Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 47

Chapter 473,647 wordsPublic domain

De ontwikkelingsgeschiedenis komt in hoofdzaken met die der Veldsprinkhanen overeen; uit den langen legboor der Sabelsprinkhanen kan men echter afleiden, dat zij hunne eieren op grootere diepte dan hunne verwanten, in den grond of onder schorsschilfers van boomen, leggen. Evenals de vorige familie, is ook deze over de geheele wereld verbreid. Hare leden, vooral de groen gekleurde, houden in den regel verblijf op de boomen en struiken, welker bladen zij eten; de bruine en grijsbruine daarentegen azen voornamelijk op lagere planten; beide zoeken hun voedsel bij voorkeur 's nachts. Sommige soorten eten ook wel (enkele zelfs bij voorkeur) levende Insecten, die zij zeer behendig weten te vangen.

Bij sommige Sabelsprinkhanen ontbreken de vleugels geheel, zoowel bij het mannetje als bij het wijfje. Een voorbeeld hiervan levert de Gedoornde Eenhoornsprinkhaan (Hetrodes spinulosus of Hetrodus horridus, fig. 1), die Syrië en Arabië bewoont. Dit dik, geel, aan den achterrand en op de doornen van het halsschild bruinachtig Insect onderscheidt zich o.a. door dunne achterdijen, zeer zwak gedoornde scheenen en een korten legboor van zijne verwanten; evenals bij deze, zijn de sprieten op het midden van het voorhoofd, onder de oogen ingeplant, met een doorn er tusschen; ook de zeer groote voorrug is met doornen gewapend.

Bij andere geslachten ontbreken de achtervleugels geheel en zijn de dekschilden klein: dit is o.a. het geval bij Ephippigera; ook deze heeft de achterdijen dun en weinig of niet voor 't springen geschikt. De bovengenoemde groene, donkerbruine of roode soort, die zonder de 20 mM. langen legboor een lengte van 25 mM. heeft, komt veelvuldig voor op wijnbergen langs den Rijn, doch ook in 't oosten van ons land, waar zij zich met sparrenaalden en heidebloemen voedt.

Beide vleugelparen goed ontwikkeld, het achterlijf geheel bedekkend, heeft o.a. de slanke Eikensprinkhaan (Meconema varium, fign. 2 en 3), die men tot laat in den herfst ziet zitten of loopen op stammen van eiken, ijpen, linden en beuken, met welker bladen hij zich voedt; zijn kleur is lichtgroen met een gele overlangsche streep over den kop en den voorrug; hij is 11 à 15 mM. lang (zonder den 9 mM. langen legboor); het mannetje heeft 4 mM. lange staarten. Evenals alle Sabelsprinkhanen, is hij eenigszins traag en plomp. Wanneer men aan den boom schudt, laat hij zich vallen, zonder zijne vleugels te gebruiken. De sprieten staan bij hem (en zeer vele andere familieleden) tusschen de oogen, aan de spits van het voorhoofd.

Merkwaardig door hun vorm zijn de steeds groene Bladsprinkhanen (Phylloptera), die, evenals sommige Spooksprinkhanen (Phyllium), een nabootsing zijn van bladen, waarvan echter niet een platte zijde, maar een smalle kant naar onderen is gericht. De dekschilden zijn n.l. lancetvormig en langs de zijden van het achterlijf gelegen; zij steken ver voorbij het einde van 't achterlijf uit, hoewel de spitse top van den waaiervormig geplooiden achtervleugel bij de meeste nog verder reikt. Soms zijn deze bladen sterk netvormig geaderd, zooals bij het Zuid-Amerikaansche Springende Myrtenblad (Phylloptera myrtifolia), soms zeer fraai met bonte oogvlekken geteekend, zooals bij de 78 mM. lange Venster-bladsprinkhaan (Phylloptera fenestrata).

