Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 51

Chapter 513,574 wordsPublic domain

De vierde onderorde van de Snavelinsecten is die der Wantsen (Heteroptera); zij kenmerkt zich door den bouw der vleugels, die in rust horizontaal op het achterlijf liggen; de achterste, de eigenlijke vliegwerktuigen, zijn waaiersgewijs geplooid onder de voorste; deze heeten halve dekschilden of halfschilden (hemielytra), omdat hun dikwijls uit verscheidene stukken (corium, clavus, cuneus, emboleum) bestaande wortelhelft lederachtig, de eindhelft (membrana) daarentegen vliezig is. De wortelhelft ligt met den binnenrand tegen een zijrand van het steeds sterk ontwikkelde schildje aan, zoodat de zijstukken van het achterlijf hier slechts één bedekking hebben; de vliezige eindhelften bedekken elkander en verschaffen een dubbele bedekking aan het achterste deel van 't achterlijf. Op den bouw der voorvleugels berust de naam Halfvleugeligen (Hemiptera), die vroeger verkeerdelijk op de geheele orde werd toegepast. Uitzonderingen vormen o.a. de Vuurwantsen en de Waterloopers, welker voorvleugels geheel en al lederachtig zijn. Slechts weinige soorten missen de achtervleugels of zijn geheel ongevleugeld.

Verreweg de meeste Wantsen onderscheiden zich door de eigenaardige lucht, die zij verbreiden en op voorwerpen, waarmede zij in aanraking zijn geweest, overdragen; op deze wijze maakt de Frambozenwants (Pentatoma baccarum) verschillende vruchten onsmakelijk en verpest de Bedwants (Cimex lectularius) de door haar bewoonde ruimten. Hare stinkklieren monden uit bij de plaats van aanhechting der achterpooten.

De snavel, die bij de Wantsen niet aan de keel, zooals bij de vorige onderorden, maar aan de spits van den kop ontspringt, is hierdoor beter geschikt voor het rooversbedrijf; werkelijk voeden de meeste Wantsen zich met de sappen van andere dieren, vooral van Insecten. Voor 't meerendeel zijn zij landdieren; eenige houden zich, evenals de Bedwants, over dag verborgen en zoeken des nachts voedsel; die, welke over dag wakker zijn, maken echter de meerderheid uit; verscheidene vliegen bij zonnig weer snel rond, om op weiden en akkers en in bosschen haar beroep uit te oefenen, waarbij zij in den regel niet sterk de aandacht trekken. Andere Wantsen mag men waterdieren noemen, hetzij omdat zij flink zwemmen; de laatstgenoemde verlaten dikwijls 's avonds het water om te vliegen.

Waarschijnlijk komt bij alle Wantsen een éénjarige generatie voor. De eieren, die in de lente buiten op een plant gelegd worden, openen zich meestal met een deksel. Uitwendig verschillen de larven van de volwassene alleen door het gemis van vleugels, waarvan zich bij de voorlaatste vervelling (in den nimftoestand) beginseltjes vertoonen. In levenswijze komen de larven en nimfen met hare ouders overeen. In den nazomer zijn zij volkomen ontwikkeld; na de overwintering heeft de voortplanting plaats. Kort daarna sterven de volwassen Insecten.

Schadelijk zijn alleen de weinig talrijke soorten, die zich met het bloed van Gewervelde Dieren voeden, benevens eenige van plantensap levende vijanden van gekweekte gewassen. Nuttig zijn eenige Roofwantsen door het verdelgen van schadelijke Insecten.

Gewoonlijk wordt deze onderorde in twee groepen verdeeld: de Landwantsen (Geocores) en de Waterwantsen (Hydrocores). De leden der eerste groep, waaraan men ook toevoegt de Wantsen, die aan de oppervlakte van 't water of op waterplanten leven, onderscheiden zich door duidelijk zichtbare, vóór den kop uitstekende sprieten. Bij de overige zijn de 3- of 4-ledige sprieten uiterst kort en in een groeve onder de oogen aan de onderzijde van den kop verborgen.

Zoowel de gestalte als de kleur van de Waterwantsen vertoont betrekkelijk weinig afwisseling. Zelfs die, welke de keerkringsgewesten bewonen, munten boven hare in koudere streken levende verwanten niet uit door kleurenpracht en verscheidenheid van vormen, maar hoogstens door een aanzienlijker grootte. Zij maken jacht op de kleine dieren, die in de door hen bewoonde wateren in overvloed voorkomen, spietsen ze aan haar snavel en zuigen ze uit. Gedurende den winter rusten zij, verborgen in den modder, op den bodem van 't water. Tot deze groep behooren de familiën der Rugzwemmers en der Waterschorpioenwantsen.

