Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen

Part 11

Chapter 112,797 wordsPublic domain

Bij de Corycaeïden, die, evenals de Calaniden, in de volle zee leven en uitmuntend zwemmen, zijn de kaken in steekorganen veranderd, maar niet door een zuigbuis omsloten. De wijfjes worden veel in Salpen aangetroffen. In verband met het maaksel der monddeelen en der voor 't vastklemmen geschikte sprieten levert dit gegronde redenen op voor 't vermoeden, dat zij tijdelijk een parasitisch leven leiden. Een tot deze familie behoorende soort (Sapphirina fulgens) verdient een afzonderlijke vermelding wegens de wijze, waarop de vrij in zee rondzwemmende mannetjes hun tegenwoordigheid verraden. Zij zijn afgeplat eirond en 3.5 à 5 mM. lang. "Wanneer men", schrijft Gegenbauer, "op kalm water uit een boot in de diepte kijkt, vertoont zich niet zelden een schouwspel, dat, zij het dan ook minder imposant dan de meeste verschijnselen, die de zee oplevert, door weinige overtroffen wordt, wat liefelijkheid en gratie betreft. Men ziet ontelbare lichtende stipjes oprijzen, schijnbaar hoog genoeg om ze gemakkelijk te bereiken, en toch minstens een vadem onder den waterspiegel. Nu eens in deze, dan weer in een andere richting, ook wel omhoog of omlaag beweegt zich iedere vonk met korte, doch snelle rukken; zij schittert achtereenvolgens met saffierblauwen, goudgroenen en purperen glans, een nu eens sterker dan weer zwakker licht verbreidend. Het is als 't ware het lichten der zee op klaarlichten dag! Iedere beweging brengt een verandering van tooneel te weeg, bij iederen riemslag wordt de boot over nieuwe scharen van vonkjes gevoerd, totdat een windvlaag, die den waterspiegel rimpelt en golven doet ontstaan, een einde maakt aan het schouwspel en het naar de diepte doet zinken". Het lichtgevend vermogen is uitsluitend aan de mannetjes eigen; het zetelt in de laag cellen, waardoor het huidpantser wordt gevormd en houdt op, zoodra het dier dood is.

De Eucopepoden, die op andere dieren leven en hieraan haar voedsel ontleenen, worden gewoonlijk samengevat onder den naam van Vischluizen. Zij kenmerken zich door het bezit van een zuigbuis, die de stiletvormige, in steekorganen veranderde kaken omgeeft, en door de vervorming van één paar sprieten en één of meer paren kaakpooten in hechtorganen. Meer of minder innig zijn zij verbonden met de Visschen, die van alle waterdieren het meest door haar begunstigd worden. Het eene uiterste is, dat de Vischluis het door haar bezochte dier naar verkiezing kan verlaten, het andere, dat de gast met zijne hechtorganen of met het voorste deel van zijn stam zoo ver in den gastheer doordringt, dat er een mes noodig is om den parasiet in onbeschadigden toestand los te maken. De laatstgenoemde wijze van vasthechting gaat altijd, althans bij de wijfjes, gepaard met teruggaande gedaantewisseling, waarbij alle voor een zelfstandig leven vereischte organen verloren gaan en van de oorspronkelijke geleding geen of slechts onbeduidende sporen overblijven. Zoo verkrijgen de Kieuwwormen (Lernaeidae, Lernaeopodidae)--b.v. de 4 cM. lange Schelvisch-kieuwworm (Lernaea branchialis), en in nog meerdere mate het 1 cM. lange, op dezelfde Visschen levende Ankertje (Anchorella uncinata)--hun zonderlinge gedaante, verfraaid of ontsierd door allerlei knobbels en getakte of gelobde uitwassen. De meestal niet misvormde mannetjes zijn dwergachtig in verhouding tot hunne wanstaltige levensgezellinnen, waaraan zij na den larvetoestand levenslang vastgeklemd blijven en met welker levensvocht zij zich voeden.

