Het Leven der Dieren. Deel 3, Hoofdstuk 5: De Amphibiën

Part 3

Chapter 33,678 wordsPublic domain

De Groene Kikvorsch bereikt (zonder de 10 à 11 cM. lange achterpooten) een lengte van 6 à 8 cM. en wordt soms misschien nog wel iets grooter. De bovendeelen zijn op fraai groenen grond geteekend met zwarte vlekken en met drie gele, overlangsche strepen: één over het midden van den rug en één op elke zijde. Twee zwarte strepen komen aan iedere zijde van den kop voor. De onderdeelen zijn wit of geelachtig; de achterdeelen zwart en geel gemarmerd. Na het eierenleggen vertoonen de kleuren de meeste frischheid, later worden zij soms lichter, soms donkerder en verkrijgen in mindere of meerdere mate een bruine of grijze tint; ook heeft soms de eene, soms een andere teekening de overhand, daar de overlangsche strepen meer of minder duidelijk kunnen zijn. De groote oogen hebben een helder gelen ring; hun uitdrukking is schrander en opgewekt. Een grootere verscheidenheid--de Meerkikker (Rana esculenta, var. ridibunda)--heeft een lichaamslengte van 10 à 11 cM., zonder de 14 à 16 cM. lange achterpooten; de achterdeelen zijn olijfkleurig of groenachtig wit en donker olijfkleurig gemarmerd.

De Groene Kikvorsch bewoont, behalve Europa, ook het noordwesten van Afrika en een groot deel van West-Azië. Overal waar hij voorkomt, is hij zeer talrijk; men zou dit kunnen toeschrijven aan neiging tot gezelligheid; de ware reden hiervoor is waarschijnlijk gelegen in zijn buitengewoon snelle vermenigvuldiging; in iederen vijver, waar een paartje zich vestigt, krioelt het weldra van nakomelingen. Over 't geheel genomen zeer gemakkelijk te bevredigen, stelt de Waterkikker toch bepaalde eischen aan het water, dat door hem tot woonplaats wordt gekozen. Hoewel hij slechts in weinige wateren ontbreekt, vindt men hem in grooten getale slechts in die, welke langs de oevers met hoog gras en biezen begroeid en in het midden met waterplanten (bij voorkeur drijvende) bedekt zijn. Hij vestigt zich ook nog wel in water dat eenigszins brak is, maar toont zich van zoute meren meren niet minder afkeerig dan van de zee. Kleine, met struikgewas omgeven plassen, over welker waterspiegel de plompen zich uitbreiden, sloten, die, althans gedurende het grootste deel van 't jaar, water bevatten, zijn de liefste verblijfplaatsen van den Groenen Kikker; daarna komen poelen, broeklanden en moerassen in aanmerking, in het zuiden vooral ook de rijstvelden, daar deze lang met water bedekt moeten worden gehouden en, evenals de vijvers, den door hem begeerden buit in overvloed bevatten. In zulke wateren merkt men hem duidelijk op, niet slechts met de oogen, maar ook met de ooren. Daar hij veel van warmte houdt, tracht hij van iedere zonnestraal partij te trekken en vertoont zich daarom over dag geregeld aan de oppervlakte, waar hij, den kop boven den waterspiegel houdend en de kolossale zwemvoeten wijd uitspreidend, op dezelfde plaats blijft drijven, of zoo gemakkelijk mogelijk op het breede blad van een waterplant, een drijvend stuk hout, een boven 't water uitstekenden steen, een rotsblok aan den waterkant of een dergelijk plaatsje zittend, zwelgt in het genot, dat de zonnewarmte hem verschaft. Wanneer er geen stoornis komt, blijft hij den halven dag hier zitten, zonder zich te bewegen. Door de een of andere oorzaak opgeschrikt, of door een gemakkelijk verkrijgbaren buit verlokt, gaat hij met een kolossalen, soms wel 1 M. verren sprong te water, zwemt met krachtige slagen van de achterpooten tusschen den waterspiegel en den bodem voort, in 't eerstgenoemde geval een flauw hellende lijn volgend tot in den modder, waarin hij zich verbergt. Nooit blijft hij in de veilige diepte langer dan zijns inziens volstrekt noodig is; na een korte rust verlaat hij zijn schuilplaats, roeit langzaam weg, zwemt naar de oppervlakte, steekt den kop er boven, wendt de heldere oogjes in alle richtingen en tracht zijn vorige plaats terug te vinden. Als de avond valt, of nadat een regenbui de lucht heeft afgekoeld, komt de geheele bevolking van den plas bijeen, bij voorkeur op een zekeren afstand van den oever tusschen de planten en begint nu een van hare alom bekende, muzikale uitvoeringen. Zoo gaat het iederen dag van het midden van April tot het midden, hoogstens tot het einde van October; dan is het voor onze Kikkers tijd om op den bodem van het water, in het slijk of in een hol een winterkwartier op te zoeken. Reeds in Zuid-Europa verschijnen zij veel vroeger en verdwijnen later; in Noord-Afrika houden zij op plaatsen, waar de plassen niet uitdrogen, geen winterslaap meer, maar behouden gedurende het geheele jaar nagenoeg dezelfde levenswijze; alleen in den paartijd komt er eenige verandering in hun gedrag; dan zijn zij levendiger en kwaken met meer volharding dan gewoonlijk.

