Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 49
De Manna-Schildluis (Coccus manniparus) leeft in de omstreken van den berg Sinaï op de manna-tamarisk en veroorzaakt door haar steek het uitvloeien van een suikerhoudend sap, dat aan de lucht spoedig verdroogt en dan afvalt, of door het regenwater opgelost in groote druppels op den bodem vloeit. De Bedoeïnen verzamelen het in de vroege morgenuren en bewaren het voor eigen gebruik of brengen het in den handel.
De Lakschildluis (Coccus lacca) bewoont verscheidene boomen en struiken, die op het Indische vasteland en de naburige eilanden groeien. Men vindt haar op vijgeboomen (Ficus religiosa, Ficus indica), op den Oostindischen croton (Aleurites laccifera), op den Malabarschen lakboom of Plaso (Butea frondosa), op verscheidene mimosa's, bij Bombay op den Peruaanschen kaneelappelboom (Anona squamosa), enz. Zoodra het wijfje zich met den snavel vastgehecht heeft, zwelt haar lichaam op en verkrijgt een peervormige of nagenoeg bolvormige gedaante, terwijl de pooten en de sprieten verloren gaan. Onmiddellijk na de vasthechting vloeit uit de hierdoor veroorzaakte wonde een harsachtige stof; deze omgeeft het dier op één opening na, waardoor de ademhaling zal plaats hebben. Gewoonlijk omgeeft de harsmassa het takje als een ring, waarin verscheidene cellen voorkomen, ieder door een Schildluis bewoond. Het geslachtsrijpe mannetje verschijnt later dan het wijfje; al naar het jaargetijde vertoont het zich in twee verschillende gedaanten: in September is het ongevleugeld, in Maart heeft het vleugels en gelijkt het veel op de mannelijke Cochenille-schildluis. Met het eierenleggen schijnt het uitwerpen van een roode kleurstof gepaard te gaan, waardoor het omringende hars een donkerroode kleur aanneemt. Het wijfje sterft spoedig daarna en hare jongen verlaten de moederlijke woning. De met hars bedekte takken worden afgebroken en komen onder den naam van "stoklak" in den handel. Door het verwijderen van het takje houdt men het "gekorrelde lak" over, waaruit de kleurstof, die veel op die van de Cochenille gelijkt, afgezonderd wordt en onder de namen "lak-lak" of "lack-dye" een handelsartikel vormt. Het overblijvende hars wordt gesmolten en heet "schellak".--Op Java verzamelt men het van de takjes afgeschraapte hars in dunne bamboestokken en verhit deze boven het vuur, totdat hun inhoud smelt en zwarte pijpen vormt, die onder den naam van "gala-gala" in den handel komen. Dit zwarte schellak dient voor het vasthechten van kapmessen en dergelijke werktuigen in hunne handvatsels en ook wel als zegellak.
Reeds lang voordat men in Europa de Amerikaansche Cochenille kende, maakte men er voor het roodverven gebruik van een Schildluis, die Poolsch Grein (Porphyrophora polonica) wordt genoemd en ook wel Sint-Jansbloed heet, omdat zij omstreeks Sint-Jans-dag ingezameld werd. Dit Insect, dat in vroegeren tijd een belangrijk handelsartikel vormde, leeft op den wortel van eenige algemeen verbreide, op zandgrond groeiende kruiden--Glaskruid (Parietaria), Duizendgraan (Herniaria), Muizenoor (Hieracium pilosella), Hardbloem (Scleranthus), enz.--en komt o.a. voor bij Dresden, in Brandenburg, Mecklenburg, Pommeren, Zweden, Oost- en West-Pruisen, Polen, Rusland en Hongarije. Het mannetje heeft 2 tot over het midden behaarde vleugels; de achtervleugels zijn door kolfjes vervangen; het achterlijf eindigt in een langen haarbos. Het wijfje is ongevleugeld, half bolvormig en 2.25 à 3.37 mM. lang.
In vele streken van Duitschland vindt men in Juli en Augustus niet zelden op de groote brandnetel (Urtica dioica) de hierna afgebeelde wijfjes van de Brandnetel-Kokerluis (Dorthesia urticae). Men zou ze licht kunnen verwarren met de larven van een tot de Lieveheerbeestjes behoorende Keversoort (Scymnus), zoo zeer wijkt haar uiterlijk van dat der meeste Schildluizen af. Zij hechten zich niet voor goed vast, zijn niet bedekt door een schild, maar omgeven door een kokertje, dat de zwartachtige sprieten en pooten vrij laat, en haar niet belet van plaats te veranderen.
