Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 5

Chapter 53,591 wordsPublic domain

De onderzijde van het lichaam en de 11-ledige, borstelachtige sprieten zijn geel van kleur, de pooten iets donkerder. De groote soorten van Schallebijters spuwen, als men ze tusschen de vingers neemt, een onaangenaam riekende, groenachtig bruine stof uit, met het doel om den vijand schrik in te boezemen en tot loslaten te nopen. Bij den Randkever en zijne middelmatig groote verwanten scheiden de voor- en achterrand van het halsschild een melkachtig witte vloeistof uit, die eveneens een onaangenamen reuk verbreidt.

Om de ontwikkelingsgeschiedenis van deze Water-roofkevers nader te leeren kennen, zou men er eenige in een aquarium kunnen plaatsen, welks bodem met een laag grint en met eenig slijk bedekt moet zijn en, in plaats van de gewone rots, in het midden eenige zoden moet bevatten. Wegens de groote vraatzucht dezer dieren kost het eenige moeite, hun een voldoende hoeveelheid voedsel te verschaffen; mierenpoppen, jonge Kikvorschen en vischjes, waterslakken, een doode Muis en dergelijke voedingsmiddelen kunnen echter het gemis van kleine, weeke waterinsecten vergoeden. In de lente heeft de voortplanting plaats: het wijfje omvat met de voorpooten onder water den stengel van een waterplant, houdt intusschen de zwempooten scheef omhoog gericht en laat de spits van het achterlijf naar onderen ver uitsteken. Uit deze scherpe spits komt een korte legboor te voorschijn, waarmede in den bedoelden plantenstengel een insnijding wordt gemaakt, die als bergplaats voor verscheidene ovale eieren dient. Deze zijn ongeveer 2.25 mM. lang, geel van kleur en ontwikkelen zich na omstreeks 12 dagen tot larven. Nietig kleine wormpjes, die een kolossale vraatzucht toonen en elkander niet sparen, krioelen dan in het water rond. Reeds na 4 of 5 dagen zijn zij bijna 10 mM. lang en vervellen voor de eerste maal; na een periode van gelijken duur is hun grootte verdubbeld en verwisselen zij ten tweeden male van kleed, vervolgens na een tijdperk van even snellen groei voor de derde maal. Later heeft de larve meer voedsel noodig en neemt minder sterk in omvang toe. Met geopende kaken wacht zij rustig, tot het noodlot een larve van een Mug of een Haft, een kikkervischje of een dergelijk diertje in haar nabijheid voert, neemt een gunstig oogenblik te baat, schiet met eenige slangsgewijze kronkelingen van het lichaam op haar slachtoffer toe en grijpt het. Nu begeeft zij zich naar den bodem, houdt zich met de pooten aan een waterplant vast en zuigt haar prooi uit. Om zich te verpoppen, kruipen de larven in een holte van de zoden, waar zij de bedoelde gedaantewisseling in ongeveer 14 dagen ondergaan. Na een rusttijdperk, dat in den zomer gemiddeld 3 weken duurt, verkrijgt de huid van de pop in den nek een scheur, waardoor de jonge Kever na moeitevollen arbeid te voorschijn komt. De larven, die eerst in den herfst pop worden, overwinteren in dezen toestand. Voordat de pasgeboren Kever op zijne ouders gelijkt, moet er nog geruimen tijd verloopen. Het eerst ontwikkelen zich de ineengerolde, uiterst teere vleugels en hunne dekschilden; de Kever is dan, wat zijn vorm betreft, gereed, maar moet nog wachten op het verharden van zijn buitengewoon weeke, geelachtig witte huid. De Randkever en zijne verwanten richten in de vischvijvers schade aan door het verslinden van jonge vischjes.

