Het Leven der Dieren. Deel 3, Hoofdstuk 5: De Amphibiën

Part 8

Chapter 83,683 wordsPublic domain

In het midden van September 1865 merkte Duméril aan één der jongen een hoogst merkwaardige verandering op: de kwastvormige kieuwbundels benevens de kam op den rug en den staart verschrompelden, de kieuwspleet groeide dicht, de lichaamsvorm onderging eenige wijziging en op de donkerkleurige huid ontstonden een groot aantal kleine, geelachtig witte vlekken. Van 28 September tot 10 October ondergingen drie andere jongen dezelfde gedaantewisseling; de overige bleven onveranderd. Duidelijk bleek hieruit, dat A. von Humboldt en Cuvier te recht den Axolotl voor de larve van een hun onbekenden Salamander hadden gehouden.

Dit dier bleek tot hetzelfde geslacht (Amblystoma = Stompbek) te behooren als een twintigtal andere soorten van Amerikaansche Salamanders, die alle de eigenaardigheid vertoonen van reeds als larve geslachtsrijp te kunnen worden, waarna de gedaantewisseling achterwege blijft. Deze kan alleen bij jonge larven plaats hebben; maar behoort ook dan tot de uitzonderingen, daar allerlei omstandigheden, en wel vooral het ontbreken van de gelegenheid om zich langzamerhand aan het verblijf op het droge te gewennen, haar kunnen verhinderen. Van duizenden Axolotls, die in den Parijschen "Jardin des Plantes" geboren werden, hebben slechts 18 de gedaantewisseling ondergaan. Duméril heeft te vergeefs getracht door het wegsnijden der kieuwen den overgang in den Amblystoma-toestand te bevorderen; deze amputatie had geen ander gevolg dan het weer aangroeien der weggenomen lichaamsdeelen. Betere uitkomsten verkreeg een dame te Freiburg in Breisgau, Marie von Chauvin. Het gelukte haar 4 van de 5 acht dagen oude Axolotls, waarmede zij proeven nam, tot Amblystoma's op te kweeken. Een ongeveer 30 cM. wijde, glazen bak met water was de woonplaats der dieren, die in 't einde van Juni voorpooten, den 9en Juli achterpooten begonnen te krijgen. Den 1en November werd een der Axolotls, die zich voortdurend aan de oppervlakte van 't water ophield, in een grooten glazen bak geplaatst, aan welks platten bodem zulk een helling werd gegeven, dat de waterhoogte slechts op één plaats voldoende was voor het onderduiken van het dier, dat bij het herhaaldelijk rondkruipen over den bodem min of meer met de lucht in aanraking kwam. Op de volgende dagen werd het water langzamerhand nog meer verminderd. Dadelijk werden veranderingen in het dier opgemerkt. Den 4en November had het de kieuwen reeds verloren en begaf het zich naar het deel van den bodem, dat zich het meest boven den waterspiegel verhief; het verschool zich in het vochtige mos, dat hier op een laag zand neergelegd was. Ongeveer 8 dagen later was de gedaantewisseling afgeloopen.--Later, in 1876, in den "Jardin des Plantes" te Parijs, bleek, dat de Amblystoma's ook in staat zijn om zich voort te planten.

Ten onrechte heeft men gemeend, dat de Axolotls in hun vaderland geen gedaantewisseling ondergaan. In Mexico zijn deze dieren in den Amblystoma-toestand zeer goed bekend en worden Tlalaxolotl (= Aardaxolotl) genoemd, ook wel Ajolotes pelones of Ajolotes mochos (Geschilde, Geschoren Axolotls).

Het onderscheidende kenmerk van de in Noord-Amerika zeer verbreide en soortenrijke onderfamilie der Dwarsreekssalamanders (Amblystomatinae), die Amblystoma tigrinum onder hare leden telt, werd reeds vroeger opgegeven.