De Groene Kikvorsch is niet van talenten ontbloot; zijne bewegingen getuigen van kracht en behendigheid, uit zijne handelingen blijkt eenig verstand. Evenals de meeste van zijne verwanten, beweegt hij zich op het land nooit anders dan springend; de sprongen die hij doet, zijn zeer groot en worden met verrassende behendigheid geregeld. Bij het zwemmen werken alleen de achterpooten; op een zekeren afstand onder den waterspiegel is zijn beweging snel; in de bovenste waterlaag haast hij zich niet. Door de achterpooten krachtig te strekken kan hij zich echter ook tot op eenigen afstand boven de oppervlakte verheffen, hetzij om een voorbij gonzend Insect buit te maken of om een boven de waterlijn gelegen rustplaats te bereiken. Zijne zintuigen staan op een hoogen trap van ontwikkeling. Zijn gezichtskring strekt zich tamelijk ver uit, zooals het goed gevormde, fraaie oog reeds doet vermoeden; zelfs kleine voorwerpen worden op korten afstand duidelijk waargenomen. Bij zijne avondconcerten geeft hij zulke duidelijke bewijzen van een goed gehoor, dat er aan de ontwikkeling van dit zintuigelijk vermogen niet valt te twijfelen. De reukzin ontbreekt stellig niet; alleen over het gevoel en den smaak kan verschil van meening bestaan, omdat men over de volkomenheid van deze vermogens moeielijk kan oordeelen. Van zijn verstand kan men zich gemakkelijk overtuigen door hem geruimen tijd achtereen na te gaan. Ook zijn handelwijze verschilt al naar de omstandigheden. Op plaatsen waar niemand hem stoort, wordt zijn argeloosheid zoo groot, dat men hem tot op een voet afstands kan naderen, voordat hij met geweldige sprongen het hazenpad kiest. Vervolgingen maken hem schuw, nopen hem veel eerder dan gewoonlijk de vlucht te nemen; zelfs te midden van een niet al te groot water duikt hij onmiddellijk naar de diepte, zoodra een hem welbekende vijand zich aan den oever vertoont. Oude Kikvorschen zijn altijd voorzichtiger dan jonge en worden ook, gelijk Zoogdieren en Vogels met rijpe ervaring, waarschuwers voor hunne minder vaak beproefde soortgenooten, voor zoover deze schrander genoeg zijn om in te zien, dat zij niets beters kunnen doen dan de wijste leden van hun geslacht na te volgen. Ook voor dieren, die jacht op hen maken, nemen zij zich in acht; de bewoners van plassen, die geregeld door den Ooievaar bezocht worden, vluchten bij de komst van dezen Vogel even haastig als bij de nadering van een mensch. Niet zelden vangen zij hun buit met een zekere list; zij bespieden hem als een roofdier, zwemmen zachtjes onder water naderbij en schieten er plotseling op toe; ook weten zij zeer goed, wat hun te doen staat, als een door hen gevangen dier moeilijk te bedwingen is. In de gevangenschap bedraagt de Groene Kikvorsch zich in 't eerst zeer onbehoorlijk, knort, mort en springt in 't rond, alsof hij zinneloos is. Vooral wanneer men hem buiten het water houdt, leert hij langzamerhand zijn verzorger kennen en vat genegenheid op voor den pot met Meelwormen, toont mettertijd ook eenige genegenheid aan zijn meester, neemt het voedsel aan, dat deze hem voorhoudt, laat zich in de hand nemen en ronddragen, zonder pogingen te doen om te ontvluchten en verwaardigt zich ten slotte ook om, in plaats van levende dieren, het een of andere surrogaat als voedsel te gebruiken.