Meer nog dan de Water-roofkevers moeten de Draaikevers (Gyrinus) de aandacht trekken van iemand, die slechts eenige oogenblikken zijne blikken onderzoekend over stilstaand water laat weiden: de staalblauwe, in 't zonlicht letterlijk schitterende kevertjes kunnen niet onopgemerkt blijven. Licht zou het denkbeeld in hem kunnen opkomen, dat er geen vroolijker, gelukkiger schepseltjes bestaan dan deze. Slechts kort blijft een klein gezelschap op één punt vereenigd, ieder diertje schiet heen en weer, het eene beschrijft een grooten kring, een tweede volgt, een derde voltooit den boog in tegengestelde richting, een vierde teekent spiraalvormige of andere kromlijnige figuren, de telkens afwisselende bewegingen brengen de zwemmers soms nader bij elkander, soms verder uiteen. Zoo gaat het bij zonneschijn of ook wel zonder dat de zon hare stralen schiet, wanneer de lucht slechts warm en zoel is; op gure, onaangename dagen ziet men van de Draaikevertjes geen spoor; zij houden zich verborgen tusschen planten aan den waterkant of op den bodem van 't water. Om hunne handelingen in deze omstandigheden na te gaan is hun natuurlijke verblijfplaats niet zeer geschikt; beter kan dit geschieden in een aquarium. Wanneer de Draaikever duikt, neemt hij een luchtbel naar de diepte mede, die als een zilverachtig glinsterend pareltje aan de spits van 't achterlijf hangt. Deze luchtbel is ongetwijfeld door het een of ander vettig omhulsel van het water gescheiden, daar men haar plat drukken kan. Onder water gaat de Kever op een plant zitten, waaraan hij zich vooral met de middelpooten vasthoudt en steekt de lange voorpooten herhaaldelijk naar voren uit, evenals een mensch bij 't zwemmen de armen beweegt; soms strijkt hij zich hiermede over den kop en het voorste deel van den rug, zooals andere Insecten doen om zich te "poetsen". Bovendien dienen de voorpooten voor het beklimmen van een waterplant of om zich eenvoudig hieraan vast te houden, als de Kever tot afwisseling het overige lichaam wil laten zweven. Evenals de Water-roofkevers kunnen ook de Draaikevers vliegen; zonder dit vermogen zouden zij in sommige omstandigheden niet in 't leven kunnen blijven. Voordat zij opvliegen, kruipen zij bij een waterplant omhoog, bewegen, terwijl zij de dekschilden oplichten, het achterlijf vlug heen en weer, maken ten slotte de pooten van hun steunpunt los en verheffen zich gonzend in de lucht.

De Duikende Draaikever (Gyrinus mergus), een der meest verbreide soorten, verschaft ons gelegenheid om de eigenaardigheden van het geheele geslacht te leeren kennen. Ovaal van omtrek als de leden der vorige familie, is hij echter aan de buikzijde meer platgedrukt, aan de rugzijde boller; de dekschilden zijn van achteren afgeknot en laten de spits van het achterlijf onbedekt. De voorpooten hebben een vrijen, kegelvormigen heup en zijn bij wijze van armen verlengd; de beide volgende paren, welker heupen onbeweeglijk vergroeid zijn met het borstpantser en welker scheen en voet gezamenlijk een ruitvormige plaat uitmaken, zijn echte vinnen geworden. De sprieten zijn slechts kleine stompjes. Een hoogst eigenaardige inrichting vertoonen de oogen, daar ieder door een breede dwarsstrook in een bovenste en een onderste helft verdeeld is, zoodat de Kever bij het zwemmen aan de oppervlakte tegelijk naar onderen in het water en naar boven in de lucht, doch waarschijnlijk niet in de richting van den waterspiegel kan kijken. Tot nadere aanduiding van de bovengenoemde soort moet hier nog bijgevoegd worden, dat aan het zeer glanzige, staalblauwe lichaam de omgeslagen rand van het halsschild en van de dekschilden, benevens de pooten roestrood zijn en dat de tot overlangsche reeksen vereenigde fijne stippeltjes in de nabijheid van den naad door fijnheid uitmunten boven die, welke overigens op de dekschilden voorkomen. De larve is lang, smal en van boven plat; haar lichaam bestaat uit een tamelijk grooten kop en 12 segmenten, die veel smaller zijn en waarvan de 3 eerste elk een paar schrale pootjes, de overige aan weerszijden een lang, smal, doorschijnend uitsteeksel dragen, dat als tracheeënkieuw voor de ademhaling dient. Zij herinnert eenigermate aan een Gewonen Duizendpoot. Evenals de larven van de Water-roofkevers heeft zij holle, als een knijptang werkende kaken om haar slachtoffer uit te zuigen. Vóór den overgang in den poptoestand, vervaardigt zij zich een aan beide einden spits toeloopenden, perkamentachtigen cocon, die aan een waterplant of aan een ander boven 't water uitstekend voorwerp vastgehecht is. Naar het schijnt, geschiedt dit, nadat de larve den winter rustend heeft doorgebracht. Gemiddeld duurt de ontwikkeling van de pop tot imago één maand; gedurende den zomer zijn de Kevers druk in beweging; in het het begin van Augustus worden de eieren gelegd.

