Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 8

Chapter 83,669 wordsPublic domain

Men mag aannemen, dat met den naam Cocoejo of Coecoejo, die men in Havana en waarschijnlijk ook op het Amerikaansche vasteland aan een "Vuurvlieg" geeft, de zeer verbreide Pyrophorus noctilucus wordt aangeduid. Volgens A. von Humboldt en Bonpland leeft zijn larve in de wortels van het suikerriet en richt hier soms een aanmerkelijke schade aan. Enkele malen werd deze Kever met Amerikaansch hout naar Europa overgebracht. "Voor ongeveer 15 jaren," schrijft Snellen van Vollenhoven in 1870, "heb ik een dergelijken levenden Kever, die te Rotterdam in een pakhuis op Campèche-hout gevonden en waarschijnlijk daarmede aangevoerd was, gezien bij Prof. J. van der Hoeven te Leiden. Het groene licht was zoo helder, dat men er gemakkelijk gewone drukletters bij lezen kon. Reeds in 1766 had men een zoodanigen Kever--ook, zooals later bleek, in hout aangebracht--vliegend waargenomen in den Faubourg Saint-Antoine te Parijs, waar het dier een algemeenen schrik verspreidde. In de laatste jaren moeten er eenige met opzet levend uit Amerika naar Engeland overgebracht zijn; met vochtig gehouden suikerriet kunnen zij lang in het leven worden gehouden."--Een van de grootste soorten, die men op Portorico Coecoebano noemt, vliegt van Maart tot Mei veelvuldig door de straten van dorpen en steden; zij komt voor in huizen en op plaatsen waar hout bewaard wordt, omdat ook haar larve gangen in het hout bewoont. De Indianen vangen deze Vuurvliegen door een gloeiende kool, aan een draad gebonden, door de lucht te zwaaien, waardoor de Insecten aangelokt worden. In Vera-Cruz vormen zij een handelsartikel. Men houdt ze in kooitjes van fijn ijzergaas, voedert ze met schijfjes suikerriet en--besprenkelt hen tweemaal daags met water, opdat zij 's avonds voor den dienst geschikt zijn en door het verspreiden van veel licht het oog bekoren. Van het lichtgevend vermogen van de Vuurvliegen trekt men velerwege op verschillende wijzen partij. Eenige van deze dieren in een uitgeholde pompoen, die met kleine gaatjes voorzien is, vormen als 't ware een natuurlijke lantaarn. Een zeer doelmatig gebruik wordt door de dames van deze Kevers gemaakt, n.l. als levende juweelen. Zij plaatsen er 's avonds eenige in een zakje van fijne tulle; verscheidene van deze zakjes worden rozetsgewijs aan de kleederen bevestigd. Het fraaiste effect maakt deze opschik evenwel, naar men zegt, wanneer men hem te zamen met kunstbloemen, die van Kolibri-veeren vervaardigd zijn, en enkele brillanten als krans in het haar vlecht.

De familie van de Zachtschilden (Malacodermata) omvat thans ongeveer 2200 soorten, die bijna uitsluitend door de zachte, meer leder- dan hoornachtige geaardheid van de lichaamsbekleedselen en vooral door de buigzaamheid der dekschilden overeenstemmen. Zij hebben 5 leden in den voet, tenzij de voorvoet er slechts 4 heeft. De sprieten zijn meestal 11-ledig en doorgaans draad- of borstelvormig, soms echter gezaagd. De meeste Zachtschilden bezoeken bloemen, niet echter om hier honig te lekken, maar met het doel om te rooven. Evenals de Kevers, zijn ook de larven zeer verschillend; alle hebben 6 pooten en zijn vermoedelijk diereneters.

Evenals in West-Indië, leven ook bij ons "Vuurvliegen," die echter van geheel anderen aard zijn. Wie heeft ze niet reeds gezien, de levende vonken, die in oorden, waar gras en struiken niet ontbreken, op een zomeravond, in de lucht zwevend of op bladen en grassen rustend, een groenachtig lichtschijnsel verspreiden? Ieder kind weet, dat dit "vuur" van Insecten uitgaat; zij worden Glimwormen (Lampyris) genoemd. Die welke rondvliegen, zijn mannetjes; want de wijfjes missen de vleugels, kruipen tusschen het gras rond en lokken door hun lichtschijnsel de mannetjes tot zich. De kop is bij hen en hunne verwanten geheel onder het platte, halfcirkelvormige voorborststuk verborgen.

