Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 7
De larve van het Bonttorretje gelijkt veel op die van de Spektor, maar verschilt er van door haar geringere grootte in den volwassen toestand en het gemis van hoornachtige haken aan het einde van het naar achteren smaller wordende achterlijf. De kop is groot en met borstels begroeid; ook de rug draagt geelachtig bruine, korte, naar achteren gerichte haren; aan 't einde van 't achterlijf zijn zij langer en vormen een ijle kwast. Wanneer zij kiezen kan, bestaat het voedsel van deze larve hoofdzakelijk uit haar en wol van dierenhuiden; zij wordt hierdoor in menschelijke woningen gelokt, waar pelswerk, met haar gevulde zittingen van meubels, wollen tapijten, enz. haar een des te veiliger verblijfplaats verschaffen, naarmate zij minder vaak worden uitgeklopt, gelucht en afgeschuierd. Mei, Juni en Juli zijn de maanden, waarin de larve de grootste vraatzucht toont en het bont meestal opgeborgen is; het herhaaldelijk luchten en uitkloppen van deze goederen is dan zeer noodig.
Een derde lid van dezelfde gauwdievenbende is het Museumtorretje (Anthrenus museorum), een rond kevertje, van onderen grijs behaard, van boven donkerbruin met 3 banden over de dekschilden, die hun kleur danken aan grijsgele haartjes, welke dikwijls op sommige plaatsen afgesleten zijn, waardoor deze teekening onduidelijk wordt. Dit diertje is 2.25 mM. lang en komt, evenals de vorige soort, op bloemen en in huizen voor, hier vooral in insecten-verzamelingen, die niet zeer zorgvuldig tegen zijn indringerigheid beschermd en niet vaak genoeg nagezien worden. De Kever zou men nog kunnen dulden, zijn eenigszins plat gedrukte, bruin behaarde larve evenwel met haar in een langen, afgeknotten haarbos eindigend achterlijf, is een booze klant. Hoe goed de insectenkasten ook gesloten zijn, toch vertoont zich hierin nu en dan zulk een vijand, die er misschien als ei met een niet volkomen gaaf lijk van een Insect gebracht werd, of op de een of andere wijze naar binnen heeft weten te sluipen. Welk een vernieling een enkele van deze vraatzuchtige larven teweeg kan brengen, kan hij, die er schade door leed, het best beoordeelen. Van de vacht der opgestopte Zoogdieren vreten de larven op sommige plaatsen de haren af; van Vogels knagen zij de schaften der veeren, de huid om de neusgaten en van de pooten stuk, kortom zij maken zich aan soortgelijke misdrijven schuldig als hunne reeds genoemde verwanten. Men vindt bijna het geheele jaar door larven van deze soort, waaruit men kan afleiden, dat de ontwikkelingsgang zeer ongelijkmatig is of dat ieder jaar verscheidene generaties oplevert. In Mei of in 't begin van Juni heeft na herhaalde vervellingen de verpopping in de laatste larvehuid plaats. Evenals zijne verwanten, heeft de Kever de gewoonte om weken lang te blijven in de huiden, die bij de 2 laatste vervellingen afgeworpen zijn.
De Lievenheersbeestjes, in Gelderland Onzenlievenheerskuikentjes, in Friesland Koffie-engeltjes genoemd (Coccinellidae) hebben van alle Kevers het geringste aantal voetleden; zij hebben er althans aan de achterpooten slechts 3.
