Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 44

Chapter 443,614 wordsPublic domain

De arbeiders en de soldaten (misschien ook de reeds eenigermate ontwikkelde larven van hunne kasten) zijn ijverig in de weer om voedsel te verzamelen voor zich en voor de nestgenooten, die niet in staat zijn om zelf dezen arbeid te verrichten. Zij brengen de eieren naar de verschillende afdeelingen van het nest, verrichten hieraan de noodige herstellingen, maken den uittocht mogelijk voor hunne zwermende verwanten, kortom, zij zijn belast met de zorg voor de geheele kolonie. Om hun taak te volbrengen, begeven zij zich ook wel buiten het nest, doch doen dit meestal zonder zich aan het daglicht bloot te stellen; zij overwelven den weg, dien zij hebben af te leggen, en vergrooten of herstellen het nest hoofdzakelijk 's nachts. De zeer verschillende bouwtrant der woningen is het merkwaardigste deel van de geschiedenis der Termieten. Vele soorten bouwen de vrij algemeen bekende, heuvelvormige nesten. De meeste mededeelingen hierover hebben betrekking op de Krijgszuchtige Termiet (Termes bellicosus), die over een groot deel van Afrika verbreid is. Waar zij woont, vindt men heuvels, welker buitenste oppervlakte oneffen, van vele uitsteeksels voorzien is, en die men het best met een hooischelf kan vergelijken. Vooral op vlakke terreinen, waar het bosch werd omgekapt om den grond in kultuur te brengen en waar de gevelde boomen liggen te rotten, komen deze nesten veelvuldig voor. Die, welke door hevige regenbuien of, in de nabijheid van een stad, door spelende kinderen beschadigd werden, zijn door de bewoners verlaten. Wanneer men er daarentegen naar boven wijzende torentjes en spitsen op vindt, is het nest nog bewoond en wordt het nog steeds uitgebreid. In dit geval, en ook bij den eersten aanleg van het gebouw, verrijst het eene torentje naast het andere en worden allengs de tusschenruimten aangevuld. Ieder torentje bevat een holte, die met de inwendige ruimten van den heuvel in gemeenschap staat. De hooischelfvormige nesten hebben soms een hoogte van ruim 5 M. en aan den voet een omvang van 18.83 M. Als bouwstof dient hoofdzakelijk klei, die met het speeksel van het Insect wordt aangemengd. Zulk een heuvel kan meer menschen of dieren dragen dan er plaats op kunnen vinden en biedt weerstand aan de buitengewoon hevige stortbuien en den schok van vallende boomen, die beide hem niet zelden treffen. Als men den grond rondom het nest blootlegt, ziet men verscheidene bedekte wegen of buizen van klei, die naar de naburige boomstompen en houtblokken leiden. Deze buizen hebben soms een middellijn van meer dan 31 cM., worden allengs nauwer en loopen in verscheidene takken uit. Sommige staan niet boven, maar onder den grond met het nest in gemeenschap; op de plaats waar de tunnel, die op den bodem rust, ophoudt, ziet men vele holten, die den aanvang zijn van wegen, welke zich in schuinsche richting uitstrekken tot aan de door kleipilaren gesteunde ruimten onder den heuvel. Deze pijlers dragen een aantal gewelven: de broedcellen voor de jongen, de woning van koning en koningin en verschillende andere vertrekken. De buitenwand van het nest is 15.7 à 47 cM. dik en bevat cellen, holen en wegen, die met elkander in gemeenschap staan of van den voet tot aan de spits reiken en verbonden zijn met de binnenste ruimten van den koepel. In het middelste gedeelte van het nest bevindt zich op een hoogte van 30 à 63 cM. boven den omliggenden bodem de kamer van den koning en de koningin omgeven door andere vertrekken met eieren en jongen van verschillende grootte.

Soortgelijke nesten als de zooeven bedoelde Afrikaansche--spitse kegels van 95 à 155 cM. hoogte en ongeveer 30 cM. middellijn aan de basis, afgezonderd staande of reeksen vormend en op vreemdsoortige gebouwen gelijkend--vond Leichhardt in Australië. De Termietenwoningen, die Epp op Banka zag, herinnerden hem aan grafmonumenten. Ook "paddenstoelvormige" nesten komen voor.

Evenals onze Mieren, bouwen ook zeer vele Termieten hare nesten niet boven den grond, maar blijven er in verborgen, zitten onder steenen, of begeven zich door onderaardsche gangen naar voorwerpen van hout of van een andere grondstof, waarin zij met hare kaken kunnen doordringen. In zandstreken van Afrika heeft men diep onder de oppervlakte buisvormige gangen met verharde wanden aangetroffen, die van Termieten afkomstig zijn; in de bedoelde gewesten worden deze Insecten echter tegenwoordig wijd en zijd in 't rond niet meer aangetroffen, omdat de plantengroei er geheel heeft opgehouden. Na het verslinden van de wortels, die misschien eertijds door deze en dergelijke buizen omgeven waren, konden hare bewoners dus geen voedsel meer vinden. Hoe diep sommige Termieten in den grond doordringen, bleek o.a. in Louisiana bij het graven van een put. Hier vond men, meer dan 8 M. diep onder den grond, buizen, die aan Termieten van het geslacht Hodotermes toegeschreven worden.