Door den grooten, breeden, scheef naar onderen en naar achteren gerichten kop met stomp afgerond voorhoofd, den langwerpig ovalen romp en de meer of minder afgeplatte, aan weerszijden (of alleen aan de binnenzijde) door wimpers verbreede achterpooten kenmerken zich de Roeipootigen (Pediremi), die men ook wel Rugzwemmers (Notonectidae) noemt, hoewel alleen op de leden van het geslacht Notonecta deze naam letterlijk toepasselijk is. De voorpooten zijn geen roofpooten, hoewel zij bij de Duikerwantsen (Corisa) voor het vasthouden van de prooi dienen.

Als voorbeeld van het laatstgenoemde, ook bij ons door talrijke soorten vertegenwoordigde geslacht moge de (fig. 6) Geoffroy's Duikerwants (Corisa Geoffroyi) dienen. Op de sterk glimmende, platte rugzijde van het 13 mM. lange Insect heeft zwartgroen de overhand; deze kleur wordt op het halsschild door gele golflijnen, op de dekschilden door gele stippels afgebroken. De onderzijde is geel met zwarte vlekken. De wijfjes leggen in het voorjaar hare tot platte scholen vereenigde eieren op waterplanten. Die van twee Mexicaansche soorten (Corisa mercenaria en Corisa femorata) worden ingezameld en op verschillende wijzen als voedsel gebruikt.

De 14 à 15 mM. lange Gewone Rugzwemmer (Notonecta glauca, fig. 1), die meesterlijk de kunst van zwemmen verstaat, verdient ten volle zijn naam, daar men hem gewoonlijk in de rugligging ziet zwemmen. Met de gele, platte borst naar boven, den stomp gekielden rug naar beneden gericht, de krachtige, elastische achterpooten als roeiriemen uitslaande, schiet deze Wants door het water; haar vorm, waaraan zij en hare verwanten den naam van Bootsmannetjes danken, herinnert aan dien van een boot. Uit eigen beweging kruipt zij, als de zon schijnt, bij het een of ander voorwerp omhoog om te gaan vliegen. Haar buikzijde is dicht bedekt met haartjes, waartusschen zij de lucht medeneemt, die voor 't ademhalen onder water vereischt wordt; af en toe vernieuwt zij dezen voorraad door de spits van het achterlijf boven den waterspiegel te verheffen. De met lucht bedekte buikzijde vertoont onder water, door totale terugkaatsing van het licht, een zilverachtigen glans. In 't begin van de lente worden de ovale, lichtgele, aanvankelijk kleverige eieren bij reeksen op het onderste deel van een waterplant of op den bodem gelegd, zoodat zij gezamenlijk een schijf vormen. De larven gelijken in vorm en levenswijze op hare ouders, maar zijn okergeel en natuurlijk ongevleugeld. Vóór Augustus vervellen zij 3-maal en zijn daarna in het bezit van zeer korte vleugelstompjes. Na de vierde vervelling is het Insect volkomen ontwikkeld, hoewel er nog eenigen tijd verloopt, voordat de huid verhard is en de normale kleur vertoont. Het overwintert in verstijfden toestand in den modder.--Rugzwemmers, die veel op de onze gelijken, worden door de Mexicanen Moschitos genoemd en in gedroogden toestand als vogelvoeder gebruikt. Van de eieren wordt een soort van koek gebakken, welk gerecht onder den naam van "haoetle" bekend is en naar visch smaakt.

Een kleine, smalle kop en tot vangwerktuigen vervormde voorpooten kenmerken de familie der Waterschorpioenwantsen of Roofvoetigen (Nepidae of Pedirapti), waarin 2 groepen te onderscheiden zijn, die soms als onderfamiliën, soms als familiën worden beschouwd. De Zwemwantsen (Naucorinae) herinneren door den lichaamsbouw en door de beharing van de soms lederachtig gewimperde achterpooten aan sommige Dytisken onder de Kevers en zwemmen even behendig als de Roeipootigen. Een voorbeeld hiervan is de Gewone Zwemwants (Naucoris cimicoides, fig 5), een 11 à 13 mM. lang, van boven naar onderen afgeplat Insect van eironden omtrek, dat bij ons algemeen in stilstaand en langzaam stroomend water voorkomt en zich zwemmend tusschen de waterplanten beweegt. Deze soort heeft een zwak gewelfde rugzijde, welker glanzig groenachtig bruine kleur op het schildje en de dekschilden het donkerst is. Het wijfje legt de eieren, evenals de vorige soort, tot schijven vereenigd op waterplanten.

