewegingsorganen toeschrijft. Aan den voet van de beide groote klauwen bevindt zich (fig. 7) een kleine, slechts bij enkele Spinnen ontbrekende "voorklauw" van gelijken vorm.

Onmiddellijk vóór de min of meer buisvormige aarsopening zijn de wonderbaarlijke spinorganen gelegen, die de tweede eigenaardigheid van de geheele orde vormen. Door klieren van zeer verschillend maaksel, die zich tusschen de ingewanden bevinden, wordt een vloeistof bereid, die in aanraking met de lucht verhardt tot een taaie (droge of kleverige) draad. De spinstof ontwijkt uit de talrijke, microscopisch fijne gaatjes, waarmede de zoogenaamde "spintepels" (fig. 4) bij wijze van een zeef bezaaid zijn. De meeste Spinnen hebben 3 paar van deze organen: voorste (onderste), middelste en achterste (bovenste). Die van het middelste paar vallen weinig in 't oog, daar zij altijd klein en éénledig zijn; de voorste en achterste zijn grooter en dikwijls 2- of 3-ledig. Vóór de voorste spintepels vindt men nog het zoogenaamde "zeefje" (cribellum), een met talrijke spinpijpjes bezet veld, dat door een hoornachtigen rand omgeven is. Door spierwerking kunnen de spintepels naar voren en naar achteren, naar buiten en naar binnen bewogen, uitgestulpt en teruggetrokken worden. Bij sommige Spinnen komt een paar veelledige spintepels voor, die als staartjes voorbij de spits van het achterlijf uitsteken; deze spelen waarschijnlijk een rol bij het rangschikken der draden, doch vormen er zelf geen. De eigenlijke, kegelvormige of cilindrische spintepels bestaan uit twee deelen: het onderste en grootste is behaard en door een hoornachtigen ring omgeven; het bovenste is een eenigszins bol vlak, dat als een borstel met een groot aantal uitsteeksels van eigenaardigen vorm, de spinborstels of spinpijpjes (fig. 3) bezet is. Hun wijdte en rangschikking loopen zeer uiteen. Zij zijn niet slechts bij verschillende soorten van Spinnen, maar ook aan de verschillende spintepels van hetzelfde dier in ongelijk aantal aanwezig. Het talrijkst zijn zij bij de Kruisspinnen, die er ongeveer 1000 hebben; bij Tegenaria zijn er slechts 400, bij Segestria senoculata ongeveer 100 en bij verscheidene kleinere soorten nog minder. Bij het spinnen van een draad worden niet altijd alle spinpijpjes gelijktijdig gebruikt; de Spin kan naar verkiezing enkele of verscheidene van deze organen laten werken, al naar het doel waarvoor de draad bestemd is.

De hardheid van de chitinelaag, die het lichaam van de Spin bedekt, is zeer ongelijk; bij de inheemsche soorten is zij over 't algemeen zachter dan bij verscheidene buitenlandsche, waaronder er zijn met een zeer harde schaal. Na de klauwen hebben altijd het rugschild en het borstschild van het kopborststuk de grootste hardheid. De oppervlakte is niet meer of minder dicht bekleed met lange, borstelige of korte fluweelachtige haren, soms ook met stekels; niet zelden verhoogt dit kleed in niet geringe mate het afschrikwekkend voorkomen van de Spinnen. Sombere kleuren hebben bij haar gewoonlijk de overhand; niet zelden echter zijn zij lichter en bont van kleur en teekening. Voor de onderscheiding der soorten zijn deze verschijnselen niet zeer geschikt.

Daar de Spinnen van roof, n.l. van allerlei Insecten, leven, is, evenals aan andere roofdieren, gezelligheid haar vreemd; zij moeten hare soortgenooten mijden en in sommige gevallen bestrijden. De uitzonderingen op dezen regel zijn zeldzaam en alleen in Zuid-Afrika en Argentinië waargenomen.

