Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen
Part 10
De parasitische levenswijze heeft ook uit Pissebedden wezens van zeer zonderlinge gedaante doen ontstaan. Voorbeelden hiervan leveren de familiën der Garnalenpissebedden (Bopyridae) en der Krabbenpissebedden (Entonicidae). Bij beide zijn de mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, langwerpig van vorm, regelmatig geleed, symmetrisch, kortom nog duidelijk als Pissebedden te herkennen. De wijfjes, die in haar prille jeugd een dergelijk voorkomen hadden, dalen allengs tot een veel lageren trap van organisatie af. Die der Bopyriden verkrijgen een afgeplatte, asymmetrische gedaante, naar rechts of naar links gebouwd al naar de plaats, die zij op haar gastheer innemen; gewoonlijk vestigen zij zich in de kieuwholte van Garnalen en Steurkrabben (gelijk Bopyrus squillarum), zeldzamer in die van Krabben.--Een nog zonderlinger vorm van parasitisme komt bij de Krabbenpissebedden voor. De gastheer van Cryptoniscus pygmaeus is niet de Krab zelf, maar een op haar levende parasiet, de vreemdsoortig gebouwde Peltogaster paguri. Alleen de wijfjes ontaarden door parasitisme tot ongelede, dikwijls asymmetrische, worst-, buis- of blaasvormige wezens, zonder ledematen.
ZESDE ORDE.
DE VLOOKREEFTEN (Amphipoda).
Ongeveer 600 soorten vormen deze over de geheele wereld verbreide orde, welker leden meestal tot tallooze scharen vereenigd voorkomen. Gezamenlijk heeten zij Vlookreeften, omdat zeer vele zich bij rukken, zwemmend en springend, buitengewoon vlug door 't water bewegen en daarbuiten dolle sprongen maken, welker hoogte dikwijls het honderdvoud bedraagt van de lichaamslengte. Vele soorten hebben een zijdelings samengedrukten stam en herinneren hierdoor eenigermate aan Garnalen, hoewel deze en de andere Tienpootigen een aanmerkelijk verschillende geleding vertoonen. Een juistere voorstelling dan een beschrijving kan geven, levert de beschouwing van den Gewonen Vlookreeft, ook wel Zoetwaterslikvloo of Zoetwatergarnaal genoemd (Gammarus pulex), die men bij duizenden onder steenen, hout en rottende plantendeelen, op den bodem van stroomend water en aan de oevers van meren en groote plassen kan vinden.
De kop, die 2 zittende (ongesteelde), in facetten verdeelde oogen, 2 paar sprieten en 3 paar kaken draagt, is vergroeid met den voorsten borstring, waaraan 1 paar kaakpooten voorkomt. De beide vrije "borstringen" gelijken op de 5 voorste "achterlijfssegmenten" en vormen met deze het "middellijf" (pereion), dat 7 paar "ware" pooten draagt. De volgende afdeeling van den stam heet pleon (post-abdomen of na-achterlijf) en bestaat uit 6 segmenten met ledematen en het pootlooze staartlid (telson). De 3 voorste paren "valsche" pooten, die in vorm en functie van de 3 achterste paren (of staartpooten) verschillen, voeren onophoudelijk water toe aan de plaatvormige aanhangselen van de heupen der middelste ware pooten (gewoonlijk die van het 2e tot 6e paar); hun voortdurende beweging valt spoedig in 't oog, wanneer de andere ledematen in rust verkeeren. De Vlookreeften hebben veel lucht noodig; de gevangen exemplaren sterven spoedig, tenzij de planten, die in het door hen bewoonde water groeien, een voldoende luchtverversching teweegbrengen. Aan de heupen van sommige ware pooten komen bij het wijfje plaatvormige aanhangsels voor, die een onder de borst gelegen broedholte omgeven.
