Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 46

Chapter 463,671 wordsPublic domain

Alle Sprinkhanen met duidelijk gelede sprieten, waarvan de lengte de helft van het gestrekte lichaam niet te boven gaat, met voeten, die geheel gelijk gebouwd en uit drie leden samengesteld zijn en met achterpooten, die, door de dikte van de dij en de lengte van de scheen, voor 't springen kunnen dienen, behooren tot de Veldsprinkhanen (Acridiodea) of Sprinkhanen in de gewone beteekenis van het woord. Zij zijn de beste springers van de geheele onderorde. Evenals de Vloo, kunnen zij ongeveer 200-maal verder springen dan hun lichaam lang is. Hun romp is duidelijk zijdelings samengedrukt, dus hooger dan breed. De kop heeft een loodrechten stand. Bij nagenoeg alle soorten treft men bijoogen aan. De tamelijk korte sprieten bestaan uit 20 à 24 leden. Wanneer de bovenlip en de onderlip tegen elkander aangelegd worden, ziet men slechts weinig van de overige, buitengewoon krachtige kauworganen: van de bovenkaken, welker binnenrand met zwarte spitsen bezet is, van de onderkaken, welker binnenste lob in 2 zwarte tanden eindigt en door de buitenste lob (die daarom "helm" heet) bedekt kan worden.

Van de 3 borstringen is de voorste het meest ontwikkeld; het halsschild is sterk achterwaarts verlengd, breidt zich uit over het middelste, soms ook over het achterste rugschild en bedekt met den zijrand de vleugelwortels; het vertoont drie overlangsche lijsten, waarvan de middelste het meest uitpuilt; bij één geslacht (Tettix) loopt het halsschild uit in een lange, spitse punt, die het achterlijf overdekt en er meestal zelfs ver achteruitsteekt. Aan de beide volgende ringen, die veel smaller zijn dan de eerste, heeft daarentegen het borstgedeelte de overhand. Het kegelvormige achterlijf is, evenals het borststuk, aan de buikzijde plat en wordt naar boven allengs smaller. Bij de mannetjes is het slanker en spitser dan bij de wijfjes, bij beide uit 9 ringen samengesteld. De wijfjes hebben geen legboor. Alle 4 vleugels zijn meestal gelijk van lengte, de voorvleugels weinig breeder dan het randveld van den achtervleugel, en, evenals deze, netsgewijs geaderd. Daar de voorvleugel geheel of gedeeltelijk lederachtig is en als dekschild dient, moet de achtervleugel overlangs geplooid worden.

Door met de dijen van de achterpooten langs de dekschilden te strijken, brengen de mannetjes een zeer schel, maar niet lang aanhoudend geluid te weeg. De wijfjes doen dit niet, brengen althans geen voor ons waarneembare tonen voort. Bij het mannetje is de binnenste oppervlakte van de dij van een met den onderrand evenwijdig loopende reeks van tandjes voorzien, terwijl aan het dekschild de overlangsche aders (één in hooge mate) scherpkantig uitpuilen. Door de zeer snelle wrijving van de dijen langs de dekschilden komen de dunne vliezen in trillende beweging, waardoor een toon ontstaat, op gelijke wijze als dit geschiedt met een snaar, die met een strijkstok gestreken wordt. Bij 't sjirpen worden de dekschilden niet stijf gehouden, waardoor de toon helderder klinkt. Van elke soort van Sprinkhanen heeft de muziek iets eigenaardigs, zoodat personen met een geoefend oor sommige soorten aan haar geluid kunnen herkennen.

Een ander hoogst merkwaardig orgaan hebben de Acridiërs aan weerszijden van den eersten achterlijfsring. Het bestaat uit een vlies, aan den rand gesteund door een hoornachtigen ring en gelegen boven een kuiltje, dat een verwijding is van een naburige luchtbuis. Tusschen twee hoornachtige uitsteeksels, die van de binnenzijde van het vlies uitgaan, ligt een fijn, met vocht gevuld blaasje, dat in gemeenschap staat met een zenuw, die uit den derden borstzenuwknoop ontspringt, een nieuwen knoop vormt bij het blaasje en met de hierbinnen voorkomende, fijne, staafvormige eindtoestellen verbonden is. De nauwkeurige onderzoekingen van J. Müller en Von Siebold hebben ons dezen toestel als het gehoororgaan van de Sprinkhanen leeren beschouwen.