De beide laatstgenoemde geslachten onderscheiden zich ook door den elliptischen vorm van de gehooropening aan de voorscheen, die zich bij de meeste Sabelsprinkhanen als een smalle spleet vertoont. Dit geldt o.a. van de Groote Bruine Sabelsprinkhaan--ook wel, evenals sommige Glazenmakers, Wrattenbijter genaamd (Decticus verrucivorus)--die, zonder den 20 mM. langen legboor, een lengte van 26 à 30 mM. heeft. Hij is over Noord- en Middel-Europa verbreid en komt op weiden en klaverakkers voor. De 4 kanten van de achterscheen zijn aan de onderste helft met krachtige doornen gewapend, de voorscheen met 3 reeksen van beweeglijke stekels en de voorheup met 1 doorn. De voorrug heeft een overlangsche lijst. Behalve de beide staarten, ziet men bij het wijfje een tamelijk sterk gekromden legboor, bij het mannetje 2 stiften achter de spits van het achterlijf uitsteken. De kleur is verschillend: het groen (soms licht, soms donkerder) heeft de overhand, vertoont soms een roodachtigen, vaker een bruinen weerschijn en gaat op sommige plaatsen in bruine vlekken over, vooral op de lange dekschilden, waar deze vlekken als velden van een dambord gerangschikt zijn; de onderzijde, vooral de buik, is lichter, meer geelachtig.--De larve verlaat in de tweede helft van April het ei, vervelt ongeveer om de 4 weken en heeft dus in de eerste helft van Juni ten tweede male van kleed verwisseld. In Juli, na de 3e vervelling, vertoont zij zich met een legboor, in het begin van Augustus als volkomen Insect. Dit dier kan zoo krachtig bijten, dat op de huid een knijpblaar ontstaat en houdt zoo stevig vast, dat zijn kop vastgehecht blijft, wanneer men het snel tracht los te rukken. Bij 't bijten laat het een bruin sap uit den bek vloeien. Dat dit geschikt zou zijn tot het verdrijven van wratten, zooals beweerd wordt, is niet bewezen.

Meer algemeen bekend is de iets slankere Groote Groene Sabelsprinkhaan (Locusta viridissima), die, zonder den 25 mM. langen legboor een lengte van 28 à 35 mM. en soms 100 mM. vlucht heeft. In sommige streken, b.v. in Leipzig, wordt dit Insect door kinderen in een hiervoor bestemd kooitje van ijzerdraad opgesloten en gevoederd. De dekschilden hebben evenwijdige zijranden, zijn, evenals het lichaam, grootendeels sapgroen, bereiken met de helft van hun lengte het einde van 't achterlijf. Dit dier vermijdt de zonneschijn en zit daarom bij zonnig weer laag en in de schaduw op de plant, welker top het opzoekt, als de lucht bewolkt is. Soms vliegt het kort boven den grond weg om aan vervolging te ontkomen en brengt dan bij het bewegen der vleugels een schel geluid teweeg. Bij voorkeur vestigt het zich op een met rijp graan bedekten akker. Wanneer het door het binnenhalen van den oogst zijn liefste schuilplaats moet missen, zoekt het wilgen, berken en andere boomen op; het zit, vooral gedurende de avonduren en het eerste gedeelte van den nacht, op groote hoogte, boven in den top. Vooral deze soort ziet men soms Insecten vangen en verslinden. Naar men zegt, is zij soms schadelijk voor de tabaksplanten.

De derde en laatste familie der Springende Rechtvleugeligen is die der Krekels of Gravende Sprinkhanen (Gryllidae). Met de eigenaardigheid, waaraan zij den laatsten naam ontleenen en waardoor hun levenswijze van die der overige Sprinkhanen verschilt, staat in verband, dat zij niet in den eitoestand overwinteren. Zij hebben een plomp gebouwd, rolrond lichaam. De korte dekschilden zijn in rust overlangs, rechthoekig gebogen en liggen dus zoowel tegen de rug als tegen de zijden van het lichaam aan; zij bedekken de tot een streng samengeplooide, groote achtervleugels, die zweepvormig achter het lichaam uitsteken, evenals de draadvormige, veelledige "staarten". De voet is 3-ledig.

