Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 52

Chapter 523,538 wordsPublic domain

De meeste zoogenaamde Lange Wantsen (Lygaeides) leven onder steenen, dorre, vergruisde bladen of onder het mos aan den voet van boomstammen; hier zijn zij druk bezig met haar voedsel te zoeken, dat uit het sap van planten of van doode Insecten bestaat; slechts weinige soorten komen voor den dag. Een van deze, de 10 mM. lange Vleugellooze Vuurwants (Pyrrhocoris apterus), is gemakkelijk te herkennen aan haar deels bloedroode, deels zwarte kleur, voorts aan het ontbreken van de achtervleugels en van het vliezige deel der dekschilden; soms, vooral in zuidelijker landen, komen echter ook exemplaren voor met goed ontwikkeld membraan aan de voorvleugels en zelfs met volledige vliegwerktuigen. Den geheelen zomer ontmoet men deze Insecten bij scholen aan den voet van oude linden of ijpen, of, zoo deze boomen ontbreken, ook wel bij een muur. Zoodra de winter voorbij is, in den regel reeds in Maart, verlaten zij allengs hare schuilplaatsen en sluipen eenzaam rond op beschutte, niet aan den kouden wind blootgestelde plaatsen. Hoe zachter het weer is, des te meer vallen zij in 't oog. Na half April vindt men onder vochtige bladen of in den grond bij oude boomstompen parelwitte eieren, later jonge larven ter grootte van een speldekop, met rood achterlijf en zwarte vleugelstompjes. Na 3 vervellingen zijn zij volwassen. Op den rug van het achterlijf monden 3 stinkklieren uit. Zoodra het dier slechts even gestoord wordt, verbreidt zich een scherpe, aan vluchtige vetzuren herinnerende lucht en ziet men uit de middelste klier een drupje van een kleurlooze, langzamerhand verdampende vloeistof ontwijken. Na een sterken prikkel, b.v. als men de larve knijpt, haar een poot of een spriet afknipt, spuit uit de achterste en grootste klier een kleine vochtstraal, die de eigenaardige "wantsenlucht" verbreidt. Deze komt niet meer voor bij de volwassen Vuurwants, die integendeel uit andere vóór de achterpooten gelegen klieropeningen een aangenaam riekende stof uitwerpt.--Aan dierlijk voedsel, dat door het uitzuigen van lijken van Insecten verkregen wordt, geeft deze Wants de voorkeur; zij zuigt echter ook wel sap uit linden.

Van alle Landwantsen met een uit 4 leden bestaande snavelscheede en met een schildje, dat zich niet tot aan het midden van het achterlijf uitstrekt, vertoonen de Randwantsen (Coreidae) de grootste verscheidenheid van vorm. Zij kenmerken zich door de plaatsing van de sprieten aan den rand van de (2 bijoogen dragende) kruin boven de denkbeeldige rechte lijn, die het midden van ieder samengesteld oog met den snavelwortel verbindt, door het bezit van hechtlapjes aan den voet tusschen de klauwen en door de talrijkheid van de uitpuilende, dikwijls gaffelvormig vertakte aders in het vliezige deel van de dekschilden.--Het aantal Europeesche soorten bedraagt nauwelijks 60; veel grooter is het aantal Amerikaansche vertegenwoordigers dezer familie, die bovendien tot de grootste en fraaiste van alle Wantsen behooren.--De inheemsche vindt men des zomers op struiken en in het gras; zij vangen hier Insecten en maken bij zonnig weer ook zeer goed van hare vleugels gebruik. Als de gure herfstdagen gekomen zijn, verlaten zij, met andere Insecten, het schouwtooneel van haar werkzaamheid en vinden op beschutte plaatsen, vooral onder afgevallen bladen, een winterkwartier. Wanneer men op een zonnigen, voor dit seizoen nog mooien dag de nog niet verstijfde winterslapers verontrust, door in de hen bedekkende bladerenlaag te roeren, zal men een aantal groote Rand- en Schildwantsen te zien krijgen.

Bij de 12 à 13 mM. lange Zoomwants (Syromastes marginatus, fign. 1 en 2) heeft de kop tusschen de sprieten twee binnenwaarts gerichte, spitse uitsteekseltjes; fijne, zwarte putjes verschaffen aan de roodachtig grijze oppervlakte van het lichaam een donkerder tint; het donkerst is het laatste, het lichtst zijn de beide voorafgaande sprietleden; het rood is het zuiverst op den rug van het achterlijf; het vlies van de dekschilden heeft een bronskleurigen glans. Deze Wants leeft in geheel Europa (bij ons in de oostelijke provinciën) op struiken en overwintert in den volkomen staat. Zij verbreidt een onaangename lucht.

