Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 50
Evenals andere Insecten nu en dan in tallooze menigte voorkomen en door de vorming van zwermen de algemeene opmerkzaamheid trekken, hebben ook de teere Bladluizen soms ware wolken in de lucht doen ontstaan; dit deed o.a. de Populierbladluis (Pemphigus bursarius) den 7en October 1846 in Zweden. Tusschen Brugge en Gent verschenen den 28en September 1834 wolken van Bladluizen, die zich den volgenden dag te Gent van 's morgens 7 uur tot in den avond in zulke groote scharen vertoonden, dat het daglicht er door verduisterd werd; den 5en October was de geheele straatweg van daar tot Antwerpen er zwart van. Ter zelfder tijd trokken zij naar Eeclo en noopten de menschen zich te beveiligen door een bril voor de oogen en een zakdoek voor den mond en den neus te houden. Den 9en October zag men te Aalst een grooten zwerm van Perzikbladluizen (Aphis persicae), welker afdeelingen door den wind in alle richtingen verspreid werden en 3 dagen later ook Brussel aandeden. Tusschen 17 en 21 Juni 1847 vertoonden zich in verschillende streken van Engeland zwermen van de Boonenbladluis (Aphis fabae). Een verklaring van dit verschijnsel, dat vele malen waargenomen werd, heeft men nog niet kunnen geven.
Daar de Bladluizen zeer groote hoeveelheden sap aan de door haar bewoonde planten onttrekken, zijn zij voor land- en tuinbouw zeer nadeelig. Bovendien gaan zij zeer kwistig met het door haar opgenomen voedsel om. De meeste soorten werpen voortdurend door de aarsopening druppels uit van een vocht, dat zeer rijk is aan oplosbare koolhydraten, vooral aan suiker; dikwijls wordt dit vocht ver weggespoten en geeft dan aanleiding tot het verschijnsel, dat "honigdauw" wordt genoemd en uit een fijne regen van zoete, kleverige drupjes bestaat, die niet slechts de voorwerpen onder den boom, maar ook zijne bladen als met een vernis bedekken. Het is uitgemaakt, dat de excrementen van de Plantenluizen hiervan de eenige oorzaak zijn. Boussingault vond bij het berekenen van de hoeveelheid honigdauw van een linde, dat iedere vierkante meter bladen-oppervlakte 22-34 gram, de geheele boom dus 2 à 3 KG. koolhydraten verliest d. i. zooveel als noodig is, voor de vorming van 4000 bladen of 1/6 van het geheele getal. Een groote hoeveelheid Bladluizen op een boom veroorzaakt dus een sterke vertraging van den groei, zelfs wanneer deze Insecten niet, gelijk zoo dikwijls voorkomt, misvormingen van bladen en loten en galvorming teweegbrengen. Hier staat tegenover, dat zulk een boom bezocht wordt door Mieren, die hem beveiligen tegen allerlei schadelijk gedierte. Daar ook de Bijen op den honigdauw azen, levert deze den imker voordeel op. Op de met honigdauw bedekte plantendeelen groeien echter dikwijls zwarte, van afval levende (saprophytische) zwammen (voor 't meerendeel Fumago-soorten) welk verschijnsel "roetdauw" heet. Hoewel deze schimmelplantjes zich uitsluitend met het kleverige korstje op de plant voeden en hare weefsels niet aantasten, benadeelen zij deze toch indirect, door het zonlicht af te schutten en de huidmondjes te verstoppen. Ook is het gebleken, dat de honigdauw de vestiging van sommige andere zwammen, die een parasitische levenswijze hebben en dus wel degelijk de plant zelf aantasten (o.a. van Erisyphe), bevordert en op deze wijze aanleiding geeft tot "meeldauw". Men moet deze ziekte niet verwarren met het gelijknamige verschijnsel, dat tot oorzaak heeft het vastkleven van de witachtige huidjes, die door de Bladluizen bij de vervelling afgeworpen worden.