Zijn grootte in aanmerking genomen is de Groene Kikvorsch een flinke roover. Hij eet geen anderen buit dan die, welke door hem zelf verworven is en geen andere dan levende dieren; een wezen, dat zich niet beweegt, verlokt hem niet tot een sprong. Terwijl hij rustig zit, let hij op al wat er in zijn omgeving voorvalt en loert als 't ware op buit; zoodra er een in de nabijheid komt, springt hij er op af, werpt de tong buiten den bek en verzwelgt het op deze wijze gevangen slachtoffer. In den regel zijn Insecten (ook Angeldragende Vliesvleugeligen), voorts Spinnen en Slakken de hoofdbestanddeelen van zijn maal; hierdoor bewijst hij ons een grooten dienst; zijn vraatzucht verleidt hem echter ook wel tot rooverijen, die wij hem niet kunnen vergeven. Eerst als de lente werkelijk ingetreden is, veel later dus dan de Gras- en de Boomkikker, vangen de voortplantingsverrichtingen van den Waterkikker aan, zelden voor het einde van Mei, meestal eerst in Juni. De eieren zijn lichtgeel, gedeeltelijk echter grijsgeel, worden bij hun beweging door den eileider met een geleiachtige massa omhuld, zakken bij het leggen op den bodem en blijven er. Zij zijn iets kleiner dan die van den Graskikker en zelfs dan die van den Boomkikker, maar talrijker; soms legt één wijfje er wel 1000; als de weersgesteldheid in den tijd van 't leggen der eieren gunstig is, worden hieruit zoovele larven geboren en ontwikkelen deze zich zoo voorspoedig, dat er geen gevaar bestaat voor het uitsterven der soort. Reeds op den 4en dag na het leggen beweegt zich de kiem, aan het einde van den 5en of 6en barst het eitje open en ziet men de grijsgele larve, die nu 1 mM. lang is, trillend het lichaam krommen en kort daarna ook zwemmen. Aan het einde van de 3e week zijn reeds longen aanwezig en is het kieuwdeksel zoo ver ontwikkeld, dat er voor het afvoeren van het ademhalingswater slechts een kleine kieuwspleet overblijft. Aan het einde van de 3e week zijn de achterpooten duidelijk zichtbaar. Als de larve ruim een maand oud is, heeft zij een lengte van 6 à 7 cM. bereikt; de 4 ledematen zijn dan volkomen ontwikkeld. De lengte van den staart overtreft echter nog altijd die van den romp; dit bewegingsorgaan is zijdelings samengedrukt en met een zeer breeden zoom voorzien; het begint nu in te krimpen en verdwijnt eindelijk geheel, zonder dat hiermede een merkbare vergrooting van den romp gepaard gaat: na de gedaantewisseling schijnt het dier zelfs kleiner te zijn dan het als larve was; het is nu ongeveer 4 maanden oud. Eerst in het 5e levensjaar heeft de Groene Kikvorsch zijn gewone grootte bereikt; ook dan echter is zijn groei nog niet geheel afgeloopen.

De meeste Groene Kikvorschen sterven niet aan ouderdomskwalen, maar komen om 't leven door de tanden, de klauwen of den snavel van een roofdier. Buitengewoon groot is hun weerstandsvermogen, hun taaiheid. Zij kunnen niet, zooals men vroeger meende, in ijsklompen vastvriezen en door het ontdooien van het ijs uit den schijndooden toestand opgewekt worden, maar wel gedurende geruimen tijd droogte verduren; hiervan leveren zij trouwens alleen in zuidelijke landen de bewijzen, daar zij in 't noorden in dergelijke omstandigheden zich naar een ander water zouden begeven. Zelfs zware kwetsuren genezen bij hen spoedig; de vreeselijkste verminkingen veroorzaken eerst na verscheidene uren den dood. Onze Groene Kikvorschen worden onophoudelijk vervolgd door allerlei roofdieren. De Vos, de Vischotter, de Bunzing en de Waterrat maken jacht op hen; zij worden de prooi van Schreeuwarenden, Slangenarenden en Buizerden, van de Raven en hunne verwanten, van Ooievaars en Reigers; zij dienen tot voedsel aan Forellen, Snoeken en vele andere roofvisschen; het opnoemen van al hunne vijanden zou ons te lang ophouden. Hier te lande wordt hun te sterke vermenigvuldiging tegengegaan, doordat bij 't slatten der slooten de uit het water gehaalde eierenhoopen op het droge omkomen. Reeds in Zuid-Duitschland echter en in geheel Zuid-Europa wordt ijverig jacht op hen gemaakt, omdat men kikkerboutjes te recht voor een smakelijk, gezond en voedzaam gerecht houdt. Vooral in den herfst, als deze dieren het vetst zijn, worden zij in grooten getale op zeer verschillende wijzen, met hengels, pijlen en netten gevangen.