Onder den naam "Homo diluvii testis" (de mensch getuige van den zondvloed) beschreef Scheuchzer in 1726 een fossiel, dat gevonden was in een steengroeve bij Oeningen in Baden. Hij beschouwde het als een overblijfsel van een mensch, die bij den zondvloed was omgekomen. In de toelichting van de afbeelding, die in zijn verhandeling voorkomt, zegt hij o.a.: "Dit voorwerp, dat een van de betrouwbaarste overblijfselen uit den zondvloed is, vertoont niet slechts eenige lijnen, waaruit de rijke en vruchtbare fantazie iets dat op een mensch gelijkt, kan vormen, maar een grondige overeenkomst met de deelen van het menschelijk geraamte." Dit exemplaar is thans het eigendom van Teyler's museum te Haarlem. Door Cuvier werd in 1811 de steenlaag, die destijds nog de wervelkolom en de voorste ledematen bedekte, weggenomen. Ieder, die het beziet, zal zich moeten verwonderen over de door Scheuchzer verkondigde meening, welke trouwens reeds in de vorige eeuw, o.a. door Petrus Camper in 1787, uitdrukkelijk werd weersproken. Nauwkeurige onderzoekingen hebben in 't licht gesteld, dat dit fossiel afkomstig is van een Salamander, die in de middelste afdeeling van het tertiaire tijdvak leefde en geen grootere overeenkomst met den mensch vertoont dan eenig ander lid van zijn orde. De Reuzensalamander van Oeningen kreeg van Tschudi den naam (Andrias Scheuchzeri). In verscheidene musea komen skeletten van deze fossiele diersoort voor, o. a. in dat van Leiden; de grootste en volledigste hebben een lengte van 1.2 M. In één dezer exemplaren, dat in het museum van Constanz bewaard wordt, bevindt zich het 14 cM. lange, zeer onvolledig verbeende skelet van een larve dezer diersoort. Deze moet volgens de onderzoekingen van Van der Hoeven, gebracht worden tot hetzelfde geslacht als de thans nog levende Reuzensalamanders (Megalobatrachus), die wij als vertegenwoordiger van de familie der Vischsalamanders zullen beschrijven.

De Vischsalamanders (Amphiumidae) hebben buiten verhouding kleine oogen zonder eenig spoor van leden; ook de overige zintuigen staan op een zeer lagen trap van ontwikkeling; de tong is hoogstens aan de spits vrij. De meeste ademen in volwassen toestand behalve door longen ook nog door kieuwen, die echter in de kieuwholte verborgen blijven, zoodat de kieuwspleet het eenig uitwendig zichtbare kenteeken van de waterademhalingsorganen is. De Reuzensalamanders wijken van hare verwanten af, doordat de kieuwen en de kieuwspleet op lateren leeftijd verdwijnen.

De Japansche Reuzensalamander (Megalobatrachus maximus) is een buitengewoon plomp dier van 84 à 114 cM. totale lengte. De groote, platte, zeer breede kop eindigt in een stomp afgeronden snuit; de korte hals is aanmerkelijk smaller dan de achterkop en de romp; een dikke, overlangsche opzwelling op iedere zijde verbreedt den (buitendien reeds afgeplat rolvormigen) romp nog meer; de staart is kort en zijdelings samengedrukt en vormt een breed roeiorgaan; de ledematen zijn plomp en dik, de voorste met 4, de achterste met 5 goed ontwikkelde teenen voorzien; de zeer kleine oogen zijn bijna door de geheele breedte van den kop gescheiden. De kaakranden zijn ieder met een reeks van zeer kleine tanden gewapend; een daaraan evenwijdige reeks van tanden komt aan het gehemelte voor. De tong is over haar geheele ondervlakte met den bodem der mondholte vergroeid. De licht grijsachtig bruine kleur van de bovendeelen heeft een sombere, moeielijk te beschrijven tint en gaat op de onderdeelen in lichtgrijs met zwarte vlekken over.

Deze soort bewoont de zuidelijke helft van het eiland Nippon en wordt nergens anders aangetroffen (een tweede soort komt in West-China voor). Steeds houdt zij zich op in koud, snel stroomend water, op een hoogte van 200 à 1500 M. boven den zeespiegel. Hier leeft zij in smalle, heldere bronbeken, op plaatsen, waar deze, nauwelijks 3 dM. breed, als besproeiingskanalen de grasrijke berghellingen doorsnijden en de door 't water ondermijnde zoden van weerszijden de kleine beekjes bijna geheel overdekken, ook lager, waar door de vereeniging van zulke stroompjes een flinke, vischrijke beek wordt gevormd. Onder de overhangende oevers leven vooral de oude dieren; de jonge geven aan kleine stroompjes de voorkeur. De bewoners van deze gewesten zeggen, dat de Salamanders de genoemde woonplaatsen slechts zelden en niet anders dan 's nachts verlaten, en ook, dat zij nooit aan land gaan. Wormen en Insecten, Visschen en Vorschen maken hun voedsel uit.