Van de wijze, waarop de nestvormige Termietenwoningen op boomen ontstaan, geeft Fritz Müller een verklaring, die misschien niet voor alle dergelijke nesten, maar dan toch voor die der door hem onderzochte Zuid-Amerikaansche soorten geldt. Evenals eenige inheemsche Mieren, knagen sommige soorten van Termieten gangen in nog levende, zelfs in nagenoeg gave boomen, niet slechts in zacht, maar ook in hard hout, waarbij, naar het schijnt, de eene soort aan deze, de andere aan gene boomsoort de voorkeur geeft. De wand der gangen is meestal met een dunne laag drek bekleed; soms hoopen deze dreklagen zich aan de uiteinden der gangen op. Men stelle zich voor, dat door het sterk toenemen van het aantal Insecten in dezelfde ruimte de uitgeknaagde gangen steeds nader bij elkander komen en de tusschenschotten, al dunner wordend, ten slotte geheel verdwijnen. De dreklaagjes van aaneengrenzende ruimten zullen dan onmiddellijk tegen elkander liggen en de houten tusschenschotten vervangen. Zulk een allengs plaats hebbende overgang van ver uiteenliggende, in hout geknaagde gangen in een drekmassa met holten, gelijkende op die van goed gerezen brood of van een spons, neemt men waar in boomstammen, die door een Eutermes-soort bewoond worden. Het naar buiten uitpuilen van deze drekophoopingen, die niet steeds tot het binnenste van den boom beperkt blijven, geeft aanleiding tot het ontstaan van "bolvormige boomnesten"; deze zijn dus oorspronkelijk een voor gemeenschappelijk gebruik bestemd privaat van een Eutermes-volk geweest, maar worden later ook gebezigd als broedplaatsen voor de eieren en als woningen voor de larven. Deze nesten zijn dus van den boom uit--en niet van buiten er tegenaan--gebouwd.

Als men een stuk van zulk een nest afsnijdt, vluchten de arbeiders uit de hierdoor geopende gangen naar binnen; zij worden vervangen door een groot aantal kleine, spitskoppige soldaten, die ijverig heen en weer loopen en aanhoudend met de sprieten rondtasten. Na eenigen tijd keeren de arbeiders terug. Ieder hunner betast eerst den rand van de opening, die hij zal gaan sluiten, draait zich vervolgens om en legt een bruin worstje op dezen rand neer. Daarna begeeft hij zich soms onmiddellijk naar het binnenste van 't nest terug om plaats te maken voor helpers, die hem in dichte drommen volgen, soms echter draait hij zich nogmaals om, betast zijn werk en drukt het zoo noodig te recht. De soldaten hebben bij den aanvang van den arbeid voor 't meerendeel den aftocht geblazen; eenige zijn achtergebleven; deze raken nu en dan de arbeiders met de sprieten aan, als 't ware om hen aan te moedigen en tot ijver aan te sporen.--Aan dikke stammen neemt het nest slechts één zijde in beslag; dunnere worden er ringvormig door omgeven; aan den top van oude stompen vormt het nest een afgeronden koepel, die dikwijls vergeleken wordt met een negerkop, wegens de zwarte kleur en de bolvormige gedaante, ook, omdat men aan de oppervlakte langwerpige verhevenheden van geringe hoogte opmerkt, die op onregelmatige wijze ineenvloeien en aders voorstellen. Hoe ouder het nest is, des te donkerder ziet het er uit en des te grooter weerstand biedt het aan vernieling. Om van oude nesten een stuk af te nemen wordt een bijl vereischt. De buitenste gedeelten bevatten uitsluitend arbeiders en soldaten, kort vóór den zwermtijd, in December, ook gevleugelde Insecten; iets dieper liggen de woonplaatsen der larven, die naar den leeftijd gerangschikt zijn, de jongste het verst naar binnen; nog verder in dezelfde richting voortgaande, komt men aan ruimten, waaraan niets bijzonders valt op te merken en die een ontzaglijke hoeveelheid eieren bevatten; in 't midden eindelijk wonen de koning en de koningin.

