Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 9
De familie van de Bladsprietigen (Scarabaeidae) is in alle werelddeelen vertegenwoordigd, het minst in Australië, het sterkst in Afrika; ongeveer 6600 soorten zijn bekend, waarvan 385 Europa bewonen. Behalve door rijkdom aan soorten, die van een groote verscheidenheid van uitwendig voorkomen getuigt, munt deze familie uit door de grootte, den fraaien vorm en de prachtige kleur van hare leden, waarbij ook de grootste van alle Kevers voorkomen. Bovendien merkt men in geen andere familie zulk een groot verschil op tusschen het mannetje en het wijfje van een soort. De mannetjes onderscheiden zich niet slechts door uitwassen aan den kop of aan het halsschild of aan beide te gelijk, maar in enkele gevallen ook door de kleur en de skulptuur van het chitine-skelet zoo belangrijk van de leden der andere sekse, dat men zou kunnen twijfelen aan de tusschen hen bestaande betrekking. Wel is het opmerkelijk, dat dit verschil het duidelijkst is bij de grootste soorten, geringer wordt en bijna geheel wegvalt, naarmate zij kleiner zijn.
Bij al hun verscheidenheid stemmen deze duizenden Kevers overeen door de samenstelling van de sprieten. Deze zijn middelmatig lang; ieder der 3 à 4 laatste, zeer korte sprietleden loopt uit in een dun plaatje, een naar voren gericht aanhangsel, dat bij het mannetje dikwijls langer is dan bij het wijfje. In den toestand van rust voegen deze plaatjes zich aaneen tot een bladerige knots. Zoodra de Kever zich gereed maakt om te vliegen of een anderen inspannenden arbeid te verrichten, spreidt hij de plaatjes als een waaier uit. Juist in de beweeglijkheid der sprietleden is het voorname verschil tusschen de Bladsprietigen en de Kamhoornkevers gelegen. De voet bestaat altijd uit 5 leden, maar biedt veel verschil aan, wat de ontwikkeling der klauwen betreft. Wegens het maaksel van hun voet zijn alle Bladsprietigen slecht ter been; zij richten bij 't loopen de pooten sterk zijwaarts; vele van hen kunnen goed graven; de meeste zijn ondanks hun plompen lichaamsbouw door de krachtige ontwikkeling van de vleugels geschikt om vlug en lang achtereen te vliegen.
De larven, die zich meest onder den grond ophouden of op andere plaatsen, waar het licht geen toegang heeft, zijn dik, rolrond, gekromd, zoodat zij niet op een platte oppervlakte kunnen kruipen, maar hier op een zijde blijven liggen. Zij hebben een hoornachtigen kop zonder oogen, maar met tamelijk lange, 4-ledige sprieten, aan ieder der 3 volgende segmenten één paar tamelijk lange pooten, nu eens met, dan weer zonder klauwtjes; het laatste achterlijfssegment, waaraan de dwarsgerichte aarsopening voorkomt, is dikwijls zakvormig uitgezet. De naam "Engerling", die aan de larve van den Meikever toekomt, wordt ook wel gegeven aan de larven van de overige Bladsprietigen, die over het algemeen met de genoemde in vorm overeenkomen. Evenals de Kevers voeden hunne larven zich uitsluitend met plantaardige stoffen: sommige veroorzaken niet zelden groote schade aan onze landbouwplanten; andere bepalen zich tot het gebruik van doode plantendeelen en bespoedigen hierdoor de vorming van teelaarde. Er zijn echter ook Bladsprietigen, die als larve en als Kever zich met aas voeden. Naar den aard van het voedsel kan men de familie in twee afdeelingen splitsen: de Mesteters (Mestkevers en Graafkevers) en de Planteneters (Bladkevers, Reuzenkevers en Bloemenkevers).
Bij de Mestkevers (Coprophaga) zijn de bovenlip, de bovenkaken en de tong vliezig; het bladerige knotsje is uit 3 leden samengesteld. De meeste Kevers van deze groep zijn klein of middelmatig groot. Zij leven, evenals hunne larven, in mest, vooral van Hoefdieren, komen, door hun uitmuntenden reukzin geleid, van heinde en ver aanvliegen, zoodra zich ergens een drekhoop bevindt en maken, dat deze na zeer korten tijd van deze dieren wemelt.