Op dorre heiden, zandige velden en zonnige berghellingen van Europa en Voor-Azië graven de zwarte dikkoppen, (fign. 1 en 2)--de Veldkrekels (Gryllus campestris)--holen in den grond. Deze gangen dienen in tijd van gevaar en bij ruw, regenachtig weer tot schuilplaats en worden later als bergplaats voor de eieren gebruikt. Zij zijn niet veel wijder dan de omvang van het dier, hebben aanvankelijk een horizontale richting en hellen verderop een weinig naar beneden. Meestal worden zij gegraven ten tijde dat de mannetjes voor 't eerst hun gezang laten hooren, dus tamelijk vroeg in de lente. In den regel wordt ieder hol slechts door een dier bewoond. Soms geeft het aanleiding tot hevige gevechten. Iedere Krekel maakt gaarne gebruik van een reeds aanwezige woning en zal dus, wanneer hij er den soortgenoot ontmoet, die haar groef in bezit nam, omdat zij verlaten was, voor zijn tegenparij niet vrijwillig wijken. Door elkander te bijten en met den kop te stooten beslechten zij hun twist, soms op zóó afdoende wijze, dat een van beide op het slagveld blijft liggen, in welk geval het lijk door den overwinnaar wordt--opgepeuzeld.--Het mannetje houdt er van, den kop buiten zijn woning te steken en een liedje te zingen. Ver verwijdert hij zich nooit, van den ingang, om steeds in de gelegenheid te zijn weer thuis te komen (hetgeen meer loopend dan springend geschiedt), wanneer hij gevaar ducht, b.v. bij de nadering van een Hagedis of van een Insectenetenden Vogel, of als de voetstappen van een mensch den bodem schokken. Het grashalmpje, dat men in zijn hol steekt, vat hij met de kaken en houdt het zoo stevig vast, dat men hem hieraan naar buiten kan trekken. Als het mannetje zijn in de buurt wonende beminde wil lokken, haar een serenade brengt, zit hij steeds voor zijn woning met zijwaarts gerichte pooten en tegen den grond gedrukte borst; de dekschilden worden een weinig opgeheven en buitengewoon haastig over elkander geschuurd. Bij nader onderzoek blijkt, dat de tweede dwarsader (de sjirpader) van het rechter dekschild aan de onderzijde sterk uitpuilt en in dwarse richting met vele kleine tandjes bezet is; deze worden over een dicht bij den binnenrand gelegen ader van het linker dekschild aanvankelijk in neerwaartsche richting geschuurd; vervolgens geschiedt dit een tijdlang in bovenwaartsche richting, waardoor de toon een wijziging ondergaat.--Het wijfje legt eieren op den bodem van haar hol, ten getale van hoogstens 30. Ongeveer 14 dagen daarna komen de larven uit, die aanvankelijk bijeen blijven, doch spoedig zelf holen beginnen te graven. Bij het betrekken van de winterkwartieren hebben zij zeer verschillende grootten bereikt. Gelukkig bewoont dit Insect gronden, die voor den mensch weinig waarde hebben, daar het anders wel in staat zou zijn om aan gekweekte planten schade te veroorzaken door het afvreten van de wortels.

De Veldkrekel is glanzig zwart van kleur met bruine, aan den wortel geelachtige dekschilden; rood is de onderzijde van de achterdij, bij 't wijfje ook de achterscheen.

De Huiskrekel, ook wel Heempje of Kriekske, in sommige deelen van Gelderland Iem, in Groningerland Eimke, in Friesland Iemerke genoemd (Gryllus domesticus, zie boven: fig. 5), is kleiner en slanker dan de vorige soort; de lederbruine kleur heeft aan de pooten en den kop een lichtere, meer geelachtige tint; men ziet een bruine dwarsstreep op den kop en 2 driehoekige, bruine vlekken op het halsschild. De legboor is 11 à 15 mM. lang, het overige lichaam 17.5 à 19.5 mM.--De Huiskrekels herinneren door hun levenswijze aan de Keukenkakkerlakken en zijn, evenals deze, vermoedelijk uit warmere landen tot ons gekomen. De overeenkomst bestaat in het bijeenzijn van vele individuën, die 's nachts hunne schuilhoeken verlaten om voedsel te zoeken en in de voorliefde voor warme plekjes in menschelijke woningen. Daarom vindt men de Huiskrekels dikwijls in gezelschap van Kakkerlakken in bakkerijen, molens, brouwerijen, kazernes (waar deze "kreeftjes" soms het "lange nat" van de soep kruiden), in hospitalen en op andere dergelijke plaatsen. Het droefgeestig "krieken" van een enkel exemplaar moge soms geen onaangename variatie zijn te midden van de nachtelijke stilte; de veelstemmige concerten van de Huiskrekels kunnen iemand, die er iederen nacht naar luisteren moet, wanhopig maken. Alleen de mannetjes maken geluid; zij doen dit op dezelfde wijze als de Veldkrekels; de tonen zijn echter zwakker en hooger wegens de geringere grootte der muziekanten en de geringere tusschenruimten van de tandjes der sjirpader.

