Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 6

Chapter 63,717 wordsPublic domain

De genoemde soort bewoont het onder steenen aangelegde nest van de Gele Mier (Lasius flavus). Dat de Mieren hoogen prijs stellen op het bezit van deze gasten, blijkt, wanneer men de orde in het nest verstoort door den steen op te heffen, waaronder het verborgen is; men ziet dan de eigenaars van het nest de Dwergkevers met dezelfde zorg aanvatten als hare eigene poppen en hiermede de wijk nemen naar veiliger gedeelten van het gebouw. Om de oorzaak van deze vriendschappelijke verhouding te leeren kennen, plaatste P. W. J. Müller een mierennest in een glazen vischkom. Toen de bevolking tot rust was gekomen, liepen de kevertjes rustig tusschen de Mieren rond. Zoo dikwijls een Mier een Knotskever tegenkwam, streelde zij hem met de sprieten; na het ontvangen van een op gelijke wijze gegeven antwoord, sperde de Mier de bovenkaken open en zoog met de overige monddeelen de bosjes gele haren uit, die zich boven den buitensten achterhoek van de dekschilden verheffen, lekte het sap op, dat deze organen afscheiden en dat zich in het kuiltje op den rug van het achterlijf verzamelt. Ongeveer alle 8 of 10 minuten herhaalde zich dit tooneel. Tevens werd opgemerkt, dat de Mieren de Knotskevers voederen, en dat deze niet in staat zijn zelfstandig in hun onderhoud te voorzien. Als een verzadigde Mier een nog hongerigen Knotskever tegenkwam, stak deze, alsof hij het voedsel rook, den kop en de sprieten omhoog naar den mond van zijn gastvrouw. Na eenige plichtplegingen openden beiden den bek en gaf de Mier, terwijl zij de monddeelen ver uitstak, een deel van den inhoud van haar maag ten beste. Deze handeling duurde ongeveer 12 seconden en werd gewoonlijk gevolgd door het reeds genoemde aflikken der haarbosjes. Levenslang blijven de Knotskevers in dezen afhankelijken toestand. Zij planten zich in de mierennesten voort en sterven er.

In de familie der Aaskevers (Silphidae) komt een zoo groote verscheidenheid van vormen voor, dat in een voor al hare leden geldende beschrijving slechts weinige punten aangeroerd kunnen worden. Men kan wijzen op den vorm der sprieten, die gewoonlijk uit elf leden bestaan, naar de spits allengs in dikte toenemen of hier een scherp begrensden eindknop dragen; de dekschilden reiken bij eenige tot aan het einde van 't achterlijf, dat bij andere voor een deel onbedekt blijft. Door de vrij uitstekende, kegelvormige heupen der 4 voorste pooten en door de 6 vrije achterlijfsringen verschillen de Aaskevers van alle overige Kevers met 5-ledigen voet en knotsvormige sprieten.

Alle leden van deze familie zoeken krengen op, die hun zelf tot voedsel dienen of waarin zij hunne eieren leggen; alle werpen, wanneer men ze aanvat, een stinkend vocht uit door den aars of den mond of door beide tegelijk. Bij gebrek aan lijken van dieren, verslinden zij ook plantaardige stoffen of maken jacht op levende Insecten, waarbij zij hunne soortgenooten niet verschoonen. Hunne bewegingen zijn flink; het reukzintuig is zeer gevoelig; hierdoor geleid, komen zij van groote afstanden aanvliegen naar plaatsen, waar het een of ander dood dier ligt te rotten. Ongeveer 500 soorten van deze Kevers bevolken de geheele aardoppervlakte; vier tienden hiervan behooren in de koude en gematigde aardgordels thuis.

De larven stemmen in levenswijze met de geslachtsrijpe dieren overeen, doch zijn, gelijk deze, zeer verschillend van gedaante.

De Gewone Doodgraver (Necrophorus vespillo) heeft met zijne ruim 40 geslachtsgenooten, die voor 't meerendeel Europa en Noord-Amerika bewonen, de volgende kenmerken gemeen: De 4 laatste van de 10 sprietleden vormen een bolvormigen knop. De groote, van achteren bij wijze van een hals versmalde kop is gedeeltelijk weggedoken onder het bijna cirkelronde, breed gerande halsschild. De afgeknotte dekschilden laten de 3 laatste ringen van het achterlijf onbedekt. De genoemde soort kenmerkt zich door gebogen achterscheenen, door de goudgele beharing van het halsschild, de gele kleur van den knop der sprieten, 2 oranjegele dwarsbanden op de dekschilden en een zwarte grondkleur. Opmerkelijk is voorts het afgebroken, ratelend geluid, dat deze Kever kan voortbrengen, door de beide lijsten, waarmede de rug van den vijfden achterlijfsring voorzien is, langs den achterrand der dekschilden te wrijven.