De Graskikker, Landkikker of Bruine Kikvorsch (Rana temporaria, R. fusca), die, evenals de vorige soort, in Zeeland Puje, in Friesland Froask wordt genoemd, kan even groot worden als deze, maar verschilt er zoozeer van door lichaamsbouw, kleur en levenswijze, dat niemand hem er mede kan verwarren. De bovendeelen zijn op bruinen of roodbruinen grond met donkerbruine of zwarte vlekken, de slapen met een donkeren, overlangschen veeg geteekend, de pooten met donkere dwarsstrepen voorzien, de borst en de buik bij het mannetje, zoowel als bij het iets grootere wijfje, op lichten grond roodbruin gevlekt of gemarmerd.

Noord- en Middel-Europa, van Noord-Spanje en Engeland tot Finland, Europeesch Rusland en Skandinavië tot aan de Noordkaap, voorts de noordelijke en gematigde gewesten van Azië zijn het vaderland van den Graskikvorsch; men vindt hem nog in bergstreken van 2250 M. hoogte, b.v. op den Grimsel, naast het hospitium, en in de hooge Alpenmeren op den St. Gotthard, hoewel het ijs deze meren dikwijls nog in Juli bedekt. In vlakke streken vindt men, behalve 's winters, de Bruine Kikkers slechts gedurende den paartijd in 't water; in de hooge bergstreken daarentegen vervangt deze soort in zekeren zin den Waterkikvorsch en verlaat zij het water nagenoeg niet meer na een uitstapje, dat in de prille jeugd plaats heeft. Van alle Vorschen ontwaakt de Bruine het eerst uit den winterslaap; nog voordat het water vrij is van ijs, komt hij te voorschijn; zijne jongen hebben het ei reeds verlaten, voordat een zijner verwanten eieren gelegd heeft; daar zijne larven zich sneller ontwikkelen dan die der andere Vorschen, is het hem mogelijk zich blijvend te vestigen in oorden, waar de zomer slechts weinige weken duurt. Zijne eieren zijn grooter, doch minder talrijk dan die van den Groenen Kikvorsch; bij het leggen zinken zij naar den bodem; hier vult het geleiachtig eihulsel zich met water; daardoor stijgen de eieren weer naar de oppervlakte en vormen groote, dichte, slijmerige klompen (kikkerrit). Wegens de lage temperatuur in Maart ontwikkelen zij zich langzaam. Eerst 14 dagen na het leggen kan men de larve in het ei duidelijk waarnemen; 3 of, bij ongunstige weersgesteldheid, 4 weken later komen zij uit en zwemmen rond, maar keeren van tijd tot tijd naar het kikkerrit terug, waarschijnlijk om zich met deze slijmerige massa te voeden. Daarna heeft de ontwikkeling van de larven schielijker plaats, want reeds binnen 3 maanden zijn zij volkomen Kikvorschen geworden. Deze verlaten het water en doen dit, als de omstandigheden gunstig zijn, bij groote troepen te gelijk, hetgeen den grond gelegd heeft tot de oude sage van den kikkerregen.