Tot de bevolking van de poelen, die de Water-roofkevers en Draaikevers herbergen, behoort ook nog de familie der Watertorren (Hydrophilidae); wegens de groote lengte der draadvormige tasters (palpen), welke die der sprieten evenaart of overtreft, zou men ze ook wel Voelertorren (Palpicornia) kunnen noemen. Bovendien stemmen deze Kevers overeen, doordat de dikke, behaarde, meestal breede buitenste lob van de onderkaak de getande binnenste lob als een kap bedekt. De sprieten hebben 6 à 9 korte leden; het eerste is langwerpig en onder den zijrand van den kop in een groeve ingeplant; de laatste vormen een knotsje, dat tusschenruimten overlaat. De Watertorren openen de reeks der Knotssprietigen (Clavicornia).

De Pekzwarte Watertor (Hydrophilus piceus) behoort tot een nagenoeg over de geheele wereld verbreid geslacht, welks leden door grootte uitmunten; hun ovaal, van onderen min of meer gekield, van boven tamelijk bol lichaam is plomper van gestalte dan dat van eenigen anderen Kever. Het eerste van de 9 leden der sprieten is gebogen en roestrood, de 4 laatste vormen gezamenlijk een bruine, bladerige knots. Evenals bij de Dyticiden, zijn ook bij de Hydrophilen de voeten van de beide achterste paren pooten roeiriemvormig verbreed en aan den binnenrand met borstels gewimperd; het eerste lid is klein en ziet er bij oppervlakkige beschouwing eenvoudig als een aanhangsel uit; het tweede is langer dan alle overige voetleden; deze inrichting van den voet levert een eerste kenmerk voor het geheele geslacht. Het mannetje kan men van het wijfje gemakkelijk onderscheiden aan het platgedrukte, bijlvormige, laatste lid van den voorvoet. Een tweede kenmerk van het geslacht, dat bij de bovengenoemde soort zeer duidelijk uitkomt, bestaat hierin, dat het borstschild van het middel- en achterborststuk gezamenlijk een (hier platgedrukte en van voren sterk gegroefde) kiel vormen, die zich als een scherpe lanspunt over de achterheupen uitstrekt. De dekschilden zijn overlangs gestreept, en in verband hiermede bij de spits een weinig geribbeld; aan den naad loopen zij in een fijn tandje uit. De groenachtig glinsterende, pekzwarte Kever leeft in stilstaand en stroomend zoetwater. Merkwaardig zijn sommige details van het inwendig samenstel van dit dier. Een ballonvormige luchtzak (verwijding van het tracheeënstelsel) van aanzienlijke grootte, welke uit een uiterst dun vlies bestaat en op de grens tusschen borststuk en achterlijf voorkomt, is met de andere, zeer talrijke opzwellingen van de luchtbuizen geschikt om als zwemblaas dienst te doen. Ook het spijskanaal verschilt aanmerkelijk van dat der overige Waterkevers en verraadt een uit plantaardige stoffen bestaande voeding. De "algen", die vele poelen met een viltachtige massa vullen, schijnen hiervoor zeer geschikt; hiermede heeft men verscheidene Pekzwarte Watertorren in een aquarium gedurende geruimen tijd met goed gevolg gevoederd.