Alle Veldsprinkhanen, de Europeesche althans, komen in ontwikkelingswijze overeen. Het wijfje sterft, nadat zij de eieren, door een aan de lucht verhardend slijm tot klompjes vereenigd, in den herfst aan grashalmen gehecht of op korten afstand van de oppervlakte in den grond gelegd heeft; vooral van de grootste soorten vindt men de eieren in den grond. Alleen in de zuidelijkste landen worden de larven soms nog vóór den winter geboren; gewoonlijk geschiedt dit eerst in de volgende lente. Van de geslachtsrijpe Insecten verschillen zij, behalve door haar geringere grootte, door minder sprekende kleuren, door het gemis van vleugels en door kortere, eenigszins plompere sprieten; na verscheidene vervellingen zijn zij in het einde van Juli of in Augustus volwassen. In dezen tijd hoort men voor 't eerst haar geluid.

Alleen de Veldsprinkhanen vermenigvuldigen zich soms zoo sterk, dat zij zwermen vormen en in een meer of minder groot gebied als landplaag optreden. Vooral Afrika is er, naar het schijnt, sinds overouden tijd aan blootgesteld geweest. Reeds in den bijbel, bij Plinius en bij Pausanias komen berichten voor over door Sprinkhanen aangerichte verwoestingen.--Toen Adanson in 1750 aan den Senegal was aangekomen en zich nog op de reede bevond, vertoonde zich 's morgens om 8 uur een dichte wolk, die de lucht verduisterde. Een zwerm Sprinkhanen viel als een wolkbreuk neer, zweefde op een afstand van 40 à 60 M. boven den grond en bedekte een landstreek van verscheidene mijlen oppervlakte. Hier rustten zij uit om te vreten en vlogen verder. Deze wolk werd door een tamelijk krachtigen oostenwind aangevoerd en trok den geheelen morgen in den omtrek rond. Nadat de Insecten het gras, de vruchten en de bladen van de boomen hadden verslonden, spaarden zij zelfs het droge dakriet van de hutten niet.--De volgende mededeeling heeft betrekking op een sprinkhanenplaag, die in 1724 de Metidsja teisterde en in deze vruchtbare, met besproeiingskanalen doorsneden vlakte, die (100 KM. lang en 15 à 20 KM. breed) de stad Algiers als een halven cirkel omgeeft, alle planten vernielde. De eerste Insecten vertoonden zich tegen het einde van Maart na een lang aanhoudenden zuidewind. In het midden van April was hun aantal zoo sterk toegenomen, dat zij wolken vormden, die het zonlicht onderschepten. Vier weken later verspreidden zij zich over de Metidsja en naburige gewesten om er eieren te leggen. In de volgende maand zag men de jonge dieren een terrein van honderden HA. bedekken. Regelrecht trokken zij voort, over boomen, muren en huizen heen, al het gebladerte op hun weg verslindend. De bewoners trachten hen tegen te houden door het graven van slooten, die zij vol water lieten loopen of door het aanleggen van een lijn van vuren. Niets baatte: de slooten geraakten gevuld met lijken der Sprinkhaanlarven, de vuren werden erdoor gebluscht; de overige plunderaars, welker aantal niet merkbaar verminderd was, trokken steeds verder. Zij teerden op de takjes en de schors van de boomen, welker vruchten en bladen door hunne voorgangers waren verslonden. Toen de plaag ongeveer een maand geduurd had, waren de Insecten geheel volwassen; hoewel hun vraatzucht en tevens de geschiktheid om nieuwe voederplaatsen op te zoeken na den overgang in den gevleugelden toestand nog grooter waren dan vroeger, hielden de verwoestingen weldra op, daar de Sprinkhanen zich verspreidden om eieren te leggen en kort daarna stierven.