Ten tijde dat de natuur zich gereed maakt voor een algemeenen winterslaap, is er bijna geen opgerold, droog blad aan den boom te vinden, in welks holte niet minstens 3, 4 of 5 roode Kevertjes met zwarte stippels op den rug (of zwarte met lichte vlekken) het oogenblik afwachten, waarin zij met hun woonplaats afvallen zullen om onder de later los gerakende bladeren begraven te worden. Opeengedrongen zitten andere aan de uiterste toppen van de jonge dennen in de nauwe tusschenruimten der naalden, of achter losgeschilferde stukken schors van een ouden eik verborgen, of verzameld onder een graspol aan de naar 't oosten gerichte helling van een sloot; op de laatstgemelde plaats vindt men vooral het kleine, houtkleurige Twaalfstippelige Lieveheersbeestje (Micraspis duodecimpunctata), welks met een zwarten naad geteekende dekschilden met talrijke zwarte vlekjes bezaaid zijn. Wij vinden hen thans in grooten getale verzameld in hunne winterkwartieren; enkele exemplaren ziet men ook wel gedurende den winter binnenshuis en in den geheelen zomer overal in de vrije natuur, altijd echter het talrijkst daar waar Bladluizen de planten bedekken en uitzuigen, want met deze schadelijke Insecten voeden zich bijna alle Lievenheersbeestjes; hunne vraatzuchtige larven richten onder dit weerlooze wild een nog grootere slachting aan. De namen, die zij in verschillende talen van het volk ontvingen--Sonnenkäfer, Sonnenkälbchen, Marienwürmchen, Herrgottskühlein, Gottesschäflein (in Duitschland), Bêtes-à-bon-Dieu, Vaches-à-Dieu (in Frankrijk), Lady-birds, Lady-cows (in Engeland)--getuigen van de achting, die men hun toedraagt; wegens de reeds genoemde voedingswijze hebben zij aanspraak op onze dankbaarheid. Hoewel men de inheemsche Lievenheersbeestjes wegens hun half-eivormig of halfbolrond lichaam, welks achterlijf geheel onder de dekschilden verborgen is, niet licht met andere Kevers zal verwarren, vermelden wij hier nog de hoofdkenmerken der geheele familie. De korte kop draagt korte, in een smal knotsje eindigende sprieten, die naar beneden teruggeslagen kunnen worden en vóór de oogen, onder den zijrand van den kop ingeplant zijn. Ook de pootjes kunnen zij verbergen in groefjes, waarbij de scheen in een sleuf van de dij komt te liggen. De kaaktasters eindigen bijlvormig.
De langwerpig eironde, platte, van achteren spitse larven, welker lederachtige huid dikwijls met wratjes bedekt is, gelijken naar het uitwendige veel op de larven der Bladkevers, van welke zij zich echter duidelijk onderscheiden door hare vluggere bewegingen en bontere kleur.
De familie der Coccinellen omvat ongeveer 1000 soorten en is over de geheele wereld verbreid.
Bij het geslacht Coccinella is het halfeivormige of halfbolronde lichaam naakt, de dichte knots aan 't einde van de elfledige sprieten afgeknot, het tweede lid van den voet hartvormig, het derde verborgen; de beide klauwen zijn bij sommige in 't midden gespleten, bij andere aan hun basis van een driehoekigen tand voorzien.
Het Zevenstippelige Lievenheersbeestje (Coccinella septempunctata) is een van de grootste en meest verbreide inheemsche soorten. Van de zwarte grondkleur wijken af 2 voorhoofdsvlekken en de hoeken van het halsschild, die geelachtig wit zijn, en de menieroode, van voren witte dekschilden, die gezamenlijk 7 ronde, zwarte vlekken dragen. In 't begin van de lente, zoodra de natuur herleeft, verlaat dit kevertje zijn winterkwartier en paart; reeds in het einde van Mei kan men nagenoeg volwassen larven zien; in Juni en Juli wordt het gezelschap talrijker. Aanvankelijk blijven de larven, die in haar eerste jeugd zuiver zwart zijn, bij elkander in de nabijheid van de verdroogde eischalen; ook later gaan zij niet ver uiteen. De zorgzame moeder had de eieren gelegd op plaatsen, waar hare jongen in de Bladluis-koloniën een overvloed van voedsel konden verkrijgen; zij maken hiervan een goed gebruik en groeien snel, vervellen verscheidene malen en worden allengs blauwachtig leikleurig; de zijden van het eerste, vierde en zevende lid, benevens een overlangsche reeks van fijne stippels op 't midden van den rug, zijn rood. Voordat de larve in een pop verandert, hecht zij zich met de spits van 't achterlijf vast, kromt zich naar voren, trekt den kop in en verliest de haren; ten slotte scheurt de huid van den rug, de pop kruipt er uit, maar zit op de teruggeschoven larvehuid als op een kussen; haar kleur is zwart. Als men haar door aanraking verontrust, heft zij het voorste deel van 't lichaam omhoog en laat het weer vallen, dikwijls zoo geregeld als de hamer van een slaande klok. Ongeveer 7 dagen duurt dit rusttijdperk.