De Mugwants (Berytus tipularius, fig. 3) is een slank, staafvormig Insect met spichtige pooten en sprieten; haar lichtgrijze kleur is het donkerst op den buitenrand en op 5 kleine plekjes van ieder dekschild, op de knobbelige knieën en op het eindlid der sprieten. Schijnbaar gelijkt zij weinig op de Zoomwants; toch bestaat het eenige karakteristieke verschil tusschen beide soorten in de ongelijke verhouding tusschen de lengte van het 2e en het 3e sprietlid; het 3e is hier aanmerkelijk langer dan het 2e. Met nog eenige andere nauw verwante soorten vindt men dit fraaie, 9 à 10 mM. lange Insect bij ons op heide- en duingrond onder stalkruid, jeneverbessen, heide en andere laag groeiende struiken. Het schijnt door de lengte van de draadvormige pooten eerder gehinderd dan geholpen te worden bij zijn beweging; het verplaatst zich niet vlug en wordt gemakkelijk gevangen.

De Grootschilden of Schildwantsen (Scutati, Pentatomidae) heeten zoo wegens de groote lengte van het schildje, dat zich minstens tot voorbij het midden (soms zelfs tot aan de spits) van het achterlijf uitstrekt. Zij leven voor 't meerendeel op laag groeiende planten; eenige houden zich hier min of meer verborgen; de meeste echter vertoeven aan de oppervlakte, waar zij door hare soms bonte kleuren licht in 't oog vallen; de grootste bewonen boomen en struiken, die haar tot versnapering zoete bessen verschaffen en zijn in den regel grootendeels groen van kleur. Meer dan hare verwanten trekken zij de aandacht door haar weinig of niet verborgen levenswijze en door haar neiging om bij zonnig weer luid brommend rond te vliegen. Zij overwinteren in geslachtsrijpen toestand onder droge, afgevallen bladen. De eieren, die zich met een dekseltje openen, worden in 't begin van de lente groepsgewijs naast elkander gelegd op de planten, waarop de Wantsen gewoonlijk leven. De larven zijn aanvankelijk bijna cirkelrond en bereiken na verscheidene vervellingen, die de kleur en den vorm langzamerhand doen veranderen, in den herfst haar volledige ontwikkeling; zij voeden zich bij voorkeur met plantensap, zonder evenwel dierlijk voedsel te versmaden.

De 6 à 7 mM. lange, fraaie Koolwants (Eurydema oleracea, fig. 3) is van boven groen of groenachtig blauw met metaalachtigen glans; het wijfje heeft roode, het mannetje witte randen, banden en vlekken. Deze Wants kan op plaatsen, waar zij in grooten getale voorkomt, schade aanrichten, daar zij sap zuigt uit jonge koolplanten; naar het schijnt, zijn echter allerlei andere (ook niet kruisbloemige) planten evenzeer van haar gading en voorziet zij bovendien voor een deel in haar onderhoud door het uitzuigen van Insecten, o.a. van de larven der schadelijke Kool-aardvloo. Tot de echte vijanden van den landbouw behoort zij dus niet.

Vooral aan den rand en de open plekken van bosschen, minder dikwijls op weiden en akkers, vindt men in een groot deel van ons land op grassen de Spitskoppige Wants (Aelia acuminata fig. 4), welker lichtgeelachtige oppervlakte door donkerder putjes een bruinachtige tint verkrijgt en op den rug witachtige banden heeft, die samen nagenoeg een ruit vormen.

De Roodpootige Boomwants [Pentatoma (Tropicoris) rufipes, fig. 1] heeft met hare naaste verwanten de zijwaartsche verbreeding van het halsschild gemeen. Haar geelachtig of roodachtig bruine huid is met talrijke, zwarte puntjes bezet en heeft een bronskleurigen weerschijn; de rug van het achterlijf is glanzig zwart; de sprieten, de pooten en de top van het schildje zijn meer of minder duidelijk rood. Deze zeer algemeen voorkomende soort geeft de voorkeur aan jonge berken, maar leeft ook op allerlei andere boomen en struiken, loopt op de stammen rond en voedt zich bijna uitsluitend met dierlijke stoffen; door het uitzuigen van rupsen maakt zij zich verdienstelijk.

