Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 48

Chapter 483,552 wordsPublic domain

De Springstaarten (Collembola), hebben niet meer dan 6 leden in 't achterlijf, dat (bij enkele soorten slechts gedurende den kiemtoestand) aan de buikzijde van het 4e of 5e segment voorzien is van een eigenaardigen toestel (de springvork), die met geen der achterlijfsaanhangsels van andere Insecten vergeleken kan worden. Met de springvork kan het dier werkelijk reusachtige sprongen doen. In rust is zij naar voren omgeslagen en wordt in dezen toestand vastgehouden door een zeer klein "haakje", dat tusschen hare beide tanden ingrijpt. Bij den sprong wordt de weerstand van het haakje overwonnen door de buitengewoon krachtige spieren, die de vork bewegen, haar met kracht tegen den bodem of tegen den waterspiegel drukken en het dier door de lucht doen schieten; bij het neerkomen is de vork reeds weer toegeslagen en voor een tweeden sprong geschikt. Van de andere lichaamsdeelen valt op te merken, dat aan elke zijde van den kop een 4- à 8-ledige spriet en een groep van hoogstens 8 enkelvoudige oogen voorkomt. Bijna alle Springstaarten leven op vochtige plaatsen, sommige zelfs tijdelijk of voortdurend aan de oppervlakte van 't water. Zij voeden zich met zeer kleine zwammen of algen.

Hier te lande ziet men in de lente niet zelden in grooten getale aan de oppervlakte van stilstaand water de loodgrijze, 1 mM. lange Waterspringstaart (Podura aquatica).

Een van de bontste Europeesche soorten is de Ruige Springstaart (Orchesella villosa), wiens geelrood lichaam met zwarte banden prijkt. In gezelschap van den Loodgrijzen Springstaart (Podura plumbea) leeft hij in 't kreupelhout onder afgevallen bladen. Beide zijn 3.37 mM. lang.

De 1.5 mM. lange, geelachtig grijze Sneeuwvloo (Degeeria nivalis) wordt 's winters in het kreupelhout soms in zoo grooten getale op de sneeuw gevonden, dat deze er uitziet, alsof men haar met grof buskruit had bestrooid.

De 2 mM. lange, zwarte, ruig behaarde Gletschervloo (Desoria glacialis) bewoont gewesten, waar de zon niet anders beschijnt dan ijs, ijskoud water en rotsen en de onderste luchtlaag nauwelijks boven het smeltpunt kan verwarmen, maar waar toch nog kleine plantjes (algen) groeien, die aan dit diertje voedsel verschaffen.

De Franjestaarten i.e.z. (Thysanura) heeten zoo, omdat het laatste segment van 't 10-ledige achterlijf 2 of 3 lange, veelledige, borstelig behaarde staarten draagt. Aan den achterrand van het buikschild van 2, 3, 6 of 9 der overige segmenten hebben zij een paar ongelede buikstiften, die als rudimentaire ledematen beschouwd en bij het loopen afwisselend naar voren en naar achteren bewogen worden, waardoor deze Insecten eenigszins aan de Duizendpooten en bijgevolg aan den oervorm der Gelede Dieren herinneren. (Stiften komen overigens alleen voor bij de mannetjes van vele echte Rechtvleugeligen en de wijfjes van de Glazenmakers, doch uitsluitend aan het voorlaatste segment.)

De Gewone Suikergast, ook wel Zilvervischje en Mot of Schietmot, in Groningen ook wel Snoekje genoemd (Lepisma saccharina), heeft buikstiften aan het 8e en het 9e segment. De kop draagt 2 lange, veelledige sprieten en 2 kleine, ronde, 12-lenzige oogen. Het langwerpige hoogstens 10 mM. lange lichaam is met schubben bekleed, aan de bovenzijden zilverkleurig, aan de onderzijde, evenals op de sprieten en de pooten, geelachtig. Dit Insect vestigt zich vooral in oude gebouwen, in reten van 't hout, in oude meubels en boeken, in linnenkasten, provisiekamers, privaten, enz.; het zoekt voornamelijk 's nachts zijn voedsel, dat uit allerlei eetwaren, bij voorkeur zoete stoffen, doch ook uit wollen goederen en andere weefsels, papier, leer, enz. bestaat. Bij dreigend gevaar beweegt het zich zeer vlug.