Een bericht uit lateren tijd heeft betrekking op den Zuid-Afrikaanschen Treksprinkhaan (Gryllus devastator) en is merkwaardig, doordat het mededeelingen bevat over de levenswijze der dieren, die deze na bepaalde tusschentijden terugkeerende landplaag veroorzaken. "De eieren van den Treksprinkhaan," zegt Fritsch, "zijn ten getale van 30 à 60 tot langwerpige, bruine kluitjes vereenigd door een spoedig verhardend slijm dat hen als een net omgeeft. Voor ieder eierenpakket graaft het wijfje met het achterlijf een rond gaatje in den grond; zij bedekt het met aarde, waarover de wind later soms een dichte laag stuifzand uitspreidt. Op deze wijze beschut, kunnen de eieren verscheidene jaren blijven liggen, zonder hun geschiktheid tot ontwikkeling te verliezen. Zij kunnen echter ook reeds na weinige maanden, in het eerstvolgende regenseizoen, jongen opleveren. Er komt n.l. tweemaal per jaar een soms geringe, soms buitengewoon sterke vermeerdering van de hoeveelheid regen voor. Het gewest, welks plantengroei zich ternauwernood hersteld heeft van de schade, die de vraatzuchtige Insecten er aan hebben toegebracht, kan dus korten tijd daarna opnieuw door hen geteisterd worden. Daar echter voor de ontwikkeling der Sprinkhaaneieren een zekere graad van vochtigheid volstrekt noodig schijnt te zijn, zal men in een reeks van droge jaren--als de vroege regenperiode in Augustus geen en de vochtigste tijd van het jaar (November en December) slechts weinig regen brengt--van de Treksprinkhanen niets vernemen. De schapenfokker, die soms door watergebrek het grootste deel van zijn kudde verliest, ziet in dit geval zelfs met eenige vreugde de Sprinkhanenzwermen op nieuw verschijnen, begroet in hen de voorboden van betere tijden, van het einde der langdurige droogte; weinig deert hem de vernieling van zijn met moeite aangelegden en onderhouden tuin door gevleugelde plunderaars, als slechts het vee volop kan eten en de uitgedroogde bronnen van de "plaats" op nieuw beginnen te vloeien.

"Wanneer de Sprinkhaanlarven, de "Roodbaadjes" of "Voetgangers" zooals de Afrikanen ze noemen, op haar weg stilstaand water ontmoeten, gaan zij gewoonlijk in dezelfde richting door; de lijken, die weldra den geheelen waterspiegel bedekken, vormen de brug, die de overlevenden in staat stelt om den tegenoverliggenden oever te bereiken. Des avonds maken de reizigers halt, gaan op struiken zitten en verdelgen er al het groen. Als de boer de trekkende schare een richting ziet nemen, die voor zijn tuin gevaarlijk kan worden, tracht hij haar van dezen weg af te brengen, door te paard van achteren af in de voorhoede door te dringen en tevens naar rechts en links een grooten doek te zwaaien. Bij elken rit door het Insectenleger maakt een aantal vijanden rechtsomkeert; op deze wijze voortgaande, kan men soms de marschorde van het geheele leger wijzigen.

"Verscheidene malen verwisselen de Roodbaadjes hun met zware teekeningen op rooden grond prijkende huid; zij groeien intusschen snel; na de laatste vervelling ontwikkelt zich de roodachtig grijze Sprinkhaan, die door het bezit van vleugels in staat is zijn reislust nog beter dan vroeger te bevredigen. De boer ziet met zorg de komst van deze reizigers te gemoet, wanneer zijn tuin hem lief is. Zoodra hij aan de kim de gevreesde donkere wolken ziet opstijgen, legt hij als laatste redmiddel een kring van vuren aan om zijn tuin, in de hoop door den rook de vliegende roovers af te schrikken. Deze trekken bij frissche koelte in de hooge luchtlagen verder; door den wind gedragen, verplaatsen zij zich waarschijnlijk over groote afstanden; bij zwakkere luchtstroomingen volgen zij een meer willekeurige richting. Bij windstilte zwermen zij langzaam en verheffen zich niet hoog boven den grond; aanhoudend strijkt een deel van de voorhoede op den grond neer om zich later weer bij de achterhoede te voegen. Het voortdurend omhoogvliegen en neerdalen, het gonzen van duizenden vleugels en het knarsen van de kaken der op den bodem vertoevende veelvraten veroorzaken een eigenaardig gedruisch, dat men moeielijk beschrijven, maar nog het best met het gekletter van een flinke hagelbui vergelijken kan. Ook de vernielende gevolgen van beide werkingen komen veel met elkander overeen."

Eenige vergoeding voor het ontzaglijk groote verbruik van plantaardige stoffen verkrijgt men van de plunderaars door op hen de woorden van Israëls nationalen held, "spijze ging uit van den eter", toe te passen: zoowel menschen als dieren gebruiken hen als voedsel. De inboorlingen eten ze in ongeloofelijk grooten getale, na ze even boven het vuur geroosterd te hebben en werpen alleen de achterpooten en de vleugels, of in 't geheel niets weg. Deze walgelijk smakende en niet zeer voedzame spijs schijnt voor Paarden beter geschikt te zijn dan voor menschen: de Paarden zijn er graag op en worden er vet van.