Men vangt de Reuzensalamanders hetzij door het water af te leiden en de dieren dan van onder de steenen en uit de gaten te voorschijn te halen of ook wel met den hengel.

Deze groote, plompe dieren ontwikkelen zich uit zeer kleine eieren. C. Sasaki, een Japansch natuuronderzoeker, heeft opgemerkt, dat het wijfje de tot snoeren vereenigde 6 en 4 mM. dikke eieren, die langwerpig van vorm en aan beide zijden op gelijke wijze afgerond zijn, in Augustus en September legt.

F. von Siebold nam in het jaar 1829 twee levende Reuzensalamanders uit Japan mede; deze werden in den Amsterdamschen dierentuin opgenomen en hebben er een vijftigtal jaren geleefd. Later zijn vele van deze plompe dieren levend naar Europa overgebracht en tegenwoordig kan men ze in elke groote diergaarde aanschouwen. Traag en stompzinnig als zij zijn, is er aan hen, behalve de wijze waarop zij hun voedsel verkrijgen, niet veel op te merken. Al hunne bewegingen zijn uiterst langzaam; altijd liggen zij stil op den bodem van hun waterbak, steeds op de donkerste plaats. Van tijd tot tijd, om de 10 minuten ongeveer, steekt het dier den snuit boven water om lucht te scheppen; het zakt, zoodra de inademing heeft plaats gehad, langzaam weer naar beneden.

Het is gebleken, dat ook de Reuzensalamanders een taai leven hebben. Een van hen kroop 's nachts over den rand van zijn waterbak en viel van een hoogte van ongeveer 1 1/2 M. op den grond; hier werd hij den volgenden morgen bewegingloos gevonden. Toch kwam hij, na in 't water terug gebracht te zijn, weldra weer bij. Van andere exemplaren heeft men opgemerkt, dat een strenge koude hen even weinig schaadt als de inheemsche Watersalamanders; hun waterbak in den dierentuin te Amsterdam is eens bevroren geweest en moest van ijs bevrijd worden; toch had dit geen nadeelige gevolgen voor de bewoners.

De eenige vertegenwoordiger van een tweede geslacht van Vischsalamanders wordt Aalsalamander (Amphiuma) genoemd, omdat zijn romp werkelijk niet ongelijk is aan dien van een Aal en de 4 korte pootjes nauwelijks dezen naam verdienen, hoewel aan hunne voeten nog teenen waar te nemen zijn. Men heeft hiervan twee verscheidenheden, den Tweeteenigen en den Drieteenigen Aalsalamander, die alleen door het aantal vingers en teenen van elkander verschillen en daarom tegenwoordig als één soort (Amphiuma means) worden beschouwd. Dit dier bereikt een lengte van 76 à 89 cM.; van boven is het zwartachtig bruin met groenachtige tint, van onderen lichter gekleurd. Levenslang behoudt het aan weerszijden van den hals een opening voor het afvoeren van het ademhalingswater. Zijne oogen liggen verscholen onder de huid, die op deze plaats doorschijnend is.

De Aalsalamander bewoont de moerassen en andere stilstaande wateren van het zuid-oostelijke deel der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, ongeveer van Louisiana tot Zuid-Carolina en van hier tot Florida; hij zwemt tamelijk vlug met slangsgewijze kronkelingen van het lichaam. Dikwijls kruipt hij in den modder rond, verschuilt zich hierin gedurende den winter en bereikt er soms, door als een regenworm te boren, een diepte van 1 M. Gevangen exemplaren, die toevallig op 't droge waren geraakt en hier verscheidene dagen bleven, ondervonden geen nadeelige gevolgen van deze verandering; men heeft ze zonder bezwaar naar Europa kunnen overbrengen. Hun voedsel bestaat uit allerlei kleine waterdieren. Het wijfje ligt spiraalsgewijs ineengekronkeld om den eierenhoop, die uit twee rozenkransvormige strengen bestaat. Elk ei heeft een middellijn van 9 mM.; de hierin aanwezige kiem is in rijpen toestand 45 mM. lang. Het volwassen dier is in staat om geluid voort te brengen.