Tot een nauw verwant geslacht behoort de Zuid-Amerikaansche Reuzenzwemwants (Belostoma grande), het grootste dier van de geheele orde, daar het 105 mM. lang wordt.

Sommige uitheemsche soorten, o.a. de Oostindische Zwemwants (Diplonychus rusticus), onderscheiden zich door de zonderlinge gewoonte van de wijfjes om hare tot een schijf vereenigde eieren op den rug te dragen.

De Echte Waterschorpioen-wantsen (Nepinae) loopen langzaam aan den ondiepen waterkant over den modderigen bodem en steken van tijd tot tijd de lange, dunne adembuis, waarin haar achterlijf eindigt, boven den waterspiegel. Hiertoe behoort de trage, lang- en dunpootige Gewone of Platte Waterschorpioen (Nepa cinerea, fig. 2). Met uitzondering van den helder menierooden rug van het achterlijf, die men eerst na het wegnemen der vleugels te zien krijgt, is het buitengewoon platte lichaam zwartbruin en gewoonlijk door het aanhangende vuil wankleurig. In de lente legt het wijfje de eieren, die aan 't eene einde 7 straalsgewijs gerangschikte uitsteeksels hebben (fig. 4), op waterplanten. De hieruit komende larven hebben een aanmerkelijk kortere adembuis dan hare ouders.

De Lange Waterschorpioen (Ranatra linearis, fig. 7) schijnt een met steentjes bezaaiden boven een met modder bedekten bodem te verkiezen. Zijn rolrond lichaam is grootendeels geelachtig grijs, het achterlijf van boven rood, aan de zijden geel; de achtervleugels zijn melkwit. Evenals hare verwanten, wandelt ook deze langpootige Wants, loerend op roof, over den bodem van ondiep water. De peervormige lichaampjes van verschillende grootte, waarmede zij niet zelden bezet is, zijn parasieteerende Watermijten (Hydrachna). Het wijfje doorsteekt met den legboor het blad van een waterplant om in de wonde een ei te leggen, dat aan twee haarvormige uitsteeksels blijft hangen.

De Waterloopers (Hydrometridae, Ploteres), die wegens hun lichaamsbouw bij de Landwantsen worden gerekend, vertoonen eenige overeenkomst in levenswijze met hunne in 't water wonende verwanten, maar staan toch tot deze in een soortgelijke betrekking als de Draaikevers tot de Dytisken, daar zij niet in, doch uitsluitend op het water verblijf houden. Aan een vroolijk gezelschap van vlugge schaatsenrijders op een spiegelgladde ijsbaan herinneren deze lang- en dunpootige Wantsen, terwijl zij elkander op den zonnigen waterspiegel in verschillende richtingen najagen en plotseling naar alle zijden uiteenstuiven om op een ander punt weer bijeen te komen. Hier rusten zij soms een tijdlang, zonder eenige beweging te maken, maar schijnen slechts op een aanleiding te wachten om het zooeven gestaakte spel te hervatten. Den naderenden mensch ontwijken zij bij voorkeur door stroomopwaarts te loopen, indien een langzaam vlietende beek hun tot speelplaats dient. Dat zij ook hunne vleugels weten te gebruiken, bleek o.a. uit het vinden van enkele exemplaren in door regen gevulde wagensporen. Niet slechts op stilstaand, maar ook op de minst bewogen deelen van stroomend water komen zij veelvuldig voor, sommige kleine soorten--de Zeeloopers (Halobates)--zelfs op tropische zeeën, tot op grooten afstand van de kust. De voorpooten van de Waterloopers blijven bij het gaan werkeloos, doch doen meestal dienst bij 't grijpen van de prooi, hoewel hun maaksel niet van dat der overige pooten verschilt. Het lichaam is lang en smal, nooit op in 't oog loopende wijze afgeplat. De onderzijde heeft in den regel een fraaien, aan zilver of messing herinnerenden glans, omdat zij dicht begroeid is met fluweelachtige haren. De eieren zijn langwerpig van vorm, worden in reeksen op waterplanten gelegd en met spinsel omgeven.