Een andere bewoner van jonge berken--de Getande Stekelwants (Acanthosoma dentatum)--is in fig. 2 van boven en ook van onderen afgebeeld, omdat hij zich van de overige inheemsche Wantsen onderscheidt door een kiel over de borst en een naar voren gerichten stekel aan het eerste buikschild. Fijne, zwarte putjes geven aan den rug van dit geelachtig groen Insect een donkerder tint; het donkerst zijn de beide laatste sprietleden; de buik vertoont fijne groefjes en is aan de spits rood.

DE DUIZENDPOOTEN (Myriopoda).

Een aantal lichtschuwe Arthropoden worden onder den naam van Duizendpooten (Myriopoda) samengevat, hoewel geen van hen 1000 pooten heeft. Het aantal pooten loopt zeer uiteen: het is "onbepaald", bij sommige zeer groot (de Braziliaansche Spirobolus maximus heeft 100 à 133 paar van deze organen), bij andere niet buitengewoon (9 paar bij Pauropus Huxleyi). Aan hun meestal zeer langwerpig, wormvormig (soms echter aan een Pissebed herinnerend) lichaam onderscheidt men duidelijk den kop en voorts een meer of minder groot aantal, nagenoeg gelijke, door harde chitine-platen beschutte leden. Het laatste lid (waaraan de aarsopening voorkomt) is steeds pootloos (soms ontbreken bovendien de ledematen aan het voorlaatste lid, soms daarentegen aan een der vier voorste rompsegmenten). Overigens draagt ieder lid na den kop één paar of twee paar gelede, in één klauw eindigende pooten (2 klauwen vindt men echter bij de Symphylen). Alle op den kop volgende leden zijn gelijkwaardig; de tegenstelling, die bij de Insecten wordt waargenomen tusschen de middelste (met pooten en vleugels uitgeruste) en de achterste (pootlooze) lichaamsafdeeling komt hier dus niet voor. De 2 sprieten, die aan of onder het voorhoofd ontspringen, zijn draad- of borstelvormig, zelden dikker. De oogen bevinden zich aan weerszijden van den kop, voorzoover zij niet geheel ontbreken, hetwelk niet zelden het geval is; de meeste hebben een meer of minder groot aantal enkelvoudige oogen, in 2 groepen gerangschikt; bij één geslacht (Scutigera) zijn zij door samengestelde oogen vervangen. Verreweg de meeste Duizendpooten hebben bijtende monddeelen (zuigende komen alleen bij de Polyzoniden voor). Deze bestaan over 't algemeen uit diep in den mond aangehechte, haakvormige bovenkaken en een vierdeelige mondklep, waarvan de middelste deelen de onderlip, de zijstukken de onderkaken der Insecten vervangen.

Hoe weinig de Duizendpooten naar het uitwendige op de Insecten gelijken, des te grooter is de overeenkomst van het inwendig maaksel. De ademhaling geschiedt door een sterk vertakt luchtbuizenstelsel, dat door ademgaten met de buitenwereld in gemeenschap staat. Voor den bloedsomloop dient een ruggevat, dat, met uitzondering van de voorste segmenten, in ieder lid een kamer heeft. Het spijskanaal is doorgaans even lang als het lichaam en loopt dan recht door van den mond tot den aars. De buikzenuwstreng strekt zich van voren naar achteren door het geheele lichaam uit; het ineensmelten van gangliën blijft gewoonlijk tot de 3 voorste en de 3 achterste beperkt.

De Duizendpooten zijn deels dieren-, deels planteneters en zoeken hun voedsel 's nachts of althans in de duisternis. Zij leven uitsluitend op het land en bewonen donkere, vochtige ruimten onder steenen, tusschen afgevallen bladen, in rottend hout, oude boomstammen, enz. Hier worden de eieren gelegd en door de wijfjes van sommige soorten met zorg bewaakt. De jongen van de Diplopoden en Pauropoden, die bij het verlaten van het ei pootloos zijn, verkrijgen bij de eerste vervelling 3 paar pooten; het aantal leden en pooten neemt bij iedere volgende vervelling toe, daar zich telkens nieuwe (aanvankelijk pootlooze) segmenten invoegen tusschen de reeds aanwezige, waaruit zij door deeling ontstaan. Ook het aantal oogen wordt allengs grooter. In hoofdzaken gelijkt deze ontwikkelingsgeschiedenis dus op die der Springstaarten. Sommige Chilopoden komen ter wereld met 6 à 8 paren pooten, de overige met evenveel ledematen als hunne ouders hebben.