De grootste Amphipoden worden meer dan 10 cM., de meeste echter nauwelijks 1 cM. lang; vele blijven kleiner. In zoetwater leven slechts weinige soorten. Verreweg de meeste houden zich bij de kust op en zijn dan onder den naam van "Strandvlooien" bekend, of leven in de volle zee. In de noordelijke zeeën spelen de tallooze scharen van Vlookreeften een belangrijke rol door het uit den weg ruimen van rottende stoffen. De lijken van Cetaceën en andere groote waterdieren, die bij langzame ontbinding het water ver in 't rond verpesten en hierdoor den dood van een menigte jonge Visschen veroorzaken zouden, worden in korten tijd door de millioenen Vlookreeften, die zich op hen verzamelen, tot op de beenderen afgekloven. In de zee oefenen zij een soortgelijk sanitair toezicht uit en bewijzen soortgelijke diensten als de Aasgieren met zooveel ijver in de tropische gewesten verrichten; zij verdelgen echter een veel grootere hoeveelheid schadelijke stoffen dan hunne ambtgenooten.
Bij de Zwemmende Vlookreeften (Gammaridae), kan het klauwvormige eindlid van de beide voorste paren ware pooten naar het voorlaatste lid teruggeslagen worden, zoodat beide te zamen een grijphand vormen. Voor het zwemmen dienen vooral de 3 eerste paren valsche pooten. Zooals reeds gezegd is, leeft de Gewone Vlookreeft op den bodem van ondiep, zuiver water, liefst onder groote steenen en stukken hout, en voedt zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen; in den herfst o.a. skeletteert hij op meesterlijke wijze de in 't water vallende bladen. Bij het plotseling optillen van een in 't water liggenden steen vindt men er dikwijls Watervlooien onder; gewoonlijk zitten en liggen groote en kleine exemplaren dicht opeengedrongen bijeen. Dadelijk stuiven zij echter in alle richtingen uit elkander om zich achter het eerste, het beste voorwerp te verbergen. Zij, die aan den opgetilden steen blijven kleven, maken krachtige bewegingen met het achterlijf om zich zijwaarts te verplaatsen en zoo weer in hun eigenlijke element terug te komen. Als hun dit niet spoedig gelukt, sterven zij door het verdrogen der kieuwen, die vooral bij zonneschijn snel verschrompelen. Zij worden trouwens niet uitsluitend door vrees voor een vijand, maar vooral door lichtschuwheid tot een snelle vlucht genoopt. In een glas met water is hun eerste zorg onder een blad of een steentje het donkerste plaatsje op te zoeken, dat hier te vinden is. Zij overwinteren in den grond; het voorjaar is hun voortplantingstijd; de eieren ontwikkelen zich in den broedzak van het wijfje, dat haar kroost gedurende geruimen tijd leidt en hoedt.--De meeste soorten dezer familie zwemmen in zee.
Verscheidene soorten van Springende Vlookreeften (Orchestidae) bewonen onze zeekust; een der meest bekende is de Strandvloo of Springer (Talitrus locusta); deze begeeft zich nooit te water, maar volgt het bij ebbe en bij vloed over het strand, of blijft bij eb in den lagen dam van aangespoelde waterplanten achter. Hier maken deze 10 mM. lange, helder witte diertjes dikwijls sprongen van een voet hoogte; wegens hun groot aantal is de beweging reeds op eenigen afstand zichtbaar. Dit geldt echter alleen voor 't warme jaargetijde; 's winters verbergen de bewoners van de kusten der noordelijke zeeën zich in de rottende algen, die bij gewoon hoog water niet door de golven worden medegenomen. Allerlei Vogels en ook een op het strand veelvuldig voorkomende Loopkever (Cephalotes vulgaris) maken jacht op de Springer. Het laatste paar staartpooten is in deze familie korter dan de overige; bij de Gammariden bestaat de omgekeerde verhouding.
Eenige familiën kan men samenvatten onder den naam van Nestenbouwende en Gangengravende Amphipoden (Domicola). Het laatste paar staartpooten en soms ook het telson is bij hen meestal voorzien van haakvormige organen, waarmede zij zich vasthouden in hun woning. Deze vervaardigen zij van stukjes hout of steen en ook wel van slib; als metselspecie dienen hunne eigene excrementen. Daar hun lichaam niet of niet sterk zijdelings samengedrukt is, kunnen zij zich loopend voortbewegen, zonder dadelijk om te vallen, zooals de leden der vorige familiën. Amphitoë littorina (7 mM. lang) maakt een nestje van samengerolde stukjes algen; Podocerus pelagicus (6 mM. lang) bouwt een buisvormige woning uit slijk. De (8 à 11 mM. lange) Diksprietgarnaal (Corophium longicorne), die soms in grooten getale op ons zeestrand voorkomt (Ritzema Bos), graaft met hare dikke, 12 mM. lange sprieten gangen in het slijk, dat bijna of geheel bij eb drooggeloopen is. De hier genoemde Corophiidae zijn onschadelijke dieren: zeer schadelijk is daarentegen de werkzaamheid van de Borende Vlookreeften (Cheluridae), welker eenige, 4 à 5 mM. lange vertegenwoordiger (Chelura terebrans), evenals de Boorpissebed, in dokken en dammen het houtwerk van den bodem tot den waterspiegel door zijne 1.5 mM. wijde, cilindervormige gangen beschadigt. Men heeft hem aan de zuidelijke en westelijke kusten van Europa, in West-Indië en in Noord-Amerika waargenomen, aan onze kust echter slechts éénmaal in een drijvend stuk wrakhout.