De Heilige Tor (Ateuchus sacer), een bewoonster van de kustlanden der Middellandsche Zee, wordt zoo genoemd, omdat zij een zekere rol speelde in de godsdienstige voorstellingen en gebruiken van de oude Egyptenaars, die in de werkzaamheid en den vorm van dezen Kever aanleiding vonden om hem te beschouwen als het zinnebeeld van de aarde, van de zon en van den moedigen krijgsman; daarom prijkt zijn beeltenis op hunne gedenkteekenen, en sieren kolossaal vergroote, in steen gehouwen nabootsingen van zijn gestalte (de zoogenaamde Scarabeën) hunne tempels.
Dit dier behoort tot het geslacht der Drekrollers, Balrollers of Pillenkevers, kenbaar aan den half kringvormigen kop met zestandigen voorrand, de samengestelde oogen, die door een dwarsstrook verdeeld zijn in een bovenste en een onderste helft en de 9-ledige sprieten, voorts aan het ontbreken van den voet aan den vingervormig getanden voorscheen en aan den doorn, die naast den smallen voet aan het einde van den scheen der overige pooten voorkomt. De dekschilden zijn aan 't einde afgeknot en hebben geen binnenwaarts gerichte bocht aan den buitenrand; er zijn 6 leden in 't achterlijf. De kenmerken van de genoemde soort zijn: kerfjes aan de binnenzijde van den wortel der voorscheenen, een glad rugschild op den laatsten achterlijfsring, zwak overlangs gevoorde dekschilden; de haren langs den rand van kop, halsschild en pooten zijn bij het mannetje zwart, bij het wijfje aan den achterscheen roodbruin; het breede, platte lichaam heeft een zwak glanzige, zwarte kleur.
Alle Pillenkevers ontleenen hun naam aan de op pillen gelijkende mestbolletjes, die zij voor hun kroost vervaardigen. Zoowel het mannetje als het wijfje houden zich met het pillendraaien bezig. Het voor dit doel bestemde materiaal, bij voorkeur koemest, wordt met het getande kopschild van een drekhoop los gemaakt en met de pooten gefatsoeneerd. Het wijfje legt een ei in 't midden van deze kluit, die vervolgens door beide Kevers gerold wordt: de eene trekt er met de voorpooten aan; de andere duwt haar met met den kop van onderen op. Door het rollen wordt de oorspronkelijke week en oneffene massa langzamerhand veranderd in een harden, gladden kogel. Het werkstuk van de Heilige Tor heeft een middellijn van nagenoeg 5 cM., dat van hare kleinere verwanten heeft een geringeren omvang. De Kevers graven vervolgens een diepe buis, waarin zij den nu voltooiden bal laten zakken. Het dichtwerpen van deze holte is het laatste bedrijf van den moeitevollen arbeid, die noodig was voor de uitrusting van één der jongen. Daar dezelfde toebereidselen noodig zijn voor ieder volgend ei, nemen de genoemde werkzaamheden den geheelen korten levenstijd in beslag; zij duren voort, totdat de Kevers, uitgeput door den arbeid, stervend op het schouwtooneel hunner daden neerstorten. Voor de ontwikkeling van de larve zijn verscheidene maanden noodig; niet voordat het opnieuw lente geworden is, verlaat zij in den toestand van Kever haar geboorteplaats.
Andere leden van dezelfde onderfamilie houden zich bij troepen in den mest op en graven hieronder gaten, bestemd tot berging van de drekkluit, waarin zij eieren leggen. Zij behooren o.a. tot het over alle werelddeelen verbreide geslacht Ontophagus (waarvan een viertal soorten hier te lande in koemest en menschelijke uitwerpselen gevonden zijn; algemeen is de donker bronskleurige, 7 à 9 mM. lange O. fracticornis),--tot het alleen in Australië ontbrekende geslacht Copris (langwerpig van gestalte, aan de rugzijde zeer bol en zuiver zwart van kleur; inheemsch is de in koemest levende 15 à 20 mM. lange C. lunaris),--tot het Zuid-Amerikaansche geslacht Phanaeus (waarvan sommige soorten een prachtigen metaalglans en een blauwe, groene, goudgele of roode kleur vertoonen). Van zeer vele soorten is het mannetje kenbaar aan één hoorn op den kop (b.v. Odontophagus nuchicornis) of aan 2 hoornen, welke als die van een stier geplaatst zijn (b.v. Odontophagus taurus), of aan 2 hoornen op het halsschild, gepaard met één hoorn op den kop (b.v. Copris lunaris).
