Het Leven der Dieren. Deel 3, Hoofdstuk 5: De Amphibiën

Part 7

Chapter 73,681 wordsPublic domain

Het vaderland van den Gevlekten Landsalamander omvat, met uitzondering van Groot-Brittannië en Ierland, geheel West-, Middel- en Zuid-Europa en strekt zich ook over Noord-Afrika en naar den anderen kant over West-Azië uit. Werkelijk zeldzaam is hij vermoedelijk nergens binnen de grenzen van dit gebied; in Duitschland b.v. komt hij veelvuldig, hoewel slechts in enkele voor hem bijzonder geschikte gewesten algemeen voor. Vochtige, sombere oorden in berg- en heuvelachtige gewesten, nauwe dalen of donkere wouden verschaffen hem een woonplaats, ruimten onder wortels en steenen, holen van verschillende dieren de gewenschte woning. Over dag verlaat hij deze niet anders dan na een regenbui, want ook voor hem is de nacht de tijd om te arbeiden. Droge warmte of blootstelling aan de zonnestralen onttrekt aan zijn lichaam schielijk zooveel onontbeerlijk vocht, dat zijn leven er door in gevaar wordt gebracht. Reeds wanneer het gedurende verscheidene dagen niet geregend heeft, ziet hij er mager en zwak uit, al komt zijn huid nu en dan met den dauw in aanraking; na regenbuien daarentegen verkrijgt hij een welgedaan, glad en volmaakt gezond voorkomen. Zijne bewegingen zijn langzaam en plomp. Bij 't gaan kruipt hij over den grond met zijwaartsche bewegingen van het lichaam. Zijn zwemmen is eigenlijk eenvoudig loopen in 't water, waarbij de staart als het voornaamste bewegingsorgaan beschouwd moet worden. Alle hoogere begaafdheden schijnen bij hem onbeduidend te zijn, de zinnen stomp, de geestvermogens uiterst gering. Hoewel hij dikwijls in het gezelschap van zijne soortgenooten gevonden wordt, mag men bij hem waarschijnlijk niet van neiging tot gezelligheid spreken: de eene bekommert zich nagenoeg niet om den anderen en de sterke valt, als de honger hem kwelt, onmeedoogend op den zwakkeren aan, om dezen te verslinden. Zijn voedsel bestaat uit dieren, die zich langzaam bewegen, bij voorkeur uit Slakken, Regenwormen en Kevers, soms ook uit kleine Gewervelde Dieren.

Over de voortplanting van den Landsalamander zijn de berichten ook thans nog niet geheel voldoende. Dat hij levende jongen ter wereld brengt staat vast; bij exemplaren in de kooi heeft men het leggen van eieren opgemerkt, die echter zeer schielijk door de larven verlaten werden. Hij is een landdier, dat zich alleen om zijn jongen ter wereld te brengen naar het water begeeft; met dit doel ziet men hem in April, of althans niet later dan Mei, op den bodem van het water rondloopen. Het aantal larven is betrekkelijk groot. Gewoonlijk bedraagt het 8, 16 of 24, zeldzamer 30 à 42, die tegelijk of spoedig achtereenvolgens in een tijdsverloop van 2 à 5 dagen het lichaam van de moeder verlaten. De larve is dan reeds met 4 pooten voorzien en volkomen in staat om zich op soortgelijke wijze als een geheel ontwikkelde kikvorschlarve in 't water te bewegen. De moeder kiest bij voorkeur koud bronwater als woonplaats voor hare jongen uit; hoewel deze dikwijls nog in October in het water te vinden zijn, verliezen zij gewoonlijk hunne kieuwen reeds in Augustus of in het begin van September en zijn dan in staat om zich naar de woonplaatsen hunner ouders te begeven, welker kleur zij reeds vroeger hebben aangenomen. Den winter brengen de Landsalamanders op betrekkelijk droge, vorstvrije plaatsen, diep verborgen in de met mos bedekte kloven van 't gesteente, in schijndooden toestand door. Bij gunstig weer verlaten zij omstreeks het begin van April hunne winterkwartieren; de jongen, die nog niet voor de voortplanting geschikt zijn, doen dit ongeveer een week vroeger dan de oude dieren.