Een dagdier is daarentegen de Zeemot (Machilis maritima), die men bij warm, zonnig weer op de steenglooiingen onzer zeedijken bezig ziet met het opsporen van de rottende plantaardige stoffen, waarmede zij zich voedt. Bij ongunstige weersgesteldheid vindt men haar verborgen onder kleine steenen. Tot een vlugge en behendige, huppelende beweging wordt zij in staat gesteld door de stiften, die aan alle achterlijfssegmenten, behalve het 1e en het 10e, doch bovendien aan de heupen van de achterpooten voorkomen. In vorm en grootte gelijkt zij veel op den Suikergast; de sprieten en de middenstaart zijn minstens even lang als het lichaam. Haar kleur is grootendeels glanzig bruinzwart. De oogen, die elkander boven op den kop raken, bevatten ieder 400 à 500 facetten.

Andere soorten van het geslacht Machilis komen in humusrijken grond voor, evenals de blinde tweestaartige, geelwitte, hoogstens 6 mM. lange Rupsmot (Campodea staphylinus), die aan het 2e tot 7e achterlijfssegment stiften draagt en als het laagst ontwikkelde van alle Insecten wordt beschouwd.

ACHTSTE ORDE.

DE SNAVELINSECTEN (Rhynchota).

Deze orde omvat, evenals de vorige, Insecten van zeer verschillenden vorm, die alleen door het maaksel der monddeelen en door de onvolkomen gedaantewisseling overeenstemmen. De monddeelen vormen een voor 't zuigen geschikten snavel. De larven verschillen uitwendig alleen door het gemis van vleugels van de geslachtsrijpe Insecten, voor zoover zij n.l. vleugels hebben, hetgeen bij verscheidene niet het geval is. Bij vleugellooze Snavelinsecten,--o.a. bij alle Luizen (Pediculina) en bij de wijfjes van de meeste Schildluizen--kan men eigenlijk niet meer van gedaantewisseling spreken. Bij een groot aantal Snavelinsecten zijn de voor- en achtervleugels gelijksoortig en dan in den regel samengesteld uit een dun vlies, welks vleugeladers voor 't meerendeel een overlangsche richting hebben. Zij vormen de onderorden der Plantenluizen (Phytophthires) en der Cicaden (Cicadina), die men ook wel Gelijkvleugeligen (Homoptera) noemt. De nog overige leden der orde, die gezamenlijk Wantsen mogen heeten, verdienen den naam van Ongelijkvleugeligen (Heteroptera) of van Halfvleugeligen (Hemiptera), daar hunne voorvleugels, hoewel aan de spits meestal vliezig, overigens de noodige stevigheid hebben om als dekschilden te dienen voor de achtervleugels, welke den gewonen vliezigen bouw vertoonen.--De sprieten zijn bij de Landwantsen (Geocorisae) duidelijk zichtbaar, bij de Waterwantsen (Hydrocorisae) uiterst kort en in een groeve aan de onderzijde van den kop verborgen. Bij de Luizen en de meeste Schildluizen komen geen andere dan enkelvoudige oogen voor. De overige Snavelinsecten hebben samengestelde oogen en bovendien dikwijls bijoogen. Afwijkend gebouwd zijn de monddeelen van de Pediculinen. Bij de overige is een echte snavel aanwezig, welks zichtbaar deel (behalve bij de Schildluizen) hoofdzakelijk uit de als scheede dienende, in leden verdeelde, harde onderlip bestaat. Het achterlijf is uit 6 à 9 leden samengesteld. Bij alle Snavelinsecten zijn de pooten vrij gelijkmatig ontwikkeld; hoewel in den regel voor 't loopen geschikt, komen bij sommige ook roof-, spring- en zwempooten voor.