Meer bepaaldelijk geeft men den naam van Mestkevers (Aphodius) aan soorten, die met de zooeven genoemde door het maaksel van de monddeelen en van de sprieten overeenstemmen, doch zich kenmerken door 5 ringen aan het achterlijf, 2 doornen aan het einde van den achterscheen en dekschilden, die van achteren afgerond zijn en het uiteinde van 't lichaam niet onbedekt laten. Verscheidene honderden van deze soorten, uit alle oorden van de aardoppervlakte afkomstig, zijn bekend; het talrijkst heeft men ze gevonden in de gematigde en koude gewesten van ons werelddeel (in Europa 120 soorten, waarvan 21 in Nederland). Zij zijn het, die men op fraaie zomeravonden, of bij zonneschijn over dag, bij duizenden ziet rondvliegen, als Honigbijen een hoop drek omzwermend, die dikwijls in een bont gezelschap van deze kevertjes omgetooverd schijnt te zijn. Zij geven zich niet zooveel moeite als hunne vroeger genoemde verwanten, graven geen gaten in den grond, draaien geen pillen voor hunne jongen, maar leggen de eieren onmiddellijk in de mest. Bijna alle hebben een nagenoeg rolrond lichaam van geringe grootte en zwarte of vuilbruine kleur. De halfcirkelvormig afgeronde kop is in het midden van den voorrand ondiep uitgesneden en draagt onverdeelde oogen. De grootste inheemsche soort (8 à 11 mM. lang), de Gravende Mestkever (Aphodius fossor), is glanzig zwart van kleur; soms zijn de dekschilden echter bruinrood.
De grootste inheemsche vertegenwoordigers van de onderfamilie der Graafkevers (Arenicolae) zijn de Paardenmestkevers (Geotrupes), gewoonlijk eenvoudig "Mestkevers" genoemd. Dikwijls ziet men ze op velden of in bosschen wijdbeens op plompe wijze over den weg sluipen of hoort men ze op een zomeravond met luid gebrom voorbij suizen. De bovenlip en de bovenkaken zijn hoornachtig en niet door het kopschild bedekt, de oogen in een bovenste en een onderste helft verdeeld. De zwarte, soms met metaalachtigen glans schitterende Paardenmestkevers zijn beperkt tot de gematigde gewesten van Europa en Noord-Amerika, het Himalaja-gebergte in Azië, Chili in Zuid-Amerika en de noordkust van Afrika.
De Paardenmestkevers, zoo genoemd, omdat sommige soorten bij voorkeur paardenmest tot verblijfplaats kiezen, zijn logge, plompe Insecten, door lichaamsbouw minder geschikt tot voetreisjes dan tot graven. De uitwerpselen van Hoefdieren, die zij op hun weg ontmoeten, in een lateren tijd van 't jaar ook Paddestoelen, die aan zoovele Insecten en Slakken voedsel verschaffen, zijn voor alle Geotrupen zeer aanlokkelijke verschijnselen. De Kever dringt in den drekhoop of in den Paddestoel door, niet slechts om zijn eigen honger te stillen, maar vooral om in nagenoeg verticale richting een gat te graven, dat soms wel 30 cM. diep is, en dit tot broedplaats geschikt te maken door een deel van het bij den ingang gelegen voedsel naar den bodem van het kuiltje te vervoeren, waarna het wijfje er één ei in legt. Voor ieder ei moet een nieuw kuiltje gegraven en meestal ook eene andere drekhoop opgezocht worden. Gedurende zijn verblijf te midden van het vuil, en terwijl hij hieronder in den grond wroet, komt de Paardenmestkever in aanraking met allerlei ongedierte. De lastige parasieten, die de Doodgravers kwellen, worden ook op andere in dergelijke omstandigheden verkeerende Kevers gevonden. Dikwijls zijn zij behept met Kevermijten (Gamasus coleopterarum), die vlug op hun borst en buik rondloopen; het aantal dezer kwelgeesten neemt toe, naarmate de krachten van den Mestkever verminderen en hij zijn einde nadert. In den herfst vindt men hem nu en dan op den weg liggen met alle 6 pooten stijf zijwaarts gestrekt als een uitgedroogd lijk, dat zelfs door het ongedierte gemeden wordt. Vele van zijne soortgenooten zijn niet als hij een natuurlijken dood gestorven, maar werden door een Klauwier gegrepen en levend aan een doorn gestoken; hetzelfde lot valt vele Aardhommels ten deel.