De Olmen (Proteidae), die de derde familie van de Salamanders vormen, hebben gedurende hun geheele leven aan weerszijden van den hals 3 uitwendige kieuwen, waartusschen 2 keelspleten. Het lange lichaam van deze dieren wordt gesteund door 4 zwakke pootjes; de zijdelings afgeplatte staart is van boven en van onderen met een huidzoom voorzien. Ook hier zijn de oogen door de huid bedekt.--Voor ongeveer 200 jaar maakte Valvasor, schrijver van den "Roem van het hertogdom Krain" voor 't eerst melding van het zonderlinge dier, dat in navolging van Oken Olm wordt genoemd. De Krainers verhaalden, dat in hun land van tijd tot tijd "Lintwormen" uit den grond komen om onheil aan te richten. Valvasor, naar den oorsprong van dit sprookje zoekend, vond deze in een klein "hagedisachtig" dier, een bewoner van de zoo talrijke onderaardsche stroomen dezer gewesten. Bij hoogen waterstand wordt het ook wel buiten de holen aangetroffen. Na de overstrooming van 1751 ving een visscher in de Unz 5 onbekende "Visschen", die een span lang en sneeuwwit van kleur waren, doch 4 pooten hadden. Laurenti, die de eerste beschrijving van deze diersoort gaf, noemde haar Proteus anguinus.

Dit hoogst merkwaardige wezen gelijkt op den Aalsalamander door de groote lengte van den romp en den hiermede samenhangenden, grooten afstand tusschen de zeer gebrekkig ontwikkelde, drieteenige, voorste en tweeteenige, achterste ledematen; doch verschilt er van door den vorm van den snuit, welke op dien van een Snoek gelijkt en door het nagenoeg geheel ontbreken der oogen; deze zijn uiterst klein en als 't ware slechts in grove trekken aangeduid, daar de lens en het glaslichaam ontbreken, bovendien geheel onder de huid verborgen en uitwendig geheel onzichtbaar.

De meeste Olmen hebben een geelachtig witte of lichtvleeschroodachtige kleur, die echter meer of minder sterk verandert, wanneer zij aan 't licht blootgesteld zijn. Enkele worden effen roodbruin, andere krijgen donkere, gewoonlijk blauwzwarte vlekken. De kieuwen zijn bij het levende dier helder bloedrood, maar verbleeken in het licht. De lichaamslengte kan tot 28 1/2 cM. toenemen, maar bedraagt in den regel niet meer dan 25 cM.

Tot dusver heeft men den Olm uitsluitend in de onderaardsche wateren van Krain, Karinthië, het Kustland en Dalmatië gevonden, vooral in de holen van het Karstgebergte in de omstreken van Adelsberg, in de Magdalena-grot en de Kleinhäusler-grot, bij Laas (in welks nabijheid de beek, die hier Unzflusz wordt genoemd, zich in onderaardsche waterreservoirs uitstort, waaruit hij eerst weer bij Ober-Laibach te voorschijn komt), bij de zoogenaamde "Zee-vensters" van het Laibacher moeras en in slooten, die met de Laibach-rivier in gemeenschap staan, enz. De landlieden kennen den Olm (die door hen "Menschvischje" of "Waterwoelster der duisternis" genoemd wordt) zeer goed; daar de vangst van dit voor aquariën zeer gewilde dier hun een niet te verwerpen bijverdienste oplevert. Zij zeggen, dat men het alleen in diepe bochten der holen geregeld aantreft, in het aan 't licht blootgestelde water boven den grond daarentegen slechts na hevige regenbuien, die de onderaardsche wateren doen zwellen en op deze wijze hunne bewoners tegen hun zin naar buiten meeslepen. Na iedere hevige regenbui onderzoeken de boeren sommige plassen, die door gaten in den bodem met water gevuld worden, voorts de uitmondingen der onderaardsche beken, visschen hier de Olmen op, die uit de diepte aangespoeld zijn en bewaren ze, totdat het tijd is om ze te verzenden. Ook begeven zij zich soms bij fakkellicht in de grotten, waardoor beken stroomen, of die plassen bevatten; zij laten hun licht zooveel mogelijk op het water schijnen en vangen de dan zichtbare dieren met een netje of eenvoudig met de handen. De gevangen Olmen worden bewaard en vervolgens verzonden in wijdmondige flesschen, die voor de helft met water gevuld en van boven met een fijn netje bedekt zijn.