De Valsche of Bastaardbladluizen (Phylloxeridae) zijn Plantenluizen met korte, dikke, ringvormig geschubde, hoogstens 5 ledige sprieten, op welker laatste lid (of laatste leden) ovale reukgroefjes voorkomen. De ongevleugelde vormen hebben in rijpen toestand geen andere dan 2 drielenzige, de gevleugelde bovendien 2 grootere, samengestelde en ook nog éénlenzige oogen. De snavel is gewoonlijk goed ontwikkeld en samengesteld uit een 3-ledige scheede (de onderlip) met 4 borstelvormige kaken, die soms (bij Chermes-soorten) 5- à 8-maal zoo lang zijn als het geheele lichaam, en dan, evenals bij de Schildluizen, in rust lusvormig gekromd in het lichaam teruggetrokken worden. De scheede is natuurlijk veel korter dan de kaken en, evenals bij alle Plantenluizen, met het voorborststuk vergroeid. De pooten zijn kort, maar krachtig, minder dan die der Echte Bladluizen voor 't loopen geschikt en van een 2-ledigen, in 2 klauwen eindigenden voet voorzien. De ontwikkelingskring der Bastaardbladluizen is samengesteld uit een aantal verschillende generaties, die voor 't meerendeel uit onbevruchte eieren ontstaan (parthenogenesis). In den regel verwisselt een bepaalde generatie de plantensoort of het plantendeel, waarop zij oorspronkelijk woonde, voor een andere, die nu aan een reeks van generaties voedsel verschaft, voordat een verhuizing in omgekeerde richting volgt. De wijfjes met parthenogenetische voortplantingswijze zijn in de eene generatie van vleugels voorzien, in een andere er van verstoken. Zoowel de mannetjes als de wijfjes van de generatie, die bevruchte eieren voortbrengt, kenmerken zich door het gemis van vleugels en door geringe grootte. Alle Valsche Bladluizen komen als eieren ter wereld, geen harer vormen verlaat als larve het lichaam der moeder. Steeds missen zij de "rugpijpjes" (siphunculi), die bij de Echte Bladluizen zoo veelvuldig voorkomen.--Elk der beide geslachten (Chermes en Phylloxera), waaruit de familie bestaat, zal door een zijner vertegenwoordigers het bovenstaande overzicht verduidelijken.
Volgens de nieuwste onderzoekingen heeft de Groene Sparrenbladluis (Chermes viridis) den volgenden ontwikkelingskring. De eerste generatie bestaat uit ongevleugelde wijfjes, die men "stammoeders van de sparregallen" kan noemen. Op den rug heeft zij duidelijke chitine-plaatjes met wasporiën, waardoor draden naar buiten treden, die haar lichaam met een witte, wollige laag bedekken. Haar plomp lichaam, waaraan de grenzen van pop, borststuk en achterlijf niet scherp zijn aangeduid, de korte pooten, de langzame beweging en het wasbekleedsel verschaffen haar eenige overeenkomst met een Schildluis. In den herfst zit de larve met den langen snavel vastgehecht aan het onderste gedeelte van den sparreknop, die bestemd is om zich in de volgende lente tot een zoogenaamde "meiloot" te verlengen. Zij overwintert op de genoemde plaats en begint hier na haar ontwaken in de lente opnieuw te zuigen; dit geeft aanleiding tot het kort blijven van de loot, welker onderste naalden in vliezige schubben veranderen en de fraaie "gal", waarin de Luizen van de tweede generatie zich zullen ontwikkelen. Deze ontstaan uit de eieren, die de "stammoeder van de sparregal" achtereenvolgens ten getale van ongeveer 200 legt, nadat zij driemaal haar huid afgeworpen en het daarop voorkomend wollig bekleedsel telkens op uitgebreider schaal vernieuwd heeft. De eieren komen voor een deel in de harige wasdraden te liggen, die bij de vervelling afgestooten worden; zij ontstaan natuurlijk zonder voorafgaande paring, d.i. parthenogenetisch. Als de "stammoeder" sterft, zijn sommige van hare eieren reeds uitgekomen. Tegen het midden van Mei hebben alle larven de eischaal verlaten en is de verandering van den aangestoken knop reeds zoo ver voortgeschreden, dat hij op een kleinen dennekegel gelijkt. De naalden zijn nauw aaneensluitende schubben geworden en gedeeltelijk vergroeid. De hiertusschen overblijvende holten of "galkamers" zijn echter nog toegankelijk voor de kleine, lichtgele larven van de tweede generatie, die, nadat zij zich hier gevestigd hebben (soms ten getale van 20 in één kamer) door haar voortdurend zuigen de misvorming voltooien, waarvan de grondslag gelegd werd door de "stammoeder". Tot groote schade voor de ontwikkeling van den boom zit de kroon van jonge sparren soms vol van zulke gallen.