De Parasitische Amphipoden (Hyperiidae en Phronimidae) onderscheiden zich door een eigenschap, die men gewoonlijk bij parasieten niet aantreft; zij hebben n.l. zeer groote oogen; hierdoor en omdat zij zeer goed zwemmen, is het hun mogelijk dikwijls van gastheer te veranderen. De Hyperia's en hare verwanten leven in de zakvormige holten van de onderzijde der Kwallen. Gedurende den zomer laten zij zich door hunne gastheeren rondvaren; in den winter leven zij vrij op den bodem der zee. Op en in Kwallen aan onze kust werd de 8 mM. lange bruinachtige Hyperia galba gevonden.--Phronima sedentaria heeft een andere levenswijze; het wijfje althans kiest Ribkwallen of Manteldieren van de geslachten Doliolum en Pyrosoma tot woonplaats en vreet deze zoover uit, dat er slechts een glashelder huidje overblijft, waarin zij met haar kroost woont. Het mannetje heeft men nog niet anders dan vrij zwemmend aangetroffen.
Een afzonderlijke onderorde vormen de zeer zonderling gebouwde Spookkreeftjes, die Keelpootigen (Laemadipoda) worden genoemd, omdat door vergroeiing van den kop niet slechts met den eersten maar ook met den tweeden borstring, het eerste paar ware pooten schijnbaar aan den kop is gehecht. Het achterlijf is bij hen zeer weinig of niet ontwikkeld en bezit geen of slechts rudimentaire ledematen. De talrijke, meestal niet meer dan 15 mM. lange Caprella's, waarvan eenige ook aan onze kust gevonden zijn, leven op ondiepe plaatsen op zeeplanten. Hare werkzaamheden leveren een aardig schouwspel op. Zij zijn de beste acrobaten van hare klasse; behendig als Apen en met vele buitelingen en lichaamsverdraaiingen bewegen zij zich langs en tusschen de takken van de onderzeesche miniatuurwouden. Door haar voortdurende bedrijvigheid steken zij gunstig af bij de verwante Walvischluizen (Cyamus), welker eivormig, van boven naar onderen samengedrukt lichaam een klein, smal kopgedeelte heeft. Aan de huid van de Dolfijnen en andere Walvischachtigen, waarop zij parasieteeren, zijn zij met hare krachtige klauwen vastgehecht.
ZEVENDE ORDE.
DE BLADPOOTKREEFTEN (Phyllocarida).
De Bladpootkreeften dragen als leden van de derde en laatste onderafdeeling van de Hoogere Schaaldieren (Malacostraca) ook wel den naam van Dunschaligen (Leptostraca). Bij hen, zoowel als bij de Grootschaligen (Thoracostraca) en de Ringschaligen (Arthrostraca) vormen de 13 voorste segmenten een geheel, dat duidelijk verschilt van het (hier uit 8, niet uit 6, leden bestaande) na-achterlijf. De 17 voorste segmenten zijn bedekt door een dun, vliezig of chitineus, meestal tweekleppig rugschild, waarmede een kleiner snuitschild beweegbaar verbonden is. De oogen zijn samengesteld en gesteeld; de 8 ringen van het vóór-achterlijf dragen ieder 1 paar bladvormige pooten, de 4 voorste na-achterlijfsleden groote, de beide volgende kleine, gelede zwempooten; de beide laatste ringen zijn pootloos; de laatste eindigt in 2 gevorkte aanhangsels; het telson ontbreekt.