Van de lange reeks van familiën, die nu zouden moeten volgen, indien wij al deze groepen moesten noemen, bespreken wij slechts met weinige woorden de Pilkevers (Byrrhidae) en meer bepaaldelijk het geslacht Byrrhus, waaraan deze familie haar naam ontleent. De bedoelde Insecten, hoewel meer gezwollen en daarom juist met "pillen" vergeleken, komen met de Krengtorren in vele opzichten overeen, vooral door de gewoonte van zich dood te houden in tijden van gevaar. Wanneer deze kleine, eivormige, zeer bolle kevertjes hunne ledematen teruggetrokken hebben, kost het werkelijk moeite in hen dieren te herkennen. Meestal zijn zij met een fluweelachtig kleed van bruine haren bedekt. Zij voeden zich uitsluitend met plantaardige stoffen, met mos en droge overblijfselen. Dikwijls vindt men ze in groote gezelschappen op door de zon verbrande berghellingen, onder steenen, maar ook op groote hoogten in bergstreken, waar de temperatuur in den regel laag is. Met onwissen tred bewegen zij zich in den zomer langzaam over de weiden en wachten, naar het schijnt, liefst den nacht af om van hunne vleugels gebruik te maken. Daar zij overigens de aardoppervlakte nooit verlaten, ontbreken sommige soorten nooit onder de aangespoelde Kevers, die door de wateren, welke in de lente buiten hunne oevers treden, medegevoerd worden.
Een derde groep van Keverfamiliën noemt men Zaagsprietigen (Serricornia), hoewel het in dezen naam uitgedrukte kenmerk niet bij alle even duidelijk voorkomt. Het ontbreekt dikwijls bij de wijfjes van soorten, welker mannetjes het bezitten, soms bij beide seksen; bij deze zijn de sprieten dan meestal draad- of kamvormig. Het lichaam is meestal langwerpig; het borststuk en het grootste gedeelte van 't achterlijf zijn nagenoeg overal even breed. De dekschilden bedekken gewoonlijk het geheele achterlijf. De voet is vijfledig.
De Prachtkevers (Buprestidae) leven als larven in gangen, die zij in het hout knagen, als imago op bloemen. Hun lichaam is meestal langwerpig en loopt naar achteren spits toe; het is van boven naar onderen eenigszins afgeplat, zelden meer rolvormig; de bekleedende chitine-laag is zeer hard. De kleine kop draagt korte, 11-ledige sprieten; de leden beginnen bij het derde of vierde--of niet vóór het zevende--lid den vorm van meer of minder lange zaagtanden aan te nemen. Het halsschild en de ongeveer even breede dekschilden, die het achterlijf geheel bedekken, zijn nauw aaneengesloten. Dat de meeste soorten metaalglans vertoonen, verhoogt niet weinig hun stijf, metaalachtig voorkomen. Het voorborststuk loopt naar achteren uit in een plat uitsteeksel, dat in een gleuf van het middelborststuk en soms ook nog van het achterborststuk opgenomen wordt. De Prachtkever verlaat de gang, waarin de pop vertoefde, door een elliptische opening, die in vorm overeenstemt met de dwarse doorsnede van het dier, en stelt zich vervolgens gaarne, op boomstammen of liever nog op boomstompen of gehakt hout zittend, aan de zonnestralen bloot; hij laat zich, zoodra iemand dicht bij hem komt, voor dood naar beneden vallen, of vliegt zeer snel weg. Zijne vleugels worden niet overdwars, maar alleen overlangs opgevouwen; hij heeft ze dus schielijk ontplooid en even snel weder onder de nagenoeg even lange dekschilden geborgen.
Slechts van weinige soorten zijn de larven bekend; zij leven achter de schors van gezonde of ziekelijke boomen en zijn bij den eersten oogopslag te herkennen aan den vorm van 't voorste deel van 't lichaam. De 3 eerste segmenten na den kop zijn tot een groote schijf verbreed, waarop de meestal rolvormige achterlijfsleden ten getale van 9 volgen. Aan den kop ontbreken de oogen; de sterk ontwikkelde borstringen dragen in den regel geen pooten.
De familie van de Prachtkevers omvat ongeveer 2700 soorten en is in alle werelddeelen vertegenwoordigd. Vele van hare leden zijn ook in den letterlijken zin van 't woord Prachtkevers. Verreweg de meeste bewonen de tropische gewesten; daar hoofdzakelijk behooren de soorten thuis, die door schitterenden glans en prachtige kleuren boven alle andere uitmunten.