De Salamanders worden door het scherpe, bijtende sap hunner huidklieren beschermd tegen vele vijanden, die hiervan een onaangename gewaarwording en zelfs gevaar ondervinden. Als men een Salamander in den nek pakt en hem hier drukt, spuit het sap naar buiten: het dier kan zijne klieren echter ook willekeurig ledigen en doet dit in den regel, wanneer het angstig is, om een aanval af te weren. Men heeft dikwijls een overdreven voorstelling gegeven van de nadeelige werking van het gif en zelfs beweerd, dat kinderen gestorven zouden zijn na het drinken van water uit een bron, waarin zich Salamanders ophielden; uit talrijke proeven is gebleken, dat de werking van het bedoelde sap zich bepaalt tot een hevige prikkeling der slijmvliezen, dat het een soort van ontsteking teweeg brengt, waardoor kleine, zwakke Vogels, ook wel Reptiliën en Amphibiën, kunnen bezwijken. Laurenti merkte op, dat de Hagedissen, die hij gedwongen had Salamanders te bijten, onder stuiptrekkingen stierven; Honden, Kalkoenen en Hoenderen daarentegen, die hij met stukgesneden Salamanders voederde, verteerden deze spijs zonder er nadeelige gevolgen van te ondervinden; soms echter kwam het voor, dat de Honden braakten.

Abini heeft het Salamander-gif bij dieren, zoowel direct, als door tusschenkomst van het spijskanaal in den bloedstroom gebracht; in beide gevallen kwamen vergiftigings-verschijnselen voor; de werking van het gif was echter sneller en heviger, wanneer het door den mond aan Vogels en Vorschen werd ingegeven, dan wanneer deze dieren er mede werden ingeënt. Daarentegen had het eten van het vleesch der door Salamandergif gedoode dieren geen nadeeligen invloed op de wezens, die er mede gevoederd werden.

De Gevlekte Salamander kan bij behoorlijke verzorging vele jaren lang de gevangenschap verduren. Men moet hem houden in een hok, dat een kleinen waterbak en geschikte schuilplaatsen bevat, van soortgelijken aard als die, welke hij in de vrije natuur opzoekt. Als voedsel kan men hem Meelwormen en Regenwormen, Insecten en Slakken geven; kleine exemplaren van zijn eigen soort vreet hij ook op.

Opmerkelijk is het, dat dit in vele opzichten zoo weinig gevoelige dier tegen sommige werkingen zoo slecht bestand is, en dat met name gewoon zout een zeer nadeeligen invloed op hem oefent.

In de Alpen wordt de Gevlekte Salamander vervangen door een verwante, veel op hem gelijkende soort, de Alpensalamander (Salamandra atra); deze is iets kleiner, minder plomp van gestalte en effen glinsterend zwart van kleur, dus zonder vlekken.

Zijn verbreidingsgebied omvat de Alpen van Savoye, Zwitserland, Tirol, Salzburg en Opper-Oostenrijk, Stiermarken, Karinthië en Krain, benevens eenige bergketenen van Wurtemberg en Beieren, die met de Alpen samenhangen. In de Alpen bewoont hij in aanzienlijken getale alle voor hem geschikte plaatsen in een tusschen 700 en 2850 M. gelegen hoogtegordel. Meestal ontmoet men deze dieren bij dozijnen onder steenen, mos, alpenrozen en lage struiken, op soortgelijke plaatsen dus als hun inheemsche verwant. Evenals deze, zijn zij traag, langzaam van beweging en slaperig van voorkomen; ook zij verlaten hunne schuilplaatsen alleen bij vochtig weer en zijn tegen groote droogte niet bestand.

Van de 20 of meer eieren, die iedere eileider van het wijfje in het voorjaar bevat, komt slechts één tot ontwikkeling; deze kiem voedt zich met de overige eieren en heeft op het oogenblik van de geboorte een lengte van 45 à 50 mM. bereikt; de kieuwen zijn dan, op kleine knobbeltjes na, reeds geheel verdwenen, hoewel zij gedurende den kiemtoestand buitengewoon groot waren en tot aan de achterpooten reikten. Een eigenlijke larvetoestand komt dus bij deze dieren niet voor.

De Watersalamanders (Molge) hebben een langwerpigen romp, voorpooten met 4, achterpooten met 5 teenen, benevens een zijdelings sterk samengedrukten, hoogen roeistaart; niet zelden strekt een vliezige kam zich uit langs den rug; deze is bij het mannetje gedurende den paartijd dikwijls sterker ontwikkeld; de staart is zoowel aan de boven- als aan de onderzijde met een vliezige vin omzoomd. Dit geslacht omvat 21 soorten, die Europa, Noord-Afrika, West-Azië, het noordoosten van China, Oost-Azië, en Noord-Amerika bewonen. Twee daarvan komen ook in Nederland voor.