Een klein aantal Plantenluizen van geringe grootte--die men wegens haar gestalte voor Houtluizen zou kunnen houden, indien zij niet een duidelijken, 3-ledigen met het voorborststuk sterk vergroeiden snavel bezaten--kenmerken zich door voor 't springen geschikte (doch niet bijzonder dikke) achterpooten, die, evenals de vleugels, zoowel bij de mannetjes als bij de wijfjes voorkomen. Deze Insecten--de Bladvlooien (Psyllidae)--zijn door de genoemde bewegingsorganen, door het betrekkelijk goed ontwikkelde vleugeladerstelsel en door de uitsluitend gamogenetische ontwikkelingswijze het naast verwant aan de Cicadelliden, van welke zij echter door de lange, in 2 fijne borstels eindigende, 8- à 10-ledige sprieten verschillen. De korte kop draagt 2 samengestelde en 3 enkelvoudige oogen. De pooten zijn bij de volwassene Insecten kort, bij de platte larven nog korter. Deze leven, evenals hare ouders, op de bladeren en twijgen van verschillende planten, sommige ook op bloemen. Niet zelden brengen zij door haar zuigen misvormingen van de moederplant teweeg. Sommige zijn in boomgaarden lastig, zonder evenwel groote schade aan te richten. Zij dragen bij tot de vorming van den honigdauw en zijn in den larvetoestand langs den rand van 't lichaam met wasdraden bezet.
De 2.25 mM. lange Biezenvloo (Livia juncorum) heeft den kop en het borststuk roestgeel, doch is overigens bruin. Zij leeft in de bloeiwijzen van bloembiezen en veroorzaakt hier de vorming van gallen. Evenals de meeste van hare verwanten, overwintert zij in den imago-toestand onder bladen. De Appelbladvloo (Psylla mali) is een van de weinige soorten, die in den eitoestand den winter doorbrengen. Evenals de Perenbladvloo (Psylla piri), richt zij soms schade aan door te zuigen aan de knoppen en twijgen van de vruchtboomen, waaraan zij haar naam ontleent. Beide zijn 2.5 à 3.5 mM. lang. De laatstgenoemde soort is bruin, het mannetje van de Appelbladvloo groen met gele strepen of vlekken, het wijfje rood met groengele en bruine strepen.
Hoeveel verscheidenheid van vorm de onderorde der Cicaden (Cicadina, Homoptera) ook moge bieden, door het bezit van korte, altijd in een fijnen borstel eindigende sprieten (die licht onopgemerkt blijven), van een dikken snavel, die achter aan den kop ontspringt en van vier vleugels, die al of niet gelijksoortig, maar steeds over hun geheele lengte op gelijke wijze ontwikkeld zijn, stemmen al hare leden overeen. Zij voeden zich met plantensappen, evenals de Plantenluizen, maar hechten zich nooit, gelijk deze, voor geruimen tijd met den snavel vast. Door nu eens hier, dan weer daar haar zuigorgaan in de plant te boren, brengen zij in den regel geen belangrijk nadeel teweeg, vooral omdat zij slechts zelden tot groote scholen vereenigd voorkomen. Dikwijls wordt deze groep in 4 familiën verdeeld; de Kleine Cicaden, de Bultcicaden, de Lantaarndragers en de Zingende Cicaden.
De Kleine Cicaden (Cicadellidae) hebben een vrij vooruitstekenden kop met bovenwaarts gerichte kruin; het breede, naar voren gerichte voorhoofd draagt vóór de samengestelde oogen sprieten, die uit 2 leden en een eindborstel bestaan; sommige hebben 2 bijoogen, andere missen deze organen. De eerste borstring reikt tot aan het schildje van den tweeden, maar laat dit onbedekt. De voorvleugels zijn perkamentachtige dekschilden. De achterpooten, welker scheen verlengd is, stellen deze vlugge diertjes tot springen in staat; een sprong is meestal voor hen de voorbereiding tot het vliegen. In Europa is deze familie goed vertegenwoordigd. Geen van hare leden maakt geluid.
Tot de fraaist gevormde en geteekende soorten behooren die, welke Germar ten onrechte Blindkoppen (Typhlocyba) heeft genoemd, daar de bijoogen, hoewel dikwijls onduidelijk, niet ontbreken. Deze Cicaden zijn zelden langer dan 2 mM.; zij worden in Noord-Amerika en Noord-Azië, doch vooral in Europa veelvuldig aangetroffen. Sommige soorten komen vaak in grooten getale op één plant voor, o.a. de Rozencicade (Typhlocyba rosea) op rozenstruiken. Men ziet deze diertjes als licht citroengele, van achteren bruine, streepjes rustig zitten; zoodra echter aan den struik geschud wordt, springen zij alle naar beneden, vliegen in kringen om de plant heen en keeren spoedig naar haar woonplaats terug. Bij zonnig weer maken zij deze half springende, half vliegende bewegingen ook wel tot tijdverdrijf, zonder noodzaak.