De familie der Botluizen (Caligidae) omvat 150 soorten, die haar naam eer aandoen, eensdeels, omdat zij zich vrij kunnen bewegen en in het bezit zijn van krachtig ontwikkelde klauwen, hechttoestellen en zuigorganen, anderdeels, wegens de platte gedaante van haar lichaam, dat uit een groot, schildvormig kopborststuk en een klein, meestal ongeleed, in twee vorkplaatjes eindigend na-achterlijf bestaat. De middelste afdeeling van het achterlijf (met de geslachtsopening aan de buikzijde) loopt naar achteren uit in 2 lange eierenzakken, die ieder één reeks van eieren bevatten. Volgens Van Beneden spelen deze Crustaceën bij de Visschen, waarop zij leven, dezelfde rol als de Haar- en Vederluizen bij de Zoogdieren en Vogels. Door zich te voeden met afscheidingsproducten van de huid, zorgden zij als 't ware voor het toilet der door hen bewoonde zeedieren en zijn dus geen parasieten in den gewonen zin van het woord. "Terwijl de echte parasieten een onbehaaglijken, zonderlingen vorm verkrijgen, behouden de Caligiden levenslang de jacht- en reisbenoodigdheden, die zij gedurende haar jeugd verwierven en het bevallig voorkomen dat aan dezen leeftijd eigen is. Zelfs de wijfjes verschillen alleen door meerdere grootte van de mannetjes, zijn, evenals deze, altijd met een sierlijk borstpantser bekleed en met groote, slanke pooten uitgerust; zij maken een bekoorlijken indruk gedurende haar beweging en niet minder, terwijl zij stil zitten. Hoewel stevig vastgehecht aan de huid van allerlei Beenige Visschen, hebben zij haar vrijheid niet geheel ten offer gebracht. Tal van dieren van dit slag vinden de visschers in hun schuit bij het aan wal brengen van de gevangen zeebewoners. Iedere vischsoort herbergt haar eigen vormen van Caligiden; deze gaan zelfs de Haaien en de Roggen niet voorbij, ondanks de hardheid van hun huid. Soms is de Kabeljauw met deze commensalen bij wijze van schubben bedekt."

Tot de onderorde der Kieuwstaartigen (Branchiura) brengt men een 18-tal voor 't meerendeel op zoetwatervisschen levende Schaaldieren, die, naar de meest bekende soort, gewoonlijk Karperluizen worden genoemd. Volgens Van Beneden komen zij met de Caligiden in levenswijze overeen en moet men ze niet als echte parasieten beschouwen. Zij bewegen zich vlug en verhuizen dikwijls van het eene dier naar het andere. De Gewone Karperluis (Argulus foliaceus) is groenachtig van kleur en 5 à 6 mM. lang; zij heeft een schijfvormig kopborststuk en een rudimentair, in 2 lobben verdeeld na-achterlijf. Twee groote, samengestelde oogen zijn aan de rugzijde zichtbaar. De sprieten komen aan de buikzijde voor: het voorste paar is haakvormig, het achterste 4-ledig. Vóór den mond bevindt zich een stekel. De beide paren priemvormige organen in de zuigbuis worden als boven- en onderkaken beschouwd. Daarop volgen 2 paar kaakpooten, waarvan de voorste in groote, voor vasthechting dienende zuignappen vervormd zijn; daarachter treft men 4 paar langwerpige, tweetakkige zwempooten aan. Het wijfje bergt de eieren in een tusschen de pooten voorkomenden zak.--Behalve op verschillende Karperachtige Visschen, wordt deze soort veelvuldig gevonden op Stekelbaarzen, zeldzamer op Snoeken, Baarzen, Zalmforellen, soms zelfs op larven van Padden en Kikkers.

TIENDE ORDE.

DE SCHELPKREEFTEN (Ostracoda).