De Groote Watersalamander (Molge cristata, Triton cristatus) bereikt een lengte van 13 à 15 cM. en is, behalve aan den diep, doch onregelmatig getanden rugkam, die bij het mannetje gedurende den voortplantingstijd (in Mei) voorkomt, doch later weer verdwijnt, ook kenbaar aan de kleur van de onderzijde; deze is, bij de keel te beginnen, op dooiergelen grond met zwarte vlekken van verschillende grootte geteekend. De grondkleur van den rug, van de zijden, van den staart en van de bovenzijde der ledematen is donkerbruin; de teekening bestaat uit groote, zwarte vlekken, aan de zijden gemengd met witte, die dikwijls tot groepen vereenigd zijn.

Tot het verbreidingsgebied van deze soort behooren Engeland, het noorden en midden van Frankrijk, België, Nederland, Zwitserland, Zweden, Denemarken, Duitschland, Italië, Oostenrijk-Hongarije, Rusland, Griekenland, Turkije en Klein-Azië tot in Trans-Kaukasië en Perzië. Bij ons is zij veel minder talrijk dan de volgende.

De Kleine Watersalamander (Molge vulgaris, Triton taeniatus) wordt 7.5 à 8.5 cM. lang; de rugkam waarmede het mannetje in den paartijd (Mei) getooid is, bereikt een geringere hoogte en is minder getand dan die van zijn grooteren verwant; bij dezen is hij aan den wortel van den staart lager, als 't ware uitgesneden, bij den Kleinen Watersalamander daarentegen op de genoemde plaats hooger dan elders. De teenen van de achterpooten van het mannetje zijn ter zelfder tijd aan weerszijden met een gelobden huidzoom voorzien. Bij beide seksen is de buik oranjegeel met zwarte vlekken en loopt de staart spits, bijna draadvormig toe. Bij het wijfje is de rugkam door een smalle lijst vervangen, worden de vliezen aan de teenen niet aangetroffen en heeft de staart slechts een smallen huidzoom. De olijfgroene of bruine grondkleur van de bovenzijde gaat op de zijden in witachtig geel over; ook hier bestaat de teekening uit zwarte vlekken, die gewoonlijk overlangsche reeksen vormen (taeniatus beteekent gestreept).

Zuid-Frankrijk, Spanje en Portugal zijn de eenige deelen van Europa, waar deze soort ontbreekt.

De Alpen-watersalamander (Molge alpestris, Triton alpestris) is 7 à 10 cM. lang, heeft een ongetanden rugkam en (behalve aan de keel) geen donkere vlekken op de oranjeroode buikzijde. De grondkleur van de rugzijde is bruin of leikleurig grijs. De teekening bestaat uit donkerbruine, getakte vlekken.

Deze soort is over Noord- en Middel-Frankrijk, België, Duitschland (met uitzondering van de Noord-duitsche vlakte), Zwitserland, Italië, geheel Oostenrijk-Hongarije en Noord-Griekenland verbreid.

De Zwemvoetsalamander (Molge palmata, Triton palmatus) is 7 à 8 cM. lang en slank gebouwd. Bij het mannetje komt in den paartijd een zeer lage rugkam voor en hebben de achterpooten volslagen zwemvliezen tusschen de teenen. Door een overlangsche lijst aan weerszijden van den rug heeft de romp een vijfkantigen vorm. De staart loopt uit in een draadvormige spits, die bij het mannetje 7, bij het wijfje ruim 2 mM. lang is en vrij achter den vinvormigen huidzoom van het overige deel van den staart uitsteekt. Op een min of meer naar geel zweemenden, olijfbruinen grond vertoont de bovenzijde van den kop donkere streepen, de rug donkere vlekken; de onderdeelen zijn dof oranjegeel met weinige zwartachtige vlekken, die op de keel geheel ontbreken.

De Zwemvoetsalamander bewoont het noorden van Spanje, Frankrijk, Engeland, België, het westen van Duitschland en Zwitserland.

De Watersalamanders verschillen in aard en gewoonten zoo weinig van elkander, dat een levensbeschrijving van één dezer dieren voor alle kan gelden.