Door een nagenoeg halvemaanvormigen, scherprandigen kop met weinig uitpuilend voorhoofd onderscheiden zich de Geoorde Cicaden (Ledra), die haar naam danken aan het oorvormig uitsteeksel aan weerszijden van het halsschild. Hiertoe behoort de grootste inheemsche vertegenwoordiger der familie, de 13 à 18 mM. lange Europeesche Geoorde Cicade (Ledra aurita, fign. 1 en 2), die men als imago van September tot November (bij ons echter niet dikwijls) op verschillende boomen (eiken, beuken, populieren, elzen) kan aantreffen. In Europa komen geen andere soorten voor dan deze; talrijk zijn zij echter in Zuid-Azië.
Een zeer eigenaardige levenswijze hebben de larven en nimfen van de Schuimcicaden (Aphrophora), die op zeer verschillende plaatsen zich ophouden in hoopjes wit schuim, door haar gevormd uit het sap, dat uit de plant in het spijskanaal opgezogen en voor een deel in den vorm van bellen door de aarsopening verwijderd wordt; zij handelen dus op gelijke wijze als de Plantenluizen bij het veroorzaken van den honigdauw. Dit schuim heeft niet ten doel andere Insecten aan te lokken, maar om de bewoonsters (één of meer), die er geheel door omhuld zijn, te beveiligen tegen vijanden. Het wordt bij ons "koekoeksspeeksel" of "koekoeksspog" genoemd; dezelfde beteekenis hebben de in Engeland en Duitschland gebruikelijke namen; in Zweden spreekt het volk van "kikkerspeeksel", in Frankrijk van "lenteschuim". Als vele van deze diertjes bij elkander voorkomen op een ouden wilg, ziet men, vooral wanneer de onbewolkte lucht warm, droog weer voorspelt, de talrijke schuimbellen (zooals in de afbeelding bij 3) tot druppels ineenvloeien en naar beneden vallen; men zegt dan, dat "de wilgen tranen". De 20 mM. lange Aphrophora Goudoti, die op Madagaskar leeft, veroorzaakt bij brandende zonnehitte een formeele regenbui van sapdroppels onder den door haar bewoonden moerbezieboom, welker krachtigste twijgen door groote scholen van larven omgeven zijn.--Door de wonden, die onze Schuimcicaden aan de bast en het jonge hout van wilgen toebrengen, worden de twijgen, vooral de tweejarige, broos en voor vlechtwerk ongeschikt. Later droogt het schuimhoopje een weinig uit; het bestaat dan uit een door luchtbelletjes omgeven holte, waarbinnen het Insect van gedaante verwisselt, tegen het einde van Juni (na de voorlaatste vervelling) vleugelscheeden verkrijgt en dus in den nimf-toestand overgaat. Kort voor de laatste vervelling verlaat de nimf haar woning om op struiken en grassen te gaan rondzwerven; het schuim verdwijnt dan door uitdroging.
In Juli, na de laatste vervelling, vertoonen de Schuimcicaden zich in gevleugelden toestand. De beide algemeenste soorten zijn het Gewone Schuimbeestje (Aphrophora spumaria, fign. 3 en 4), dat 2 lichte dwarsbanden op de dekschilden heeft en het Wilgenschuimbeestje (Aphrophora salicis) dat iets langwerpiger en effen geelachtig grijs is. In den herfst leggen de wijfjes eieren in schorsspleten van boomen of op onderaardsche stengeldeelen van overblijvende kruiden. In de volgende lente, dikwijls reeds in April, komen hieruit grasgroene larven, welker achterlijf spits eindigt en aan de buikzijde afgeplat is. Zij beginnen dadelijk sap te zuigen en schuimhoopjes te vormen, die in den zomer bij zonnig weer zeer talrijk kunnen zijn. Een eigenaardige schade richten zij aan door den dood te veroorzaken van jonge Fazanten, die deze larven inslikken en dan door het gekrieuwel der levend in den krop gekomen diertjes beangst worden en uitgeput raken. Vooral wanneer de jonge Vogels niet door hunne moeders of door Tamme Hoenderen uitgebroed zijn en gehoed worden, maar aan de zorgen van domme Kalkoenen zijn overgelaten, overkomt hun dit leed.