Op plaatsen waar Vlookreeften gedijen, zal men in den regel ook Schelpkreeften of Schelpvlooien (Ostracoda) aantreffen. Het onduidelijk geleed, in een kort na-achterlijf eindigend lichaam, draagt 7 paar ledematen en is geheel omgeven door een ruime, tweekleppige, vliezige of verkalkte, min of meer eironde schelp, welke herinnert aan die der Mossels en Oesters. De kleppen zijn n.l. langs het middelste derde gedeelte van den rugrand vereenigd door een band, welks veerkracht de schelp zal openen bij het verslappen van de sluitspier, door welker samentrekking de randen der kleppen tegen elkander worden gedrukt. Dat de Ostracoden niet tot de Weekdieren behooren, blijkt duidelijk, zoodra zij zich bewegen en hunne gelede roeiriemen van voren en van achteren buiten de schelp steken. Zij zwemmen vlug door snel opeenvolgende slagen van de achterpooten en de sprieten (die dikwijls kwastvormig bezet zijn met talrijke zwemborstels). Ook voor 't kruipen zijn deze organen geschikt. De in zee levende Cypridinen hebben 3 oogen (aan weerszijden één samengesteld en in 't midden één enkelvoudig oog). Deze hebben zich bij de talrijke leden van het soortenrijke, uitsluitend in zoetwater voorkomende geslacht Cypris tot één centraal oog vereenigd. De 1.5 mM. lange, O.8 mM. hooge, lichtbruine Gewone Schelpvloo (Cypris fusca) kan men gedurende het grootste deel van 't jaar in alle slooten en plassen in grooten getale vinden; zij plant zich gedurende den zomer en den herfst parthenogenetisch voort. De grootste soort van dit geslacht is nog geen 3 mM. lang.--Sommige leden van het geslacht Leperditia, dat in de Silurische periode leefde, bereikten een lengte van 20 à 22 mM. De zeer talrijke fossiele Ostracoden hadden een sterker verkalkte schaal dan de hedendaagsche; vooral de Cypridinen hebben uitgestrekte aardlagen gevormd.

ELFDE ORDE.

DE KIEUWPOOTIGEN (Branchiopoda).

Ook de meeste leden van deze (uit meer dan 300 soorten bestaande) orde, hebben een schild- of schelpvormige schaal, een van de rug uitgaande huidplooi, die het lichaam in den regel tot aan de uiteinden der ledematen omhult. Behalve door dit niet bij alle geslachten voorkomend kenmerk, onderscheiden zij zich van de overige Schaaldieren door de minder duidelijke groepeering der segmenten in grootere afdeelingen, vooral door het meer of minder volslagen gemis van het borstgedeelte met de daarbij behoorende ledematen. De kaakpooten der Tienpootigen (dikwijls ook de onderkaken van het tweede paar) zijn bij hen niet vertegenwoordigd. De zeer talrijke ledematen van het achterlijf zijn plaatvormig (althans de voorste paren) om als kieuwen en vinnen dienst te doen.

Van de meeste soorten vindt men de wijfjes in grooten getale, de mannetjes daarentegen zelden. Van de Kieuwenpooten (Apus), een der meest voorkomende geslachten, zijn de mannetjes eerst sedert 1856 bekend. Die van andere geslachten bestaan slechts gedurende een kort deel van het jaar; in de overige maanden planten verscheidene opeenvolgende generatiën zich parthenogenetisch voort. De meeste leden van deze orde leven in zoetwater, althans in binnenwateren.

De onderorde van de Bladpootigen (Phyllopoda), kenbaar aan de talrijke ringen van het achterlijf, die 10 à 60 paar bladvormige zwempooten met als kieuwen dienende aanhangsels dragen, bevat de grootste, thans levende Branchiopoden. Men onderscheidt ze in Schelpdragende (Estheridae), Schilddragende (Apusidae) en Naakte (Branchiopididae), al naar een tweekleppige of een schildvormige of geen schaal haar dunne huid bedekt. De jongen missen zoowel de schaal als de rijke geleding van het lichaam en hebben bovendien een vreemdsoortig voorkomen door de als roeiorganen dienende groote sprieten, die bij de verdere ontwikkeling in meerdere of mindere mate achteruitgaan. Deze Schaaldieren zwemmen op den rug en wekken door in kolossale menigte te verschijnen op plaatsen, waar zij jaren achtereen niet werden opgemerkt, de verbazing van ieder, die onbekend is met het feit, dat hare eieren voor ontkieming geschikt blijven, zelfs wanneer zij verscheidene jaren in verdroogden toestand hebben verkeerd. Dit geldt vooral van de Naakte Bladpootigen, een kleine familie, die de geslachten Branchipus, Artemia en Polyartemia (met te zamen 18 soorten) omvat--o.a. van de inheemsche Branchipus (Chirocephalus) diaphanus, welke men na overstroomingen of na hevige regenbuien soms in zeer groote menigte in slooten, plassen en ander stilstaand water waarneemt. Voor het ontkiemen van de eieren van sommige soorten schijnt droogliggen volstrekt noodig. De meeste Naakte Bladpootigen leven in zoetwater. De kop draagt aan weerszijden, op een beweeglijk steeltje, een oog. De voorste sprieten zijn borstelvormig en dienen als zintuigen; de achterste zijn tweeledig, bij 't wijfje klein, bij 't mannetje tot krachtige grijporganen ontwikkeld. Op de 3 paar kaken volgen de zoowel voor 't zwemmen als voor 't ademen dienende pooten: 11 paar (bij Branchipus en Artemia) of 19 paar (bij Polyartemia). Het lange na-achterlijf bestaat uit pootlooze segmenten; het laatste eindigt in 2 beweegbare platen.