Ook Amerika, vooral de zuidelijke helft, heeft soms veel van de Sprinkhanen te lijden. Een Engelschman, die te Conohos in Zuid-Amerika een belangrijke tabaksplantage had en 40000 mooie planten, die reeds 30 cM. hoog waren, in de nabijheid van zijn woning had staan, werd plotseling in een der middaguren uit zijn siesta opgeschrikt door de mare, dat de Sprinkhanen in aantocht waren. Buiten gekomen, zag hij zijn woning omgeven door een dichte wolk, die zich boven het tabaksveld samentrok, er plotseling op neerstortte en het als met een bruinen mantel bedekte. Na omstreeks 20 seconden steeg de zwerm even onverwachts omhoog, als hij neergestreken was, en vervolgde zijn weg. Van de 40.000 tabaksplanten was geen spoor meer over.

Niet slechts in oude kronieken, maar ook in hedendaagsche couranten vindt men vele berichten over verwoestingen door Sprinkhanen in Europa aangericht. Deze betreffen niet alleen Zuid-Europa, maar ook Duitschland en andere Midden-Europeesche landen. Voor Zuid-Rusland waren, om alleen van een deel der 19e eeuw te spreken, de jaren 1800, 1801, 1803, 1816-1819, 1820-1822, 1829-1831, 1834-1836, 1844, 1847, 1850, 1851, 1859-1861 in genoemd opzicht noodlottig. In Europa bestaan de Sprinkhanenzwermen hoofdzakelijk uit Pachytylus migratorius, in Zuid-Europa met inbegrip van Hongarije (en in Algiers) ook wel uit Caloptenus Italicus, in Algiers, Syrië, Perzië en Arabië bovendien uit Acridium (Schistocerca) peregrinum in Zuid-Rusland, Klein-Azië, Cyprus en Algiers ook nog uit Stauronotus Maroccanus.

De Europeesche Treksprinkhaan (Pachytylus migratorius) is een vaste bewoner van een groot deel der Oude Wereld; zijn noordelijke verbreidingsgrens in Spanje, Italië, de oostelijke oeverlanden van den Donau en in Azië tot Japan, valt ongeveer samen met de Juni-isotherme van de 20° C. Ten zuiden van deze lijn bewoont hij (of de veel op hem gelijkende Pachytylus cinerascens) geheel Afrika ten noorden van den evenaar, geheel Azië (met inbegrip van den Indo-australischen archipel) en Australië ten noorden van den Steenbokskeerkring. In de dichtst bij ons vaderland gelegen deelen van dit gebied ziet men hem gewoonlijk in 't begin van Juli vliegen; eenige weken later worden de tot kluitjes vereenigde eieren gelegd (in lossen grond meestal op een diepte van 39 mM.). Ieder kluitje bevat ongeveer 60 à 100, de geheele eierstok gemiddeld 150 eieren. In Mei van het volgende jaar komen de larven uit, die na 36 à 44 dagen in den imago-toestand overgaan. Een warme herfst bevordert het leggen van een groot aantal eieren, een warme en droge voorzomer (met een gemiddelde temperatuur van minstens 18° C. gedurende verscheidene opeenvolgende dagen) het uitkomen der larven en haar ontwikkeling. Wanneer bij geval ergens door het samentreffen van gunstige omstandigheden een sterke vermenigvuldiging van deze Insecten is voorgekomen, zullen zij als larven en later ook in den gevleugelden toestand in de eerste plaats de grassen en veldvruchten vernielen, dikwijls zoo sterk, dat men niet meer zien kan, wat er op den akker groeide; vervolgens vreten zij ook de boomen kaal. Wanneer ten slotte het voedsel te schaarsch wordt, vliegen de Sprinkhanen, tot ontzaglijke zwermen vereenigd, naar landstreken, die nog niet verwoest zijn en overschrijden dan dikwijls de normale grenzen van hun gebied. Bij gunstige weersgesteldheid kan het voorkomen, dat zij zich eenige jaren achtereen voortplanten op het pas door hen veroverde terrein en zich zelfs nog verder uitbreiden; vroeger of later maakt echter een koude en natte voorzomer plotseling een einde aan deze machtsoverschrijding, zoodat dan de Treksprinkhaan buiten de grenzen van zijn eigenlijk gebied niet meer te vinden is. Jaren waarin hij de normale verbreidingsgrenzen overschreed, waren b.v. 1740-1749, 1834-1836, 1874-1876. Het deel van Duitschland, dat bij uitzondering door den Treksprinkhaan in zijne verschillende ontwikkelingsphasen bewoond wordt, heeft meestal de gebroken lijn Ulm-Berlijn-Posen tot grens. De Treksprinkhanen bereiken hun gebied nooit door de Alpen te overschrijden, maar altijd door ze om te trekken; de in 't oosten aanvangende reis gaat over Hongarije en Silezië. Zwermen van gevleugelde Sprinkhanen zijn nog wel veel verder doorgedrongen, n.l. tot Edinburg, het zuiden van Zweden en Dunaburg. Hier planten deze Insecten zich echter niet meer voort. Ook bij ons worden geen andere dan afgedwaalde exemplaren van deze soort aangetroffen.