Andere soorten, die gemiddeld niet grooter zijn dan de reeds genoemde en meestal geen sprekende (maar een groene of sombere) kleur hebben, worden onder den naam van Bultcicaden (Membracidae) in een familie vereenigd, omdat aan haar halsschild allerlei dikwijls zeer zonderlinge, van het midden of van de zijden uitgaande uitgroeisels voorkomen, soms zoo groot, dat zij in 't eene geval het geheele lichaam overschaduwen, in 't andere de voorvleugels bedekken. Evenals de leden der vorige familie, kunnen de Membraciden springen, doch geen geluid maken. Slechts weinige komen in Europa voor. Het geslacht der Doorncicaden (Centrotus) is merkwaardig, doordat het in alle werelddeelen vertegenwoordigers heeft. Verreweg de meeste geslachten van Membraciden worden uitsluitend in de tropische gewesten van Amerika gevonden. In Nederland vindt men vrij zeldzaam, in den herfst bij voorkeur op hazelaars, de 8 à 9 mM. lange, grootendeels zwarte Gehoornde Doorncicade (Centrotus cornutus). Bij Triëst noemt men haar "Wijnduivel", wegens de schade, die zij, naar men zegt, in wijngaarden aanricht en wegens de beide zijwaarts gerichte, driekantige, aan hoornen herinnerende spitsen op het halsschild. Bovendien is dit schild naar achteren verlengd tot een lang en smal uitsteeksel, dat het achterlijf voor drie vierden van zijn lengte overwelft en ongeveer in 't midden een benedenwaartsche bocht maakt, zoodat men er van ter zijde op twee plaatsen onder door kan zien.
De Knobbelcicaden (Heteronotus), die uitsluitend in Zuid-Amerika gevonden worden, hebben een naar boven en achteren verlengd halsschild, dat holle, op verschillende wijzen vertakte en versierde knobbels of een blaasvormig uitgroeisel draagt. Bij de Netaderige Knobbelcicade (Heteronotus reticulatus) is het in 't midden knobbelvormig gezwollen en van achteren in 3 (aan een gewei herinnerende) takken gesplitst. Bij de dofzwarte, in Columbia levende Hypsauchenia balista zijn het voorste en het achterste uiteinde van het halsschild zoowel in de lengte als in de breedte uitgegroeid; zij naderen elkander als een Slang, die zich in den staart wil bijten.
Bij de Zuid-Amerikaansche Helmcicaden (Membracis) verheft het halsschild zich meestal tot een soms zeer hoog uitsteeksel met wigvormigen bovenrand, dat bij de Hooge Helmcicade (Membracis elevata) in den vorm van een steek vóór den kop uitsteekt en zich tot boven de spits van het achterlijf uitstrekt.
Niet minder grillig van vorm dan het halsschild der Membraciden is de kop van de Lantaarndragers (Fulgoridae), niet minder belangrijk zijn invloed op de gestalte van vele leden dezer familie; nooit speelt hij de rol van lichtgevende lantaarn, die men hem eertijds algemeen heeft toegedicht. Scherpe lijsten, die bij de overige Cicaden niet voorkomen, scheiden bij de Lantaarndragers de kruin (en meestal ook het voorhoofd) van de wangen en verschaffen aan den kop een hoekige gedaante (zie bovenstaande afbeelding); deze treedt steeds als hoofdkenmerk op den voorgrond, waar zij niet door andere wijzigingen van den vorm onduidelijk is geworden. Bij sommige soorten ontbreken de bijoogen; de overige hebben er twee: een bij den binnenrand van ieder samengesteld oog. Alle hebben op elke wang, dus onder het oog, een korte, 3-ledige spriet, die licht onopgemerkt zou kunnen blijven. De sneeuwwitte, wasachtige stof, die door vele Lantaarndragers tusschen de ringen van het achterlijf wordt uitgescheiden en dit lichaamsdeel bij wijze van rijp bedekt, neemt, wanneer zij in grootere hoeveelheid voorkomt, den vorm van draden aan, die aan de spits van 't achterlijf als een pluim uitsteken en na afschuring door nieuwe vervangen worden. Van een in China levende soort (Flata limbata) is het witte Chineesche was (Pe-la-tsjong) afkomstig. Ook de Lantaarndragers zijn voor 't meerendeel bewoners van de keerkringsgewesten; de weinig talrijke Europeesche soorten o.a. de beide hier afgebeelde, blijven, ondanks haar bevallig uiterlijk, wegens haar geringe grootte veelal onopgemerkt.
De grootste soorten met sterkst ontwikkelden kop behooren tot het geslacht Fulgora, o.a. de 30 mM. lange Chineesche Lantaarndrager (Fulgora candelaria), wiens sabelvormig naar voren en naar boven verlengde kop bijna even lang is als het overige lichaam. Het lichaam is menierood, de dekschilden zijn Spaansch groen met goudgele vlekken; de steenroode achtervleugels hebben een breede, zwarte spits.
