Het Leven der Dieren. Deel 3, Hoofdstuk 5: De Amphibiën

Part 9

Chapter 9924 wordsPublic domain

"Alle Blindslangen hebben gelijksoortige, holle, dikke, kegelvormige tanden, die aan den binnenrand van de kaakbeenderen aangehecht zijn en een eenigszins achterwaarts gekromde spits hebben. De tong is met de geheele ondervlakte aan den bodem der mondholte vastgehecht en kan dus niet uitgestoken worden. Bovendien komen ook nog aan het gehemelte tanden voor, die, evenals bij enkele Vischsalamanders, hoefijzervormig gerangschikt zijn. Aan het tongbeen zijn drie paar bogen gehecht, waaruit men kan afleiden, dat zij gedurende den kiemtoestand kieuwen hebben en een gedaantewisseling ondergaan. De neusgaten zijn aan de zijden of aan de spits van den snuit geplaatst; de achterste neusopeningen komen aan het gehemelte voor. De oogen ontbreken geheel, of worden zoozeer overdekt door de huid van den kop, dat zij volkomen ongeschikt zijn voor het zien. Daarvóór merkt men altijd een klein kuiltje op, dienende tot berging van een taster, die uitgestoken en teruggetrokken kan worden, en waarin een afzonderlijke zenuw eindigt. De gehoororganen liggen, evenals bij den Salamander, verborgen onder de huid, hebben geen trommelvlies en geen gehoorbeentjes, wel, evenals deze, een klein kraakbeenplaatje, dat op het eironde venster ligt."

De wervels hebben zandloopervormige wervellichamen, evenals ook bij de laagst ontwikkelde Salamanders en Visschen voorkomen. Bij sommige zijn er meer dan 200, die alle, met uitzondering van den eersten en den laatsten, ribben dragen; het borstbeen ontbreekt; van den schouder- en den heupgordel en van de ledematen is, ook in het skelet, geen spoor voorhanden. Bij hen komt, in tegenstelling met de meeste overige Amphibiën (uitgezonderd Siren en Amphiuma), een duidelijke luchtpijp voor, die door ringvormige kraakbeenderen gesteund wordt. Evenals bij de Slangen, is de linkerlong zeer kort, de rechter zeer lang. Kleine, door huidverbeening gevormde, in zakjes verborgen schubjes, welke op kringschubben van Visschen gelijken, zijn in de ringvormige opzwellingen tusschen de huidplooien gelegen.

Van de ontwikkeling der Blindslangen was tot voor korten tijd slechts weinig bekend. Aan Joh. Müller heeft men de mededeeling te danken, dat de jonge Rimpelsalamander (Ichthyophis glutiosus) aan weerszijden van den hals een kieuwspleet bezit, in gemeenschap staande met een holte, die inwendige kieuwen bevat; ook heeft hij een korten, door een vliezige vin omzoomden staart. Volgens Gervais brengt Caecilia compressicauda (uit Cayenne) levende jongen ter wereld, waaraan geen spoor van kieuwspleet te ontdekken is. Peters bevestigt dit bericht, maar voegt er aan toe, dat aan den hals der pasgeborene, in 't water verblijf houdende jongen groote blazen voorkomen, die een goed ontwikkeld vaatstelsel bevatten en als kieuwen moeten worden beschouwd.

Ter geschikter tijd begeven de Blindslangen zich te water en brengen hier levende jongen ter wereld, of leggen eieren, die bij eenige soorten door het wijfje bebroed of althans behoed worden. De ontwikkeling der jongen heeft grootendeels reeds in het ei plaats; na een kort verblijf in het water zijn de larven aan de oude dieren gelijk geworden en begeven zich dan op het droge.

De Blindslangen komen in de keerkringsgewesten van Amerika, Afrika en Azië voor, maar ontbreken in Australië en op Madagaskar. Zij graven gangen in den grond en leven hier als Regenwormen, waardoor het nagaan van haar levenswijze zeer bemoeilijkt wordt. Haar voedsel bestaat uit Wormen en andere kleine dieren; vele vinden het in de mierennesten, die zij bewonen. Langzaam kruipend is haar beweging over vaste voorwerpen; sommige zwemmen met slangsgewijze kronkelingen van het lichaam.

Bij het in Zuid-Amerika en Afrika levende geslacht der Ringsalamanders (Siphonops) zijn de huidringen breed, de oogen duidelijk zichtbaar en de tastergroeven nader bij het oog dan bij het neusgat gelegen.

De Wormsalamanders (Caecilia) bewonen Zuid-Amerika, hebben smallere huidringen, minder goed waarneembare oogen en de tasters voor aan den snuit onmiddellijk onder het neusgat in een hoefijzervormige groeve aangehecht.

De Rimpelsalamanders (Ichthyophis) behooren tot het Indische Rijk, hebben nog smallere en talrijkere huidringen dan de leden van het vorige geslacht, duidelijk door de huid heenschemerende oogen en tastergroeven aan den rand der bovenlip onder het oog.

De Ringsalamander (Siphonops annulatus) uit Guyana, Noord-Brazilië, Ecuador en Peru kan 39 cM. lang worden en heeft in de huid 85 à 95 breede, ringvormige groeven, die ook door haar witachtige kleur duidelijk de aandacht trekken, daar de huid overigens zwartachtig is.

De Wormsalamander (Caecilia gracilis) bewoont eveneens het noorden van Zuid-Amerika; hij bereikt een lengte van 65 à 70 cM. en de dikte van een potlood; zijn lichaam vertoont 210 à 255 ringen.

Vooral aan de beide neven Sarasin danken wij uitvoerige berichten over den Ceylonschen Rimpelsalamander (Ichthyophis glutinosus), die Java en Ceylon bewoont. Dit 38 cM. lange dier is donkerbruin of blauwzwart van kleur, behoudens een breede, helder gele, overlangsche streep, die zich aan weerszijden van den kop tot aan den staart uitstrekt.

Dikwijls werd dit dier aangetroffen bij vlakke, vochtige oevers van beken, op een diepte van ongeveer 30 cM. onder de zoden. Het voedt zich hier met kleine Slangen, vooral Wormslangen en kleine Schildstaarten, en met Regenwormen. De volwassen Rimpelsalamander schuwt het water en zou spoedig verdrinken, wanneer hij er in geworpen werd. Bij het kruipen raakt hij afwisselend met beide tasters den grond aan. Haar wetenschappelijken soortnaam dankt deze soort aan het kleverige slijm, dat de huid bedekt en, evenals de producten van de huidklieren van alle Amphibiën, vergiftige eigenschappen bezit.

De Ceylonsche Rimpelslang brengt niet, zooals sommige van hare verwanten, levende jongen ter wereld, maar legt eieren, die in een gat van den grond op een eigenaardige wijze opeengehoopt zijn. Het aantal bedraagt gemiddeld 13; zij zijn opmerkelijk groot, 11 mM. lang. Ineengekronkeld om hare eieren, zorgt de moeder voor het uitkomen der jongen en meer bepaaldelijk voor het behouden van den meest wenschelijken vochtigheidstoestand in de broedruimte.