Volgens het eenstemmig oordeel van alle onderzoekers zijn vele soorten van Termieten (misschien nog wel het minst die, welke heuvels bouwen) een groote plaag voor de bewoners van tropische gewesten en een bron van ergernis voor iederen reiziger, die kennis met hen maakt. Zij vergrijpen zich niet aan zijn persoon, maar vernielen in zeer korten tijd zijne bezittingen, kleederen, boeken, huisraad, zelfs de balken van zijn woning. Dit geschiedt op zulk een geheimzinnige, slinksche wijze, dat men de schade eerst bemerkt als er niets meer gedaan kan worden om haar af te wenden. Het dak valt den bewoner op het hoofd, voordat hij gevaar ducht. D'Escayrac de Lauture doet in zijn "Reis door Soedan" uitvoerige mededeelingen over de Witte Mieren, die daar Arda heeten. Zij hebben de grootte van een gewone Mier en voeden zich bij voorkeur met hout, doch vreten overigens alles: leder, vleesch, papier, enz. Boeken en schoenen kunnen zeer moeilijk tegen haar beveiligd worden. In één nacht vernielden zij een gekartonneerden atlas en de helft van een foedraal van een verrekijker. De Nubiërs vrijwaren zich voor schade door hunne bezittingen op planken te leggen, die door middel van touwen aan het dak van het huis zijn opgehangen. In andere streken beschut men de meubels tegen de vernielzucht van dit gedierte, door ze met de pooten in met water gevulde potten te plaatsen. Een Arabier bij Boernoe was, zonder dat hij het vermoedde, boven een Termieten-nest ingeslapen; 's morgens bij zijn ontwaken was hij-- --naakt; al zijne kleederen waren verslonden.--A. Brehm verhaalt, dat op 15 Aug. 1850 de Witte Mieren in den "divan" van Latief-Pasja te Chartoem in zoo grooten getale verschenen, dat alle aanwezigen de vlucht moesten nemen. Den vorigen dag was n.l. (wegens den hoogen waterstand in den Blauwen Nijl) een Termieten-kolonie door het grondwater naar boven gedreven; deze baande zich nu door den met tegels bedekten vloer van de zaal een uitweg.

Van de op Java voorkomende Termieten (door de inlanders Rajaps genoemd) schrijft Prof. Veth: "De bamboe-woningen der Javanen worden door de Termieten in korten tijd geheel vernield; slechts enkele zeer harde of zeer aromatische houtsoorten zijn voor hare verwoestingen beveiligd. In de woningen der Europeanen zijn de meubelen en provisiën haar geliefkoosde prooi; alleen katoen schijnen zij niet aan te tasten; men zegt, dat zij voor de scherpe punten der rijstbolsters bevreesd zijn, waarom men vaak den bodem van voorraadkamers ter hoogte van een voet daarmede bedekt. IJzeren, met water of olie gevulde schalen onder de pooten der meubelen zijn mede een gewoon voorbehoedmiddel zoowel tegen de Termieten als tegen de eigenlijke Mieren. De gangen der Termieten worden gewoonlijk op donkere plaatsen en in verborgen hoeken aangelegd en zijn hier gemakkelijk te herkennen, daar zij minstens de dikte van een vinger hebben. Van het houtwerk dat zij vernielen, weten de Termieten de oppervlakte zoo zorgvuldig te sparen, dat het voorwerp zijn uitwendige gedaante behoudt, ofschoon het zoo doorgeknaagd is, dat het bij de geringste aanraking ineenstort. De Duitsche reiziger Jagor verhaalt, dat in een landhuis te Singapore de met olieverf beschilderde palen, die het huis droegen, zoodanig verteerd waren, ofschoon geen spoor van beschadiging aan de verf te zien was, dat een der palen door den toevalligen stoot van een stok geheel doorboord werd. Junghuhn zegt van de Termieten-nesten, die zich vooral in de verstrooide boschjes der alang-velden vertoonen, dat zij rondachtig van vorm en van 2 tot uiterlijk 4 voeten hoog zijn, en dat zij vaak bij honderden nevens elkander voorkomen. Doorgraaft men de bovenste aardkorst, dan blijkt het, dat de gansche heuvel uit meandrisch in elkander gedraaide, bruinachtig gele lamellen bestaat, die uit klei gevormd en op de zonderlingste wijze gerimpeld zijn, terwijl de enge tusschenruimten van millioenen Termieten wemelen."