De 65 à 70 mM. lange Surinaamsche Lantaarndrager (Fulgora Laternaria) trekt zeer de aandacht door het dik, blaasvormig gezwollen kopuitsteeksel, dat van achteren, ongeveer in 't midden, een zadelvormige, door twee knobbels begrensde deuk vertoont. Hij is op groenachtig gelen grond zwart geteekend; de achtervleugels hebben een citroengele, donkerbruin gezoomde oogvlek. Aan het lichtgevend vermogen van dit dier gelooft thans geen enkele onderzoeker meer. Even ongegrond is de meening van de Brazilianen, die dit Insect (dat zij Jitirana Boïa noemen) voor zeer vergiftig houden en het zorgvuldig ontwijken.
De Zingende Cicaden (Stridulantia, Cicadidae) verdienen tot op zekere hoogte den naam, dien haar in onze taal gegeven wordt, door de tonen, welke de mannelijke leden der familie voortbrengen. Van ongelijke waardeering dezer geluiden getuigen de namen "zingen, sjirpen, gonzen, knarsen, vijlen", waarmede verschillende hoorders ze hebben aangeduid. Op echt dichterlijke wijze vertolkten de Grieken der Oudheid de stemming, waarin de Cicaden hem brachten. Volgens een hunner sagen hadden twee toonkunstenaars Eunomus en Ariston een wedstrijd aangegaan. De eerstgenoemde behaalde de overwinning, omdat een Cicade zich op zijn harp had neergezet en het gemis vergoedde van een snaar, die gedurende den strijd gesprongen was. Daarom was bij de Grieken de op een harp zittende Cicade het zinnebeeld der muziek. Door de dichters der oudheid werden de Cicaden verheerlijkt; zij prezen haar de gelukkigste en onschuldigste van alle aardsche schepselen. De berichtgevers uit lateren tijd zijn minder met haar ingenomen. Dit blijkt o.a. uit het oordeel, dat Shaw over deze Insecten velt: "In de heete zomermaanden," schrijft hij, "vooral van den middag tot tegen den avond, sjirpen de Cicaden zeer schel en veroorzaken een helsch rumoer, dat de ooren pijnlijk aandoet. In dit opzicht zijn zij lastiger en onbeschaamder dan eenig ander Insect; op een twijg zittend, schetteren zij dikwijls 2 of 3 uren achtereen door zonder op te houden; zij storen hierdoor de overpeinzingen of de korte rust, waaraan men zich in deze heete luchtstreken (Barbarije) omstreeks den genoemden tijd pleegt over te geven. Stellig heeft de Tettix der Grieken geheel andere tonen voortgebracht, zachter en welluidener, daar men toch niet onderstellen kan, dat de voortreffelijke redenaars, die Homerus met Cicaden vergeleek, vervelende, schetterende schreeuwers zijn geweest."
Het muziekorgaan van de Cicaden maakt deel uit van haar achterlijf. Twee groote, lederachtige schubben (fig. 2), verlengstukken van het borstschild van het achterborststuk, bedekken de voorste buikschilden van het achterlijf. Onder het achterste gedeelte van elke schub bevindt zich een groote en ovale plek, de zoogenaamde "spiegel", het strak gespannen, dunne verbindingsvlies van het eerste en tweede buikschild. De beide spiegels nemen nagenoeg de geheele breedte van 't achterlijf in en zijn in 't midden slechts door een betrekkelijk dun strookje gescheiden; van ter zijde gezien schitteren zij met regenboogskleuren. Vóór de beide spiegels aan elke zijde van het eerste achterlijfssegment komt een kleinere schub voor, die van het rugschild uitgaat en een nagenoeg driehoekige holte bedekt, welker bodem gevormd wordt door een dun, overlangs geplooid vlies, dat aan fijn perkament herinnert; dit "trommelvlies" is bevestigd in een hoornachtig raam. Een krachtige spier, die aan het buikschild van 't eerste achterlijfssegment ontspringt, werkt door middel van een pees op den naar den rug gekeerden rand van het raam. Door hare samentrekkingen geraakt het "trommelvlies" in trillende beweging; het hierdoor voortgebrachte geluid, versterkt door de als klankbodems dienende spiegels en andere vliezige organen, is het "gezang" der Cicaden. Daar de wijfjes het "trommelvlies" missen, kunnen zij geen geluid geven. Men heeft een tijdlang gemeend, dat de ademgaten bij het voortbrengen van het geluid der Cicaden een soortgelijke rol zouden spelen als bij het brommen der Vliegen; dat dit niet het geval is, bleek, toen men met een druppel olie de lucht afsloot; op het geluid had dit geen invloed.--Met welk orgaan de wijfjes den loktoon der mannetjes waarnemen, weet men niet.