De Veenmol (Gryllotalpa vulgaris) zou men een caricatuur van den Mol kunnen noemen; wegens zijn zonderlinge gestalte en wegens de schade, die hij aanricht, zal men hem niet licht over 't hoofd zien. Vooral de voorpooten vertoonen afwijkingen van den gewonen regel. Alle leden van deze pooten zijn kort en zeer breed. De voet, welks beide eerste leden ieder van een tand zijn voorzien, is gehecht aan de buitenzijde van de scheen, die aan den onderrand 4 scherpe, zwarte tanden draagt; de scheen kan teruggeslagen worden, zoodat haar achterrand tegen den onderrand van de dij komt te liggen; de dijring heeft een spits tandvormig uitsteeksel; de geheele poot is zijwaarts gericht en uitmuntend voor 't graven in den grond geschikt. In verband met de krachtige ontwikkeling der voorpooten is het halsschild zeer groot. Van de overige lichaamsdeelen valt te vermelden, dat vóór den kop, behalve de betrekkelijk korte sprieten, de 5-ledige kaaktasters ver uitsteken; de kruin draagt 2 glanzige bijoogen. Het bruine lichaam is met zeer korte, roestbruine, als zijde glinsterende haren, bij wijze van vilt, bekleed. De dekschilden zijn bij het mannetje aan den wortel van een sjirpader voorzien. Het wijfje mist den legboor.

"De Veenmol," schrijft Ritzema Bos, "komt in ons land 't meest voor op veenachtigen kleigrond, hoewel hij op veenachtigen zandgrond ook niet ontbreekt, en verder op allerlei gronden voorkomt, die door veel mest los en mul geworden zijn. In ons land wordt de Veenmol aangetroffen in Zuid-Holland, Zeeland en 't westen van Noordbrabant, verder in sommige gedeelten van de Graafschap Zutphen, en in enkele deelen van 't Westerkwartier (prov. Groningen) en den Oosthoek van Friesland." Overal waar hij zich gevestigd heeft, beschouwt men hem te recht als een schadelijk dier; er bestaat echter verschil van meening over de wijze waarop hij schade veroorzaakt. Tegenover de vroegere meening, dat wortels zijn eenige voedsel uitmaken, staat die van verscheidene latere onderzoekers, dat hij Wormen, engerlingen en zelfs zijn eigen jongen als voedsel gebruikt en geen andere wortels afbijt dan die van de planten, welke boven zijn nest groeien, hoewel hij bovendien door het onophoudelijk wroeten en woelen in den grond op deze plaats nadeelig wordt voor den plantengroei. De waarheid ligt misschien in 't midden. Evenals de overige Sprinkhanen zich met planten voeden, maar toch geen Insect, dat hun te na komt, sparen, zoo ook de Veenmol. Daar hij bijna voortdurend onder den grond leeft, moeten onderaardsche larven en plantendeelen hem een middel van bestaan verschaffen. Niet minder schuw en voorzichtig dan de overige Krekels, vlucht hij bij het geringste gedruisch, de geringste, door naderende voetstappen teweeggebrachte schudding van den bodem, ten spoedigste naar zijn hol, waarin hij ook onmiddellijk terugkeert, als men hem uit den grond haalt, of 's avonds bij 't vliegen stoort en naar beneden doet tuimelen. Hoewel hij een slechte vlieger is, kan men hem in den paartijd, meestal in 't begin van Juni, op deze wijze uitstapjes zien doen. Ook in 't zwemmen is hij eenigszins ervaren.