Waterdieren noemt men ze gewoonlijk, en niet ten onrechte, daar zij niet slechts den paartijd, maar ook nog verscheidene maanden bovendien in 't water doorbrengen; sommige verlaten het zelfs in 't geheel niet. Toch moet men niet uit het oog verliezen, dat zij ook geruimen tijd op het land verkeeren; sommige soorten brengen hier zelfs hun geheele leven door, met uitzondering van de voortplantingsperiode. Om te paren en eieren te leggen kiezen zij bij voorkeur heldere, door struikgewas omgeven wateren uit, die hun het noodige voedsel kunnen verschaffen; eigenlijk vermijden zij alleen snelstroomende beken en rivieren. Op het land plomp en onhandig, bewegen zij zich in 't water zeer vlug, waarbij de breede staart hun de meeste dienst bewijst; dikwijls verheffen zij zich in verticale richting naar de oppervlakte om versche lucht op te nemen; naar diepere lagen teruggekeerd, ademen zij uit en laten dan eenige luchtbellen omhoogstijgen, dalen onder slangsgewijze kronkelingen nog verder naar beneden om, terwijl zij dicht bij den grond heen en weer zwemmen, op buit te loeren en te jagen. In den zomer verlaten zij het water om in ruimten onder steenen en boomwortels en gaten aan den waterkant verblijf te houden; later, in den herfst zoeken zij hier een gemeenschappelijke winterherberg. Wanneer zij echter een water bewonen, dat niet tot op den bodem bevriest, kunnen zij hier veilig het koude jaargetijde doorbrengen. Zij, die dit doen en zich aan land begeven, komen gewoonlijk in het laatst van Februari te voorschijn uit hunne winterslaapplaatsen op den bodem van 't water. Vlug en vroolijk dartelen de mannetjes en wijfjes in 't water om en zoeken elkander op; paarsgewijs zwemmend, blijven zij zoo dicht bijeen, dat de heen en weer kronkelende staarten tegen elkander slaan. Verscheidene weken lang houdt deze opgewondenheid aan.

Als de tijd voor het eierenleggen gekomen is (van April tot Juni), bevestigt het wijfje ieder ei afzonderlijk aan de onderzijde van het blad van een waterplant, welks beide helften naar elkander toegebogen en door het kleverige hulsel van het ei in dezen stand gehouden worden. Na 13 dagen begint de larve haar zelfstandig leven. Met vier aan de zijde van den kop voorkomende hechtdraden blijft zij halve dagen achtereen vastgehecht aan de waterplanten, die aanvankelijk na iederen rooftocht haar rustplaats verschaffen. Zwemmend, met vlugge zijwaartsche krommingen van den staart, vervolgt zij haar buit, die uit allerlei kleine, in 't water levende Gelede Dieren en Wormen bestaat. De kieuwen, die bij de geboorte reeds duidelijk zichtbaar zijn, verkrijgen hoe langer hoe meer vertakkingen. De ontwikkeling der voorpooten, die bij het verlaten van het ei slechts knobbeltjes waren, gaat intusschen geregeld voort. Als de larve (van den Grooten Watersalamander) 2 cM. lang is, komen ook de achterpooten voor den dag. Haar eetlust neemt steeds toe; als zij zeer hongerig is, overvalt zij ook larven van haar eigen soort en bijt deze de kieuwen en den staart af. Na drie maanden is de gedaantewisseling afgeloopen, zijn de kieuwen verdwenen en is de kleur gelijk geworden aan die der volwassene dieren. Evenals deze voedt zij zich met allerlei Insecten, die aan de oppervlakte van het water zwemmen, met Slakken en andere Weekdieren, Wormen, kikkerrit, larven van Visschen en andere Amphibiën, zelfs met die van hare soortgenooten. Schade richten de Watersalamanders niet aan; eerder zou men ze nuttig kunnen noemen, omdat zij een groot aantal larven van Muggen verslinden.

Ook bij de Watersalamanders merkt men kleursveranderingen op, die door de werking van chromatophoren in de huid veroorzaakt worden.

In de lente heeft om de 2 à 8 dagen een vervelling plaats, na de paring minder dikwijls, gedurende het verblijf op het land misschien in 't geheel niet meer. Hoewel de verwisseling van opperhuid zeer snel plaats heeft, schijnt zij de dieren nog al aan te doen, gelijk uit de daaraan voorafgaande, in 't oogvallende traagheid en lusteloosheid valt af te leiden.

In gewone omstandigheden hoort men van de Watersalamanders geen geluid; toch zijn zij niet stom. Als men ze eenigszins haastig en onzacht aanvat, toonen zij door een helder, kwakend geluid, dat zij evenals andere Amphibiën een stem bezitten.