In April zorgt het wijfje door het leggen van eieren voor haar nakomelingschap; zij doet dit op een wijze, die een nadere bespreking verdient en die men bij geen anderen Kever, tenzij bij de naaste verwanten van den bovengenoemden, waargenomen heeft. Zij gaat aan de oppervlakte van 't water op den rug liggen onder het drijvende blad van een plant, dat zij met de voorpooten tegen haar buik drukt. Uit 4 buizen, waarvan 2 verder buiten het achterlijf te voorschijn komen dan de beide andere, vloeien witachtige draden, die door het heen en weer bewegen van de spits van het achterlijf tot een spinsel vereenigd worden, dat den geheelen buik van de spinster bedekt. Zij keert zich om, zoodat de nu voltooide plaat haar op den rug komt te liggen, vervaardigt op dezelfde wijze een tweede plaat en voegt beide langs den rand aaneen. Hiermede gaan ongeveer vijf kwartier voorbij. In het van voren geopende zakje, dat nu het achterlijf omgeeft, worden, naarmate het dier zich er voorzichtig uit terugtrekt, ongeveer 50 eieren gelegd. Het duurt een paar uren, voordat de spits van het achterlijf vrij geworden is. De Tor omvat nu het geopende einde van het nestje met de achterpooten en begint het te sluiten door draden rondom de opening te leggen, die hierdoor al kleiner en kleiner wordt. De sluiting wordt nog versterkt door eenige van boven naar beneden en van beneden naar boven gesponnen draden, waardoor een driehoekig plaatje ontstaat, dat de grondslag vormt voor een soort van mastje. Ook hiervoor leveren de spinklieren de bouwstof. De Kever vervaardigt dit gekromde hoorntje van op en neer loopende draden, maakt eerst het breedere benedeneinde en verhoogt dit vervolgens langzamerhand, totdat de gewenschte lengte bereikt is. Het geheele werkstuk is in 4 à 5 uur voltooid; dan schommelt het kunstig gebouwde hulkje op den plas tusschen de bladen der waterplanten. Als het door een te sterke beweging van 't water omkantelt, richt het zich onmiddellijk weder op; het mastje wijst altijd omhoog, omdat het achterste gedeelte van 't nestje de eieren bevat en dus zwaarder is dan het voorste, waarin lucht is opgesloten.

Na verloop van 11 à 18 dagen verlaten de kleine larven de eischaal; zij blijven echter nog eenigen tijd in haar gemeenschappelijke wieg, waarschijnlijk, totdat de eerste vervelling afgeloopen is. Over de wijze waarop de larve zich voedt, zijn de meeningen verdeeld. Volgens sommigen eet zij in haar jeugd plantaardige stoffen en wordt eerst na verscheidene vervellingen een gulzig roofdier. Volgens anderen is zij dit reeds van den aanvang af; men zegt, dat allerlei Waterslakken, welker huisjes zij aan de rugzijde opent, haar liefste spijs uitmaken. Wanneer zij gegrepen of door den snavel van een Watervogel getroffen wordt, houdt zij zich dood: haar lichaam hangt dan naar weerszijden als een ledige, slappe zak naar beneden. Als deze list niet baat, maakt zij het water in hare omgeving troebel met een zwart, stinkend vocht, dat door den aars ontwijkt; dit middel beveiligt haar dikwijls tegen vervolging. De larve neemt gaarne den in onze afbeelding aangeduiden stand aan. Haar kop is plat en draagt geen oogen; de stevige bovenkaken zijn in 't midden met een tand voorzien; de steel van de onderkaken is lang; deze steken dus ver vooruit en kunnen goed bewogen worden. De pooten zijn kort en eindigen ieder in één klauw; het spitse eindlid van 't achterlijf draagt van onderen een paar draadvormige aanhangsels. De volwassen larve verlaat het water en maakt aan den waterkant in de vochtige aarde een hol, waarin zij zich verpopt. Tegen het einde van den zomer werpt de Kever de pophuid af; hij blijft echter op zijn geboorteplaats, totdat de chitine-laag van zijn huid hard geworden is en begeeft zich eerst daarna te water.