De Vroege Paardenmestkever (Geotrupes vernalis), de kleinste inheemsche soort, wordt slechts 13 à 15 mM. lang; hij heeft een fraaie, staalblauwe kleur en een zeer gladde, glanzige rugzijde.
De Gewone Paardenmestkever (Geotrupes stercorarius), die minstens 19.5 mM. lang wordt, heeft diep gegroefde dekschilden; hij is op den rug zwart met blauwen of groenen weerschijn, van onderen fraai violet.
De Driehoornige Paardenmestkever (Geotrupes typhoeus), die hier te lande nog niet gevonden werd, onderscheidt zich door de drie naar voren gerichte hoornen, waarmede het halsschild van het mannetje versierd is. De dekschilden zijn iets platter dan bij de vorige soorten, zuiver zwart van kleur en, evenals het overige lichaam, zeer glanzig.
De Druivensnijder (Lethrus cephalotes), die door zijn lichaamsbouw duidelijk verwant is aan de vorige geslachten, verschilt er echter van door het maaksel der sprieten; de beide laatste leden zijn in het vorige, dat afgeknot is, op soortgelijke wijze verborgen als het binnenste van een bol in de bolschubben. Door de dicht bijeengeplaatste, fijne stippeltjes schijnt de zwarte kleur van dit dier dof; zijn dekschilden vormen gezamenlijk bijna een halven bol. In droge, zandige, gewesten van Zuidoost-Europa leven de Druivensnijders in drogen mest en bij de wortels van overblijvende planten. Zij bewonen hier bij paren gaten in den grond en hebben reeds voor lang door hun beslist nadeeligen invloed op den wijnstok de aandacht op zich gevestigd.
Vooral in de morgenuren en des namiddags na drieën komen deze Kevers uit hunne gaten te voorschijn, kruipen, wanneer zij niet gestoord worden, haastig bij de wijnstokken op, bijten knoppen, jonge loten met en zonder druiven van de plant af en keeren, met dezen buit beladen, achtereenvolgens ieder naar zijn hol terug. Nadat deze en andere plantendeelen, onder den grond verwelkt zijn, vormen zij waarschijnlijk het voedsel der Kevers, stellig echter in de eerste plaats dat hunner jongen.
Bij de Plantenetende Bladsprietigen laten de dekschilden minstens den laatsten ring van het achterlijf en de laatste paren ademgaten onbedekt. Deze groep omvat drie onderfamiliën, waarvan wij die der Bladkevers (Phyllophaga)--met 264 geslachten en 2770 soorten--het eerst zullen nagaan. Hun kopschild is in den regel door een naad van het voorhoofd gescheiden, niet er mede vergroeid; de bovenkaken zijn hoornachtig en driehoekig van vorm; de bovenlip puilt meestal naar voren uit.
Bij een aantal Bladkevers, die naar onzen Meikever Melolonthiden heeten, is de scheen der voorpooten, vooral bij het wijfje, krachtig en voor het graven geschikt, ook zijn de klauwen van alle voeten gelijk. Hunne larven, voor zoover men ze kent, voeden zich met de wortels van levende planten, terwijl de Kevers bladen eten. Sommige kunnen ons buitengewoon veel schade veroorzaken, wanneer zij, gelijk nu en dan op sommige plaatsen geschiedt, in zeer grooten getale optreden. Europa onderhoudt het kleinste aantal soorten van Melolonthiden (94), Afrika het grootste (361).
De Meikevers (Melolontha) verschillen van hunne naaste verwanten, doordat de voetklauwen aan den wortel bij beide seksen van een klein spits tandje zijn voorzien; het mannetje heeft een uit 7 lange, het wijfje een uit 6 veel kortere platen bestaanden "waaier" aan 't einde der sprieten; de laatste achterlijfsring eindigt in een langen, benedenwaarts gerichten "griffel". De meest bekende van de 3 inheemsche soorten--de Gewone Meikever (Melolontha vulgaris)--is kenbaar aan de driehoekige, krijtwitte vlekjes aan de zijden van het achterlijf en aan den schuins naar beneden wijzenden, tamelijk breeden, gelijkmatig smaller wordenden "griffel"; de sprieten, pooten en dekschilden zijn rood, de grondkleur van de overige deelen is zwart; de geheele Kever is meer of minder duidelijk wit behaard, vooral als hij pas den grond verlaten heeft; hij wordt daarom ook wel Mulder of Molenaar genoemd.