In Nederland komen twee soorten van Glimwormen voor. Beide hebben lichtvoortbrengende organen aan de twee laatste buikringen van het achterlijf. Van den Kleinen Glimworm (Lampyris splendidula) is het 8 à 9 mM. lange, grijsbruine mannetje gemakkelijk te herkennen aan de beide glasachtige vlekken op het halsschild, het witachtig gele, 8 à 10 mM. lange wijfje aan de beide rudimentaire voorvleugels achter het halsschild. De wormvormige larve heeft 6 zijwaarts gerichte pooten en een zeer kleinen kop, die in den rusttoestand niet zichtbaar is. Zij voedt zich met Slakken.

De 11 mM. lange mannetjes van den Grooten Glimworm (Lampyris noctiluca) zijn kenbaar aan de uitstekende bovenkaken en aan het ontbreken van de "venstervlekken" op het halsschild; de lichtgevende organen zijn kleiner dan bij de vorige soort en verbreiden daarom minder licht. Het 15 à 17.5 mM. lange wijfje mist zelfs de dekschildstompjes en ziet er dus geheel als een larve uit. Deze soort komt bij ons veelvuldiger voor dan de vorige; over 't algemeen schijnt zij in het westen van Europa (in Frankrijk) en ook in Zuid-Duitschland veelvuldiger te zijn dan in het midden van Duitschland.

De larven overwinteren, verpoppen zich in Mei of Juni na korten rusttijd en gaan in den imago-toestand over; de Kevers worden van St. Jan (24 Juni) tot in September aangetroffen.

De lichtvoortbrengende organen bestaan uit talrijke dunwandige, veelzijdige cellen, waarvan sommige doorzichtig zijn, andere een fijne, korrelige stof bevatten; zij worden door een dicht netwerk van fijn vertakte luchtbuizen van lucht voorzien. Algemeen is men van oordeel, dat het voortbrengen van licht een gevolg is van de oxydatie der bestanddeelen der genoemde cellen door de zuurstof, die de luchtbuizen aanvoeren.

Vooral in Zuid-Amerika zijn de leden van deze in alle landen van de wereld vertegenwoordigende onderfamilie (Lampyridae) zeer talrijk. Hun vorm is zeer ongelijk; bij de meeste soorten zijn ook de wijfjes gevleugeld. Bij allen duiden lichte vlekken aan eenige achterlijfsringen den zetel van het lichtvoortbrengend vermogen aan.

Sommige onzer lezers herinneren zich misschien in couranten berichten te hebben gelezen over "Sneeuwwormen", die, naar beweerd werd, gedurende een vroege wintersche regenbui op de sneeuw gevallen zouden zijn. Den 20en November 1672 werd dit verschijnsel in Hongarije opgemerkt en zorgvuldig aangeteekend; ditzelfde "wonder" kwam in Januari 1749 op verschillende plaatsen van Zweden voor. Bij het einde van een zeer strengen winter (11 Februari 1799) wekten voorvallen van gelijken aard in de Rijngau, aan de Bergstrasse, bij Offenbach, Bingen, enz. zooveel opzien, dat voor het kantongerecht te Stromberg een protocol werd opgemaakt van de verklaringen der personen, die op den bedoelden dag in de vrije natuur Insecten uit de lucht hadden zien regenen. Uit de mededeelingen over de omstandigheden waaronder dit verschijnsel plaats had, vloeit voort, dat zeer verschillende oorzaken de bedoelde "Wormen"--die wij aanstonds nader zullen leeren kennen en waarvan wij vooraf moeten mededeelen, dat zij onder steenen of bladen of op boomwortels overwinteren--in hun rust gestoord, uit hunne schuilhoeken verdreven hadden. Overal echter kwam een zeer hevige, op sommige plaatsen zelfs een orkaanachtige storm voor, die deze diertjes (tegelijk met vele andere) mede voerde en neerwierp op sneeuwvelden, waar zij gemakkelijk opgemerkt werden. Waarschijnlijk komt een samenloop van dezelfde omstandigheden ook dikwijls voor, wanneer het witte sneeuwkleed ontbreekt; men neemt dan geen "insectenregen" waar, hoewel het zeer wel mogelijk is, dat over een gelijke oppervlakte een even groot aantal van deze dieren verstrooid ligt. Men kan ze opsporen door aan den rand van een akker of van een bosch, bij een heg om een tuin of op een dergelijke plaats een niet al te kleinen steen om te keeren; 's winters zien wij hier (onder meer) in een rond kuiltje met een weinig aarde bedekt, halvemaanvormig gekromd, een fluweelzwart diertje, dat in een toestand van verstijving verkeert; als wij het weldra volgende zachte weer hebben afgewacht, verrassen wij het misschien, terwijl het zich buiten zijn leger bezighoudt met het buitmaken van den een of anderen kleineren slaapkameraad; ook hebben wij kans het te ontmoeten op ons pad, waar het een zooeven vertreden kevertje uitzuigt. Waar wij het ook aantreffen, steeds is het dadelijk van alle andere Insecten te herkennen aan het donkere, fluweelachtige haarkleed, waarmede zijn bovenzijde dicht bedekt is en dat alleen de voorste helft van den kop vrijlaat. De korte pooten aan de 3 eerste op den kop volgende ringen bewijzen, dat wij hier geen Worm, maar een larve van een Kever voor ons hebben. Tegen het einde van Maart of in het begin van April treft men deze larven veelvuldig aan en kan men nu en dan een van haar een Aardworm of een Emelt (larve van Tipula) zien grijpen en zich zoo stevig vastbijten aan de ingewanden van zijn prooi, dat men bij het optillen van deze ook haar roover opheft. Het blijkt dan, dat zij nuttig zijn, dat zij den tuinman en den landbouwer helpen in den strijd tegen schadelijk gedierte. In April of Mei werpen zij haar huid af en veranderen in een lichtroode, eenigszins voorover gekromde pop met zwarte oogen.