Tot de Kortschilden (Staphylinidae, Brachelytra) brengt men thans meer dan 4000 soorten van Kevers, die over de geheele aardoppervlakte verdeeld zijn, maar in Europa het talrijkst voorkomen. Het kenmerk, waaraan zij hun naam ontleenen, is geschikt om hen zonder moeite van andere Kevers te onderscheiden; overigens vertoonen zij een bijzonder groote verscheidenheid, zoowel wat hun houding en levenswijze betreft, als door het maaksel van enkele voor andere familiën zeer karakteristieke lichaamsdeelen. De meeste Kortschilden hebben 5-ledige voeten; soorten met 4 of zelfs met niet meer dan 3 leden zijn in deze familie echter niet zeldzaam. De sprieten zijn in den regel draadvormig. Hoewel het lichaam over 't algemeen een langwerpige gedaante heeft, zijn er toch ook Kortschilden, welker achterlijf als een rolronde staart aan het rechthoekige voorstuk vastzit, andere van spoelvormige gedaante, nog andere, die aan de langhalzige Loopkevers herinneren; naast volkomen cilindrische vormen komen gestalten voor, die als 't ware van boven naar onderen platgedrukt zijn. De meeste inheemsche soorten hebben een geringe grootte en een sombere of vuilgele kleur, waarop nagenoeg geen teekening voorkomt, en vallen daarom weinig in 't oog; sommige uitheemsche soorten trekken door haar helderen, metaalachtigen glans een weinig meer de aandacht.

Voor 't meerendeel leven zij op den grond en houden zich gezellig onder rottende stoffen op, vele vestigen zich in mest, op krengen, in veeljarige houtige zwammen en in snel afstervende paddestoelen, onder boomschors of steenen of op zandige plaatsen, waar ook vele Loopkevers voorkomen. Sommige soorten bewonen mierenhoopen en blijven hier levenslang; slechts enkele scheppen geen behagen in een vochtige, met de uitwasemingen van modder en rottende stoffen vervulde verblijfplaats en laten een meer gekuischten smaak blijken door bloemen op te zoeken en honig te lekken. De meeste worden door den invloed der zonnestralen zeer opgewekt en toonen dit door op een zonnigen middag, de grootste soorten ook op heldere zomeravonden, een druk gebruik van hunne vleugels te maken. Hun voedsel bestaat uit rottende plantaardige en dierlijke overblijfselen, doch ook uit levende dieren. Bij enkele geslachten en soorten merkt men een bij de Kevers zeldzaam voorkomend verschijnsel op, n.l. 1 of 2 enkelvoudige oogen op het voorhoofd. Een nog merkwaardiger uitzondering op den regel vormen eenige Zuid-Amerikaansche Kortschilden van de geslachten Spirachta en Corotoca door levende jongen ter wereld te brengen.

Meer dan de larven van andere Kevers gelijken de larven der Staphylinen op de volkomen Insecten, omdat deze zoowel door den langwerpigen vorm van 't lichaam als door de kortheid hunner dekschilden, die men licht over 't hoofd ziet, zelve eenige overeenkomst met larven vertoonen. De grootste soorten maken in dit levenstijdperk jacht op andere larven en kunnen met vleesch gevoederd worden, als men ze gevangen houdt. De pop bewoont een hol in den grond en gaat na een rust van weinige weken in den imago-toestand over.

Als vertegenwoordigers der familie noemen wij eenige soorten, die door bonte kleuren of een ongewone grootte de aandacht trekken of door haar algemeene verbreiding opmerkelijk zijn.

De Geelgestreepte Modderkever (Staphylinus caesareus) is grootendeels zwart van kleur; de kop en het halsschild zijn metaalachtig groen, de sprieten, de behaarde pooten en de dekschilden bruinrood; de reeksen van lichte vlekken op het achterlijf en de lichte zoom van den kraag aan het halsschild worden gevormd door goudgele, aanliggende, zijdeachtige haren.

Deze Kever houdt zich het meest in bosschen op, waar hij zijn voedsel verzamelt in de bladerenlaag, die den bodem bedekt, maar ook wel op de wijze van de Klimloopkevers jaagt. Hem en de grootste van zijne verwanten ziet men soms bij warm weer zoekend op de wegen rondloopen en daarbij een zonderlinge, zeer bevallige houding aannemen. Zij heffen n.l. hun onbedekt, buitengewoon beweeglijk achterlijf ver omhoog en krommen het zóó, dat de opening van den boog naar voren gericht en boven het borststuk gelegen is. Deze aan het pronken van een Pauw herinnerende beweging schijnt een buitengewonen graad van opgewektheid aan te duiden, althans een behaaglijke stemming, gelijk af te leiden valt uit de flinke, fiere wendingen van het lichaam, dat nu gemakkelijker draaien kan.