Men kent nagenoeg 14000 over alle werelddeelen verbreide Snavelinsecten, het geheele aantal wordt echter door Brauer op 50000 geschat; in ons land heeft men er 657 gevonden. Fossiel komen zij reeds in de Jura-formatie voor; veelvuldiger en talrijker in soorten vindt men ze echter in de tertiaire periode, vooral in het barnsteen.

De Luizen of Dierenluizen (Pediculina)--die men niet moet verwarren met de reeds vroeger beschrevene, eveneens op Zoogdieren en Vogels parasieteerende, doch geen bloed zuigende Vachtluizen--hebben draadvormige, meestal vijf-ledige sprieten en 2-ledige voeten, welker laatste lid, dat haakvormig is en naar het voorlaatste teruggeslagen kan worden, haar in staat stelt om te klimmen. De oogen ontbreken bij Haematopinus; de overige Luizen hebben één paar enkelvoudige oogen. De monddeelen zijn nagenoeg voor aan den kop geplaatst en slechts gedurende het gebruik zichtbaar; zij bestaan uit een zachten, korten kegel, die uitgestulpt en teruggetrokken kan worden en aan den voorrand door reeksen van haakjes omgeven is.--De Luizen vermenigvuldigen zich snel. Hare eieren, de zoogenaamde "neten", zijn peervormig, worden door de moeder aan het onderste deel van een haar vastgekleefd en door de warmte van den gastheer in acht dagen uitgebroed. Door een dekseltje aan den top verlaat de larve haar eerste woning, volgt onmiddellijk de levenswijze harer ouders, groeit, naar men zegt, zonder te vervellen en wordt na betrekkelijk korten tijd geslachtsrijp. Leeuwenhoek heeft berekend, dat één wijfje na 8 weken getuige kan zijn van de geboorte van 5000 nakomelingen. Een groot aantal Zoogdieren, Zwijnen, Herkauwers, Eenhoevigen, Knaagdieren, Apen, worden door Luizen bewoond, ieder door een bepaalde soort, sommige zelfs door verscheidene soorten: bij den mensch b.v. kunnen 3 soorten van Luizen voorkomen.

De Hoofdluis (Pediculus capitis, fig. 1) komt bijna uitsluitend tusschen de hoofdharen, vooral van kinderen voor. Zij is grijsachtig geel van kleur, aan den rand der achterlijfsringen donkerder, het borststuk is nagenoeg vierhoekig.

Een tweede, iets slankere en grootere soort, welker achterlijfsringen aan den rand niet bruinachtig zijn, de Kleederluis (Pediculus vestimenti, fig. 2) houdt zich op aan den romp van den mensch (hals, rug en borst) en verbergt zich in zijne kleederen. Vooral door deze parasieten worden de soldaten te velde en in de kazernes gekweld. Zij zijn gevaarlijker dan de Hoofdluizen, daar zij aanleiding geven tot het ontstaan van gezwellen en korsten op het lichaam, die haar dan tot woonplaats dienen (luisziekte). Het wijfje legt eieren tusschen de naden der onderkleeren; daarom vestigt zich dit ongedierte vooral bij menschen, die niet zoo dikwijls van onderkleeren verwisselen, als de zindelijkheid vereischt.

De Platluis (Phthirius inguinalis, Phthirius pubis) behoort tot een geslacht, dat zich van 't vorige vooral door den breeden en platten vorm van 't lichaam onderscheidt; bovendien bestaat de voorvoet slechts uit één lid. De genoemde, hoogstens 1.5 mM. lange soort ligt met wijd uitgespreide pooten plat op de huid van den mensch, waarin zij met den kop doordringt en hierdoor een zeer gevoelige jeukte veroorzaakt. Zij kan op alle sterk behaarde lichaamsdeelen, met uitzondering van het hoofd, voorkomen.