Wanneer de lente haar geheelen rijkdom ten toon spreidt, als duizenden Insecten hunne winterkwartieren sinds lang verlaten hebben en duizenden andere uit de brooze pophuid te voorschijn zijn gekomen, ziet men ook een slanken, zwarten, niet door schoonheid uitmuntenden Kever rondzwerven en vooral op struiken de bloemen bezoeken, die thans in zoo grooten overvloed hare nectariën beschikbaar stellen voor de honigzuigende of -lekkende schare. Het is echter niet ter wille van den honig, maar van de hierdoor aangelokte Insecten, dat hij, door de zon gekoesterd, van de eene bloem naar de andere vliegt. Bij vochtig en winderig weer ziet men hem, evenals de Meikever, hier en daar aan de twijgen hangen. Deze Kever, de Gewone Sint-Jansvlieg (Telephorus fuscus), is grootendeels zwart en met fijne grijze haartjes bezet; roodachtig geel zijn de wortel van de elfledige, draadvormige sprieten, het voorste deel van den naar onderen gerichten kop, het halsschild, met uitzondering van een zwarte vlek bij den voorrand, en eindelijk de rand van het 7-ledige achterlijf. Verscheidene honderden soorten van dit geslacht, uit alle werelddeelen afkomstig, zijn ons bekend; zij behooren vooral in koude gedeelten van de aardoppervlakte, meer bepaaldelijk in bergstreken, thuis; hunne larven hebben aanleiding gegeven tot den hierboven besproken insectenregen.

Het Mierkevertje (Clerus formicarius) kan ons een denkbeeld geven van het voorkomen der Mierkeverachtigen (Cleridae), welke familie 600 voor 't meerendeel uitheemsche soorten omvat. Deze Kevers worden bijna zonder uitzondering op oude stammen en takken van houtachtige planten gevonden en leven, evenals hunne larven, van roof. In 't voorjaar en 't begin van den zomer treft men het Mierkevertje veel in onze dennebosschen aan, vooral op afgehouwen of sterk door borende Insecten aangetaste, nog in den grond gewortelde stammen. Hier loopt het ijverig als een Mier af en aan (van daar zijn naam) en maakt vooral jacht op Schorskevers. Het halsschild en het wortelgedeelte der dekschilden tot aan de voorste van de beide witte dwarsbanden benevens de onderzijde zijn bij den overigens zwarten Kever rood van kleur. Het geslacht Clerus bestaat uit bijna 100 steeds bontgekleurde, over de geheele wereld verbreide soorten. Aan de monddeelen zijn op te merken het groote, bijlvormige eindlid aan den liptaster en de uitgesneden bovenlip. De 3 laatste van de 11 leden der sprieten vormen een gezaagd knotsje, welks laatste lid eivormig is en naar het uiteinde spits toeloopt. Het zeer korte eerste lid van den voet is onder het tweede verborgen, zoodat de voet 4-ledig schijnt.