De gevangen Watersalamanders stellen geen hooge eischen en kunnen zonder eenige moeite in een eenvoudig aquarium in 't leven gehouden worden. Den toeschouwer verschaffen zij een aangenaam tijdverdrijf. Zij zijn buitengewoon vraatzuchtig en worden daarom weldra zeer tam, wanneer men zich met hen bemoeit, d. w. z., ze dikwijls voedert. Vooral de voedering met Regenwormen levert menig vermakelijk tooneeltje op, dat dikwijls ook voorkomt, als men ze Vliegen geeft. Zij trachten elkander door bijten te verjagen; soms wordt een van hen door een afgunstigen kameraad bij een poot gepakt, waarop een hevig gespartel en geworstel volgt, totdat beide den strijd opgeven. Dikwijls grijpen zij elkander bij den kop en vechten verwoed. Wanneer eindelijk de vrede hersteld is, gaan alle aan den maaltijd en blijven bedaard, totdat twee van de gasten, die onbewust bezig zijn denzelfden Worm te verslinden, van de beide einden naar het midden voortschrijdend, elkander als concurrenten leeren kennen. De buit scheurt dan in den regel niet, maar de eene trekt hem den anderen weer uit den bek.

Met Watersalamanders zijn verscheidene proeven genomen betreffende hun levenstaaiheid en herstellingsvermogen. Reeds vroeger had men hun ongevoeligheid voor den invloed van een lage temperatuur waargenomen; ook was reeds gebleken, dat afgesneden lichaamsdeelen weder aangroeien. Door proeven werd voorts aangetoond, dat alle lichaamsdeelen merkwaardig volledig op nieuw worden gevormd; er ontstaan niet slechts stompjes ter vervanging van het weggenomen stuk, maar er heeft een werkelijke vernieuwing plaats van het orgaan met al zijne beenderen en gewrichten. Een afgesneden staart wordt volkomen vervangen, verkrijgt nieuwe wervels en bereikt dezelfde lengte als de vorige; in de plaats van afgesneden pooten ontwikkelen zich nieuwe met een volledig skelet; dit geschiedt telkens weer, wanneer dezelfde verminking herhaald wordt; zelfs geamputeerde kaken groeien weer aan. Spallanzani sneed het oog van een Watersalamander voor viervijfde deel weg en zag bij het dier binnen 10 maanden een nieuwen oogbal met hoornvlies, iris, lens, kortom, een volledig gezichtszintuig ontstaan, dat van het vorige alleen door een iets geringere grootte verschilde.

De Ribbensalamander (Molge Waltlii), een tot het Iberische schiereiland en Marokko beperkte soort, is slank en lang gebouwd, de kop is plat en afgerond als die van een Pad, de staart mesvormig samengedrukt en zoowel aan den boven- als aan den onderrand met een huidkam voorzien. De klierachtige huid is eigenaardig door een reeks van groote, hoornachtige knobbels, die op de grens van den rug en de zijden van den romp voorkomen, en waardoor dikwijls de lange, in een scherpe punt eindigende ribben naar buiten treden. De kleur van het dier is vuilbruin en heeft een eenigszins naar grijs zweemende tint; de vlekken vallen hier niet zeer in 't oog; de buikzijde is op okergelen grond met kleine, ronde, zwartachtig grijze vlekken geteekend.

Meer nog dan door uitwendige gedaante en kleur wijkt de Ribbensalamander door het skelet van de overige leden zijner onderorde af. Hij bezit het groote aantal van 56 wervels. Geen andere Salamander heeft zoovele en zulke goed ontwikkelde ribben. Waltl, naar wien dit dier genoemd werd, ontdekte het in de regenbakken, die men in geheel Andalusië zoo veelvuldig aantreft. Later is het gebleken, dat de Ribbensalamander zich niet uitsluitend in deze vergaarbakken, maar ook in plassen en meertjes ophoudt.

Vier teenen aan elken poot en een beenige boog over de slaapholte zijn de meest in 't oog vallende kenteekenen van de Brilsalamanders (Salamandrina), een door den Brilsalamander, de Tarantolina der Italianen (Salamandrina perspicillata), vertegenwoordigd geslacht. Bij de dofzwarte kleur van de bovenzijde steekt de roodachtig gele, brilvormige teekening boven de oogen duidelijk af; de zwarte keel heeft een witte vlek; op de licht gekleurde onderdeelen komen vele onregelmatige vlekken en stippels voor; de aarsstreek, de binnenzijde van de pooten en de onderhelft van den staart zijn fraai karmijnrood. De lengte van dit aanvallige diertje bedraagt slechts 8 à 10 cM. Het bewoont bergachtige, koele, schaduwrijke oorden op het eiland Sardinië en aan de Middellandsche zeekust van Noord- en Middel-Italië. Het schijnt in hooge bergstreken niet voor te komen, maar de voorkeur te geven aan heuvelachtige gewesten en in 't algemeen woeste oorden te vermijden.