Op plaatsen, waar een kreng ligt, verzamelen de Doodgravers zich; elders zal men deze hoofdzakelijk 's nachts arbeidende Kevers niet dikwijls aanschouwen. De eerstaangekomene ziet achtereenvolgens 1, 2, 3, 4 of 5 soortgenooten bij den door hem ontdekten schat verschijnen; aanvankelijk bepalen zij zich tot het onderzoek van het lijk en van den bodem, die niet altijd voor begraafplaats geschikt is. Als de Kevers van oordeel zijn, dat de arbeid kan aanvangen, begeven allen zich onder het doode dier, b.v. een Muis. Zij groepeeren zich op zulk een wijze, dat de eene den anderen niet in den weg staat, en graven in schuinsche richting met de pooten de aarde weg, die zij onder hun lichaam door naar achteren werpen; hierdoor zal om de Muis, die langzamerhand door haar eigen zwaarte naar beneden zakt, een wal ontstaan. Nu en dan hapert er iets aan den vooruitgang van het werk: bijna altijd zal het eene deel schielijker zakken dan het andere; in dit geval ziet men nu eens den eenen dan weer den anderen arbeider aan de oppervlakte komen om met nadenkend opgeheven kop en sprieten als een deskundige den stand van zaken na te gaan, het werk aan alle zijden in oogenschouw te nemen; weldra ziet men dan ook het achtergebleven deel allengs zakken, daar alle krachten zich nu op één punt vereenigen. Ongeloofelijk snel verrichten de Doodgravers hun arbeid; na verloop van betrekkelijk korten tijd is de Muis van de oppervlakte verdwenen en ziet men op de plaats, waar zij gelegen heeft, nog slechts een kleine verhevenheid; ook deze verdwijnt later. Volgens een ooggetuige begroeven 4 Doodgravers in 50 dagen 2 Mollen, 4 Kikvorschen, 3 kleine Vogels, de ingewanden van een Visch, 2 Sprinkhanen en twee stukken runderlever. In vasten bodem worden de lijken slechts even onder de oppervlakte gebracht, in zeer mullen grond komen zij soms op een diepte van wel 30 cM. te liggen. Dat de Doodgravers bij het verrichten van hun arbeid soms groote bezwaren met goed gevolg overwinnen, blijkt uit de volgende proef. Aan een touw, dat aan een in den grond gestoken stok bevestigd was, werd het aas op zulk een wijze opgehangen, dat het den bodem niet aanraakte. Nadat de Kevers zich overtuigd hadden, dat zij hier op de gewone wijze hun taak niet konden volbrengen, bereikten zij hun doel door den stok zoover te ontgraven, tot hij omviel. Zij weten zeer goed, dat andere Insecten, niet slechts Aaskevers, maar vooral ook groote Vleeschvliegen, hetzelfde doel beoogen en werken daarom met inspanning van al hunne krachten om de overige liefhebbers voor te zijn. Zij begraven het aas niet om voor zich zelf een lekker hapje te behouden, zooals de verzadigde Hond, die een overgeschoten been verbergt; zij arbeiden met het vooruitzicht op het eieren leggen, uit teedere zorg voor hun kroost, waaraan zij een voldoende voeding en gelegenheid tot ongestoorde ontwikkeling willen verschaffen. Binnen 14 dagen komen de larven uit, die in korten tijd, na verscheidene vervellingen haar grootsten omvang bereiken (zie de vorenstaande afbeelding). Grootendeels zijn zij vuilwit; de 6 zwakke, ieder in één klauw eindigende pooten en de kop met zijne 4-ledige sprieten en middelmatig groote bovenkaken zijn geelachtig bruin; dezelfde kleur hebben de kroonvormige rugschilden, die aan den voorrand der leden gehecht zijn en bij het kruipen door een gang met de uitsteeksels tegen den wand gedrukt worden. Om zich te verpoppen begeeft de larve zich eenigszins dieper in den grond en maakt hier een hol, welks wand zij door een lijmerige stof stevig maakt; de aanvankelijke witte, later gele pop wordt voortdurend donkerder, naarmate de tijd van de laatste gedaantewisseling nadert. Waarschijnlijk levert ieder jaar slechts één generatie op, hoewel de ontwikkeling snel genoeg plaats vindt om twee generaties mogelijk te maken.