De larve maakt zich nog verdienstelijker voor de boschkultuur dan de Kever, daar zij achter boomschors op de larven van allerlei schadelijke Insecten jacht maakt.

Krachtiger, maar voor 't overige hoofdzakelijk op dezelfde wijze gebouwd, zijn de Bijenkevers (Trichodes). Deze voor 't meerendeel sterk behaarde Insecten hebben een donkerblauwe of groenglinsterende kleur; hunne dekschilden zijn rood met blauwe of blauw met roode dwarsbanden. Het cilindervormige halsschild wordt naar achteren smaller; de dekschilden zijn, evenals bij het vorige geslacht, langwerpig en overal even breed. De 25 bekende soorten bewonen bijna uitsluitend het noordelijk halfrond; zij komen voor op bloemen, vooral van umbelliferen en spiraea-achtigen en maken jacht op andere Insecten.

De Gewone Bijenkever (Trichodes apiarius) is gemiddeld 12 mM. lang, glinsterend zwartblauw, dicht bezaaid met stippels en ruig behaard. De grof gestippelde dekschilden zijn grootendeels hoogrood; zwartblauw zijn echter de spits en twee dwarsbanden, waarvan de voorste zich in vlekken verdeelt. Men vindt dit kevertje en zijn naaste verwant (Trichodes alvearius) van Mei tot Juli niet zelden op bloemen.

De larve (de Bijenwolf) gelijkt op die van het Mierkevertje; zij bewoont van Juli tot April van het volgende jaar de gangen van de Houtwesp-larven, waarop zij jacht maakt, voorts de nesten van verschillende soorten van wilde Bijen, maar ook de korven van de Honigbij, waar zij larven, poppen en naar beneden gevallen, halfdoode Bijen verslindt. Men vindt haar vooral in spleten van den bodemplank van zwak bevolkte bijenkorven, die veel vuil bevatten. Wanneer zij zich eens gevestigd heeft in een raat met larven en poppen, dan vreet zij hierin gangen en verslindt natuurlijk ook de gave jongen.

De Dief of Gewone Houtboorder (Ptinus fur) behoort tot het gewone gezelschap van de Bonttorretjes, de Spektorren en dergelijke, onaangename huisgenooten, waarvan wij er reeds eenige hebben nagegaan; evenals deze houdt hij zich over dag verborgen, kruipt meestal niet anders dan 's nachts bij de wanden omhoog en zoekt ijverig naar buit. Zijn grijsachtig witte, slechts 4.5 mM. lange larve heeft een bruinen kop zonder oogen, met zeer korte sprieten en stevige kaken, 6 pooten en een behaarde romp, die binnenwaarts gekromd gedragen wordt. Herbariën en insectenverzamelingen zijn hare liefste verblijfplaatsen; vooral in de gedroogde planten richt zij in korten tijd een groote verwoesting aan. In pakhuizen, waar gedroogde vruchten (appels, peren, pruimen, vijgen, enz.), tabak of graan wordt bewaard, in voorraadkamers van apotheken en van woonhuizen, in nesten van Zwaluwen en Wespen, kortom overal waar de een of andere eetbare stof voorhanden is, vinden de genoemde larven, die, naar het schijnt, bijna 2 jaren in dezen toestand blijven verkeeren, een voldoende hoeveelheid voedsel. In Augustus vereenigen zij kleine stukjes van de stof, waaraan zij knagen, met haar spinsel tot een soort van cocon; hier binnen veranderen zij in een pop, die reeds na 14 dagen een nauwelijks 4.5 mM. lange, weinig in 't oog vallende Kever wordt. Het wijfje heeft eivormige dekschilden met witte vlekken; bij het mannetje zijn de dekschilden bijna cilindrisch, ongevlekt en met diepe, uit stippels bestaande, overlangsche strepen geteekend.