Bij de meeste waterloopers zijn de voorpooten aanmerkelijk korter dan de middel- en achterpooten. Een uitzondering op dezen regel vormt de Vijverlooper (Limnobates stagnorum, fig. 8), wiens pooten alle nagenoeg gelijke lengte hebben. Men vindt dit Insect in geheel Europa en ook bij ons zeer algemeen op stilstaand water tusschen het riet; zijn 13 mM. lang, onbehaard lichaam en zoo dun als een naald; de snavel steekt weinig uit vóór den langen, van voren knotsvormig verdikten kop, die achter het midden de zijwaarts uitpuilende, bolvormige oogen draagt. Behoudens een deel van den kop en van het halsschild, die beide van achteren roestrood zijn, is de stam zwartbruin; de pooten zijn vuilbruin of meer geelachtig; de dekschilden hebben overlangsche ribben met lichtere groeven er tusschen.

De 6 mM. lange Beeklooper (Velia currens, fig. 11) levert een voorbeeld van de bij sommige Wantsen voorkomende veranderlijkheid van de lengte der vleugels; bij ons werd uitsluitend de ongevleugelde variëteit gevonden; in Duitschland treft men bovendien ook gevleugelde exemplaren aan. Deze soort is veel minder slank dan de vorige: de kop is kort, het halsschild groot, nagenoeg even breed als lang. De rug is zwartbruin en heeft op het achterlijf roestroode randen, welke sterk bovenwaarts uitpuilen; dezelfde kleur hebben de zijden van het borststuk en de geheele buik. Het loopen op het water geschiedt zonder medewerking van de korte voorpooten en wordt telkens afgebroken door rustpauzen.

De als inleiding dienende levensschets geldt meer bepaaldelijk voor de Echte Waterloopers (Hydrometra, Gerris), waarvan in Europa een 12-tal soorten voorkomen, die gedeeltelijk ook in onze poelen en plassen niet zeldzaam zijn. Zij leven in troepen bijeen. De voorpooten zijn kort en tamelijk dik; het voorborststuk is vele malen langer dan breed, met den kop er bij ongeveer even lang als het achterlijf; dit is smal, van onderen uitgehold, van boven plat en door nagenoeg evenwijdige, niet sterk uitpuilende lijsten begrensd.--De 10 mM. lange Gewone Waterlooper (Hydrometra thoracica) is van boven grootendeels donkerbruin of zwart, van onderen wit, zijdeachtig behaard. Door de roestgele kleur van 't achterste deel van het halsschild en door een kort, priemvormig uitsteeksel aan weerszijden van den 6en achterlijfsring onderscheidt hij zich van verwante soorten, o.a. van den in fig. 9 afgebeelden Moeras-waterlooper (Hydrometra paludum).

De Oeverwantsen (Saldidae Riparii) vormen door haar woonplaats een overgang van de Waterloopers tot de echte landdieren der onderorde. Zij houden zich uitsluitend aan den waterkant op, zoowel aan de zeekust als aan de zandige, vochtige oevers van binnenwateren. Zij loopen zeer snel, kunnen met de lange, gedoornde achterpooten vlug springen en maken bovendien licht van hare vleugels gebruik; zij laten zich dus niet gemakkelijk vangen. Daar zij zich vlug bewegen en in de nabijheid van 't water van roof leven, stemt haar levenswijze meer met die der Waterloopers dan met die der tragere, voor 't meerendeel plantensap zuigende Echte Landwantsen overeen.--De zwarte, 4 mM. lange Springende Oeverwants (Salda saltatoria) is de meest verbreide inheemsche soort.--Tot de kleinste vertegenwoordigers der familie behoort de Sierlijke Oeverwants (Salda elegantula), die 3 mM. lang, dof zwart en van boven met geelachtige, neerliggende haren bekleed is; de pooten zijn geel; gele ringen versieren het 2e en het 3e sprietlid; de dekschilden hebben een gelen rand en twee witte vlekken.