De Spinnen zijn arme wevers; evenals deze, moeten zij weven, om in hun levensonderhoud te voorzien; zij moeten echter spaarzaam zijn met de grondstof, omdat deze bij goede voeding in ruime mate, bij schralen kost slechts in geringe hoeveelheid beschikbaar is. De draad, die het lichaam verlaten heeft, kan er niet weer in teruggetrokken worden. Soms zou men kunnen meenen, dat dit wel geschiedt, n.l. als de Spin bij een draad naar boven klimt en deze daarbij steeds korter wordt; in dit geval echter wordt de draad eenvoudig opgewikkeld en aan de pooten medegevoerd. Een nog veel grooter onderscheid dan er bij verschillende soorten van Wespen wordt waargenomen in de wijze van bouwen der nesten, merkt men bij de Spinnen op. Sommige, zooals de van oudsher bekende Kruisspin, vervaardigen een wielvormig web, andere, zooals de Gewone Huisspin, een dichter weefsel van trechtervormige gedaante, nog andere buizen, zakken, enz., hieraan danken zij de namen Wiel-, Kruisnet-, Trechter-, Zakspinners. Een groot aantal Spinnen vangen haar prooi niet in een web, maar oefenen op een eerlijker wijze het roovershandwerk uit door het Insect, dat in de nabijheid van haar schuilhoek komt, loopend te vervolgen of onverhoeds te bespringen. Bovendien gebruiken de Spinnen hare draden als middel om van plaats te veranderen; zij laten zich spinnend naar beneden zakken en kunnen ook, door de draad in schommelende beweging te brengen, een voorwerp bereiken, dat niet onmiddellijk onder haar uitgangspunt gelegen is. Wanneer de draad van hier losgerukt en door luchtstroomingen medegevoerd wordt, zal zij een kleine Spin kunnen dragen; bij fraai herfstweder ziet men sommige soorten op deze wijze door de lucht vliegen en zich over een grooten afstand verplaatsen. Alle Spinnen zonder uitzondering, voor zoover zij wijfjes zijn, gebruiken het product van hare spinklieren tot beschutting van de eieren. Deze overigens zoo wreedaardige dieren leveren sterk sprekende bewijzen van moederliefde en overtreffen in dit opzicht zelfs de Insecten, die het best voor hunne jongen zorgen. De eieren worden meestal midden in den zomer gelegd; bij gunstige temperatuur en vochtigheidstoestand van de lucht verlaat het jong 3 à 4 weken later het ei. De meeste Springspinnen, Zak-, Trechter- en Wielspinners leggen in het laatst van den zomer eieren en brengen het gewoonlijk lensvormige, soms halfbolvormige nestje op een voor winterkwartier geschikte plaats. Van de leden dezer familiën overwinteren slechts bij uitzondering enkele exemplaren; daarentegen verkeeren de nog niet volwassen jongen van de overige soorten des winters op hunne gewone schuilplaatsen in een toestand van verstijving. In het gunstige jaargetijde groeien zij tamelijk snel, hetgeen door verscheidene vervellingen mogelijk wordt. Over 't algemeen is men van oordeel, dat bij de vierde vervelling de groei ophoudt en dat na dien tijd de vervanging van verloren lichaamsdeelen niet meer voorkomt.

Het aantal bekende soorten van Spinnen bedraagt eenige duizenden en neemt nog steeds toe. Zij zijn over de geheele aardoppervlakte verbreid; sommige soorten worden nog op een hoogte van ongeveer 3125 M. boven den zeespiegel aangetroffen. Toch zijn warme landen beter voor haar ter bewoning geschikt dan koudere, zooals blijkt uit de grootere verscheidenheid van vormen, die deze orde in de tropische gewesten aanbiedt; hier leven de grootste en fraaiste soorten. In het barnsteen zijn overblijfselen van een niet onbelangrijk aantal uitgestorven soorten (ongeveer 250) gevonden. Reeds in de steenkolenformatie bestond deze orde; twee soorten uit dit tijdperk zijn bekend.