De onderorde van de Plantenluizen (Phytophthires) omvat 4 familiën: de Schildluizen (Coccidae) de Bastaardbladluizen (Phylloxeridae), de Echte Bladluizen (Aphididae) en de Bladvlooien (Psyllidae). Alle zijn klein, leven gezellig en vormen dikwijls zeer talrijke scholen; haar teer en week lichaam is voorzien van een aan de keel ontspringenden snavel, die met het voorborststuk vergroeid is; de vleugels, voorzoover aanwezig, hebben een weinig ontwikkeld aderstelsel.

Bij de Schildluizen (Coccidae) doet zich het opmerkelijke verschijnsel voor, dat de mannetjes en wijfjes niet slechts in vorm, maar ook in ontwikkelingswijze zeer verschillen. De larven zijn plat, van boven gezien min of meer elliptisch: die, waaruit mannetjes zullen ontstaan, iets kleiner en slanker dan die, welke wijfjes zullen worden. Zij zijn duidelijk gesegmenteerd, maar hebben den kop, het borststuk en het achterlijf onduidelijk begrensd. Aan den kop ziet men 2 éénlenzige oogen, 2 veelledige, cilindervormige sprieten en een meestal één- (soms twee-)ledigen snavel. Deze is kort en bevat 4 zeer lange steekborstels, die in rust lusvormig gebogen in een tot in het achterlijf zich uitstrekkenden zak geborgen zijn. Ademgaten komen alleen aan de beide voorste borstsegmenten voor. De pooten zijn goed ontwikkeld en voorzien van een éénledigen voet, die in één klauw eindigt. Het 7-ledige achterlijf draagt aan 't einde dikwijls 2 groote, borstelvormige staarten. De jonge larven loopen vlug op de voederplant rond, totdat zij een geschikt plaatsje hebben gevonden, waar zij zich door het boren met den snavel vasthechten.

De larven van de meeste Echte Schildluizen--de Schelpschildluizen (Aspidiotus) en de Holbuikschildluizen (Lecanium)--blijven, voorzoover zij zich tot wijfjes ontwikkelen, gedurende haar geheele leven op dezelfde plaats vastgehecht, verkrijgen dus geen vleugels, verliezen zelfs allengs de sprieten en de pooten (men noemt dit teruggaande gedaantewisseling) en behouden alleen den snavel: zij gelijken in geslachtsrijpen toestand zeer weinig op Insecten, daar zelfs de segmentatie van den stam onduidelijk wordt. Hierbij komt nog, dat de wasklieren van de huid witte wasdraden leveren, die (bij Aspidiotus in vereeniging met de afgeworpen larvehuid) een stevig rugschild vormen, dat ook nog na den dood van de moeder hare talrijke eieren beschut (bij Lecanium bestaat de schildvormige bedekking van de eieren niet uit was, maar uit het geheele, aan de buikzijde uitgeholde lichaam van het wijfje). De wijfjes van de niet inheemsche Kokerluizen (Dorthesia) en die van de Karmijnluizen (Coccus), welke men bij ons niet anders dan op warme kasplanten aantreft, behouden de ledematen, blijven beweeglijk, zijn niet onder een schild verborgen, maar wel gedeeltelijk met wasdraden bedekt.

Bastaardschildluizen noemt men de Cocciden, welker wijfjes, evenals de mannetjes, goed ontwikkelde vleugels hebben. Een voorbeeld hiervan levert de inheemsche Motschildluis (Aleurodes chelidonii), die als larve aan de onderzijde van de bladen van de stinkende gouwe (Chelidonium majus), onder een schild verborgen, leeft en in volwassen toestand door het bezit van 4 vleugels van alle overige familieleden afwijkt.