Nu begint de jonge Graskikker hetzelfde leven als zijne ouders. In tegenstelling met den Waterkikvorsch, zwerft hij dikwijls op grooten afstand van 't water rond: op weiden en in tuinen, op bouwland en in bosschen, in het struikgewas en op dergelijke plaatsen,--verschuilt zich op warme dagen onder steenen, boomwortels, in gaten van den grond en andere schuilhoeken, waaruit hij te voorschijn komt, als de schemering aanvangt, om zich met de jacht bezig te houden. Daar hij allerlei Insecten, naakte Aardslakken en dergelijke kleine dieren vangt, brengt zijn werkzaamheid ons voordeel aan, waarschijnlijk veel meer dan men denkt. Bij hunne omzwervingen verplaatsen de Graskikkers zich gewoonlijk met kleine sprongen, doorsnuffelen de omgeving, blijven loerend stilzitten, zoodra zij een Insect bespeuren en wachten den begeerden buit veeleer af dan dat zij hem opzoeken. Met pijlsnellen sprong schieten zij toe, als het slachtoffer dicht bij hen gekomen is, werpen de kleverige tong naar buiten en slikken het hiermede gegrepen dier onmiddellijk door. Dat hierbij wel degelijk onderscheid wordt gemaakt tusschen de eene soort en een andere, blijkt o.a. uit het feit, dat zij Bijen verzwelgen, maar Wespen onmiddellijk weer uitspuwen.

In één opzicht staan de Graskikkers ver achter bij hunne groene neven: zij zijn minder muzikaal. Slechts nu en dan hoort men van hen een geknor of gebrom, dat uit veel minder volle tonen bestaat dan het gezang der Waterkikvorschen en door de wijfjes bijna even goed voortgebracht wordt als door de mannetjes.

Meer dan eenige andere Vorsch heeft de Graskikker te lijden van zijne vijanden. In ieder ontwikkelingstijdperk, in het water en op het land, staat hij bloot aan de vervolging van groote en kleine roofdieren; hunne aanvallen houden eerst op, nadat hij tegen het einde van October zijn winterkwartier in den modder heeft betrokken. Bij deze legioenen van vijanden voegt zich ook de mensch; meer nog dan de Groene wordt de Bruine Kikker ter wille van zijne gevleeschte achterboutjes gevangen en om 't leven gebracht. Hoewel duizenden op deze wijze sneven, vermindert gelukkig het aantal dezer nuttige dieren niet of althans niet merkbaar: een gunstige lente vergoedt het verlies van een tiental voorafgaande jaren.

Eerst in den laatsten tijd is men beter bekend geworden met den Veldkikker (Rana arvalis), die veel op de vorige soort gelijkt en er vroeger mede vereenigd werd. Bij den Veldkikker is de snuit een weinig spitser en steekt merkbaar voor het uiteinde van de onderkaak uit, hetgeen bij de vorige soort in zeer geringe mate het geval is. Bij gene is het voorhoofd breeder en zijn de oogen dus verder van elkander verwijderd. Het zwemvlies van de achterpooten, dat bij den Graskikker volledig is, is bij zijn naasten verwant onvolledig en dun. Bij dezen is de knobbel aan den hiel stevig en hard, bij genen zwak en teer. Bij den Veldkikker is de buikzijde altijd ongevlekt en wordt het midden van den rug dikwijls ingenomen door een breede, lichte, geelachtige of roodachtige, aan de zijden zwart begrensde, overlangsche streep. Lengte 5 à 6.5 cM.

De Veldkikker bewoont vooral de noordelijke landen van Europa; de oorden van Middel-Europa, die men als verblijfplaatsen van deze soort heeft leeren kennen, bestaan meestal uit veengrond, moerassen en vochtige heidestreken, waar zonnedauw, dopheide, duivelsmelk (Euphorbia palustris) en dergelijke planten welig groeien. In ons land werd deze soort tot dusver alleen bij Apeldoorn aangetroffen, hoewel het vrij zeker schijnt, dat zij ook in vele streken van onze oostelijke provinciën niet zal ontbreken (Ritzema Bos). Dikwijls verkeert zij in gezelschap van den Waterkikker en den Graskikker.

De Europeesche Kikvorschen zijn dwergen in vergelijking met sommige van hunne verwanten uit Noord- en Middel-Amerika en Indië, die bovendien over een veel luidere stem beschikken. De Noord-Amerikaansche Kikvorsch, die in deze beide opzichten het meest uitmunt, wordt vergeleken met een Zoogdier, dat zich meer vrienden heeft verworven door zijn forschen lichaamsbouw dan door zijne muzikale gaven. De Bulkikvorsch, de Bullfrog der Anglo-Amerikanen (Rana Catesbyana, R. mugiens), bereikt een lengte van 17 à 19 cM. zonder de achterpooten, die 24 cM. lang kunnen worden. Zijn bovenzijde is op olijfbruinen grond met groote, donkerbruine of zwarte wolkachtige vlekken geteekend; de geelachtig witte onderzijde is soms effen van kleur, doch vaker bruin gemarmerd; het oog heeft een roodachtige iris met gelen rand.