Tot het geslacht der Moord-, Bosch- of Vogelspinnen (Mygale), dat uitsluitend in de warme landen van beide halfronden aangetroffen wordt, behooren Spinnen, die een lichaamslengte van 5 of meer cM. kunnen bereiken, doch met hare dikke, ruig behaarde pooten 18 cM. kunnen overspannen. Sommige reizigers hebben haar beticht van het dooden en verslinden van kleine Vogels; Bates heeft werkelijk een dergelijke Spin op heeterdaad betrapt. Of dit de Gewone Vogelspin (Mygale avicularia) was, dan wel een andere der veel op elkander gelijkende soorten van hetzelfde geslacht, is niet bekend. Over een diepen spleet van een dikken boomstam was een stevig, wit weefsel uitgespannen, in welks beschadigd onderste gedeelte twee vogeltjes (Vinken) hingen. Het eene was reeds gestorven, het andere lag onder het lichaam van de Spin, onmiddellijk onder de spleet, en was den dood nabij. Nadat Bates den roover verjaagd had, vond hij het vogeltje, dat weldra in zijne handen stierf, bedekt met eene smerige, op speeksel gelijkende vloeistof. Naar deze mededeeling en de gebrekkige houtgravure, die haar vergezelt, is de afbeelding vervaardigd; de Spin echter is geteekend naar een in spiritus geconserveerd exemplaar van de genoemde soort. Bates zegt uitdrukkelijk, dat het door hem waargenomen feit nieuw was voor de bewoners van Amazonië, die de bedoelde, in hun vaderland volstrekt niet zeldzame Spinnen Aranhas caranguexeiras (Kreeftspinnen) noemen. Dat het niet de gewoonte van alle Vogelspinnen kan zijn om zich met Vogels te voeden, blijkt uit hare verblijfplaatsen, die vermoedelijk niet dikwijls door de gevleugelde bewoners der lucht bezocht worden. Slechts weinige soorten leven op boomen en struiken, de meeste bewonen gaten in muren, daken van huizen, op welker muren men ze soms ziet zitten, ruimten onder steenen en holen in den grond. Dit laatste geldt o.a. van een dikke, bruine, in West-Indië en Brazilië levende, 65 mM. lange soort [Mygale (Therephosa) Blondii], die gemakkelijk herkend kan worden aan de gele strepen op de pooten. Zij bekleedt haar scheef afhellende, ongeveer 63 cM. lange gang met een zijden behangsel en gaat tegen den avond bij de opening op den loer liggen. Verschrikt vlucht zij diep in haar woning, zoodra zware voetstappen naderen. Ook in Zuid-Afrika schijnen de onder steenen wonende Moordspinnen veelvuldiger te zijn dan de op houtgewas levende. Met groote behendigheid trachten zij springend te ontkomen aan de vervolging van ieder, die haar wil vangen; altijd zijn zij gereed om met hare scherpe gifklauwen de grijpende vingers te kwetsen.

De Indianen vreezen de Boschspin niet. Bates zag de kinderen, die voor hem Insecten verzamelden, met een groot dier van deze soort spelen. Zij hadden het een draad om het lichaam gebonden en liepen er mede door het huis als met een hondje.

In 1862 werd te Danzig bij het lossen van een uit Engeland afkomstig kolenschip een levende Mygale avicularia gevonden en bijna een jaar lang in 't leven gehouden. Zij verslond Insecten, Pissebedden en Spinnen, maar ook Kikvorschen en rauw vleesch.

De Vogelspin is pekzwart en met zwartbruine haren bekleed; een koperkleurig rood vilt bedekt het breede, platgedrukte eindlid van den poot, dat twee verborgene, ongetande klauwen draagt; de voorste middeloogen zijn aanmerkelijk grooter dan de overige. De leden van het soortenrijke geslacht Mygale onderscheiden zich door de X-vormige rangschikking der 8 dicht bijeen geplaatste oogen, door stevige, lang en dicht behaarde pooten en door twee gekromde haken aan het einde van het tweede scheenlid van de voorpooten.

Bij Mygale en een gering aantal andere geslachten vindt men 4 longzakken, dus ook 4 ademgaten aan 't voorste deel van den buik (alle overige leden der orde bezitten 2 longen), slechts vier spintepels, waarvan 2 zeer klein zijn, en naar voren gerichte kaaksprieten, welker klauwlid benedenwaarts en niet binnenwaarts tegen het grondlid wordt aangelegd. De Spinnen, die deze kenmerken gemeen hebben, worden gezamenlijk Vierlongigen (Tetrapneumones) genoemd. In Europa is deze groep o.a. vertegenwoordigd door de Metselspinnen (Cteniza), waarvan 6 soorten het Middellandsche Zee-gebied bewonen en door het geslacht Atypus (d.i. "afwijkend", zoo genoemd wegens het bezit van 6 spintepels), waarvan 3 soorten, behalve in Zuid-Europa, ook, hoewel zelden, in Duitschland gevonden worden.