"Wanneer in Holland en westelijk Utrecht Meikevers worden gevangen," schrijft Ritzema Bos, "dan behooren zij zonder uitzondering tot de soort, die ik Hollandschen Meikever (Melolontha hippocastani) genoemd heb. De leefwijze van deze soort schijnt met die van de vorige overeen te stemmen. De wijze, waarop zij schade teweegbrengt, is ook volkomen dezelfde; maar zij komt (althans in ons land) niet in die menigte voor. In Holland ziet men nooit, zooals in Gelderland, Meikevers op één avond bij millioenen den grond verlaten." Van den Gewonen Meikever onderscheidt zich deze een weinig kleinere soort, doordat haar veel kortere achterlijfspits niet schuins, maar loodrecht naar beneden gericht is, plotseling dunner wordt en zich dikwijls aan het einde weer eenigszins verbreedt. De kop en het halsschild hebben een roodachtige kleur en zijn slechts bij uitzondering zwart. In Gelderland betitelt men deze soort soms "Koning van Rome", sterk grijs behaarde Gewone Meikevers "Keizer van Rome".
De Meikever wordt zoo genoemd, omdat hij gewoonlijk in Mei verschijnt, waaruit men echter niet moet afleiden, dat hij in geen andere maand vliegt. Een buitengewoon zacht voorjaar lokt de Kevers reeds in April uit den grond; in 't tegengestelde geval wachten zij de maand Juni af; in zoogenaamde "meikeverjaren" kan men ze soms van Mei tot in het midden van Juli aantreffen. Soms vertoonen enkele Kevers zich in de een of andere maand vóór den gewonen vliegtijd, tusschen September en Maart; dit zijn uitzonderingen, die waarschijnlijk steeds toegeschreven moeten worden aan het losmaken van den grond door het ploegen. Hun verschijning is meestal aan bepaalde plaatsen gebonden: in buitengewoon grooten getale ziet men ze hier na bepaalde tijdruimten. Men heeft opgemerkt, dat in de meeste streken van Duitschland deze voor den landman en houtteler hoogst nadeelige gebeurtenis zich om de vier jaren herhaalt. Daarentegen heeft men steeds om de drie jaren een meikeverjaar waargenomen in Zuid-Duitschland, in Zwitserland, in Frankrijk en ook in Duitschland en Nederland aan den Rijn. Plaatselijke omstandigheden brengen teweeg, dat de ontwikkeling van dezelfde diersoort in sommige streken een jaar langer duurt dan in andere; een verschil van eenige graden tusschen de gemiddelde jaartemperaturen der bedoelde gewesten heeft hierop waarschijnlijk een overwegenden invloed.
Zoodra de Kevers uit den grond gekropen zijn en niet door ongunstige weersgesteldheid aan de oppervlakte teruggehouden worden, vliegen zij bedrijvig rond om voedsel te zoeken, waarbij zij zelf dikwijls een lekker hapje leveren aan de Vleermuizen en eenige Nachtroofvogels; niet slechts op warme avonden, maar ook over dag bij warm, stil weer en zonneschijn zijn zij druk bezig. Eerst laat in den nacht begeven zij zich ter ruste; des morgens vroeg (en bij guur weer den geheelen dag) hangen zij met opgetrokken pooten losjes aan de boomen en struiken. Zij begunstigen vooral de pruimen- en kersenboomen onzer tuinen en de breedgebladerde boomen der bosschen. Door tegen den boom te stooten, niet door schudden, kan men ze zeer goed naar beneden doen tuimelen om ze vervolgens op te zoeken.