Het geslacht der Aaskevers (Silpha), waaraan de geheele familie haar naam ontleent, onderscheidt zich door een plat gedrukt lichaam van eivormige gedaante. De 11-ledige sprieten worden nader bij de spriet allengs dikker en vormen hier een 3- à 5-ledige knots. De 67 bekende soorten zijn met weinige uitzonderingen geheel en al zwart en door haar voedingswijze bijna geheel aan den bodem gebonden; zij bewonen alle werelddeelen met uitzondering van Australië.

De Zwarte Aaskever (Silpha atrata), een van de meest verbreide soorten, is o.a. hierdoor merkwaardig, dat zijn larve soms op de suikerbiet- en mangelwortelakkers groote schade aanricht. De Kever vertoeft gedurende den geheelen zomer op akkers of wegen, onder steenen of aardkluiten, bij voorkeur trouwens onder het lijk van een dier. Hij is elliptisch van omtrek en glinsterend zwart van kleur; de loodrecht naar onderen gerichte kop, wordt, evenals bij al zijne soortgenooten, aan de bovenzijde door het grof gestippelde halsschild bedekt. De dekschilden zijn aan den buitenrand sterk naar boven gebogen en ieder in 4 velden van gelijke breedte verdeeld door drie stompe, overlangsche lijsten en den op gelijke wijze uitpuilenden naad. Deze velden zijn met grove rimpels of knobbels bezet.

De larve is van boven zwart, van onderen licht gekleurd; aan de rugzijde merkt men 12 harde schilden op; het lichaam wordt van den kop tot aan het

midden breeder en verderop allengs veel smaller. Het laatste lid draagt aan 't einde twee vleezige aanhangsels. Gewoonlijk blijven deze larven en die der overige soorten verborgen onder doode dieren en nemen na iedere vervelling snel in grootte toe. Tijdelijk komen zij echter in zoo groote menigte voor, dat haar gewone voedsel niet meer in voldoende hoeveelheid voorhanden is en zij, merkwaardigerwijze, planteneters worden. Zij zijn zeer vraatzuchtig, groeien snel, vervellen intusschen 4-maal, zijn bij het verlaten van de oude larvehuid volkomen wit, maar hebben reeds één uur later op den rug haar oorspronkelijke, zwarte kleur herkregen. De volwassen larve kruipt tamelijk diep in den grond, maakt hier een hol en verandert in een witte, als een vraagteeken gekromde pop. Na een rusttijdperk van ongeveer 10 dagen komt de Kever te voorschijn. Deze overwintert als imago. Er kunnen ieder jaar twee generaties optreden.

Op plaatsen waar Doodgravers en Aaskevers zich gaarne ophouden, is gewoonlijk ook de familie der Krengtorren (Histeridae) door eenige soorten vertegenwoordigd. Hun lichaam is gedrongen van bouw, zijdelings verbreed, soms zelfs volkomen plat en omgeven door een sterk glanzig, buitengewoon hard pantser. De kleine, smalle kop is zeer diep in het halsschild verborgen en kan bij vele soorten naar onderen teruggetrokken worden, zoodat men hem bijna niet meer zien kan. De korte, 11-ledige sprieten zijn knievormig gebogen en eindigen in een drieledigen knop. De pooten zijn terugtrekbaar en plat, d.w.z. kunnen op zulk een wijze in ondiepe groeven aan de buikzijde van 't lichaam geborgen worden, dat een ongeoefend oog hun aanwezigheid ternauwernood opmerkt. De Krengtorren hebben een langzamen gang; door geheel hun voorkomen wordt men eenigszins aan een Schildpad herinnerd. Veel draagt hiertoe bij de eigenaardige gewoonte om, zoodra hun iets buitengewoons overkomt, de toch reeds trage beweging te staken, den kop en de pooten in te trekken en zich dood te houden. Op warme zomeravonden, minder dikwijls in de heete middagzon, maken zij van hunne vleugels gebruik om spoediger een grooten weg af te leggen; waarschijnlijk geschiedt dit met het doel om voedsel op te sporen. Zij verslinden niet slechts rottende dierlijke stoffen, maar maken even gaarne gebruik van plantaardige rottingsproducten; men vindt ze daarom veelvuldig in mest en ook in snel rottende, vleezige zwammen, sommige soorten achter boomschors, enkele in mierenhoopen. Behalve zwart met een blauwen of paarsen, dikwijls zeer sterken metaalglans komt in hun kleed geen andere kleur voor dan rood. De 1200 soorten van deze familie zijn over de geheele aarde verbreid, het minst talrijk over Afrika, Indië en Australië.