De larven, die in de gal leven, zijn slanker dan de stammoeder, beweeglijker dan deze en eveneens met witte, wollige wasdraadjes bekleed, die echter korter zijn. Na het verkrijgen van vleugelstompjes, na de voorlaatste vervelling dus, blijven zij met opgetrokken pooten, vastgehecht door den snavel, stil op dezelfde plaats zitten, totdat in den kegel door het verdrogen van de naalden regelmatige dwarsspleten zijn ontstaan. Hierdoor komen zij (gewoonlijk in de eerste helft van Augustus) in zeer grooten getale naar buiten, begeven zich op de naburige naalden en veranderen in gevleugelde Luizen van groenachtig gele kleur met zwartachtige vlekken op den rug van het borststuk. Deze worden "gevleugelde verhuisters" genoemd, daar zij, de spar verlatend, overgaan op de naalden van den lork. Hier leggen zij parthenogenetisch eieren, waaruit in den herfst geelachtige jongen komen, die slechts korten tijd aan de naalden zuigen, daarna onder schorsschilfers of in spleten van de schors overwinteren en in 't voorjaar volwassen worden. Deze derde generatie bestaat uitsluitend uit ongevleugelde wijfjes, die "onechte stichters" heeten. Parthenogenetisch leggen zij eieren, waaruit gele larven komen, die door haar zuigen een knievormige kromming van de sinds kort uitgekomen lorknaalden teweegbrengen. Deze ontwikkelen zich schielijk tot de gevleugelde wijfjes van fraaie, lichtgele of groene kleur, die vroeger onder den naam van Lorkenbladluis (Chermes laricis) beschreven werden, maar nu als de vierde generatie van de Groene Sparrenbladluis bekend zijn. Zij worden "gevleugelde wederkeersters" genoemd, omdat zij in Mei terugkeeren naar den boom, die door hare gevleugelde grootmoeders in den vorigen zomer verlaten werd. Van deze tweede gevleugelde generatie zijn de parthenogenetisch gevormde eieren afkomstig, die zich op voorjarige sparrenaalden ontwikkelen tot gele, ongevleugelde mannetjes en wijfjes. Uit de bevruchte eieren, die de leden van de vijfde generatie voortbrengen, komen de Luizen, die wij reeds als "stammoeders van de sparregallen" hebben leeren kennen; zij beginnen den nieuwen ontwikkelingskring.
Volledigheidshalve moet hier nog bijgevoegd worden, dat uit de eieren van de "onechte stichters", behalve "gevleugelde wederkeersters", ook ongevleugelde "ballingen" kunnen voortkomen, die, op den lork blijvend, hier het aanzijn geven aan verscheidene generaties van ongevleugelde wijfjes, die zich parthenogenetisch voortplanten.
Van de Gewone Sparrenbladluis (Chermes abietis), die veel op de vorige gelijkt en er tot dusver gewoonlijk mede verward werd, is de ontwikkelingskring samengesteld uit twee generaties van wijfjes, die zich parthenogenetisch voortplanten. De eene generatie bestaat uit ongevleugelde, de andere uit gevleugelde Luizen, welker levenswijze slechts in zooverre verschilt van die der beide eerste generaties van de vorige soort, dat de gevleugelde wijfjes niet naar den lork verhuizen, doch weinige dagen na haar verschijning in haar gewone houding, maar--dood, op de naalden van den spar zitten met een door de vleugels overdekt hoopje van hoogstens 40 eieren achter zich. Uit deze eieren komen de larven voort, die aan den voet van de sparrenknoppen overwinteren.