De grootste soorten behooren tot de onderfamilie der Koperruggen of Chalcophoriden, o.a. de 6 à 7 cM. lange Reuzen-prachtkever (Eudroma gigantea) van Brazilië en Columbia, koperrood van kleur met groenen zoom en geel bestoven, met 2 groote, zwarte spiegelvlekken op het gladde halsschild; de overlangs geribde en in de tusschenruimten grof gestippelde dekschilden worden door de inboorlingen als versierselen gebruikt.
De niet zeer talrijke Europeesche soorten, waarvan geen enkele in Nederland voorkomt, zijn veel kleiner. Een van de grootste en eenige Duitsche, de Groote Dennen-prachtkever (Chalcophora mariana), is 26 à 30 mM. lang, bronskleurig bruin, wit-bestoven, met 5 overlangsche verhevenheden op den rug van het voorborststuk en 3 gladde, stompe, overlangsche ribben op ieder dekschild. Deze soort bewoont de dennenbosschen van zandige vlakten in Noord-Duitschland, waar zij echter geen schade aanricht, daar de larve slechts in de doode takken en in de stammen van doode boomen gangen boort.
De Echte Buprestiden komen in vorm met de leden der vorige groep overeen. Tot het geslacht der Bontruggen (Poecilonota, Lampra) behoort de fraaiste Duitsche soort, n.l. de smaragdgroene Lindenprachtkever (Poecilonota rutilans). De dekschilden zijn (evenals het halsschild) langs den buitenrand koperrood en bovendien met zwarte dwarsstreepjes en vlekjes bezaaid; daar de rug van het achterlijf een fraaie, metaalachtig blauwe kleur heeft, vertoont de 11 à 13 mM. lange Kever zich gedurende het vliegen in zijn volle pracht. De larve bewoont gangen, die zij deels in de schors, deels in het splint van linden knaagt.
De Nederlandsche Prachtkevers behooren alle tot de onderfamilie der Agriliden. Het soortenrijke geslacht Smalbuik (Agrilus) wijkt door den vorm van het smalle, cilindrische, op den rug duidelijk afgeplatte lichaam van zijne verwanten af. Deze Kevers zijn over de geheele wereld verbreid en soms zoo talrijk, dat zij voor de houtkultuur nadeelig worden.
Een der grootste soorten is de 9 à 12 mM. lange Tweevlekkige Smalbuik (Agrilus bipunctatus), die in Duitschland op eiken niet bijzonder zeldzaam voorkomt en door Ritzema Bos in geringen getale op akkermaalshout aan de helling van den Wageningschen Berg gevonden werd. Het mannetje is blauwgroen, het wijfje groenachtig bruin; de door witte haren gevormde vlek op het achterste derde gedeelte van ieder dekschild dicht bij den naad heeft aanleiding gegeven tot den soortnaam; 3 dergelijke vlekjes komen voor op de randen van het achterlijf, die naast de dekschilden zichtbaar zijn.--De larve vreet onregelmatig gekronkelde, allengs breeder wordende gangen in de schors van eiken.
Andere soorten, die met de genoemde in levenswijze overeenstemmen, richten nu en dan, vooral in eiken- en beukenbosschen, schade aan; bij ons hebben zij op den houtteelt geen belangrijken invloed.