De kop is bij de Cicaden zelden naar voren verlengd; twee gelijke bogen begrenzen gewoonlijk van voren en van achteren de kruin, welker smalle oppervlakte (fig. 2) door 2 overlangsche groeven in 3 velden is verdeeld, waarvan het middelste 3 bijoogen draagt. Van voren grenst dit veld aan den bovenrand van het blaasvormig gezwollen voorhoofd, dat met talrijke dwarsgroeven doorploegd is (fig. 3).
Van de 4 vleugels, die daksgewijs over het kegelvormige achterlijf liggen, bereiken de voorste een grootere lengte dan de achterste; zij zijn soms doorzichtig en onbehaard, soms gekleurd en behaard.
Van de pooten valt alleen op te merken, dat de voordij dik aan de onderzijde met eenige tanden gewapend is; deze eigenaardigheid is een erfstuk van de plompe, gladde, met een harde huid bekleede larven. De larven n.l. gebruiken de voorpooten om in den grond te graven. Sommige brengen haar geheele leven, d. i. eenige jaren, in den grond door; andere houden zich hier slechts in 't laatste tijdperk van den larvetoestand op; nog andere brengen er alleen den winter door; zij zuigen dan sap uit de wortels van houtige planten.
De Cicaden zijn schuwe en trage dieren, die alleen door de stralen van de brandende middagzon tot een iets vluggere beweging opgewekt worden. Zij steken den snavel in jonge twijgen van houtige planten en voeden zich met het hieruit opgezogen sap. Ook nog na het terugtrekken van den snavel vloeien er druppels uit de wonde, die, aan de lucht opdrogend, den tak bedekken met een korst, welke men van sommige planten inzamelt en onder den naam van "manna" gebruikt. Met den legboor, die in rust teruggetrokken wordt in een overlangsche spleet van den buik, boort het wijfje gaten tot in het merg van jonge twijgen en legt in ieder gat een ei. De hieruit komende larve verlaat onmiddellijk haar geboorteplaats en begeeft zich in den grond, waar zij sap uit de wortels zuigt. Eerst na verscheidene jaren gaat zij in den imago-toestand over. Zoo dankt een Noord-Amerikaansche, vooral op eiken levende soort, die gevreesd wordt wegens de schade, welke de wijfjes met den legboor, de jongen met den snavel aanrichten, den naam Cicada septemdecim aan haar 17-jarige generatie. Dit maakt, dat de buitengewone talrijkheid van deze Insecten zich om de 17 jaar herhaalt, gelijk in Pennsylvanië b.v. in 1834, 1851 en 1868 gebleken is.
Het aantal bekende soorten van Zingende Cicaden bedraagt 400 à 500, waarvan 18 in Zuid-Europa voorkomen; de meeste bewonen den tropischen aardgordel; op ongeveer 40° ZB. bereikt deze familie de grens van haar verbreidingsgebied; noordwaarts verwijderen enkele soorten zich aanmerkelijk verder van den evenaar. In Nederland vindt men geen Zingende Cicaden. In Duitschland zijn er 4 waargenomen: Cicada haematodes (bij Würzburg), Cicada plebeja (fign. 2-4) (bij Regensburg), Cicada atra (o.a. bij Heidelberg, Erlangen en in de Fränkische Schweiz) en Cicada montana, die nagenoeg geheel Europa en Noord-Azië bewoont.
Een van de merkwaardigste Zuid-Europeesche soorten is de 28 mM. lange, geelachtige, zwart gevlekte Manna-cicade of Kleine Esschen-cicade (Cicada orni fig. 1), die voornamelijk uit bladen en jonge spruiten van den manna esch (Ornus europaea) sap zuigt; hierdoor geeft zij aanleiding tot het winnen van een product, dat manna heet, grootendeels uit een eigenaardige suikersoort bestaat en o.a. als purgeermiddel dient; het meeste manna wordt echter verkregen uit wondjes, die niet door Cicaden, maar opzettelijk door menschen in den boom gemaakt worden.