De Loop- of Roofwantsen (Reduviidae) zijn het gemakkelijkst te herkennen aan de halsvormige insnoering van den kop achter de uitpuilende oogen en aan de dwarse groeve, die het halsschild in twee deelen scheidt: het voorste is meestal smal, het achterste veel grooter. Hoewel deze Wantsen lange pooten hebben, is haar gang langzaam en afgemeten. Over dag houden zij zich meestal schuil; kleine Insecten, vooral Vliegen, die 's nachts worden buitgemaakt, verschaffen haar voedsel. Eenige uitheemsche soorten zijn berucht wegens de voorkeur, die zij toonen voor het bloed van warmbloedige dieren, ook voor dat van menschen. Haar steek is zeer pijnlijk; die van de over geheel Amerika verbreide Radwants (Arilus serratus) wordt met een electrischen schok vergeleken. De meeste (ook de grootste) leden van deze familie bewonen de tropische gewesten.

De Vermomde Wants (Reduvius personatus) heet zoo wegens de zonderlinge wijze, waarop haar langpootige, borstelig behaarde, in stoffige hoeken levende larve zich onkenbaar maakt: een laag stof en vuil, die nagenoeg alle lichaamsdeelen omhult, dient haar tot masker en verschaft waarschijnlijk het voordeel, dat zij een buit ongemerkt kan besluipen. De geslachtsrijpe Wants vertoont zich in haar ware gedaante. In beide toestanden zal zij het kleine Insect, een Vlieg b.v., dat men haar voorhoudt, met langzamen, telkens door oogenblikken van rust afgebroken gang naderen, tastend de sprieten bewegen, het slachtoffer eindelijk bespringen, met de voorpooten omvatten en het den snavel in 't lijf boren. De Vermomde Wants, die bij ons als larve overwintert, komt ook in Afrika voor, maar wisselt hier misschien wegens de hoogere temperatuur, op een anderen tijd van gedaante. Zij leeft eenzaam, gewoonlijk in huizen, vooral op weinig bezochte zolders. Dat zij zich verdienstelijk zou maken door Wandluizen te dooden, is niet waarschijnlijk; de vochten van deze magere en dorre parasieten zullen haar wel niet tot de jacht verlokken; het bloed, waarmede hun spijskanaal soms gevuld is, kan zij zonder hun bemiddeling ook wel verkrijgen.

Een aantal voor 't meerendeel zeer kleine, platte Wantsen, welker 4- of 3-ledige snavelscheede in een groeve aan de keel verborgen is, worden Vliezige Wantsen (Membranacei) genoemd wegens de gewoonlijk vliezige, dikwijls echter gezwollene uitsteeksels en verhevenheden op het halsschild, de dekschilden en het achterlijf, die aan sommige soorten een zeer zonderling voorkomen verschaffen. De dekschilden zijn bij sommige geslachten geheel en al vliezig en in cellen verdeeld. Grootmazig zijn deze bij de Netwantsen (Tingis), die zich kenmerken door een knobbelige of blazige verhevenheid midden op het halsschild, dat evenals de buitenzijde van ieder dekschild, bladvormig verbreed is, en door het knopvormig uiteinde van de dunne sprieten. De hiernevens afgebeelde soort (Tingis affinis, fig. 1) kan een denkbeeld geven van het sierlijk voorkomen der Netwantsen. Zij leeft gezellig op zandgrond, sap zuigend uit de wortels van averuit (Artemisia campestris) of van grassen. De doorzichtige zoom van het bruine lichaam is bruin geaderd. De sprieten hebben een donkeren top en de dekschilden ieder een stervormige vlek in 't midden. Evenals de meeste leden van dit geslacht, heeft zij 5 lange stekels op het voorhoofd.

De niet veel grootere Schorswantsen (Aradus), welker zeer sterk afgeplat lichaam somber gekleurd is en een rimpelige oppervlakte heeft, leven verborgen achter de schors van doode boomen. De Gewone Schorswants (Aradus corticalis, fig. 2) is grootendeels zwart; de wortel van het dekschild is geelachtig wit, het achterste deel van het rugschild en de hoeken der achterlijfsleden zijn vuilgeel.