Bij de mannetjes van alle Echte Schildluizen (d. z. die, welker wijfjes ongevleugeld blijven) zijn alleen de voorvleugels aanwezig; de plaats van de achtervleugels wordt meestal door "kolfjes" ingenomen. De larven, die zich tot mannetjes zullen ontwikkelen, hullen zich in een zak- (bij Aspidiotus schild-)vormig waskleed, dat vroeger (ten onrechte, volgens Nitsche) als een cocon werd beschouwd. Hierdoor beschut, ondergaan zij een aantal vervellingen en veranderen intusschen langzamerhand in een gevleugeld Insect. Ten onrechte (volgens Nitsche) noemt men deze verandering "volkomen gedaantewisseling". Hiervan mag alleen gesproken worden, wanneer de vorming van nieuwe organen als 't ware plotseling geschiedt, beperkt blijft tot de periode tusschen de voorlaatste en de laatste vervelling, en niet, wanneer (zooals hier) de nieuwe organen langzamerhand ontstaan in een tijdperk, dat door verscheidene vervellingen wordt afgebroken. Reeds bij de eerste vervelling gaan de monddeelen, de sprieten en de ledematen verloren. Gedurende zijn geheele overige leven gebruikt het mannetje geen voedsel meer, ook niet, nadat hij in geslachtsrijpen toestand de larvewoning heeft verlaten. De stam is dan duidelijk in kop, borststuk en achterlijf verdeeld. De kop mist den snavel, maar draagt 2 lange, meestal 10-ledige sprieten, bovendien enkelvoudige oogen (in den regel 4 à 10; bij Orthezia en Monophlebas zijn 2 uit weinige facetten samengestelde oogen aanwezig). De pooten zijn goed ontwikkeld, evenals de voorvleugels. Het achterlijf eindigt in 2 lange, draadvormige staarten (bij Aspidiotus één). De mannetjes leven slechts kort, zijn bij vele soorten niet talrijk en van de meeste nog geheel onbekend.

Sedert eenige jaren worden de Californische vruchtenkweekerijen gebrandschat door een zeer schadelijk Insect, dat met een bezending planten uit Chili naar Noord-Amerika schijnt te zijn overgebracht. Men noemt het de San-José-schildluis (Aspidiotus perniciosus). In betrekkelijk korten tijd heeft het zich over een groot deel van de Vereenigde Staten en van Britsch Noord-Amerika verbreid. Daar er gevaar bestaat, dat het zich ook in Europa zal vestigen, waar het misschien een soortgelijke rol zou spelen als de Druifluis, worden overal maatregelen beraamd en toegepast, om de verdere verbreiding van het Insect te stuiten. Reeds is het in Duitschland waargenomen op een bezending Californische vruchten, die onmiddellijk vernietigd zijn, waarna de verdere invoer van Amerikaansche vruchten in Duitschland verboden werd.

De San-José-Schildluis tast, naar het schijnt, bij voorkeur allerlei ooftplanten aan (amandels, perziken, abrikozen, pruimen, kersen, frambozen, aalbessen, kweeën, peren, appels, enz.); maar leeft ook op vele andere houtige gewassen (linden, acacia's, ijpen, walnoten, elzen, wilgen, enz.). Sap zuigend uit verschillende bovenaardsche organen, veroorzaakt zij vermindering van de hoeveelheid en van de kwaliteit der vruchten en weldra den dood van de plant. Daar zij zich snel vermenigvuldigt, zijn niet zelden de takken geheel met stof bedekt, dat bij nader onderzoek uit dicht opeengedrongen schilden (cirkelvormige van de talrijke wijfjes, meer ovale van de veel zeldzamere mannetjes) blijkt te bestaan. Gene hebben een middellijn van hoogstens 2 mM., deze zijn iets kleiner en donkerder van kleur. Het volwassen wijfje is 0.8 à 1 mM. lang, het 2-vleugelige mannetje 0.6 mM. (de staart aan 't einde van 't achterlijf 0.2 mM.). Beide overwinteren in den imago-toestand. De mannetjes ontwaken in 't begin van April. De wijfjes beginnen tegen het midden van Mei jongen voort te brengen, die in tegenstelling met de overige Schildluizen als larven het lichaam van de moeder verlaten; zij zijn 0.24 mM. lang, bleek oranjekleurig met purperroode oogen, 5-ledige sprieten en kaken, welker lengte bijna 3-maal die van het lichaam overtreft. Aanvankelijk vrij rondloopend, hechten zij zich weldra met den snavel vast en blijven, zoo zij zich tot wijfjes ontwikkelen, levenslang op dezelfde plaats. Bij de 1e vervelling (12 dagen na de geboorte) verliezen alle larven de sprieten en de pooten; de 2e vervelling heeft voor de mannetjes 6, voor de wijfjes 8 dagen later plaats. De voortbrenging van jongen duurt den geheelen zomer voort; de eerste koude dagen van Augustus maken er een einde aan.