De Kortharige Modderkever (Staphylinus pubescens) heeft eigenlijk een roestbruine kleur, die op het halsschild en de dekschilden het donkerst, op het kopschild het lichtst is; de zijdeachtige haren, die het geheele lichaam dicht bedekken, kaatsen echter het licht met verschillende kleuren terug, de buikzijde van het achterlijf en van het naborststuk is grootendeels zilvergrijs; de rug schijnt oneffen door de zwarte, fluweelachtige vlekken, die er op voorkomen.

De Stinkende Vlugpoot (Ocypus olens) is een van de grootste en plompste leden van zijn familie; met uitzondering van de roestbruine spits der sprieten is hij geheel en al zwart, welke kleur door de viltachtige beharing dof schijnt. Veelvuldig is deze soort niet; men vindt haar vooral in bosschen, meestal bij paren.

Een 30-tal inheemsche soorten behooren tot het geslacht der Mestzoekers (Philonthus), o.a. de hierboven afgebeelde Bronskleurige Mestzoeker (Philonthus aeneus). Zij bewonen allerlei vochtige humus-rijke plaatsen en niet uitsluitend of bij voorkeur mest, gelijk haar naam zou doen vermoeden.

De onderste van de beide bontgekleurde Kortschilden, die in onze afbeelding op een paddestoel loopend zijn voorgesteld--de Roode Zwamzoeker (Oxyporus rufus)--is ongetwijfeld een van de fraaiste leden der geheele familie. De glanzig zwarte heerschende kleur wordt op het halsschild en op het achterlijf, dat alleen aan de spits zwart is, door helder rood vervangen; elk dekschild prijkt met een groote schoudervlek van dezelfde kleur, die ook de pooten (met uitzondering van hun zwarten wortel), de basis der knotsvormige sprieten en alle monddeelen (behalve de bovenkaken) versiert. Deze soort leeft in vleezige en houtachtige zwammen en is hier volstrekt niet zeldzaam.

De Oever-Amethystkever (Paederus riparius) is rood, behalve aan den kop en de spitsen der sprieten, de knieën, de beide achterste borstringen en de spits van den staart, die zwart zijn, terwijl de grofgestippelde dekschilden een blauwe kleur hebben. Deze Kever houdt zich gaarne op aan den rand van stroomend en stilstaand water, kruipt ook wel bij de daar groeiende struiken omhoog en vormt meestal kleine gezelschappen.

De Dwergkevers (Pselaphidae), die, ondanks hun zeer geringe grootte, in vele opzichten merkwaardig zijn, leven verborgen onder mos, vochtige afgevallen bladen, boomschors, steenen en--in nesten van Mieren. Zij zijn nauw verwant aan de Staphylinen, daar ook bij hen de dekschilden het achterlijf voor een groot deel onbedekt laten. Verwarring is echter onmogelijk, daar zij het achterlijf niet kunnen omhoog richten of op eenigerlei wijze bewegen, welk vermogen aan de Staphylinen in hooge mate eigen is. De 5 achterlijfsringen zijn n.l. onbeweeglijk met elkander vergroeid. De Dwergkevers, welker bestaan niet aan dat der Mieren verbonden is, vliegen 's avonds rond. Bij hoogen waterstand in den zomer worden zij dikwijls bij honderden met tal van lijdensgenooten uit hunne schuilplaatsen weggespoeld en aan zandige oevers gedreven, waar de verzamelaar een rijken oogst kan houden van deze diertjes, die op een andere wijze zoo moeielijk te verkrijgen zijn.

Tot dusver heeft men ongeveer 500 soorten van Dwergkevers leeren kennen; zij worden in alle werelddeelen gevonden, met uitzondering van Azië, waar zij ongetwijfeld door de verzamelaars over 't hoofd zijn gezien. In ons vaderland heeft men slechts weinige soorten aangetroffen. De larven van deze Kevers kent men nog niet.

De bij ons nog niet waargenomen Gele Knotskever (Claviger testaceus, C. foveolatus) behoort tot een geslacht, welks leden volkomen afhankelijk zijn van de Mieren, en zonder deze niet kunnen bestaan. Zij kenmerken zich door het gemis van oogen, door vergroeiing der dekschilden, die ieder een bundel van haren dragen en door het bezit van een diepe groeve op den rug aan den wortel van het achterlijf.