De langwerpige larven bestaan uit een harden kop en 12 leden, waarvan alleen het voorste een hoornachtig hard omkleedsel heeft. Door het bezit van gladde aanhangsels aan 't uiteinde van 't lichaam en door het vermogen om den aars naar buiten te stulpen, waardoor een wratvormige "naschuiver" ontstaat, die tot steun voor het lichaam dient, gelijken zij op larven van Staphylinen.

De Mest-krengtor (Hister fimetarius, H. sinuatus) is een van die soorten, welke den kop in een afgerond uitsteeksel van het voorborststuk kunnen terugtrekken. Onder den voorhoofdsrand zijn de knievormig gebogen sprieten, die in een ovale, 3-ledige knots eindigen, ingeplant; deze kan verborgen worden in een groeve aan den voorrand van het voorborststuk. De lange, scheef naar beneden gerichte, in 't midden getande bovenkaken steken dreigend voor den kop uit. Een der kenmerken van den genoemden Kever is, dat hij aan den achterrand van het voorborststuk een klein, afgerond uitsteeksel heeft, dat in een uitholling van het middelborststuk past. Het halsschild heeft slechts één randstreep; de dekschilden hebben op den omgeslagen zijrand een duidelijk gestippelde groeve, op de zijde zelf drie van voren tot achteren reikende strepen, naast den naad een halverwege eindigende streep en op het midden een groote, roode vlek. Men vindt deze soort vooral in droge, zandige streken in mesthoopen en ontmoet hem ook wel eens op een veldweg, langzaam voortstrompelend, vaker evenwel platgetrapt, omdat hij door het "dood liggen" niet beveiligd is tegen den voetzool van den niet op hem lettenden wandelaar.

Tot de familie van de Glanskevers (Nitidulariae) brengt men ongeveer 800 soorten van kleine Insecten, die in zeer grooten getale over geheel Amerika en Europa verspreid zijn; slechts enkele behooren hier en daar in Afrika en verder oostwaarts tot op de Australische eilanden thuis. Hun vorm komt in hoofdzaken overeen met dien der Krengtorren, van welke zij echter door de geringere hardheid en de minder eentonige kleur van de lichaamsbekleeding afwijken. De dekschilden zijn meestal een weinig korter dan het achterlijf; ook de pooten zijn kort; de niet knievormig gebogen sprieten loopen uit in een 3- of 4-ledigen knop.

Deze Kevertjes komen in zeer verschillende omstandigheden, hetzij in kleinen getale of tot groote gezelschappen vereenigd, voor; men vindt ze op allerlei bloemen, achter boomschors, in het gistende en hierdoor brijachtig wordende sap, dat uit wonden van de boomen (eiken, berken, beuken) vloeit, in paddestoelen, in dierlijke overblijfselen, enz.

De Koolzaad-glanskever (Meligethes aeneus) trekt de aandacht, wanneer hij, zooals niet zelden het geval is, in aanzienlijken getale bloeiend raapzaad, koolzaad en andere kruisbloemige planten en later ook bloemen van allerlei struiken bewoont; een afzonderlijk levend exemplaar wordt licht over 't hoofd gezien, daar het slechts 2.25 mM. lang is; deze Kever heeft een metaalachtig groene kleur, is, van boven gezien, afgerond vierhoekig en vertoont aan de buikzijde een smal, van achteren spits toeloopend voorborststuk.