De mannetjes maken, zoolang de zon nog niet boven de kim gerezen is, een zacht, sjirpend geluid, dat vergeleken wordt met den loktoon van een Geitenmelker (Caprimulgus europaeus), die men in de verte hoort. Voor het leggen van hare talrijke eieren vervaardigt het wijfje een echt nest, door eenige spiraalvormig gekronkelde gangen, en te midden van deze, op een afstand van hoogstens 10.5 cM. van de oppervlakte, een hol van den vorm en de grootte van een kipei te graven. De wanden worden door bijmenging van speeksel niet slechts glad, maar ook zoo stevig gemaakt, dat men, met eenige voorzichtigheid te werk gaande, het geheele nest als een holle, afgeronde aardkluit uit den grond kan nemen. Van dit nest gaan in verschillende richtingen eenige meer of minder rechte gangen uit, die zoo dicht bij de oppervlakte liggen, dat men ze hier als verhevenheden van ongeveer 19.3 mM. breedte kan waarnemen; bovendien zijn eenige loodrecht naar beneden gerichte gangen bestemd tot schuilplaats voor het wijfje bij naderend gevaar en om bij zeer vochtig weer aan 't water een uitweg te verschaffen, zoodat de eieren droog blijven. Het nest bevindt zich steeds op een vrije, onbeschaduwde plek; het binnendringen van de zonnewarmte in de daarboven gelegen aardkorst wordt bevorderd door het losmaken van den grond. Dit gaat gepaard met het afvreten van de onderaardsche deelen der hier wortelende gewassen, die door hun dood het zekerste kenteeken leveren voor de aanwezigheid van een nest. Soms ziet men door deze oorzaak planten sterven met stengels van 2 à 3 cM. dikte. Het aantal eieren in een nest is niet standvastig; gemiddeld bedraagt het 200, hoewel men er ook wel eens meer dan 300 in aangetroffen heeft. Het wijfje blijft na het leggen der eieren nog geruimen tijd in de nabijheid van het nest wonen in een der hierboven bedoelde, 10 à 30 cM. diepe, loodrechte gangen. De 5 mM. lange larven, die na 8-14 dagen uit de eieren komen, zijn in de eerste 3 of 4 weken niet in staat zelf een hol te graven; zij blijven dus in het nest; aanvankelijk bestaat haar voedsel uit teelaarde en fijne wortelvezeltjes. Haar aantal vermindert in dezen tijd aanmerkelijk, daar het in de buurt wonende wijfje er eenige van verslindt. Vier weken na de geboorte heeft de 1e vervelling plaats, na nogmaals 4 weken, in Augustus, de 2e. De larven, die na de 3e vervelling, in September, gemiddeld 25 mM. lang zijn, begeven zich nu iets dieper in den grond en beginnen den winterslaap. Van de weersgesteldheid hangt het tijdstip af, waarop zij in de volgende lente zullen ontwaken, om voor de 4e maal te vervellen en vleugelstompjes te krijgen. De overgang in den imago-toestand heeft plaats in 't midden van Mei, uiterlijk in het begin van Juni.--Uit sommige verschijnselen meent men te moeten afleiden, dat bij uitzondering ook wel volwassen Veenmollen overwinteren.

De leden van de kleine, over de geheele wereld verbreide groep der Oorwormen (Forficulidae, Dermatoptera, Dermaptera) zijn duidelijk te herkennen aan de tang, waarmede het uiteinde van hun achterlijf gewapend is. Deze toestel, die de plaats inneemt van de "staarten" der vorige Rechtvleugeligen, dient tot verdediging: woedend knijpen deze Insecten er mede in 't rond, wanneer men ze bij 't voorste deel van 't lichaam aanvat. Tevens is het een werktuig tot het ontplooien en opvouwen der vleugels. Wie er aan twijfelt, dat de Oorwormen vleugels hebben, beschouwe met eenige aandacht hun middelrug. Men ziet achter het halsschild twee vierhoekige platen; dit zijn de lederachtige dekschilden. Ieder schijnt van achteren uit te loopen in een stomp puntje van lichtere kleur, dat in fig. 1 duidelijk zichtbaar is. Toch zijn deze beide harde puntjes geen voortzettingen van de aan 't einde afgeknotte dekschilden; zij liggen er onder; het zijn de eenige nu zichtbare deelen van de buitengewoon breede, thans op zeer sierlijke en samengestelde wijze geplooide achtervleugels. Deze zijn niet slechts waaiersgewijs, maar bovendien tweemaal in de lengte saamgevouwen, waarna zij, op een klein, hard stukje van den voorrand na, onder de korte dekschilden geborgen worden. Van de overige lichaamsdeelen valt nog op te merken, dat de vrije, niet bedekte kop hartvormig is, een weinig naar beneden afhelt en aan weerszijden een samengesteld oog draagt; de bijoogen ontbreken. De monddeelen stemmen in hoofdzaken overeen met die der vroeger genoemde Rechtvleugeligen. Het zeer buigzame achterlijf, dat meestal aan 't achterste gedeelte een weinig in breedte toeneemt, is meestal uit 10 leden samengesteld, waarvan echter het eerste innig vereenigd is met het achterborststuk, terwijl bij het wijfje de 3 achterste onderling vergroeid zijn en van het 7e alleen het buikschild zichtbaar is.