De klasse der Duizendpooten, die minstens 800 soorten omvat, waarvan 200 in Europa gevonden zijn, heeft in de warme landen hare grootste vertegenwoordigers en vertoont hier de meeste verscheidenheid van vorm. Hare oudste, alleen als fossielen bekende leden leefden in de primaire periode en behooren tot 2 sinds dien tijd uitgestorven orden. Van 2 der 4 orden, waarin men de hedendaagsche soorten verdeelt (van de Chilopoden en de Diplopoden), weet men, dat zij reeds in de tertiaire periode bestonden; dit blijkt uit talrijke, door barnsteen omhulde overblijfselen. Van de beide overige (Symphylen en Pauropoden) is het bestaan vóór de tegenwoordige (quaternaire) periode niet bewezen.

EERSTE ORDE.

DE WARE DUIZENDPOOTEN (Chilopoda).

Het lange lichaam der Duizendpooten i.e.z. is van boven naar onderen samengedrukt en bestaat uit een schildvormigen, recht vooruitstekenden kop en een meer of minder groot aantal gelijksoortige leden, die bijna zonder uitzondering ieder één paar ver zijwaarts gerichte pooten dragen. Onder den rand van 't voorhoofd zijn de snoervormige, veelledige sprieten aangehecht. De middelmatig sterk ontwikkelde monddeelen worden krachtdadig geholpen door de beide voorste paren ledematen, die daarom kaakpooten heeten. Het voorste paar (fig. b: 1) is slechts zwak ontwikkeld; daar de heupen aaneengegroeid zijn, gelijkt het op een tweede onderlip met twee tasters. (Hierop berust de naam Chilopoda of Lippootigen.) De beide volgende kaakpooten (fig. b: 2) vormen een stevige tang; hun eindlid is een klauw, die de afvoerbuis van een gifklier bevat en door een fijne opening aan de spits gif laat vloeien in de wonde, die met dit wapen toegebracht wordt; bij den mensch veroorzaakt het wel niet den dood, maar toch een pijnlijke ontsteking. Alle overige pooten, te beginnen bij het derde paar, zijn, met uitzondering van de beide laatste paren, in den regel aan elkander gelijk en allengs meer naar achteren gericht. Wanneer de Chilopoden uit hunne schuilplaatsen opgeschrikt worden, kunnen de pooten en de slangsgewijze kronkelingen van het lichaam hen zeer vlug uit den weg helpen; dadelijk zoeken zij dan opnieuw de duisternis op. Hun voedsel bestaat voornamelijk uit Spinnen, Mijten en allerlei kleine Insecten, die in hun nabijheid leven en spoedig aan de gevolgen van hun giftigen beet bezwijken.

In verschillende opzichten wijken de Schilddragers (Scutigera) van alle overige Duizendpooten af: zij hebben een betrekkelijk kort lichaam, buitengewoon lange, borstelvormige sprieten, groote, uitpuilende, samengestelde oogen en zeer slanke looppooten, die naar achteren allengs in lengte toenemen; de dunne, draadvormige achterpooten zijn achterwaarts gericht en langer dan het lichaam. Deze familie is over alle werelddeelen verbreid, hoewel zij slechts uit een twintigtal soorten bestaat; hiervan komen 2 ook in Europa, alle overige uitsluitend in warmere landen voor. Zij houden zich gaarne op in oud houtwerk; met groote behendigheid kruipen zij bij loodrechte wanden omhoog, wanneer zij 's nachts hare schuilplaatsen verlaten.

Hoewel de Spinachtige Schilddrager (Scutigera coleoptrata, Cermatia araneoides) eigenlijk een bewoner van Zuid-Europa en Noord-Afrika is, heeft men dit 16 à 24 mM. lange diertje ook op verschillende plaatsen van Middel-Europa aangetroffen, zelfs in Groningen tusschen de balken der huizen (volgens Kriens en Karsten).