Na den winter verlaten de Glanskevers hun (waarschijnlijk in den grond gelegen) slaapplaats, zoeken de genoemde planten op en voeden zich met hare knoppen en bloemen, zwermen in den warmen zonneschijn vroolijk rond en paren. 3 of 4 dagen later, liefst bij volkomen stil weder, steekt het wijfje haar voor uitstulping geschikte achterlijfsspits tot onder in den knop en laat hier een langwerpig rond, wit eitje achter. In 8 à 14 dagen ontwikkelt zich de larve, die zich voedt met de bloemdeelen, welke dan nog in den knoptoestand verkeeren, of reeds uitgebot zijn, en later aan de jonge hauwen knaagt, waardoor zij nog meer schade aanricht dan de Kever. Met tusschenruimten van 8 à 10 dagen hebben achtereenvolgens 3 vervellingen plaats; na de laatste gaat het Insect in den poptoestand over en leeft bijgevolg gemiddeld één maand. Kort voor de verpopping is het hoogstens 4.5 mM. lang, rolvormig, geelachtig wit van kleur en gelijkt veel op de larve van een Aardvloo. Wanneer men opmerkzaam de bovenste gedeelten van de bloeiwijzen der koolzaadplanten onderzoekt, vindt men deze larven in grooten getale tusschen de bloemen zitten; het is dan niet moeielijk te begrijpen, dat de lange, over een grooten afstand kale stengeltoppen ten tijde van de rijpheid der vruchten, gedeeltelijk althans op haar rekening komen.

Om zich te verpoppen, laat de larve zich op den grond vallen en omgeeft zich hier, op korten afstand van, doch onder de oppervlakte, met een los spinsel, waarin men weldra het witte, bij aanraking zich sterk krommende popje vinden kan, welks lichaam van achteren in twee vleezige spitsen eindigt. Na 12 à 16 dagen, in 't begin van Juli derhalve, komt de Kever voor den dag. Deze zoekt zijn voedsel op de bloemen, maar plant zich eerst in 't volgende jaar voort.

In systematische werken over Kevers volgen op de zooeven behandelde familiën een aantal groepen, die den verzamelaar veel moeite veroorzaken, veel inspanning van zijne gezichtsorganen vergen, daar zij uit kleine diertjes bestaan, die voor een deel zeer moeielijk op te sporen zijn. Met voorbijgang van deze, zullen wij eenige Keversoorten beschrijven, die in onze woningen schade aanrichten en ijverig vervolgd moeten worden. Zij vormen met een zeer groot aantal verwanten de familie der Spektorren (Dermestidae), zoo genoemd naar den grootsten van hare vertegenwoordigers.

Men merkt bij deze Kevers geen zeer duidelijke scheiding van kop, borst en achterlijf op, maar treft overigens bij hen zeer verschillende vormen aan. De naar beneden gerichte, terugtrekbare kop draagt meestal één enkelvoudig oog op de kruin; dit kenmerk en het bezit van 5 leden in den voet en van een uit 5 ringen samengesteld achterlijf, hebben alle Spekkevers met elkander gemeen. Ook in levenswijze en gewoonten vertoonen zij een zeer groote overeenkomst. Alle trekken de pooten op, verbergen de sprieten, buigen den kop terug en blijven geruimen tijd voor dood liggen, wanneer zij verontrust worden en gevaar duchten. Voorts onderscheiden zij zich door hun rondzwervende levenswijze; het is hun vrij wel onverschillig, in welk gezelschap of in welke omgeving zij verkeeren, of zij naast een eleganten Vlinder in een geurige bloem zitten, of in vereeniging met liefhebbers van de duisternis en vieze kameraden in de overblijfselen van een stinkend kreng rondwroeten; zoowel in het rottende hout van een ouden boomstam als in den hoek van een eetzaal treft men ze aan; als verblijfplaats is hun de bontrand van een afgedankten voetenzak of de bekleeding van een sofa even welkom als de lichaamsholte van een grooten Kever, die het sieraad uitmaakt van een insecten-verzameling; toch leven sommige hoofdzakelijk op deze, andere meestal op gene plaats. Daar de Spektorren, en in meerdere mate nog hare larven, zich met dierlijke stoffen van allerlei aard voeden, en bij voorkeur de droge bestanddeelen hiervan verslinden, treft men ze overal aan,--buiten in de vrije natuur, in onze woningen, op schepen, enz.; zij maken reizen om de wereld; sommige worden wereldburgers in de volste beteekenis van 't woord. Voorzoover zij een verborgen leven leiden en zich in de verborgenheid sterk vermenigvuldigen, kunnen zij in sommige gevallen een gevoelige schade aan onze bezittingen toebrengen. Dit geldt in de eerste plaats van de vraatzuchtige larven. Zij zijn voorzien van een goed gevuld kleed van overeindstaande haren, die meestal naar achteren op sommige plaatsen dichte bundels vormen en zich ook bij wijze van een ster kunnen uitspreiden; zij hebben korte, 4-ledige sprieten, meestal 6 enkelvoudige oogen aan iedere zijde van den kop en korte pooten, die in één klauw eindigen. Bij de gedaantewisseling komt er over den rug een scheur in de huid, die daarna nog voor de pop een beschermend omhulsel levert.