Veelvuldiger dan de beide genoemde groote Veldsprinkhanen komen hier te lande kleinere soorten voor. Slechts enkele kunnen hier ter sprake komen. (Van de beide lengteopgaven bij iedere soort heeft de eerste op het mannetje, de tweede op het wijfje betrekking.) Een 25 à 32 mM. lange, bruine soort met bloedroode achtervleugels, die vooral bij heet, zonnig weer op open plekken in bosschen de aandacht van den wandelaar trekt door het luide gedruisch, dat de tegen elkander wrijvende vleugels en dekschilden maken, wanneer het Insect uit voorzorg opvliegt om iets verder weer te gaan zitten, wordt Klappersprinkhaan (Psophus stridulus) genoemd.--In zandige streken, vooral in de duinen, vindt men de 21 à 28 cM. lange Gestreepte Sprinkhaan (Oedipoda coerulescens) met 2 donkere dwarsbanden op de lichtbruine dekschilden en een breeden, zwarten dwarsband op de lichtblauwe achtervleugels.--Zeer algemeen op droge weiden, waar men bij zonnig weer soms bij iederen voetstap het ratelend geluid hoort, dat met hun opspringen gepaard gaat, zijn de roodpootige, doch overigens grootendeels groene, 13 à 18 mM. lange Gestreepte Grashuppers (Stenobothrus lineatus) en de 10 à 18 mM. lange, door het eenigszins verbreede uiteinde der sprieten gekenmerkte, groene of bruine Tweevlekkige Grashuppers (Gomphocerus biguttatus), die een helder witte topvlek hebben op elk dekschild.

De Italiaansche Sprinkhaan (Caloptenus Italicus) wordt, behalve in het vroeger genoemde gebied, soms ook in Duitschland (de Mark, Silezië, Saksen) gevonden. Hij gedijt het best in bosschen en boschrijke gebergten en veroorzaakt meer schade aan boomen en wijngaarden, dan aan granen en andere grassen. Reeds in April (of nog vroeger) komen de larven uit de eieren. Bij helder en warm weer zijn zij, zoodra de dauw verdampt is, druk in de weer,--als het niet gedauwd heeft, nog vroeger, n.l. met zonsopgang. Eerst ziet men eenige exemplaren als boden heen en weer loopen tusschen de nog rustende zwermen, waarvan sommige op den grond (en wel bij voorkeur aan den voet van kleine heuvels) dicht opeengedrongen liggen, andere over allerlei kruiden en struiken groepsgewijs verdeeld zijn. Kort daarna komt het geheele leger in beweging; alle reizigers hebben de gekozen richting zoo goed in 't hoofd, dat men nagenoeg geen afdwalingen opmerkt. Zij gelijken op een mierenzwerm en volgen, zonder elkander aan te raken, steeds een zekeren afstand houdend, denzelfden weg. Zonder verpoozing en met de grootste snelheid, die een Insect loopend kan verkrijgen, streven zij naar het doel van hun tocht, zonder ooit te springen, behalve wanneer zij vervolgd worden. In dit geval verspreiden zij zich, maar komen spoedig weer bijeen om langs den vorigen weg de reis voort te zetten. Zoo marcheeren zij van den morgen tot den avond, zonder halt te houden, en doorloopen dikwijls een afstand van 100 vademen in een dag. Zij bewegen zich gaarne op goed gebaande wegen en over open velden; wanneer hun echter een struik, een heg, een kuil in den weg komt, trekken zij, zoo dit mogelijk is, er regelrecht over of door heen. Alleen rivieren en moerassen kunnen hen tegenhouden; naar het schijnt, zijn zij van een bad zeer afkeerig. Dikwijls trachten zij echter langs overhangende takken den tegenoverliggende oever te bereiken. Als plantenstengels en boomstammen, die dwars over het water liggen, hun een brug verschaffen, maken zij, tot dichte kolommen vereenigd, hiervan gebruik. Dikwijls ziet men ze op zulke plaatsen rusten, alsof de koelte van het water hun aangenaam is. Tegen zonsondergang verdeelt de geheele zwerm zich in kleine troepjes, die op de reeds genoemde wijze een kwartier voor den nacht zoeken. Op koude, regenachtige dagen trekken zij niet. De zooeven geschetste of een soortgelijke levenswijze treft men met geringe wijziging aan bij de larven van alle soorten van Sprinkhanen, die in gevleugelden toestand zwermen vormen. Na het midden van Juli krijgen de Italiaansche Sprinkhanen vleugels en verspreiden zich over een grootere oppervlakte om te paren en eieren te leggen. In gunstige omstandigheden worden de jongen reeds in den herfst geboren.