De Druifluis of Wortelluis van den Wijnstok (Phylloxera vastatrix) heeft sedert 1863 door de ontzaglijke verwoestingen, die zij in de Fransche wijnbouwdistricten aanrichtte, groote ontsteltenis veroorzaakt. Dit schadelijk Insect, in 1854 door Asa Fitch in Noord-Amerika ontdekt, vertoonde zich in Europa het eerst in de omstreken van Avignon, hoewel het niet voor 1868 door Planchon bij St. Rémy (dept. Hérault) herkend werd. Het volgde bij zijn verdere verbreiding vooral de rivierdalen, zoowel in boven- als in benedenwaartsche richting, legde gemiddeld in den loop van één jaar een weg van 20 à 25 KM. af en had op 1 October 1882 van de 2 415 986 HA. wijngaarden, die Frankrijk bezat, 763 799 HA. (d. i. nagenoeg het derde gedeelte) totaal vernield, bovendien nog 642978 HA. aangetast en zwaar beschadigd. De door haar veroorzaakte schade wordt op meer dan 5 milliarden francs begroot. Toen de Druifluis zich plotseling in 1869 bij Genève en in 1873 in de proeftuinen van Annaberg bij Bonn en van Klosterneuburg bij Weenen vertoonde, kwam men tot de overtuiging, dat zij met Amerikaansche stekken naar Europa was overgebracht.
Ongevleugelde, nog onvolwassen Druifluizen van bruinachtige kleur (de wintervorm van de Wortelluis) overwinteren, zoodra de bodemtemperatuur beneden 10° C. daalt, in spleten van wijnstokwortels, bij voorkeur in die, welke ongeveer de dikte van een vinger hebben (fig. 7) en kunnen dan gedurende geruimen tijd een temperatuur van -8 à -10° C. verdragen. Zoodra in de lente de bodemtemperatuur boven 10° C. gestegen is, ontwaken de Wortelluizen, hechten zich met den snavel vast aan de wortelvezels (fign. 1-3), veroorzaken hier galachtige opzwellingen (fig. 6) en bereiken weldra haar volle grootte (0.75 mM. of weinig meer). Parthenogenetisch legt ieder 30 à 40 eieren, waaruit in ongeveer 8 dagen (bij warm weer spoediger) gele jongen te voorschijn komen. Deze zuigen zich eveneens vast, groeien snel, vervellen intusschen 3-maal en planten zich gemiddeld na 20 dagen op dezelfde wijze als hare moeders voort. In den loop van het jaar kunnen 6 à 8 generaties zich ontwikkelen, waaruit men kan afleiden, dat het aantal nakomelingen van iedere overwinterende Wortelluis in één jaar verscheidene millioenen kan bedragen.
Bij de zomer- en herfst-generaties van Wortelluizen merkt men (voor het eerst in Juni) enkele exemplaren op, die van de overige verschillen door een slankere gedaante, en bovendien reeksen van wratjes op den rug, een langer eindlid aan de sprieten en zwartachtige vleugelscheeden aan weerszijden van het borststuk bezitten. Daar deze diertjes zich tot gevleugelde Luizen ontwikkelen, heeft men ze nymphen (poppen) genoemd. Zij kunnen zich goed bewegen en gaan in den regel vóór de laatste vervelling van de wortels op de bovenaardsche deelen van den wijnstok over. Door de vierde vervelling ontstaat uit de nymphe de gevleugelde Druifluis (fig. 5). Deze is geel, op het borststuk donkerder; de lichtgrijze vleugels zijn horizontaal gericht en steken voorbij de spits van het achterlijf uit. Vooral door luchtstroomingen kan het in dezen toestand verkeerende Insect op grooten afstand van zijn geboorteplaats worden vervoerd; uit eigen beweging vliegt het zoo ver niet. Het sterft, nadat het 2 à 4 eieren gelegd heeft op allerlei bovenaardsche deelen van den wijnstok, vooral in de gaffelpunten der bladnerven. De op bladeren liggende eieren verschillen o.a. door hun vorm van die, welke op de wortels voorkomen en zijn van tweeërlei grootte. Na gemiddeld 12 dagen komen uit de kleinste eieren roodachtige mannetjes, uit de grootste geelachtige wijfjes. Beide missen de vleugels, den snavel en het spijskanaal. Men treft ze van Augustus tot October aan op oude gedeelten van den stam, waar het wijfje na de paring één betrekkelijk zeer groot, zoogenaamd "winterei" in een spleet of achter een schilfer van de schors verbergt. Sommige van de ongevleugelde wijfjes, die in het laatst van April of in het begin van Mei uit de wintereieren komen, blijven boven den grond en leiden--evenals verscheidene generaties van nakomelingen, die met haar in vorm en voortplantingswijze overeenkomen--een parasitisch leven op de bladen; deze vertoonen overal, waar zij door den snavel van het Insect gewond zijn, galachtige, van boven geopende opzwellingen, die aan de onderzijde uitpuilen. Ieder van deze zakjes bevat een 200-tal eieren. In den herfst begeven de bladgallen-vormende wijfjes zich naar de wortels, waar de overige uit wintereieren ontstaande Luizen kort na haar geboorte begonnen zijn te zuigen. In Duitschland zijn de "bladgallen" nog niet waargenomen; geregeld vertoonen zij zich in Amerika; ook in sommige streken van Frankrijk en Zwitserland komen zij voor.