Sauvage's Metselspin (Cteniza fodiens), die hieronder in haar eigenaardige woning is afgebeeld (deze moet men zich echter ruim 4-maal zoo lang denken), heeft een roodbruin, bijna onbehaard lichaam en ziet er ongeveer uit als een Kelderspin. De beide staartjes aan de spits van het achterlijf, die ook bij vele andere Spinnen voorkomen, stellen de beide genoemde, tastervormige, geen draad voortbrengende spintepels voor. Deze soort wordt vooral op Corsica gevonden; zij kiest tot verblijfplaats een niet met gras begroeide, steile helling, die uit een samenpakkende grondsoort zonder steentjes bestaat, waarin het regenwater dus niet kan blijven staan. Hier graaft hij in horizontale richting een soms wel 63 cM. lange gang, zoo wijd, dat zij zich er met gemak in kan bewegen; deze wordt van binnen bekleed met een zijden weefsel om het instorten te verhoeden. Haar kunstigst werkstuk is echter het cirkelronde deurtje, waarmede de gang gesloten wordt en dat in de opening past. Het is aan den buitenkant plat en ruw en niet van de omgevende aarde te onderscheiden, overigens uit fijne klei en spinsel samengesteld, van binnen met een sierlijk zijden weefsel bekleed, welks draden langs een deel van den bovenrand overgaan in het bekleedsel van de gang en zoo een hengsel vormen; het deurtje valt door zijn eigen zwaarte dicht, nadat men het geopend heeft. De Spin verlaat haar woning niet anders dan 's nachts om op roof uit te gaan; over dag is zij in haar goed gesloten hol beveiligd tegen vijanden. Als een van deze de deur wil openen, belet de Spin dit, door de klauwen van de achterpooten in het bekleedsel van de gang, die van de voorpooten in de zijden binnenbedekking van het deurtje te slaan en dit dus naar zich toe te trekken. De zwarte stipjes die in fig. b langs een deel van den rand voorkomen, stellen de gaten voor, die met het genoemde doel in 't weefsel zijn aangebracht. Wanneer de Spin de deur niet meer gesloten kan houden, vlucht zij naar het diepste deel van haar hol. Hier bevinden zich de eieren en later de jongen, die gedurende het eerste levenstijdperk zorgvuldig door de moeder bewaakt worden. Wanneer de Metselspin uit haar hol gehaald en aan de zonnestralen blootgesteld wordt, is zij na korten tijd slap en als verlamd.

Alle Spinnen, die slechts door twee longen (sommige bovendien door luchtbuizen) ademen--de Tweelongigen (Dipneumones)--, hebben het klauwvormig eindlid van de kaaksprieten in rust binnenwaarts gericht. Op grond van haar levenswijze kan men ze verdeelen in Gevestigde of Webspinnen (Sedentariae) en Zwervende of Jachtspinnen (Vagaebundae). De laatstgenoemde maken geen web en vangen loopend of springend haar buit; de eerstgenoemde wachten hem af op of bij het web, dat zij vervaardigen, of de draden, die zij spannen, en worden, naar de wijze van spinnen, in verscheidene familiën verdeeld.

De Wielspinners (Orbitelariae, Epeiridae) hebben een meestal rechtstandig web, samengesteld uit draden, die, als de spaken van een wiel, straalsgewijs van een middelpunt uitgaan, en andere, die als concentrische of spiraalwindingen de vorige doorsnijden. In de nabijheid van dit vangnet of er midden in wachten zij geduldig, tot een vliegend Insect er aan vastgehecht blijft. In het laatst van den zomer of in den herfst hebben de meeste Spinnen door de laatste vervelling haar volledige ontwikkeling bereikt. Kort na de paring bezwijken de mannetjes; de wijfjes brengen hare eierenzakjes, die gewoonlijk door gele, eenigszins wollige vlokjes omgeven zijn, op een veilige plaats en sterven vóór den aanvang van den winter. Alle Wielspinners hebben 8 oogen; de 4 grootste staan in 't midden (middenoogen) en vormen een vierkant, tenzij de afstand tusschen de 2 voorhoofdsoogen iets grooter is dan die, welke de kruinoogen vaneenscheidt; de 4 overige (zijoogen) zijn aan weerszijden van de middenoogen en op grooten afstand van deze, twee aan twee, eenigszins scheef en zeer dicht bij elkander geplaatst (zoodat er dikwijls geen tusschenruimte overblijft). De pooten zijn tamelijk dik; de voorste zijn langer dan die van het 2e paar, hoewel deze de volgende in lengte overtreffen. Alle wijfjes (uitgezonderd die van het geslacht Tetragnatha) onderscheiden zich door een dik, bolrond achterlijf en een sterk getanden tasterklauw.

Dit alles kan men het gemakkelijkst waarnemen bij de algemeen bekende Gewone Kruisspin (Epeira diadema). Aan de rugzijde van het vette, glanzige achterlijf ziet men lichte vlekjes een kruis vormen op den lichter of donkerder bruinen, met meer of minder grijs gemengden ondergrond; dit heeft aanleiding gegeven tot den naam. Andere hier voorkomende, meestal zuiver witte vlekken en stippels, begrenzen een driehoekig veld. Bij het aanmerkelijk kleinere, slechts 11 mM. lange mannetje zijn de schenen van de 2e paar pooten verdikt. De Epeiren spinnen uit 6 tepels met zeer talrijke pijpjes.