Kermes, kermesbessen, alkermes, karmozijnbessen noemt men een uit Frankrijk en Spanje, doch vooral van Kreta en andere eilanden van den Griekschen Archipel afkomstig handelsartikel, dat uit de schelpvormige, bruinachtige lichamen van de drachtige wijfjes de Kermesschildluis (Lecanium ilicis) bestaat. Het neemt na behandeling met azijn een roode kleur aan, was reeds aan de Grieken en Romeinen bekend en werd vroeger veelvuldig gebruikt voor het verven van de hoofddeksels der Grieken en Turken, waarvoor thans bijna uitsluitend goedkoopere, uit teer bereide, roode kleurstoffen dienen. Het genoemde Insect leeft op den meer heesterachtig dan boomachtig groeienden kermes-eik (Quercus coccifera).

De beroemdste van alle Schildluizen zijn die, welke in gedroogden toestand onder den naam van Cochenille (Coccus cacti) in den handel komen. Alleen de 2.2 mM. lange, ongevleugelde half-eivormige wijfjes dienen voor dit doel; zij zijn donker karmijnrood, doch met een wit poeder bedekt; naar voren steken twee borstelig behaarde sprieten, naar achteren twee zeer korte staarten uit. Al naar de wijze waarop zij gedood en gedroogd worden (in de zon, in doeken gewikkeld in een oven, op metalen platen of in kokend water), behouden of verliezen zij het witte poeder op de huid en worden bruinrood of zelfs zwart; de zilverwitte vormen de beste kwaliteit; gestampt leveren zij een bruinrood poeder. Wegens den verschrompelden toestand waarin de gedroogde Insecten verkeeren, is het verklaarbaar, dat zij vroeger voor gedroogde bessen werden gehouden; de onderzoekingen ingesteld naar aanleiding van een weddenschap, die de Amsterdamsche koopman Melchior de Ruuscher had aangegaan, brachten in 1728 de waarheid aan 't licht. Zelfs bij gedroogde exemplaren is trouwens de geleding van het lichaam nog wel te onderscheiden; beter evenwel, nadat zij in warm water geweekt zijn en hun halfbolvormige gedaante herkregen hebben; de minst beschadigde vertoonen dan duidelijk pootjes en sprieten. Door drukking komen uit het lichaam de talrijke, roode eieren te voorschijn. Het zuiver karmijnroode, 1.5 mM. lange, betrekkelijk slanke mannetje heeft 2 melkwitte vleugels, geen kolfjes, 2 tienledige sprieten en 2 zeer lange staarten. De Cochenille is oorspronkelijk een Mexicaansch Insect, dat op verschillende soorten van Nopal-cactussen (Opuntia vulgaris, coccinellifera, Hernandezi, enz.) leeft en gekweekt wordt. Sedert 1526 is zij een belangrijk handelsartikel. In de vorige eeuw, toen Mexico nog het eenige cochenille-voortbrengende land was, bedroeg de jaarlijksche uitvoer 880000 pond ter waarde van 7.5 millioen gulden. In 't begin van deze eeuw voerde Amerika, volgens Alexander von Humboldt, voor 6 millioen gulden cochenille uit. Mexico heeft echter het monopolie van dit artikel niet kunnen behouden. In 1809 werd de Cochenille-schildluis met haar voederplant naar eenige Westindische eilanden (San-Domingo en Guadeloupe) overgebracht, in 1826 naar Malaga, Valentia en andere plaatsen in Zuid-Spanje, in 1827 naar de Kanarische eilanden (Teneriffa), in 1828 naar Java, in 1831 naar Algiers.