De Kniptorren of Springkevers (Elateridae) herinneren door hun vorm over 't geheel genomen aan de Prachtkevers, maar verschillen er in andere belangrijke opzichten zoo zeer van, dat het noodig is gebleken, deze beide vroeger tot één familie vereenigde groepen scherper te scheiden. De diep in het halsschild opgenomen kop is sterk naar beneden gericht. De 11- (ook wel eens 12-) ledige sprieten zijn getand, bij het mannetje niet zelden kamvormig, soms echter draadvormig. Door een merkwaardige eigenschap verschillen de meeste leden dezer familie van alle overige Kevers. Wanneer zij op den rug gevallen zijn, kunnen zij opspringen en zich gedurende den sprong omkeeren, zoodat zij weer op de pooten te recht komen. Hierbij komen te pas: de zeer groote beweeglijkheid van het voorborststuk ten opzichte van de daarachter gelegen lichaamsdeelen, bovendien de achterwaarts gerichte "stekel" aan den achterrand van het borstschild van het eerste borstsegment, voorts de uitholling voor het bergen van dit uitsteeksel aan den voorrand van het middelborststuk. Als de Kever van deze inrichting wil profiteeren, maakt hij zijn rug hol door het halsschild en het achterste uiteinde der borstschilden tegen het ondersteuningsvlak en den voorborststekel tegen den voorrand van het middelborststuk te drukken; met de krachtige borstspieren wordt de "stekel" nu van den genoemden rand af en in het voor hem bestemde kuiltje geperst, hetgeen met een knappend geluid gepaard gaat; door de veerkracht van den "stekel" wordt het geheele lichaam omhoog geheven; in de lucht maakt het dier een wending en valt op zijne pooten neer. Indien dit doel wegens de ongunstige gesteldheid der steunpunten een eerste en een tweede maal niet bereikt wordt, herhaalt de Kever zijne sprongen zoo dikwijls, tot hij zijn gewonen stand herwonnen heeft. "Dat deze sprong noodig zou zijn wegens de kortheid der pooten, moet ik ontkennen," zegt Claas Mulder. "Behalve dat ook bij andere Torren de lengte van de pooten naar evenredigheid niet grooter is, en zij zich toch herstellen, heb ik meer dan eens (bij twee soorten) door zijdelingsche wending het dier den gewonen stand zien hernemen, vooral bij jonge individu's. Zeker is het, dat zij in 't eerst de noodige hardheid niet hebben, om den sprong te kunnen doen, zooals ik 12 Juni l.l. waarnam, terwijl den 13en de rechte stand èn door sprong èn door keering kon herkregen worden."
Bij verschillende soorten merkt men ongelijke gewoonten op. Sommige zwerven op den bodem rond en bezoeken bloemen om honig te lekken; andere kiezen struiken en hunne groene bladen tot haar verblijfplaats en komen daarom meer in bosschen dan op weiden en akkers voor. Als men ze te na komt, laten zij zich met opgetrokken pooten op den grond vallen en kunnen dan meestal, ondanks de zorgvuldigste nasporingen, niet meer teruggevonden worden. Nog andere verbergen zich over dag achter de schors of klemmen zich vast tusschen de harsachtige knopschubben van naaldboomen, kortom, zij zijn alleen voor een zeer geoefend oog te vinden.
De larven zijn wormvormig, rolrond of van boven naar onderen een weinig afgeplat; altijd hebben zij een stevig chitine-pantser en 6 pooten. In een groot gedeelte van ons land worden zij Ritnaalden of Ritwormen genoemd, terwijl zij langs den IJsel Hardwormen, op de Veluwe Stekwormen, bij Haarlem en elders in Noord-Holland Koperwormen heeten. Soms noemt men ze ook wel "meelwormen", maar verwart ze dan blijkbaar met de larven van de Meeltor (Tenebrio molitor); waarmede zij bij oppervlakkige beschouwing eenige overeenkomst vertoonen. Zij zijn vlug ter been en leven verborgen in den grond of in vermolmd hout, of boren gangen in allerlei doode, maar ook in levende plantendeelen, die haar tot voedsel dienen, b.v. in paddestoelen, sappige wortels en knollen. Hierdoor brengen zij aan eenige landbouwplanten aanzienlijke schade teweeg. Ook zijn zij niet afkeerig van dierlijk voedsel en vreten elkander op, of dringen nu en dan borend in het lichaam van andere insectenlarven door.
De insecten-verzamelingen bevatten meer dan 3000 soorten van Kniptorren. Zij zijn over alle werelddeelen verbreid, in de warme en heete gewesten talrijker en ten deele aanmerkelijk grooter en fraaier van kleur dan in de gematigde, over 't algemeen echter middelmatig groot en niet in 't oogvallend gekleurd.
De Ruige Kniptor (Athous hirtus) behoort tot een geslacht, welks vertegenwoordigers vooral de koude en gematigde gewesten van het noordelijk halfrond bewonen en waarvan ook ons land een zestal soorten herbergt. (Hiertoe behooren de grootste inheemsche vormen, 15 mM. lang.) De Kever, die 's zomers op bloeiende Schermbloemigen van weiden, akkerranden en greppels aangetroffen wordt, heeft bij een lengte van 13 een breedte van 4.5 mM. en is volkomen onschadelijk. De glans van zijn zwart lichaam wordt door de grijze beharing eenigszins getemperd; men ontmoet echter ook wel exemplaren met bruine dekschilden.