Merkwaardig door haar woonplaats is de 8 à 10 mM. lange Artemia salina; deze leeft in verbazend grooten getale, niet slechts in de zee, maar ook in kunstmatig aangelegde zouttuinen (b.v. in 't zuiden van Frankrijk en bij Triëst), in natuurlijke salinen (b.v. die van Odessa en van Adana bij Tarsus) en in binnenlandsche zoute meren en plassen op grooten afstand van de kust, waarvan men mag onderstellen, dat zij vroeger met de zee vereenigd zijn geweest (b.v. in de natronmeren van Egypte). Belangrijke veranderingen van vorm ondergaat deze Branchiopodide in watersoorten van verschillend zoutgehalte.

Unger zegt in zijn beschrijving van het eiland Cyprus, dat "vooral op den heuvel, waar eertijds de uit schuim geboren godin Aphrodite vereerd werd, ieder jaar ten tijde van de winterstormen dichte, witte schuimmassa's voorkomen, die de helft van de hoogte van een man bereiken". Hij brengt dit verschijnsel in verband met de ontzaglijke hoeveelheid slijmerige overblijfselen van Artemiën en Cypridinen, die de strandmeren bedekken en een hoofdbestanddeel van dit schuim uitmaken.--Reeds vroeger werd melding gemaakt van het veelvuldig voorkomen van Artemia Oudenyi in de zoutmeren van Fezzan.

De familie der Schilddragende Bladpootigen (Apusidae) bestaat uit het geslacht der Kieuwenpooten (Apus). Twee soorten van deze zoetwaterdieren komen in Middel-Europa voor, Apus cancriformis en Apus productus, de laatstgenoemde ook hier te lande. Zij zijn kenbaar aan den vorm van de staartklep, die bij de eerste soort zeer kort en ingekorven is. Achter de schildvormige schaal, die het lichaam dezer dieren aan de rugzijde bedekt, steekt alleen het lange na-achterlijf uit, welks laatste segment twee lange staartdraden draagt. Op het voorste deel van het rugschild ziet men de beide, bijna ineenvloeiende oogen. Er zijn 30 à 40 paar ledematen; het elfde vormt bij het wijfje 2 broedzakken voor het bewaren der eieren. Aan de rugzijde zijn alleen de 3 zweepvormige aanhangsels van het eerste paar pooten zichtbaar. De voorste sprieten zijn klein, 2-ledig, draadvormig, de achterste alleen in den larvetoestand aanwezig. De Kieuwenpooten leven in kleine plassen en ander stilstaand water; zij sterven, wanneer hun woonplaats uitdroogt. De eieren, die in het vastgeworden slijk achterblijven, behouden zeer lang de geschiktheid tot ontwikkeling.

De Watervlooien (Cladocera) staan als tweede onderorde naast de Bladpootigen. Des morgens vroeg, maar ook op warme, stille avonden en bovendien bij bewolkte lucht zwemmen deze diertjes, waarvan de grootste zelden langer zijn dan 6 mM., dicht bij den waterspiegel; zij begeven zich echter naar de diepte, zoodra de zon met eenige kracht op het water begint te schijnen. Sommige soorten houden zich trouwens altijd liever dicht bij den slijkerigen bodem dan in hoogere waterlagen op. Dat zij reeds voor lang de aandacht der natuuronderzoekers trokken, is niet te verwonderen, daar zij gewoonlijk in groote menigte stilstaand en langzaam stroomend water bevolken. De Cladoceren en Copepoden maken, volgens Leijdig, nagenoeg het eenige voedsel uit van de meest geschatte Visschen der Beiersche bergmeren en van de Bodensee, van de Roode Forellen (Salmo salvellinus) en Blauwe Houtingen (Coregonus Wartmanni), welker vangst een middel van bestaan is voor een groot aantal bewoners van de meerdistricten.