De orde der Bladpootkreeften bevat slechts één familie (Nebalidae) met één geslacht (Nebalia), waarvan 5 soorten bekend zijn. Deze bewonen de zee (o.a. de Middellandsche Zee en de Noordzee) op ondiepe plaatsen in de nabijheid van de kust en voeden zich met dierlijke stoffen. Hun lengte bedraagt gemiddeld 6 à 10 mM. Zij vormen den overgang van de Bladpootigen (Phyllopoda) tot de Hoogere Schaaldieren; hieraan is hun naam ontleend.
ACHTSTE ORDE.
DE RANKPOOTIGEN (Cirripedia).
Een zeer eigenaardige verandering van gedaante ondergaan de Schaaldieren, die men naar hunne in gelede takken--ranken (cirri)--gesplitste pooten Rankpootigen (Cirripedia) heeft genoemd. Alle oudere schrijvers hebben hen wegens hun schelpachtig omhulsel tot de Weekdieren gerekend. Ontmaskerd, in den letterlijken zin van 't woord, werden zij eerst, toen men hun ontwikkelingsgeschiedenis leerde kennen. De toestand, waarin zij onmiddellijk na het verlaten van het ei verkeeren, wordt door de achterstaande afbeelding verduidelijkt. Nadat deze larve eenigen tijd vrij rondgezwommen en eenige malen van huid verwisseld heeft, maakt zij aanstalten om zich voor geheel haar volgend leven vast te hechten. Onmiddellijk na de vervelling, die aan de vasthechting voorafgaat, is zij, op de wijze van Cypris, door een van de rugzijde uitgaande, aan de buikzijde geopende, tweekleppige schaal omgeven, die men als een sterk vergroot rugschild kan beschouwen. Met de buiten de schaal uitstekende sprieten klemt zij zich vast aan 't voorwerp, waarmede haar kopeinde zich weldra steviger en over een grootere oppervlakte zal verbinden door het afscheidingsproduct der zoogenaamde "cementklier", die aan het grondstuk der voorste sprieten uitmondt. In het rugschild, dat zich eenigermate afscheidt van de overige lichaamsdeelen en nu "mantel" genoemd wordt, ontstaan in den regel kalkplaten; deze vormen te zamen een soort van schelp, die aan de buikzijde een spleet overlaat, waardoor de veelledige ranken van de pooten (in den regel 6 paar) uitgestoken worden.
Men kent tegenwoordig meer dan 220 soorten van Cirripediën, die alle de zee bewonen en een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied hebben, omdat vele van de levende of levenlooze voorwerpen, waaraan zij zich vasthechten, drijven of zwemmen, en, evenals hare kleine larven, zich gemakkelijk verplaatsen of door de stroomingen worden medegevoerd. Dit en de groote vruchtbaarheid van deze dieren maakt het begrijpelijk, dat men de rotsen van kusten, die op honderden mijlen afstands van elkander liggen, langs de strandlijn met millioenen exemplaren van dezelfde soort van Zeepokken bezet vindt.
De schaal is uit verscheidene platen samengesteld en kan hermetisch gesloten worden, zoodat het dier zonder nieuwen toevoer van water geruimen tijd in 't leven kan blijven. In 't water houdt het de schaal geopend en brengt door voortdurende beweging der ledematen een maalstroom teweeg, die allerlei kleine zeedieren naar den mond voert.
De Eendenmossels (Lepadidae), die, van buiten gezien, veel gelijken op sommige Mossels, danken het eerste gedeelte van haar naam aan het oude wanbegrip, dat uit deze dieren Rotganzen zouden ontstaan. Zij zijn aan een buigzamen gespierden steel gehecht en hebben een platte, driezijdige schelp. Naar het aantal en de meerdere of mindere ontwikkeling der kalkplaten onderscheidt men een groot aantal geslachten. Tot de meest gewone behooren Lepas en Otion. Ongeveer de helft van alle Lepadiden-soorten hechten zich vast op voorwerpen, die zich in het water bewegen, op de kiel van schepen, op stukken wrakhout, enz., of op dieren, die dikwijls van plaats veranderen. Anelasma squalicola b.v. leeft parasitisch op Noordsche Haaien, in welker huid zij met haar steel is doorgedrongen; met Lepas anserifera en eenige andere soorten zijn de schepen bij hun terugkomst uit nagenoeg alle zuidelijke en tropische zeeën niet zelden begroeid.