Het gebruik van cochenille voor het roodverven van zijden en wollen goederen en voor het bereiden van karmijn en karmijnlak is in de laatste jaren door de concurrentie van sommige uit steenkolenteer bereide kleurstoffen aanhoudend afgenomen. In de landen, die de grootste hoeveelheid van dit artikel op de markt brachten, Guatemala, Mexico en de Kanarische eilanden, verkeert de cochenille-kultuur in kwijnenden toestand. De prijs van het product is gedaald van f 8 per KG. in 1867, tot ruim f 3 in 1880 en tot ruim f 1 in 1888. De Kanarische eilanden, die in 1880-1881 nog 2557000 KG., ter waarde van ruim 8 millioen guldens, uitvoerden, leverden in 1888 slechts 482000 KG. ter waarde van ongeveer 530000 gulden. De invoer te Londen bedroeg in 1882 1121310 KG., in 1890 slechts 368280 KG.

Behalve in het regenseizoen, vindt men op de nopal-cactussen voortdurend Cochenille-schildluizen van verschillenden leeftijd; sommige gedeelten van de plant zijn geheel bedekt met de witte wasuitscheidingen, waarin de larven leven; het wijfje sterft kort na het leggen van de eieren. De jongen, die na 8 dagen uitkomen, gelijken op de moeder, maar zijn met een wollig washulsel bedekt, dat bij de oudere wijfjes vervangen is door een poedervormige bekleeding. Binnen 2 weken zijn zij volwassen. De mannelijke larven zijn verborgen in een van achteren open, uit wasdraden samengesteld kokertje. De mannetjes sterven dadelijk na de paring; de wijfjes blijven nog ongeveer 14 dagen leven om eieren te leggen. Daar voor den geheelen ontwikkelingsgang slechts weinige weken noodig zijn, levert ieder jaar verscheidene generaties van Insecten op; evenveel malen kan men een aantal larven en volwassene wijfjes inzamelen. In Augustus ontwikkelt zich de laatste generatie; de bevruchte wijfjes overwinteren en leggen eerst in Februari eieren. De Mexicaansche cochenille-kweekers brengen kort voor den aanvang van het regenseizoen alle Insecten, die zij als fokdieren in 't leven willen houden, met de zeer lang frisch blijvende cactus-schijven, waarop zij zich bevinden, binnenshuis in veiligheid; zoodra de regenbuien ophouden, wordt alles weer teruggebracht naar de nopal-plantage. Deze kan per hectare 400 KG. cochenille opleveren. Hoeveel diertjes men hiervoor moet inzamelen, kan berekend worden na de mededeeling, dat 140000 gedroogde exemplaren gezamenlijk 1 KG. wegen.--Ook de in 't wild levende Cochenille-schildluizen, door de Mexicanen grana silvestra genoemd, worden ingezameld, welk bedrijf echter veel meer bezwaren oplevert.--

Het Chineesche was, een niet onbelangrijk uitvoerartikel van het Hemelsche rijk, wordt voortgebracht door een Schildluis-soort (Coccus ceriferus), die op verschillende planten, doch vooral op de Chineesche esch (Fraxinus chinensis) gevonden wordt. De mannetjes onderscheiden zich door ongewone grootte. Dit was is zuiver wit of eenigszins geelachtig, broos en kristallijn; het herinnert eenigszins aan spermaceti en smelt bij 81 à 82° C.

Een soortgelijk product levert de in Oost-Indië levende Ceroplastus ceriferus.