De Bandduizendpooten (Lithobiidae), die bij ons overal in rottende boomstammen of op vochtige, donkere plaatsen tusschen afgevallen bladen en onder steenen voorkomen, behooren tot het geslacht Lithobius; zij bewonen niet slechts de vlakte, maar ook hooge bergtoppen, o.a. in het Alpengebied. In volkomen ontwikkelden toestand bezitten de meer dan 100 soorten van dit geslacht 15 paar looppooten (de laatste medegerekend), sprieten, die een derde van de lichaamslengte hebben en meestal uit meer dan 20 leden bestaan, en drie tanden aan de middelbocht van de bovenlip. De meest verbreide soort is waarschijnlijk de Bruine Nijperduizendpoot (Lithobius forficatus of forcipatus), die in Europa, zoowel als in Noord- en Zuid-Amerika voorkomt; hij wordt 2 à 3 cM. lang en is op den kop glanzig bruin, op den rug en de sprieten meer roodachtig.

De Scolopenders (Scolopendridae) hebben minder sprietleden en oogen, doch meer rompsegmenten dan de leden der vorige familie. De giftangen zijn bij hen buitengewoon krachtig ontwikkeld. Zij behooren voor 't meerendeel in warme landen thuis, leven van roof en bereiken dikwijls een aanzienlijke grootte. Alexander von Humboldt zag in Afrika, hoe kinderen Scolopenders van 47 cM. en meer dan 13 mM. breedte uit den grond trokken en--opaten. Bij ons en in Duitschland komt geen enkel lid van deze familie voor; wel vindt men verscheidene soorten in Zuid-Europa, o.a. de Bijtende Scolopender (Scolopendra morsitans), die 50 à 90 mM. lang en 5 à 9 mM. breed wordt. Op Java worden deze "Kaki Sariboe" zeer gevreesd wegens hunne scherpe gifklauwen. Wallace zegt evenwel "dat men jaren lang kan leven te midden van Schorpioenen, Spinnen, en Duizendpooten, hoe leelijk en venijnig zij ook zijn, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Ofschoon ik 12 jaren in de tropische gewesten heb doorgebracht, ben ik nooit door een dezer dieren gebeten of gestoken."

Zeer merkwaardig is de 9 cM. lange Ratelduizendpoot (Eucorybas crotalus) van Port-Natal door de bladvormige verbreeding van de 3 laatste leden der achterpooten; door deze over elkander te schuren kan het dier een ratelend geluid voortbrengen.

De lange, zeer smalle, bijna lijnvormige Aardduizendpooten (Geophilidae) hebben 40 à 90 rompsegmenten, 14-ledige sprieten en geen oogen. Eenige soorten verbreiden in 't duister een phosphoresceerend licht. Andere, zooals Gabriël's Aardduizendpoot (Himantarium Gabrielis)--een 95 à 190 mM. lange bewoner van de kustlanden der Middellandsche Zee, die meer dan 160 paren pooten heeft--werpen door fijne openingen der buikschubben een niet onbelangrijke hoeveelheid van een purperrood vocht uit. Behalve in Zuid-Afrika en op Madagascar, heeft men overal leden van deze familie gevonden, verscheidene ook in Europa. Bij ons is de langsprietige Aardduizendpoot een van de algemeenst voorkomende soorten. Dit gele, 78 mM. lange diertje heeft ongeveer 55 paar looppooten. Men vindt het aan de wortels en knollen van verschillende planten, o.a. in aardappels, pastinaken en peenen; naar men zegt, kunnen de Geophilen, wanneer zij in grooten getale voorkomen en in vleezige wortels in allerlei richtingen gangen graven, den dood van deze planten veroorzaken. Zij zullen daarbij trouwens wel geholpen worden door de Polydesmen en allerlei ander in den grond levend ongedierte; zoowel de wonde als de daarin achterblijvende drek brengt een snelle rotting van het plantendeel teweeg. Wanneer een regenbui den bodem heeft verfrischt, nadat alle levende wezens sinds geruimen tijd naar vocht gesmacht hebben, komt ook de Aardduizendpoot aan de oppervlakte. Dan kan het voorkomen, dat hij, hier een Aardworm ontmoetend, op dezen aanvalt, waarschijnlijk gedreven door de begeerte om aan zijne sinds lang tot rust gedoemde spijsverteringsorganen eenigen arbeid te verschaffen; hij omstrengelt de tienmaal grootere prooi ondanks haar hevig verzet, gelijk de Reuzenslang haar buit; van 't dooddrukken van 't slachtoffer is echter in zijn geval geen sprake; de Duizendpoot knijpt, bijt en vergiftigt den Worm, totdat deze door uitputting sterft.