De belangrijkste familie is die der Echte Watervlooien (Daphinidae), waarvan de meest bekende--de Getakte Watervloo (Daphnia pulex)--in slooten, vijvers en andere ondiepe wateren bij ons zeer algemeen voorkomt, soms in zoo ontzettende menigte, dat vooral in 't najaar, als nevens de geelachtige of groenachtige wijfjes ook roode mannetjes aanwezig zijn, het water in bloed veranderd schijnt, tot groote ontsteltenis van bijgeloovige lieden.

Swammerdam (1637-1680) heeft het eerst deze soort nauwkeurig onderzocht en haar in zijn "Bijbel der Natuur" beschreven en afgebeeld. Bij alle Echte Watervlooien steekt boven de tweekleppige schaal, die den romp omgeeft, een bollen, gesnavelden, door een afzonderlijken helm bedekten kop (A) uit. De binnenste sprieten, die fijne, zenuwrijke tastdraden dragen, zijn onder het uiteinde van den snavel gelegen. Onmiddellijk boven hun oorsprong bevindt zich het groote oog (O), dat door een aantal spieren gedraaid kan worden. De buitenste sprieten (T) zijn tot groote, getakte roeiorganen vervormd, door welker slagen het dier zich springend, als een Vloo, voortbeweegt. Zeer verborgen onder den kophelm en de voorste bocht van de schaalhelften liggen de monddeelen. De tweekleppige schaal (S) is een huidplooi van de lichaamsafdeeling, die de borst der Insecten vervangt. Er bestaat een zekere overeenkomst tusschen deze kleppen en de vleugels der Insecten, waarmede men ook, waarschijnlijk met evenveel recht, de zijstukken van het pantser der Tienpootigen vergeleken heeft. Slechts bij enkele doorzichtige Insecten-larven kan men aan het levende dier zoo nauwkeurig als bij de Watervlooien de werking van het hart (H) waarnemen. Het heeft meestal den vorm van een rondachtige blaas. Als ademhalingsorganen dienen de bladvormige aanhangsels van de 5 (zelden 6) paren pooten. Het na-achterlijf van deze Schaaldieren ligt vrij onder de schaal, eindigt in klauwen of in twee staartborstels (C) en is een krachtig roeiorgaan.--De mannetjes onderscheiden zich van de wijfjes door geringere grootte, bij de meeste soorten bovendien door den vorm der binnenste sprieten, bij sommige ook door een zeer fraaie, blauwe of roode kleur. Gewoonlijk verschijnen zij eerst in den herfst. In de lente en in den zomer treft men geen andere dan vrouwelijke individuën aan, die zich parthenogetisch voortplanten. Hare zoogenaamde "zomereieren" hebben een lichtgekleurde, dunne schaal en ontwikkelen zich zeer snel; verscheidene dergelijke generatiën volgen elkander op. De bevruchte eieren overwinteren en worden daarom "wintereieren" genoemd; zij zijn grooter, donkerder van kleur, harder van schaal en bovendien bij de meeste soorten besloten in een omhulsel, dat "zadel" (ephippium) heet. Dit ontstaat door het geheel of gedeeltelijk losgeraken van de schaal der moeder; zelden bevat het slechts 1 ei, gewoonlijk 2, in enkele gevallen verscheidene eieren, die op deze wijze tegen uitdroging en vorst beschut zijn.

De 4 familiën van Watervlooien (met 25 geslachten en ongeveer 200 soorten) onderscheiden zich van elkander door het aantal paren pooten en den vorm der roeisprieten. Bij één familie (Polyphemidae) dient de schaal eenvoudig tot berging der eieren en niet tot omhulling van den romp en de pooten.

AANTEEKENING

[1] Zie het opstel getiteld "Herfstdraden" van wijlen Mr. Herman Albarda in het "Album der Natuur", 1898: pp. 138-147 en 147-185.