De 24 Europeesche soorten, waarvan er 3 inheemsch zijn, en de veel talrijkere soorten in andere werelddeelen verschillen door het maaksel van de tang, die zelfs bij mannetjes en wijfjes van dezelfde soort ongelijkheid kan vertoonen, door den vorm van het 2e lid van den 3-ledigen voet, door den bouw der vleugels en door andere kenmerken. Zoo heeft men b.v. bij het mannetje van den 11 à 13 mM. langen Grooten Oorworm (Labidura gigantea fig. 1), op den vorm van de tang en op haar achter het midden gelegen tand te letten. De beide helften van de aanmerkelijk kortere tang van hoi wijfje zijn aan den wortel dichter bij elkander gelegen en van tandjes voorzien, maar hebben geen tand achter het midden. De sprieten zijn uit 27 à 30 leden samengesteld. Deze merkwaardige uitheemsche soort komt hier en daar in Europa (Duitschland, Engeland, enz.) in kleinen getale voor; in Voor-Azië en het noorden van Afrika is zij een gewoon verschijnsel.

De Gewone Oorworm of Oorkruiper (Forficula auricularia fig. 2) is in Europa overal te vinden, maar nergens een welkome gast. De tuinman kent hem als vernieler van zijne beste anjelieren en dahlia's; op de stokken, die bij de bedoelde planten staan, plaatst hij bloempotten, varkenshoeven of dergelijke holle voorwerpen om aan het ongedierte een aangename schuilplaats te verschaffen, waaruit men het dagelijks kan verwijderen om het te dooden. Sommige onderzoekers wenschen, dat men den Oorworm zal sparen, daar hij Bladluizen verslindt. Hij knaagt echter ook gaten in allerlei zoete vruchten, of zoekt zich althans in haar nabijheid een schuilplaats. Vol schrik werpt het kind een tros druiven weg, wanneer achtereenvolgens de eene Oorkruiper na den anderen uit de duistere hoekjes tusschen de dicht opeengedrongen bessen te voorschijn komt; de keukenmeid handelt evenzoo, als zij bij het schoonmaken en stuksnijden van de bloemkool het bruine monster met zijne dreigende tangen voor den dag ziet komen. Volkomen ongegrond is de algemeen verbreide meening, dat dit Insect den mensch in de ooren kruipt en met de tang het trommelvlies stuk knijpt. Ondanks zijn naam heeft de Oorkruiper in deze bezigheid volstrekt geen zin, hoewel het zou kunnen gebeuren, dat hij iemand, die onvoorzichtig genoeg was om in het gras te gaan slapen, in de ooren kroop, daar hij van dergelijke donkere schuilhoeken houdt.--De Gewone Oorworm is glanzig donkerbruin, welke kleur aan de pooten, de randen van het halsschild en den wortel der 15-ledige sprieten door geel, aan de meeste deelen van den kop door roestrood vervangen wordt. Zijn lengte bedraagt 8.75 à 15 mM.; de wijfjes zijn steeds kleiner dan de mannetjes. Beide overwinteren om in 't volgende jaar zich voort te planten. De eieren worden door de moeder met veel zorg bewaakt. Zij heeft, evenals de Kakkerlakken en de Veenmollen, het genoegen haar kroost te aanschouwen; ook de jongen worden door haar, volgens sommige berichtgevers, op liefderijke wijze behandeld.

"Franjestaarten" ("Thysanura") noemde Latreille een aantal kleine, behaarde of geschubde, volkomen ongevleugelde Insecten, die geen gedaantewisseling ondergaan, weinig ontwikkelde, bijtende monddeelen hebben en aan het achterlijf eigenaardige bewegingsorganen bezitten. Zij vervellen herhaaldelijk, ook nog gedurende den geslachtsrijpen toestand. Men verdeelt ze tegenwoordig in twee groepen, waaraan dikwijls den rang van orden wordt toegekend. De eene is die der Springstaarten (Collembola), aan de andere heeft men den naam van Franjestaarten (Thysanura) laten behouden.