De Klopkevers of Doodskloppers (Anobium) boren als larven gangen in dood hout, vooral in dat van naaldboomen of van andere boomen met zacht hout; hierdoor richten zij op plaatsen, waar zij niet gestoord worden, zooals in kerken en onbewoonde kasteelen, aan beeldhouwwerk en oude meubels een zeer aanzienlijke schade aan. Gekromd en van 6 kleine pootjes voorzien, knagen zij gangen in 't hout, maar laten aanvankelijk de buitenste laag ongeschonden; 's avonds, zoodra alle andere geluiden verstomd zijn, hoort men het schrapend geluid, dat zij maken bij het vernielen van een oude kast, pooten van stoelen en tafels, enz. In Mei of later knagen zij zich hierin een iets ruimere ligplaats uit en veranderen in poppen, waaruit na eenige weken Kevers komen, die het werk van de larven voortzetten en zich door een cirkelrond vlieggat naar buiten begeven. Verscheidene van deze gaten, waarvan de larven later ook gebruik maken om het tot poeder vermalen hout uit te werpen, verraden mettertijd de aanwezigheid van den "houtworm" in het een of ander meubelstuk, in de balken of de kozijnen van het oude gebouw. Wanneer het zoover gekomen is, kan men weinig of niets meer doen tot behoud van de aangetaste voorwerpen. Gewoonlijk vliegen de Kevers in Juli uit. Aan het kapvormige, bultige rugschild van het voorborststuk, waarin de kleine kop grootendeels verborgen is, aan de sprieten, die in een smal knotsje eindigen, welks leden tusschenruimten overlaten en aan het rolronde lichaam kunnen zij zelfs met het ongewapende oog herkend worden. De pooten hebben alle een 5-ledigen voet en kunnen, evenals de sprieten, tegen het lichaam aangedrukt worden, want ook deze Kevers houden zich "dood" en laten dus alles met zich doen zonder hun gewonen stand te hernemen; van daar den naam "stijfkop", die aan een van de soorten van dit geslacht gegeven is. Men kent er ongeveer 60, waarvan de helft uit Europa.

De Bonte Klopkever (Anobium tesselatum), de grootste Europeesche en inheemsche soort (8 mM. lang), leeft in eikenhout. Hij onderscheidt zich van zijne verwanten, doordat de zijden van het halsschild van onderen niet uitgehold en de dekschilden onregelmatig gestippeld zijn; bovendien herkent men hem aan den driehoekigen vorm van de voetleden en de kleine vlekjes van grauwe haren, waarmede de geheele oppervlakte van het donker kastanjebruine lichaam getijgerd is.

De Stijfkop, het Doodskloppertje (Anobium pertinax), is zwart of zwartbruin, 5 à 6 mM. lang; het halsschild is aan den zijrand en de hoeken afgerond en bij den achterrand met een ruitvormig kuiltje voorzien met aan weerszijden een dicht goudgeel behaard vlekje.

Deze Kevers veroorzaken nu en dan een kloppend gedruisch, dat door zijn regelmatigheid aan het tikken van een horloge herinnert. Volgens een oud bijgeloof kondigt dit getik, wanneer men het 's avonds of 's nachts in een stille ziekenkamer hoort, de laatste ure van den patiënt aan; dit heeft aanleiding gegeven tot den naam "Doodskloppertje". Aanvankelijk schreef men het genoemde verschijnsel toe aan het rhytmische knagen van de larven en Kevers; het bleek echter, dat het hierdoor veroorzaakt geluid wel regelmatig is, maar volstrekt niet gelijkt op het tikken van een horloge. De kloppende Kever houdt de voorpooten en de sprieten tegen het lichaam aangedrukt, zoodat dit hoofdzakelijk op de middelpooten rust, en beweegt nu het voorste deel met rukken naar voren, waarbij het voorhoofd en de voorrand van het halsschild tegen het hout stooten. Met goed gevolg heeft men beproefd om door nabootsing van het kloppen het kevertje tot een antwoord te nopen. Dit geluid is een loktoon, waardoor de mannetjes en wijfjes elkander zoeken en vinden.

De genoemde en nog vele andere, voor een deel aanmerkelijk kleinere soorten van Diefkevers of Ptinoïden en Knaagkevers of Anobiën ontmoet men, behalve in menschelijke woningen en andere gebouwen, veelvuldig in de vrije natuur overal waar dood hout voorkomt. Uit deze en eenige andere groepen van Kevers bestaat de familie der Houtboorders (Xylophagi of Ptiniores), waarmede wij de reeks der Zaagsprietigen besluiten.