Het verbreidingsgebied van den Bulkikvorsch omvat het geheele Oosten van Noord-Amerika, van Nieuw-York tot Nieuw-Orleans; het schijnt echter, dat hij nergens in zoo grooten getale voorkomt als onze Waterkikvorsch, misschien om de zeer geldige reden, dat het noodige voedsel voor zulk een heirleger van vraatzuchtige wezens moeielijk te vinden zou zijn. Hoewel dit dier alle oostelijke Vereenigde Staten bewoont, is het toch, volgens Audubon, in het zuiden veel talrijker dan in het noorden. Gewoonlijk vindt men het bij heldere, dicht met struikgewas overschaduwde stroomen. Hier zit het in de middaguren behaaglijk in het zonnetje en houdt zich, even als zijne verwanten, dicht genoeg bij het water op, om bij dreigend gevaar (en in den regel als het nog ver af is) met één kolossalen sprong het natte element te kunnen bereiken; hier duikt het meestal naar den bodem en zwemt naar den tegenovergestelden oever. Zijn stem is luider dan die van eenigen anderen Kikvorsch en, naar bericht wordt nog hoorbaar op een afstand van verscheidene Engelsche mijlen; in de zuidelijke staten hoort men haar gedurende het geheele jaar, hoewel hoofdzakelijk in lente- en zomermaanden, in de noordelijke slechts des zomers en, zooals te verwachten is, vooral gedurende den paartijd. Volgens geloofwaardige mededeelingen komen dan minstens eenige honderden reusachtige brullers bijeen, welker ijver in het voortbrengen van geluiden niets te wenschen overlaat; evenals hunne Europeesche verwanten loeien zij onverpoosd gedurende den geheelen nacht; teergevoelige menschen, die bij de oevers van een door hen bewoond water gevestigd zijn, worden hierdoor nagenoeg tot vertwijfeling gebracht. De Amerikanen bootsen de zware, heesche basstem van dezen Kikvorsch na door de woorden "more rum" (meer rum) of "brwoem." Na het leggen van de eieren verspreiden de Kikvorschen zich weer eenigszins en keeren naar hunne gewone verblijfplaatsen terug.

De Bulkikvorsch geeft duidelijke bewijzen van vraatzucht aan iederen boer in zijn vaderland. Hoewel zijn voornaamste voedsel uit Insecten, Land- en Zoetwaterslakken bestaat, bepaalt hij zich niet tot dezen buit, indien er een andere te krijgen is, maar valt moordzuchtig aan op ieder levend wezen, dat hij meent te kunnen overmeesteren. Soortgelijke rooverijen als onze Waterkikkers soms beproeven, plegen zij herhaaldelijk met goed gevolg: kleinere Vorschen worden gretig ingeslikt, jonge Eenden gedurende het zwemmen van onderen aangegrepen, naar beneden gesleurd en nadat zij verdronken zijn, verzwolgen; het kuikentje, dat zich onvoorzichtig te dicht bij den oever heeft gewaagd, wordt onverhoeds besprongen, gegrepen, naar een veilige diepte vervoerd en verslonden, nog voordat de klokhen, die met overeindstaande veeren haar kind te hulp snelt, den waterkant heeft kunnen bereiken. De plattelandsbewoners verzekeren, dat de Bulkikvorsch onder de jonge Watervogels meer slachtoffers maakt dan de Mink en zijne verwanten. Zelf wordt hij het slachtoffer van zijn vraatzucht, als de hengelaar hem verschalkt met een lokaas; hiernaar hapt hij even gretig als vroeger naar het kuikentje, voor welks dood hij nu moet boeten door het verlies van zijne achterpooten, die de grondstof leveren voor een zeer smakelijk gerecht. Men vangt deze 300 gram zware Kikvorsch niet slechts met den hengel, maar ook in netten en vallen en zelfs met het geweer: hij is wel een schot hagel waard.

Op zijn lekker vleesch zijn, behalve de mensch, ook allerlei groote roofdieren, vooral Visschen, belust. Voor de vangst van een Haai is er, naar men zegt, geen beter lokaas dan een Bulkikvorsch.

In den laatsten tijd worden levende Vorschen van deze soort niet zelden naar Europa overgevoerd en hier door dierenliefhebbers verzorgd.