De Zeepokken of Zeepuisten (Balanidae) zijn aan andere voorwerpen bevestigd met de bodemvlakte van hun ongesteelde, cilinder- of kegelvormige schaal, die gesloten kan worden door een dekselvlies, waarin 1 of 2 paar platen voorkomen. Zoodra de eb invalt, kan men dit o.a. zien bij Balanus balanoides, die op onze kusten veelvuldig voorkomt. In warmere zeeën is Balanus tintinnabulum, die vele verscheidenheden vertoont (o.a. kan de kleur van bleekrood tot donkerpurperrood afwisselen), een van de meest gewone soorten. Haar eigenlijk gebied strekt zich uit van Madeira tot aan Kaapland en van Californië tot Peru. Dikwijls vindt men deze dieren in wonderbaarlijk groot aantal vastgehecht aan schepen, die van West-Afrika, West- en Oost-Indië en China in Europeesche havens terugkeeren.
Sommige groote Cetaceën worden door bepaalde soorten van Zeepokken, minder dikwijls door Eendenmossels, bij voorkeur tot verblijfplaats gekozen. Daar Diadema balaenaris op den Keporkak of Groenlandschen Bultrug geregeld voorkomt en zelfs zeer jonge dieren bewoont, beweren de Groenlanders, dat de jongen er reeds in 't lichaam van de moeder mede bezet zijn. Twee andere soorten--Coronula balaenaris en Tubicinella trachealis--schijnen uitsluitend den Gladden Walvisch van het Zuidelijk halfrond (Leiobolaena australis) te bewonen. Daarentegen vestigen zich nooit Cirripediën op de huid van den Gladden Walvisch van het hooge noorden (of Groenlandschen Walvisch); evenmin worden op Vinvisschen Balaniden gevonden.
De Wortelkoppigen (Rhizocephala), die in haar eerste levenstijdperk met de larven van andere Lagere Schaaldieren overeenkomen en dus achtereenvolgens in den Nauplius- en den Cypris-toestand verkeeren, verkrijgen een zakvormigen mantel met kleine opening, nadat zij zich op een der Hoogere Schaaldieren hebben vastgehecht. De ontaarding ten gevolge van de parasitische levenswijze gaat bij haar zoover, dat slechts geringe sporen van spijsverteringsorganen overblijven en geen enkele eigenaardigheid meer aan den Arthropodentypus herinnert. Voordat men haar ontwikkelingsgeschiedenis kende, hield men ze voor Zuigwormen (Trematoden).
Sacculina carcini hecht zich in het Cypris-stadium vast aan de onderzijde van den staart van de Strandkrab (Carcinus maenas), welker bloed zij zuigt. Zij verkrijgt hier een nieuw omhulsel; de holle wortelvormige aanhangselen, die de mantelopening (a) omgeven, groeien uit en omstrengelen de buikingewanden, doch laten de organen, die voor het leven en gedijen van den gastheer (en bijgevolg van den gast) volstrekt noodig zijn--het hart, de kieuwen en het zenuwstelsel--ongemoeid; deze blijven dus op normale wijze werkzaam.--Meestal vindt men op de uitverkoren Krab slechts 1 Sacculine, vrij dikwijls 2, zelden 3.--De geheele zakvormige lichaamsholte van het woekerdier wordt ingenomen door de eierstokken en hunne afvoerwegen, waarin de eieren zich ophoopen. Het geheele dier is dus niet veel meer dan een zich voedend voorttelingsorgaan. De jongen, die zich in dezen zak tot Nauplius-larven ontwikkelen, verlaten hun geboorteplaats door een opening (b), die tevens water in den mantel toelaat.
Vooral op Eremietkreeften parasiteeren de 7 soorten van Peltogaster, welker langwerpig, zakvormig lichaam vastgehecht is met wortelvormige aanhangselen, die in het lichaam van haar gastheer een spons- of viltachtige massa vormen.
NEGENDE ORDE.
DE ROEISPRIETIGEN (Copepoda).