De Spektor (Dermestes lardarius) wordt te midden van zijne geslachtsgenooten, die alle gemiddeld 7.6 mM. lang zijn, gemakkelijk herkend aan den lichtbruinen, met eenige zwarte stippels geteekenden dwarsband, die zich over de wortelhelft van de dekschilden uitstrekt en scherp afsteekt bij de zwartbruine kleur der overige lichaamsdeelen.

De langwerpige larve wordt bijna dubbel zoo lang als de Kever, is op den buik wit en op den bruinen rug met tamelijk lange, bruine haren bezet; de langste haren vormen aan het achtereinde van het lichaam een soort van kwast. De larve wordt van Mei tot in September waargenomen, vervelt gedurende dezen tijd 4-maal en verraadt haar aanwezigheid door de achterblijvende, ledige velletjes op plaatsen waar deze niet door luchtstroomingen worden weggevoerd, b.v. in insectenverzamelingen. Tegen den tijd van haar gedaantewisseling, wordt de larve allengs trager, korter en kaler. Ten slotte verbergt zij zich zoo goed of zoo kwaad als zij kan op haar verblijfplaats; in de huid van den rug ontstaat, evenals bij de vorige vervellingen, een overlangsche scheur, waardoor de pop, die met het grootste deel van haar lichaam in de larvehuid steken blijft, zichtbaar wordt. Zij is van voren wit, van achteren bruin gestreept en beweegt zich sterk, wanneer men haar verontrust. Meestal is de ontwikkeling van de pop tot imago in September afgeloopen; de huid barst open en de Kever blijft, evenals vroeger de pop, geruimen tijd in het nu dubbele hulsel zitten. Op warme plaatsen komt hij eerder, in koudere later te voorschijn.

De Spektor en zijne verwanten leven niet uitsluitend in proviand-bergplaatsen, maar overal waar dierlijke overblijfselen te vinden zijn, in huizen, op duiventillen, in de vrije natuur onder lijken, op pelterijen en in verzamelingen van naturaliën.

De overige Dermesten zijn muiskleurig grijs of zwart op de rugzijde, witachtig of zelfs krijtwit op den buik. al naar deze meer of minder dicht begroeid is met tegen het lichaam aanliggende haren. Men ontmoet deze Kevers meestal in de vrije natuur onder aas, maar ook in allerlei natuurvoortbrengselen, die een lange zeereis afgelegd hebben en niet goed ingepakt waren.

Het Bonttorretje (Attagenus pellio), komt in vorm met de Spektor overeen; maar is aanmerkelijk kleiner (gemiddeld 4 mM.), ook heeft het een minder bollen rug; deze is zwartachtig grijs en op het midden van ieder dekschild met een zilverwit behaard plekje geteekend.

Het Bonttorretje houdt zich veel in de vrije natuur op en heeft tot zomerkwartier de bloemen van hagedoorn, spiraea, schermbloemigen en andere planten, waar hij met zijn goeden vriend, het Museumtorretje, en menig ander Insect in de beste verstandhouding verkeert en hier, dikwijls zoo overvloedig bedekt met stuifmeel, dat men het ternauwernood herkent, een zeer vreedzaam leven leidt. Meer gelegenheid heeft men om dezen Kever in onze woningen op te merken, wanneer de lentezon hem uit zijn stoffigen schuilhoek te voorschijn lokt en tot een wandeling over den vloer of tot een tochtje door de lucht naar de helder verlichte vensterruiten verleidt. Grijp hem zonder mededoogen, wanneer hij op deze voor hem gevaarlijke plaatsen vertoeft en knijp hem tusschen de vingers dood om te verhoeden, dat hij nakomelingen verkrijgt. Want al richt hijzelf geen noemenswaarde schade aan, zijn larve doet dit des te meer. Zij verdient den haat, dien men haar toedraagt; het is echter veel moeielijker haar te dooden dan de Kever.