Dikwijls hebben dierenliefhebbers en onderzoekers Olmen gedurende geruimen tijd, enkele exemplaren zelfs 6 à 8 jaren, in eenvoudige aquariën of zelfs in glazen bakken in 't leven gehouden. Gewoonlijk liggen de gevangenen op den bodem van den bak; in den regel blijven zij met gestrekt lichaam op dezelfde plaats; soms krabbelen zij af en toe met de voeten over den grond om zich naar een andere plek te begeven. Over dag blijven zij zeer rustig, althans wanneer hun woning zich op een donkere plaats bevindt; iedere lichtstraal brengt hen echter in beweging, noopt hen zoo spoedig mogelijk een duisteren hoek op te zoeken. Wanneer het water in hun aquarium zelden ververscht wordt, komen zij dikwijls aan de oppervlakte om lucht te scheppen, sperren daartoe den bek open en laten tevens met gorgelend gedruisch luchtbellen uit hunne kieuwspleten ontwijken. Indien het water dieper is, of telkens ververscht wordt, krijgen zij de voor hun ademhaling vereischte zuurstof door tusschenkomst van de kieuwen en vertoonen zich nooit aan den waterspiegel. Na uit het water genomen te zijn, bezwijken zij stellig binnen 2 à 4 uren; men kan ze echter wel in zeer ondiep water in 't leven houden; in dit geval vergrooten hunne longen zich, terwijl omgekeerd hunne kieuwen zich sterker ontwikkelen, indien zij gedwongen worden voortdurend onder water te blijven.

Waarschijnlijk is de werking van de zintuigen van den Olm over 't geheel genomen zwak; juist die echter, welke men allicht voor geheel onontwikkeld zou houden, toonen een merkwaardige geschiktheid voor het opnemen van indrukken. De dieren bemerken onmiddellijk het voedsel, dat men in het door hen bewoonde aquarium werpt, zwemmen er regelrecht op af en grijpen het bijna zonder fout. Men zou kunnen meenen, hieruit te moeten afleiden, dat de reuk of het gevoel bij hen zeer sterk ontwikkeld zijn, daar men aan de stoffijne, verborgen oogen toch moeielijk een onderscheidingsvermogen kan toeschrijven, dat zich boven het verschil tusschen licht en donker verheft. Volgens Dubois zetelt trouwens de gevoeligheid voor licht niet uitsluitend in de oogen, maar in de geheele huid; hier bedraagt haar sterkte echter slechts een derde van die, welke het oog bezit. Ook het vermogen om plaatsen te herkennen is bij hen buitengewoon sterk ontwikkeld.

De gevangen Olmen eten Wormen en Slakken, maar hebben een bijzondere voorliefde voor Watervlooien, die, zooals bekend is, tusschen alle dicht vertakte waterplanten in grooten getale voorkomen. Enkele Olmen weigeren hardnekkig al het voedsel, dat men hun geeft, maar blijven toch vele jaren gezond, wanneer hun slechts voortdurend versch water wordt verschaft; het is niet bekend, waarvan zij dan eigenlijk leven. Wel heeft men in de door hen bewoonde wateren verscheidene kleine, uitsluitend in holen voorkomende diertjes ontdekt, die hun tot voedsel zouden kunnen dienen en bij enkele ook waargenomen, dat zij schelpen van kleine Weekdieren uitbraakten; tot dusver zijn de berichten over de wijze, waarop zij zich in de vrije natuur voeden, nog zeer onvolledig.

Sedert 1875 weet men door een waarneming van den hoofdgids der grotten, Prelesznig, dat de Olmen eieren leggen. Ook Marie von Chauvin heeft in 1882 een wijfjes-Olm eieren zien vasthechten aan het gewelf van den aquarium-grot. Het bolvormige ei heeft een middellijn van 11 mM. Het leggen van de eieren geschiedt 's nachts; één voor één worden zij vastgekleefd.

In het jaar 1888 werd de larve van den Olm door E. Zeller voor 't eerst beschreven. Zijne gevangen Olmen hadden van 14 tot 16 April 76 eieren gelegd. Na 90 dagen kwamen twee larven uit; deze verkeerden op een hoogeren ontwikkelingstrap dan andere pasgeboren Salamanderlarven en waren aanvankelijk 22 mM. lang. Haar gestalte gelijkt reeds veel op die van den volwassen Olm; de huidzoom strekt zich echter over drie vierde van de lengte van den rug naar voren uit; de oogen zijn veel duidelijker zichtbaar en betrekkelijk grooter dan die van de volwassen dieren. De voorste ledematen hebben reeds drie teenen, terwijl de achterste nog slechts stompjes zijn. De dieren, waaraan Zeller deze waarnemingen deed, werden in de open lucht gehouden; aan het aquarium kwam een inrichting voor, waardoor de temperatuurswisseling van 't water tusschen 5 en 18° C. beperkt bleef.