Deze vormenrijke, meer dan 1000 soorten omvattende groep van microscopische of althans kleine, hoogstens 1 à 3 cM. lange Schaaldieren bestaat voor een deel uit vrij levende, met goed ontwikkelde monddeelen uitgeruste wezens, voor een deel uit parasieten, die door hun levenswijze alle uitwendige geleding verloren hebben en monddeelen bezitten, die tot een zuigsnuit vervormd zijn. Roeisprietigen heeten zij, omdat bij alle vrij zwemmende soorten de voorste sprieten een paar krachtige roeiorganen vormen. Het achterlijf is duidelijk van het kopborststuk gescheiden en draagt tweetakkige pooten. Het lichaam eindigt in twee gaffelvormig uiteenwijkende platen, aan welker top verscheidene lange staartborstels voorkomen. Organen die meer in 't bijzonder voor de ademhaling dienen, zijn niet aanwezig, de dunne huid is over 't geheele lichaam voor deze verrichting geschikt.
De ontwikkeling der parasiteerende vormen gaat met teruggaande gedaantewisseling gepaard, met het afdalen tot een lageren trap van organisatie, het te niet gaan of rudimentair worden van sommige lichaamsdeelen. Alle larven hebben een ovaal lichaam, met onparig voorhoofdsoog en 3 paar ledematen in de omgeving van den mond, zooals de afgebeelde larve van Lepas. Met een aantal vervellingen gaat het allengs ontspruiten voor middellijfs- en achterlijfsringen en van ledematen gepaard. Sommige parasiteerende soorten hechten zich onmiddellijk na de eerste vervelling vast, andere, nadat zij eenige vervellingen hebben ondergaan en reeds een hoogeren trap van organisatie bereikt hebben; in beide gevallen gaat daarna aan het geheel eivormig wordend lichaam alle geleding verloren; de roeiorganen verminderen tot kleine stompjes of gaan geheel te niet, evenals het oog, dat zulke goede diensten bewees gedurende de jeugd.
De onderorde der Echte Roeisprietigen (Eucopepoda) omvat nagenoeg alle leden der orde en wordt in 2 groepen verdeeld naar de monddeelen. Alle Kauwende Eucopepoden zwemmen vrij rond en voeden zich met dierlijke stoffen: zij azen op lijken van groote dieren, of maken kleinere wezens buit. De wijze van beweging en de verblijfplaats is voor de leden van verschillende familiën ongelijk, in verband met het voedsel, dat zij gebruiken. De langwerpige, slanke Calaniden en Pontelliden zijn de beste zwemmers en bewonen bijna uitsluitend de zee; met vlugge sprongen, veroorzaakt door het gelijktijdig achteruitslaan van de roeisprieten, schieten zij soms pijlsnel door het water. Soms rusten zij van den arbeid uit, zonder zich ergens op neer te zetten. Aan één punt vastgehecht, doch overigens in evenwicht te midden van het water, wegens het geringe soortelijk gewicht van hun lichaam, brengen de aanhoudende, snelle schommelingen van de vedervormig behaarde bovenkaken intusschen een maalstroom in 't water teweeg, waardoor de tot voeding dienende kleine diertjes haar in den mond gevoerd worden. Vele soorten leven voortdurend in de bovenste waterlaag; sommige zijn hier niet zelden ontzaglijk sterk vertegenwoordigd en maken een aanzienlijk deel uit van de voeding van allerlei waterdieren, zelfs van zeer groote; de Groenlandsche Walvisch b.v. bevredigt soms zijn reuzenmaag door haar te vullen met tallooze exemplaren van Calanus finmarchicus. Wel is het opmerkelijk, dat de Copepoden der arctische zeeën niet slechts door verscheidenheid van soorten en talrijkheid der individuën, maar ook door grootte uitmunten.
Een andere levenswijze hebben de Cyclopiden, die wel vlugge sprongen doen, maar met de monddeelen geen maalstroom in 't water veroorzaken; de borstels van de kleine sprieten dienen haar tot steun, wanneer zij tegen waterplanten rusten. In nog hoogere mate zijn de Harpacticiden en Peltidiën aan het leven op en tusschen wieren en andere waterplanten gebonden. De zoetwatervormen dezer familiën vindt men het veelvuldigst in welig met planten begroeide, ondiepe poelen en slooten, de "marine" vormen minder dikwijls in de volle zee dan dicht bij den oever tusschen zeeplanten, ook wel bij planken en andere stukken rottend hout, voorts tusschen Sertularinen, Tubularinen en andere polypenstokken.