Het wijfje kruipt in den grond en legt hier op een diepte van 5 à 7 cM. eenige hoopjes van 12 à 20 stuks langwerpige, een weinig afgeplatte, witte eieren, in 't geheel een 40-tal. Na het verrichten van dezen arbeid keert zij dikwijls niet naar de oppervlakte terug, maar sterft; ook zij, die weer boven den grond verschijnen, volgen, door de inspanning uitgeput, spoedig de reeds vroeger bezweken mannetjes na. Vier à zes weken na het leggen der eieren worden de larven geboren; gewoonlijk noemt men ze "engerlingen", in sommige streken van Gelderland ook wel "elften". De jonge larven, die soms nog in het laatst van September bezig zijn met het verslinden van de fijne wortelvezels in haar omgeving, voeden zich in 't eerste levensjaar voornamelijk met rottende organische stoffen en begeven zich daarna een weinig dieper in den grond om winterslaap te houden. In de volgende lente komen zij weer nader bij de oppervlakte en gaan opnieuw aan 't vreten. Tusschen den langsten dag en den 21en September ligt de tijd, waarin zij de grootste schade aanrichten. Nogmaals zoeken zij hare winterslaapplaatsen op en gedragen zich in het nu volgende jaar geheel op dezelfde wijze als in het vorige. Na de derde lente en zomer van haar leven is de groei der larve afgeloopen en kruipt zij dieper in den grond; men mag aannemen, dat alle engerlingen in Augustus of op zijn laatst in 't begin van September de gedaante van pop hebben verkregen en vóór den aanvang van den winter in den imago-toestand overgegaan zijn. De Kevers blijven echter, wanneer men ze niet stoort, nog den geheelen winter rustig op de plaats, waar zij als poppen vertoefden. Al naar de diepte, waarop deze zich bevindt, en de vastheid van de aardlagen, die haar bedekken, heeft de Kever een meer of minder langen tijd noodig om aan de oppervlakte te komen; steeds kiest hij de avonduren uit om den grond te verlaten en zich in de lucht te verheffen. Telkens als het dier wil gaan vliegen, moeten de luchtzakken volgepompt worden, nadat door het persen van lucht in de vleugeladers de vleugels gestrekt zijn; dit gaat gepaard met eigenaardige, hijgende bewegingen van het achterlijf, het opheffen der dekschilden en het uitspreiden der sprietleden, welke verschijnselen men trouwens ook bij andere Kevers waarneemt.
De Duinkever (Polyphylla fullo), de grootste van alle Europeesche Melolonthiden (25 à 35 mM. lang), wordt als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd wegens het ontbreken van den "aarsgriffel"; het knotsje aan 't einde van de sprieten bestaat bij 't mannetje uit 7, (soms wel 10 mM. lange), bij 't wijfje uit 5 veel kortere (1.5 mM. lange) plaatjes. Het gemakkelijkst herkent men hem echter aan de wit gemarmerde, roodbruine dekschilden. Bij ons houdt hij zich het meest in duinstreken op, waar hij door 't vernielen van helm-aanplantingen nadeelig kan zijn. Hij is over een groot deel van Europa verbreid, maar geeft aan zandige, met naaldboomen begroeide vlakten de voorkeur boven alle andere oorden; van deze zoowel als van andere daartusschen groeiende boomen vreet hij de bladen, terwijl de larve, die aanmerkelijk grooter is dan de gewone engerling, hunne wortels beschadigt. Men ziet hem ieder jaar in nagenoeg gelijken getale in de eerste helft van Juli verschijnen. Een geregeld wederkeerende buitengewone talrijkheid van deze Kevers werd nog niet waargenomen; meestal is de aangerichte schade daarom niet zeer belangrijk.
De Junikever (Rhizotrogus solstitialis) kan als voorbeeld dienen van een in zuidelijker streken zeer sterk vertegenwoordigd geslacht, waarvan in ons land nagenoeg alleen deze soort, die in de provinciën Gelderland, Utrecht en Noordbrabant op sommige plaatsen volstrekt niet zeldzaam is, aangetroffen wordt. Evenals bij het vorige geslacht, ontbreekt hier de aarsgriffel; de knop van den spriet bestaat uit slechts 3 leden. De Junikever is ongeveer half zoo groot als de Meikever, op de rugzijde geelachtig bruin, op den achterkop, de schijf van het halsschild en de geheele onderzijde donkerder van kleur; de voorrug, het schildje en de borst zijn met lange haarbundels begroeid; de beharing van den buik is iets minder sterk.
De levenswijze en de ontwikkelingsgeschiedenis van den Junikever verschillen in vele opzichten van die van den Meikever. Zooals zijn naam aanduidt, vliegt hij altijd later, tegen het laatst van Juni, rond; men ziet hem dan slechts gedurende ongeveer 14 dagen, binnen zeer enge grenzen echter soms in grooten getale. Zoodra de zon onder de kim gedaald is, vliegen deze Kevers bedrijvig over de graanvelden en de naburige lage boomen en struiken rond; men zou zeggen, dat zij het er op aanleggen om den niets kwaads bedoelenden wandelaar zooveel last te veroorzaken als mogelijk is, daar zij zich niet storen aan afwerende bewegingen en hem altijd weer om het hoofd vliegen. De wijfjes leggen hare eieren bij de wortels van allerlei planten; de wortels van het koren en van andere grassen en kruiden schijnen echter het meest van de vraatzucht der larven te lijden te hebben.