"In de buurt van de stad Mexico," verhaalt Hernandez (later lijfarts van Philips II van Spanje), "vindt men een soort van meervisschen met zachte huid en vier pooten, zooals die der Hagedissen, een span lang en een duim dik, "Axolotl" of "Waterhond" genoemd. De kop is plat en groot, de teenen zijn als die der Vorschen. De kleur is zwart of bruin en gevlekt. Het dier wordt zoo genoemd wegens zijn ongewone en potsierlijke gedaante. Zijn vleesch gelijkt op dat van de Alen en is gezond en smakelijk; het wordt, op verschillende wijzen toebereid, gegeten."

Deze mededeeling bleef nagenoeg onopgemerkt, totdat in een der eerste jaren van onze eeuw twee exemplaren van het bedoelde dier, door A. von Humboldt naar Frankrijk gebracht en door Cuvier nauwkeurig beschreven werden. Zij kwamen in grootte met den Gewonen Landsalamander, maar in vorm met larven van Watersalamanders overeen en werden door de genoemde geleerden als larven beschouwd. De Axolotl heeft een platten en betrekkelijk zeer breeden kop, waarachter 3 paar groote, roode, sterk vertakte, kwastvormige kieuwen voorkomen; de romp is ineengedrongen, de staart zijdelings samengedrukt, van boven en van onderen met een huidzoom voorzien, die zich voortzet in een lagen, tot aan den kop reikenden, ongetanden rugkam. De voorpooten hebben 4, de achterpooten 5 teenen. De tamelijk gelijkmatige, donker groenachtig bruine kleur is met zwarte vlekken en witte stippels geteekend.

Bij geen der talrijke Axolotls, die na de zooeven bedoelde exemplaren levend of dood in Europa kwamen, werd eenig spoor van gedaantewisseling waargenomen; alle geleken op de reeds bekende. Dit gaf aanleiding tot de meening, dat deze dieren reeds volkomen ontwikkeld waren; een bevestiging hiervan vond men in hun overeenkomst met andere Amphibiën, die eveneens levenslang de larveorganen behouden. Zelfs Cuvier werd hierdoor bewogen om, in strijd met zijn vroegere overtuiging, den Siredon axolotl een plaats aan te wijzen bij de Salamanders met blijvende uitwendige kieuwen.

Op deze hoogte bleef de kwestie tot in 1865. Alle dierkundigen volgden het voorbeeld van Cuvier en beschouwden den Axolotl als een volkomen ontwikkeld dier, waarvan geen gedaantewisseling verwacht kon worden. Uit het weinige, wat van zijn leven in de vrije natuur bericht werd, meende men te mogen afleiden, dat het zich ook in Mexico nooit anders dan met kieuwen vertoond had; het was toch niet waarschijnlijk, dat dieren, die bij duizenden ter markt worden gebracht, in de nabijheid van de Mexicaansche meren, waar zij zoo overvloedig voorkomen, nooit in een anderen vorm gezien zouden zijn, indien zij dezen werkelijk aannemen.

De voortplanting van den Axolotl werd voor 't eerst waargenomen door Duméril in den "Jardin des Plantes" te Parijs, die in het begin van 1864 van den "Jardin d'acclimation" 6 levende exemplaren (5 mannetjes en 1 wijfje) kreeg. In het door hen bewoonde, doelmatig ingerichte aquarium gedroegen zij zich als gewone larven, totdat, voor 't eerst in Februari 1865 en 6 weken later nogmaals, het wijfje (geheel op dezelfde wijze als de inheemsche Watersalamanders na de gedaantewisseling) een groot aantal eieren legde. 28 à 30 dagen daarna kwamen hieruit larven te voorschijn; deze hadden in het begin van September nagenoeg de grootte van hunne ouders bereikt. Dit feit scheen een bevestiging in te houden van de algemeene meening omtrent den aard van den Axolotl, daar men in dien tijd wel bij Ongewervelde, doch niet bij Gewervelde Dieren voorbeelden kende van tot voortplanting geschikte larven (paedogenesis noemt men dit verschijnsel).