Phylloxera vastatrix tast geen andere planten aan dan de wijnstok; de fijne, in de lente ontsproten wortels, waaraan deze Insecten zuigen, vertoonen blaasvormige knobbels (nodositeiten, fig. 6), die spoedig tot rotting overgaan; iets later geschiedt dit met de langzamerhand toenemende schurftige, sponsachtige opzwellingen (tuberositeiten) van de dikkere wortels, die daarna de schors verliezen en broos worden. Boven den grond neemt men meestal in het tweede jaar de eerste ziekteverschijnselen waar: de bladen worden geel vóór den tijd en vallen af, nadat de randen zich omgekruld hebben. In 't volgende jaar is de aangestoken plant achterlijker dan de gezonde, vormt kortere loten en draagt minder trossen, welker slecht rijpende bessen een flauwen smaak hebben. In warme gewesten sterven de aangetaste wijnstokken reeds in het derde of vierde jaar. Langer blijven zij leven in Duitschland, waar de Druifluis zich minder snel vermenigvuldigt.--Sommige Amerikaansche soorten van wijnstokken zijn door hunne buitengewoon krachtige wortels aanmerkelijk beter tegen de Druifluizen bestand dan de Europeesche; met goed gevolg heeft men pogingen gedaan om door het enten van inheemsche soorten op de uitheemsche Vitis riparia en Vitis solonis wijnstokken te verkrijgen, die weinig beschadigd worden.--Ook is de toestand aanmerkelijk verbeterd door het opvolgen van de bepalingen der internationale Druifluisconventie van 17 Sept. 1878, door betere bemesting van den bodem en door het aanwenden van Insectendoodende middelen, vooral van kaliumsulfocarbonaat.
De Echte Bladluizen (Aphididae) zijn kleine, teere, betrekkelijk slanke, al of niet gevleugelde Plantenluizen, die het vermogen om te springen missen en geen in 't oog vallende kleur vertoonen. Zij hebben draadvormige sprieten, die bij de volwassen Insecten uit 6 leden bestaan. De snavel is goed ontwikkeld, dikwijls lang of zeer lang (vooral bij Lachnus en Schizoneura, waar hij in rust als een staart van onderen achter het lichaam uitsteekt). De pooten zijn gewoonlijk slank en hebben een 2-ledigen, in 2 klauwen eindigenden voet. In den samengestelden ontwikkelingskring dezer Luizen treden achtereenvolgens talrijke generatiën op van dieren, die parthenogenetisch levende jongen ter wereld brengen, en eindelijk een generatie van mannetjes en wijfjes, die zich door bevruchte eieren voortplanten.
De Bloedluis (Schizoneura lanigera), zoo genoemd, omdat zij bij het platdrukken een roode vlek achterlaat, is een van de ergste vijanden van den appelboom. Tot meer of minder groote scholen vereenigd, of op reeksen zittend, zuigen deze Insecten sap uit de schors en het spint van het jonge hout; hierdoor veroorzaken zij schurftige plekken, die langzamerhand den geheelen boom doen sterven. De kleur van de ongevleugelde Luizen wisselt af van honiggeel tot roodachtig bruin; de rug is, vooral van achteren, met witte, wollige wasuitscheidingen bekleed, die reeds op eenigen afstand in 't oog vallen. Tegen den nazomer ontstaan ook gevleugelde individuën, welker zwarte kleur op het achterlijf in chocoladebruin overgaat; zij zijn wit berijpt en voor een deel met witte, wollige haren bekleed. Zij hebben grootere oogen en nog kortere sprieten dan hunne vleugelooze voorouders. In plaats van 30 à 40 levende jongen, zooals deze, brengen zij 5 à 7 eieren voort, die gedurende het leggen of kort daarna uitkomen en dwergachtige, ongesnavelde geslachtsdieren opleveren, welker bevrucht ei overwintert. Door de Bloedluizen wordt het hout knoestig en broos, zoodat de boom spoedig duidelijke verschijnselen van achteruitgang vertoont.