TWEEDE ORDE.

DE MILLIOENPOOTEN (Diplopoda, Chilognatha).

De Chilognathen ("Kaaklippigen") heeten zoo wegens hunne tot een mondklep of lip vergroeide onderkaken. Met zeer groote overdrijving worden zij gewoonlijk Millioenpooten (beter: Diplopoda of "Dubbelpootigen") genoemd, omdat hunne rompsegmenten (welker aantal van 11 tot meer dan 100 afwisselt), te beginnen bij het 5e, ieder 2 paar gangpooten dragen. De 4 eerste leden hebben gezamenlijk slechts 3 paar niet tot grijpwerktuigen vervormde ledematen, daar één segment (gewoonlijk het 3e, zelden het 1e of het 4e) pootloos is. Uitwendig verschillen zij bovendien van de Chilopoden door den verticalen stand van den loop en door de soms nagenoeg cilindervormige, soms halfrolronde gedaante van het lichaam, dat overal dezelfde dikte behoudt. Het skelet van ieder segment bestaat uit één groot rugschild en 2 kleine, smalle buikschilden, die ieder één ademgat en één paar dicht bij elkander aangehechte pooten bezitten. Het aantal ringen wordt met toenemenden leeftijd grooter. De openingen aan de zijden van het rugschild van alle of enkele ringen werpen een als verdedigingsmiddel dienend vocht uit, wanneer het dier aangevallen wordt. De jongen zijn bij het verlaten van het ei niet aan hunne ouders gelijk; zij zijn aanmerkelijk korter en slechts van 3 paar pooten aan de 3 voorste segmenten voorzien, terwijl de achterste leden pootloos zijn; eerst na herhaalde vervellingen verkrijgen zij de gewone gedaante. Bij de Diplopoden (en Pauropoden), komt dus een larvetoestand en daarop volgende onvolkomen gedaantewisseling voor, bij de Chilopoden en Symphylen niet; deze behouden levenslang het larve-kenmerk van slechts 1 paar pooten aan ieder segment te bezitten; bij gene is de bedoelde eigenaardigheid slechts aan de voorste segmenten van blijvenden aard.

De Diplopoden zijn in alle werelddeelen vertegenwoordigd, doch bereiken in het onze en in den geheelen gematigden aardgordel over 't algemeen slechts een geringe grootte, terwijl in de warme landen exemplaren leven van bijna een voet lang en een vinger dik, die dus sommige Slangen aanmerkelijk in grootte overtreffen. Hoewel zij lijken van dieren niet versmaden, geven zij aan plantaardig voedsel de voorkeur. Zij houden zich in de duisternis op, maar zijn, naar het schijnt, iets minder afkeerig van het licht dan de Chilopoden.

De Veelpooten (Julidae), die de soortenrijkste familie vormen, hebben een cilindervormig, uit 30 à 70 ringen samengesteld lichaam met korte, dunne pooten en sprieten; het tweede sprietlid is het langste.

De Zand-veelpoot (Julus sabulosus) wordt des zomers dikwijls op zonnige zandgronden aangetroffen en is over geheel Europa verbreid. Zij heeft een zeer glanzige huid en een van donkerbruin tot zwart afwisselende kleur; deze is bij de pooten meestal lichter en wordt op den rug door 2 gele, overlangsche strepen afgebroken. Het mannetje is 20 à 40, het wijfje 30 à 46 mM. lang; hun breedte bedraagt 1.8 à 4.8 mM. Als een Slang glijdt dit wormvormige dier over de oppervlakte van den grond of van een boomstam; bij nader onderzoek blijkt deze beweging tot stand te komen, doordat de pootjes bij groepen beurtelings zijwaarts gestrekt en weer teruggetrokken worden, zoodat zij in 't eene geval met den romp een stompen hoek vormen, in 't andere een loodrechten stand aannemen. Door het afwisselend naar binnen en naar buiten richten van kleine groepjes van pooten langs den geheelen stam ontstaat een zacht golvende beweging, die, van den kop uitgaande, zich allengs tot aan den staart voortplant en een langzame verplaatsing van het geheele lichaam teweegbrengt. Bij aanraking kronkelt dit dier zich ineen tot een spiraal, in welks middelpunt de kop gelegen is.