De vierde groep van Kevers, de Bladsprietigen (Lamellicornia), omvat de groote, gelijknamige familie, die gewoonlijk in 6 groepen wordt verdeeld. Een van deze wordt echter dikwijls onder den naam van Kamhoornkevers (Lucanidae) van de overige afgescheiden en als een afzonderlijke familie beschreven, die zich vooral kenmerkt door de knievormig gebogen sprieten, welke in een kamsgewijs ingesneden knotsje eindigen. Haar meest bekende vertegenwoordiger is het Vliegend Hert (Lucanus cervus), dat bij ons hier en daar op de Veluwe, niet zelden gevonden wordt. Het is een van de grootste en zwaarste Kevers van Europa; zijn lengte, gemeten van de bovenlip tot aan de spitsen der dekschilden, kan 52 mM. bedragen, zonder te rekenen de 22 mM. lange, als een gewei vóór den kop uitstekende, reusachtige bovenkaken van het mannetje.

Het geslacht Lucanus kenmerkt zich door een dwars gerichten kop, die breeder is dan het halsschild. De sprieten, waarvan het lange wortellid de "schaft" uitmaakt, hebben een kamvormigen "geesel" of "zweep" met 4 à 6 onbeweeglijke tanden. Van de monddeelen zijn eigenaardig: de benedenwaarts gebogen bovenlip, de diep uitgesneden aan de binnenzijde van de kin en de ongetande binnenste kaaklob der onderkaak; de bovenkaken van het mannetje zijn aan de binnenzijde vóór het midden van een grooten tand voorzien en eindigen in twee takken; bij het wijfje bereiken deze organen nauwelijks de lengte van den kop. Het Vliegend Hert is dofzwart van kleur, met uitzondering van de glanzig kastanjebruine dekschilden en bovenkaken.

In Juni vindt men dezen Kever in eikenbosschen, waar de mannetjes op mooie avonden onder sterk gegons en terwijl het lichaam een vertikalen stand behoudt, om de kroon van een boom vliegen; de wijfjes houden zich altijd meer verborgen. Over dag stoeien de Vliegende Herten soms onder droge bladen op den grond en verraden hun aanwezigheid door een ratelend geluid; soms zitten zij op gewonde ("bloedende") boomstammen en lekken het hieruit vloeiende sap op. Van ernstiger aard is de strijd van de mannetjes om de wijfjes: diepe deuken en zelfs gaten vindt men in de dekschilden, aan den kop of aan het gewei van enkele mannetjes.

Het imago-leven is van korten duur. Tegen het einde van Juni of in de eerste dagen van de volgende maand is de korte zwermtijd voorbij, hebben de wijfjes eieren gelegd in het rottende hout van oude eiken en liggen de door Mieren of Vogels leeggevreten harde overblijfselen van de mannetjes verstrooid in 't rond ten bewijze, dat hier Vliegende Herten verblijf hebben gehouden.

De larven, die uit de rondachtige eieren komen, groeien zeer langzaam en voeden zich met het rottende eikenhout (in Italië komen zij ook in jonge Wilgen voor); zij bereiken eerst in het vierde (of vijfde) levensjaar eene lengte van 105 mM. en de dikte van een vinger. Naar het uitwendige gelijkt de larve op die van de leden der volgende familie. Zij draagt aan den hoornachtigen kop 4-ledige sprieten, welker laatste lid zeer kort is. De drie eerste ringen na den kop dragen 6 krachtig ontwikkelde, oranjegele pooten, die in één klauw eindigen. Ook de kop is hooggeel, alleen de hoornachtig harde monddeelen zijn zwart of bruin, de overige ringen stroogeel.

De volwassen larve vervaardigt zich een nest ter grootte van een vuist, dat in den hollen boom gelegen is en uit vermolmde houtvezels bestaat, of diep onder in den stam van aarde vervaardigd wordt; de wand is van binnen glad. Na ongeveer drie maanden heeft de larve in het nest haar gedaantewisseling ondergaan en is eerst pop en later imago geworden; het mannetje houdt in dit tijdperk van zijn bestaan de lange bovenkaken naar den buik gebogen. De Kever blijft voorloopig in zijn wieg, wacht hier tot zijn uitwendig skelet de gewone hardheid en kleur verkregen heeft. Tegen het einde van Juni, in het vijfde (of zesde?) levensjaar, komt hij te voorschijn om gedurende niet meer dan ongeveer 4 weken in gevleugelden toestand te verkeeren. Zoo lang kan men hem ook als gevangene in 't leven houden, wanneer men hem met suikerwater (of zoete bessen) voedt.

Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Middel- en Noord-Europa en de aangrenzende deelen van Azië; zij ontbreekt natuurlijk in gewesten waar geen eiken groeien.