Het soortenrijkste geslacht is dat der Bladluizen i.e.z. (Aphis), kleine, dunpootige Insecten, die op bladen, knoppen en jonge spruiten van kruidachtige en houtige planten leven. De sprieten hebben steeds meer dan de halve lichaamslengte en zijn 6- (schijnbaar 7-) ledig; het laatste lid heeft n.l. in 't midden een reukgroeve, wordt hier plotseling dunner en blijft dun tot aan den top. Aan weerszijden van het op 2 na laatste achterlijfssegment komt een goed ontwikkeld "rugpijpje" voor (dat bij andere geslachten rudimentair is), waaruit een wasachtige (niet honigachtige) stof ontwijkt, die, naar het schijnt, als beschuttingsmiddel dient. Het is niet op deze stof, dat verschillende Insecten, vooral mieren, verzot zijn, maar op een ander, zeer suikerrijk vocht, dat door de aarsopening wordt verwijderd en uit onverteerde overblijfselen van het opgezogen plantensap bestaat.
De Aphis-soorten leven gezellig, dikwijls in groote scholen bijeen; zij brengen geen gallen voort, hoewel door hun zuigen de bladen dikwijls een gekroesden vorm verkrijgen. Dikwijls leven zij niet uitsluitend op de plant, waaraan zij haar soortnaam ontleenen, maar ook op allerlei andere planten. Zoo vindt men b.v. op appel- en pereboomen en op den sleedoorn de Groene Appelbladluis (Aphis mali), op appelboomen en lijsterbessen de Roodachtige Appelbladluis (Aphis sorbi), op erwten, wikken, blazenstruik (Colutea) en verscheidene in 't wild levende vlinderbloemigen de Erwtenbladluis (Aphis ulmaria), enz.
In 't voorjaar (vroeger of later, al naar het weer is) komen uit de eieren, die onder bladen en op andere beschutte plaatsen overwinterden, ongevleugelde Bladluizen. Zij vervellen 4-maal, kunnen in 10 à 12 dagen volwassen zijn en brengen daarna parthenogenetisch levende jongen ter wereld. Deze hechten zich met den snavel vast en gedragen zich vervolgens geheel op dezelfde wijze als haar moeder. Verscheidene aldus gevormde generaties van Bladluizen kunnen gedurende het voor haar gunstige deel van 't jaar het levenslicht aanschouwen. Bonnet heeft uit een enkele Bladluis 15 generaties verkregen. Daar ieder individu, naar men aanneemt, 30 à 40 jongen oplevert, is haar aantal ten slotte ontzaglijk groot, zoodat er een getal van 20 cijfers noodig zou zijn om het voor te stellen. Wanneer de bladluiskolonie talrijk is geworden, verandert haar uitzicht eenigszins, daar tusschen de ongevleugelde enkele gevleugelde individuën rondloopen en afwisseling brengen in het eenvormige gezelschap. Zij werden geboren als ongevleugelde larven, maar krijgen later vliegwerktuigen, die zij gebruiken om ver van haar vaderland nieuwe volkplantingen te stichten. Op de plaats waar zij zich gevestigd hebben, merkt men dezelfde verschijnselen op, als in de oorspronkelijke kolonie; want ook de gevleugelde dieren zijn wijfjes, die zich parthenogenetisch voortplanten en levende jongen baren. Aanvankelijk ontstaan geen andere dan ongevleugelde individuën; bij volgende generatiën komen ook gevleugelde Bladluizen voor.
Langzamerhand zal in den herfst het voedsel, dat vroeger in overvloed voorhanden was, schaarscher worden; in dezelfde verhouding neemt het aantal geboorten af. Ook de aard van de jongen wijzigt zich: de meeste worden ongevleugelde echte wijfjes; tot dezelfde generatie behooren kleinere, in den regel gevleugelde mannetjes, die echter veel minder talrijk zijn. Na de paring leggen de wijfjes eieren op den stengel van de voederplant of op andere beschutte plaatsen (dit hangt van de soort af). De parende en eierleggende Bladluizen verschillen in lichaamsbouw aanmerkelijk van de wijfjes, die levende jongen ter wereld brengen.