Eenig in haar soort is de beruchte Bedwants, Wandluis of Weegluis, ook wel eenvoudig Wants genoemd (Cimix lectularius, fig. 3), reeds in overouden tijd bekend als "Koris" bij de Grieken, als "Cimex" bij de Romeinen. Een der belangrijkste eigenaardigheden van haar geslacht is de gewoonte om bij Zoogdieren en Vogels bloed te zuigen. De vleugels en de hechtlapjes tusschen de klauwen ontbreken; de sprieten zijn 4-ledig, de voorvoeten en de in een keelgleuf verborgen snavel 3-ledig; het sterk verbreede halsschild is halvemaanvormig, van voren met een inham voor den kop, van achteren door een insnoering gescheiden van het nagenoeg cirkelvormige achterlijf. Het buitengewoon platte lichaam wordt 5 à 6 mM. lang, is dicht begroeid met geelachtige haartjes en licht bruinrood van kleur (vandaar de naam "Roodrokjes"). De ronde lapjes aan weerszijden van het kleine schildje moeten als rudimentaire dekschilden beschouwd worden. Het wijfje legt in Maart, Mei, Juli en September telkens ongeveer 50 witte, 1.12 mM. lange, rolronde eieren in de fijnste reten van slaap- en woonvertrekken, vooral achter behangsels, in naden van planken beschotten, in de voegen van ledikanten en bedsteden. Op dezelfde plaatsen houden de Wantsen zich over dag verborgen. Het laatste gebroed blijft echter in den regel niet in 't leven. Alleen de volwassen Wantsen overwinteren en kunnen zeer veel koude verdragen; voor haar volledige ontwikkeling wordt 11 maanden vereischt. Kort vóór de achterpooten zijn bij haar de openingen van 2 stinkklieren gelegen. De hatelijkste eigenschap van de Wants is echter de neiging om bloed te zuigen, die zij 's nachts toont. Door een genieperigen steek, die, wegens het in de wonde doordringend, alkalisch speeksel, ontsteking veroorzaakt, verstoort zij de nachtrust van den slapenden mensch. Dit bloeddorstig Insect kan zeer lang zonder voedsel in 't leven blijven. Leunis had een wijfje in een goed gesloten doos geborgen; toen hij deze na 6 maanden opende, bleek het gevangen dier omringd te zijn door een schaar van nakomelingen, die alle, evenals de moeder, levend, maar doorzichtig als glas waren. Wegens haar groote vruchtbaarheid en de velerlei wijzen, waarop zij toevallig van de eene plaats naar de andere kan worden overgebracht, behooren de Bedwantsen tot de lastigste van alle soorten van ongedierte, vooral in groote steden, waar de overbevolking der huizen een afdoende zuivering bemoeielijkt.

Op onvoldoende gronden beweert men soms, dat de Bedwants uit Oost-Indië naar Europa is overgebracht. Zeker is het, dat zij reeds in de 11e eeuw de bewoners van Straatsburg kwelde. Het vermoeden, dat zij in de bedden van de uit Frankrijk verdreven Hugenoten te Londen zijn gekomen, wordt te niet gedaan door het bericht, dat in 1503 een paar adellijke dames in genoemde stad de steken van Bedwantsen voor verschijnselen van de pest aanzagen. Wanneer men in 't oog houdt, dat deze Insecten ook in hoenderhokken, duiventillen en zwaluwennesten gevonden zijn, zoo ligt het vermoeden voor de hand, dat zij oorspronkelijk in de vrije natuur bij de woningen van allerlei warmbloedige dieren leefden, met welker bloed zij zich voedden, en van hier langzamerhand naar menschelijke woningen zijn overgebracht. Niet onwaarschijnlijk is het, dat de 's nachts vliegende Vleermuizen veel tot de snellere verbreiding van dit lastige ongedierte bijgedragen hebben.

Alle kleine, teere en zachthuidige Wantsen, die des zomers op bloemen en grassen een voor leden dezer orde opmerkelijke vlugheid van beweging ten toon spreiden, zoolang de zon schijnt bewijzen van geschiktheid en van lust tot vliegen geven door plotseling te komen en te verdwijnen, gaarne honig zuigen (hoewel kleine Insecten haar voornaamste voedsel uitmaken), behooren tot de familie der Bloemwantsen (Capsidae). In den gematigden aardgordel is zij sterker vertegenwoordigd dan in de warmere gewesten: geen andere familie van Wantsen bevat zoovele Europeesche soorten: men kent er 300, waarvan vele ook in ons vaderland gevonden zijn.--Aan den driehoekigen kop komen lange, borstelvormige sprieten, doch geen bijoogen voor.--Vele soorten zijn zeer fraai en bont gekleurd, o.a. geldt dit van die, welke het geslacht Calocoris vormen. Op distels, stalkruid, brandnetels, enz, vindt men niet zelden in grooten getale de geelachtig groene, 7 à 8 mM. lange Tweestippelige Weidewants (Calocoris bipunctatus), zoo genoemd wegens de beide zwarte stippels op het halsschild. Roodachtig zijn de sprieten en de top van de dij, bij 't mannetje ook twee strepen op de dekschilden.