Als men de levenswijze van den Olm in den gevangen toestand wil nagaan, moet men hem het leven zoo aangenaam mogelijk maken. Een gelijkmatige, tusschen 9 en 11° C. gelegen temperatuur van 't water, dat zuiver en middelmatig rijk aan lucht, tegen licht en schokken beveiligd moet zijn, benevens een doelmatige voedering met Regenwormen en kikvorschlarven, behooren tot de eerste vereischten voor het welzijn van dit dier.

De vierde familie omvat de Arm- of Voorpootsalamanders (Sirenidae), de laagst ontwikkelde der geheele orde.

De Voorpootsalamander (Siren lacertina) herinnert door het blijvend bezit van drie paar uitwendige kieuwen (met drie keelspleten) aan de Olmen en door den geheelen lichaamsbouw aan den Aalsalamander; van beide verschilt hij door het gemis van achterste ledematen, waarvan zelfs in het geraamte geen spoor voorhanden is; de voorpooten zijn aanwezig en met 4 teenen voorzien. De romp is lang en rolvormig, van achteren zijdelings afgeplat en spits toeloopend. De kleur is zwartachtig, van onderen en van boven gelijk, of aan de buikzijde iets lichter. De totale lengte bedraagt 67 à 72 cM. Dit dier bewoont de zuidoostelijke Vereenigde Staten, westwaarts tot in het zuiden van Texas.

De Voorpootsalamander wordt gevonden in moerassige oorden en houdt zich hier hoofdzakelijk onder oude boomstammen aan den waterkant op; soms klimt hij op deze stammen en laat, als het water uitdroogt, een klagend geroep hooren, dat bijna overeenkomt met dat van een jonge Eend, maar helderder en scheller klinkt.

In Juni 1825 kreeg Neill in Engeland een levenden Voorpootsalamander van 5 dM. lengte, dien hij 6 jaren lang in 't leven hield. Aanvankelijk werd hem een met water en zand gevulde tobbe tot woonplaats aangewezen; de bodem had een hellenden stand om het dier in staat te stellen op het droge te komen; later bleek het echter, dat het verblijf in mos hem beter beviel en daar dit spoedig verrotte en telkens vervangen moest worden, bracht men in de tobbe losdrijvende waterplanten, n.l. kikkerbeet, waaronder hij zich gaarne verschool. In den zomer at hij Regenwormen, kleine Stekelbaarsjes, larven van Watersalamanders, later ook Voorntjes; hij vastte echter gedurende den winter, van het midden van October tot aan het einde van April; toen stond de door hem bewoonde tobbe in een koude kas. Wanneer men in dezen tijd zijn staart aanraakte, liet hij luchtbellen ontsnappen en bewoog zich langzaam vooruit. Toen men hem in het jaar 1827 in een warme kas bracht, werd hij opgewekter en begon te kwaken als een Kikker, d.w.z. enkele gelijksoortige geluiden te maken. In dezen zomer at hij dikwijls 2 à 4 kleine Regenwormen na elkander en was over 't algemeen hongeriger dan vroeger. Bij aanraking maakte hij zulk een krachtige beweging, dat het water omhoogspatte. Hij leefde tot den 22en October 1831 en kwam door een ongelukkig toeval om 't leven: met verdroogde kieuwen vond men hem buiten zijn tobbe liggen. Gedurende de 6 jaren van zijn gevangenschap was hij 10 cM. langer geworden.

DERDE ORDE.

DE BLINDSLANGEN (Apoda).

"Meer dan eenige andere groep van Amphibiën mogen de Blindslangen of Slangsalamanders aanspraak maken op den rang van orde," zegt J. Wagler, "Hoewel zij door haar uitwendig voorkomen aan Slangen of liever aan Wormhagedissen herinneren, wijst haar inwendig maaksel op verwantschap met de Vorschen. Van de Wormhagedissen kan men ze dadelijk onderscheiden aan haar naakte huid; bovendien hebben zij nagenoeg geen staart: de ronde kloakopening is bijna aan het einde van het lichaam gelegen, dat op een overal even dikken, van voren zoowel als van achteren stomp uitloopenden rol gelijkt; de huid is overal glad en effen, of vertoont ringvormige groeven, die meer of minder dicht opeengedrongen zijn en is, zoolang het dier leeft, met een kleverig sap bedekt.