In tegenstelling met den volkomen onschadelijken Kever zal de larve, wanneer zij in grooten getale in een oord voorkomt, een aanzienlijke schade aan den landbouw veroorzaken. Zij leeft achter de schors van doode boomen, maar ook in den grond op verschillende planten, vooral op suikerbieten. Wanneer zij, gelijk de Engerling, aan den baard en de spits van den jongen wortel knaagt, begint de plant te kwijnen en levert een kleine biet van aanmerkelijk geringer suikergehalte.
Een zeer algemeen verbreide Kever van eenvoudig voorkomen, de Gestreepte of Graankniptor (Agriotes lineatus, A. segetis), heeft door de schade, die zijn larve aanricht, meer dan andere leden van zijn familie de aandacht getrokken. Zijn 8.5 à 9 mM. lang lichaam is minder afgeplat dan dat van de reeds besproken en zeer vele andere verwanten. De sprieten zijn draadvormig. Het halsschild is aan de rugzijde bij wijze van een kussen gezwollen, even breed als lang, donkerbruin, doch met stippels bezet, langs de randen lichter. Op ieder dekschild ziet men 8 overlangsche reeksen van zwarte stippels, de ruimten tusschen deze strepen zijn afwisselend geelachtig bruin en donkerbruin. De geheele bovenzijde van den stam en de pooten hebben door beharing een geelachtig grijze kleur, aan de onderzijde schemert de zwarte grondkleur meer door. Van Juli tot in de lente duurt de imago-toestand. De Kever zwerft op akkers, weiden en wegen overal rond.
De larve is rolrond, slank, bruinachtig geel; het aarslid heeft bij den voorrand aan weerszijden een ronde deuk met zeer donkeren rand, het is tamelijk lang, zwak behaard, in 't midden gezwollen, overigens kegelvormig, in een zwartbruin stekeltje uitloopend (doch niet aan 't einde in tweeën gesplitst, zooals bij de leden van 't vorige geslacht); aan de buikzijde kan de aars uitgestulpt worden; dit uitsteeksel kan als "naschuiver" bij de voortbeweging dienst doen. Lengte 20, breedte 2 mM. De pop is wit met zwarte oogen.
Men vermoedt, dat bij deze en andere Kniptorren een 4-jarige generatie voorkomt; de larven, die uit de in Mei gelegde eieren komen, overwinteren 3-maal en gaan in 't laatst van Juli van 't 4e jaar vrij diep in den grond, zonder zich in te spinnen, in den poptoestand over; deze duurt tot in 't begin van Augustus; de Kever overwintert, paart en legt in Mei eieren, waarschijnlijk even onder of even boven den grond tusschen den stengel en zijne onderste leden. De larven zijn vooral in April en Mei schadelijk voor teere, jonge planten door het af knagen van onderaardsche stengeldeelen. Van alle landbouwgewassen schijnt tarwe het meest van de Ritnaalden te lijden te hebben; ook andere graansoorten worden volstrekt niet gespaard, evenmin vlas, koolzaad, turnips, rapen, kool, aardappelen, mangelwortels, penen, uien, salade, hop, enz. Een afdoend middel tegen deze plaag is niet bekend.
De heete gewesten van Middel- en Zuid-Amerika herbergen ongeveer 100 soorten van Kniptorren, die, behalve de eigenschap waaraan de familie haar naam ontleent, ook nog het vermogen hebben om, evenals de Glimwormen, in 't duister licht te verspreiden. Men herkent de groote en middelmatig groote "Vuurvliegen"--die meestal dof bruin van kleur, met grijsgele haren dicht bedekt zijn (het geslacht Pyrophorus)--gemakkelijk aan een gezwollen, wasgele plek in de nabijheid van iederen achterhoek van het halsschild, vanwaar bij het levende dier het tooverachtige licht uitgaat; bovendien bezitten zij een nog krachtiger lichtgevend orgaan aan de buikzijde, aan 't voorste gedeelte van 't achterlijf. Het licht ontstaat ten gevolge van een oxydatieproces.