Het geslacht Caloptenus kenmerkt zich door een wratvormigen knobbel tusschen de heupen der voorpooten, door de breedte van het voorste rugschild, door een weinig uitpuilende, afgeronde kruin en door een bolvormige verdikking aan het achterlijf van het mannetje. De genoemde soort is 22 à 34 mM. lang, heeft het lichaam en de dekschilden, die tot aan de achterlijfsspits reiken, op vuilgelen grond met bruine vlekjes besprenkeld. De binnenrand der achtervleugels is met een breeden, rozerooden band geteekend, dezelfde kleur heeft de binnenzijde van de achterdij, terwijl de buitenzijde effen geelachtig blijft of donker gestreept is.

De Sabelsprinkhanen (Locustidae) kunnen onmiddellijk herkend worden aan hunne lange, borstelvormige, veel-(dikwijls meer dan 100)ledige sprieten en aan de 4 leden van den voet, die aan alle pooten hetzelfde maaksel vertoont. De kop heeft een loodrechten stand; de kruin puilt tusschen de half bolvormige oogen niet sterk uit; meestal ontbreken de bijoogen. Het achterlijf loopt bij het mannetje uit in 2 stiften, die dikwijls haakvormig gekromd zijn, bij het wijfje in een meer of minder langen, sabelvormigen legboor. De mannetjes musiceeren niet met de achterdijen, maar brengen snerpende, schelle tonen voort door de wortelgedeelten der dekschilden over elkander te wrijven. Het linker dekschild, dat boven ligt, vertoont aan den wortel, dicht bij den binnenrand en wel aan de onderzijde een stevige, uitpuilende dwarsader, die nagenoeg den vorm van een paragraafteeken (§) heeft en door talrijke dwarsgroefjes op een "rasp" gelijkt. In het hieronder liggende, driehoekige deel van het rechter dekschild, dat horizontaal de rug bedekt, merkt men een dun, glashelder vlies op, aan alle zijden door stevige aders omgeven, den zoogenaamden "spiegel" en daarachter een kleinere plek, die denzelfden vorm heeft en even doorzichtig is. Bij het sjirpen worden de beide dekschilden een weinig opgeheven en de tandjes van de rasp van den linkervleugel snel achtereenvolgens over de randen van den spiegel bewogen; de fijne vliezen doen in dit geval dienst als klankbodem en versterken het geluid. Een uitzondering op den regel, dat alleen de mannetjes muziek kunnen maken, vormen eenige soorten met blaasvormig gezwollen dekschilden, welker wijfjes eveneens een loktoon kunnen voortbrengen. De eenige inheemsche Sabelsprinkhaan, die hiervoor als voorbeeld kan dienen, is de Wijnstoksprinkhaan of het Huphaantje (Ephippigera vitium). Bij de Sabelsprinkhanen kan men uitwendig aan den wortel van de scheen der voorpooten een paar diepe kuiltjes of spleten zien, die inwendig door een dun vlies gesloten zijn. Tusschen beide openingen verwijdt de hoofdstam van het luchtbuizenstelsel der voorpooten zich tot een blaas; een uit den eersten borstzenuwknoop ontspringende zenuw heeft ter zelfder plaatse een knoopvormige verdikking, waarmede zenuweindtoestellen van eigenaardigen vorm in verbinding staan, die besloten liggen in tot reeksen vereenigde, doorzichtige blaasjes. Von Siebold heeft den bouw van dit toestel zorgvuldig onderzocht en aangetoond, dat het een gehoororgaan is.