Snelleman, lid der Sumatra-expeditie (1877-1879), zegt van het nest der door Herman Alberda als Termes gilvus (Lichtgele Termiet) gedetermineerde soort: "Deze Termietenwoningen vallen niet in 't oog door vorm of grootte, noch door talrijkheid, en zijn in vergelijking met de paleizen van de Afrikaansche Termes bellicosus (Smeathman), slechts armzalige stulpjes. Het nest, dat ik nabij de negari Sidjoendjong vond, was koepelvormig, doch vrij onregelmatig, ongeveer 30 cM. hoog, en had een 2-maal grootere middellijn. De buitenzijde vertoonde geen scherpe kanten; zij zag er uit als gelijkelijk afgesleten en had dezelfde grijze kleur als de droge grond in den omtrek. Men kon er op staan zonder vrees, dat het gebouw zou instorten, en het kostte geruimen tijd en veel moeite, eer de bovenkorst met een pikhouweel was opengehakt. Niet zoodra was dit geschied, of de geheele bevolking kwam in beweging en vooral de soldaten liepen rusteloos heen en weder. Het harde omhulsel van de woning beschutte een onregelmatig samenstel van wanden, gewelven en pilaren van broos, op de breuk korrelig materiaal, dat zich met den vinger gemakkelijk liet verkruimelen; sommige deelen waren zelfs nog week en blijkbaar eerst kort geleden opgemetseld. Onder dezen doolhof bevond zich, nog even boven de aardoppervlakte, de verblijfplaats der koningin; in de nabijheid daarvan werd de aarde, waaruit de gangen waren opgebouwd, weder veel harder, terwijl de platte doos zelve waarin de koningin lag, vrij groote stevigheid had en van zeer dichte structuur was. Scherpe kanten bevatte het nest ook aan de binnenzijde niet; alle gangen en pilaren waren afgerond. Het gelukte mij 't koninklijk verblijf horizontaal door midden te splijten, zonder dat de deelen beschadigd werden, en nu bleek, dat de koningin lag op den zorgvuldig geëffenden bodem, terwijl het zwak gewelfde bovenstuk haar overdekte. Beide deze helften waren met weinige kleine, ronde openingen doorboord." De lengte van de koningin bedroeg ongeveer 50, van de arbeiders 6, van de soldaten 11.5 mM. (van deze kwam ook nog een kleinere, 6.5 mM. lange vorm voor).

De inboorlingen van door Termieten bewoonde landen trekken partij van deze Insecten door ze als spijs te gebruiken. In verschillende gewesten van Java verkoopt men ze op de markt onder den naam van "Laron"; ook worden de nesten wel geopend om aan het pluimvee een voedzame lekkernij te verschaffen. Van een groot aantal dieren maken de Termieten het voornaamste voedsel uit, waartoe op Java o.a. het Schubdier behoort. De Miereneters zou men wegens hun bedrijf veeleer "Termieteneters" moeten noemen. Ook door den ijver, dien zij bij het vernielen van plantaardige overblijfselen toonen, spelen de Termieten in de huishouding der natuur een zeer belangrijke rol; de arbeid van deze en van vele andere in dezelfde richting werkzame dieren valt echter niet in den smaak van den tegenover hen machteloozen mensch.

Op eenvoudige wijze worden de ± 100 soorten van Termieten, die men onderscheiden, maar voor het meerendeel zeer onvolledig bestudeerd heeft, in 4 geslachten verdeeld. Hechtkussentjes tusschen de klauwen en aders in het zoomveld van de vleugels komen voor bij Calotermes, die bijoogen heeft, en bij Termopsis, die deze organen mist. Van beide verschilt Hodotormes door het ontbreken van de hechtkussentjes. Verreweg de meeste soorten behooren echter tot het geslacht Termes, zijn in het bezit van bijoogen en missen de hechtkussentjes tusschen de klauwen, zoowel als de aders in het randveld van de vleugels.

Tot de Europeesche fauna behooren drie soorten van Termieten, althans wanneer men er bij rekent de Geelvoetige Termiet (Termes flavipes), die zich in de broeikassen van de keizerlijke tuinen te Weenen vertoond heeft en met een bezending levende planten uit Brazilië schijnt te zijn overgekomen.

De Geelhalzige Termiet (Termes flavicollis), die de landen om de Middellandsche zee bewoont, is grootendeels donker kastanjebruin; de monddeelen, sprieten en pooten zijn geel, evenals het voorborststuk, welks kleur aanleiding gaf tot den naam der soort. De gevleugelde individuën hebben hoogstens 11 mM. lengte bij 20 mM. vlucht. De vleugels zijn zwak "berookt". De 4 à 9 mM. lange soldaten kenmerken, zich door een opmerkelijk langen, vierhoekigen kop met breede kaken. In tegenstelling met de volgende soort, schijnt deze in timmerhout niet voor te komen, wel in olijfboomen, waaraan zij in Spanje en het zuiden van Frankrijk veel schade veroorzaakt.

De Lichtschuwe Termiet (Termes lucifugus, T. arda) wordt, evenals de vorige, veelvuldig aangetroffen in het Middellandsche-zee-gebied; ook vindt men haar op Madeira, waar zij nog op een hoogte van 1094 M. boven den zeespiegel nestelt. Dat zij tot Rochefort en La Rochelle aan de westkust van Frankrijk is doorgedrongen, waar door haar in publieke en andere gebouwen belangrijke verwoestingen zijn aangericht, verdient een opzettelijke vermelding, daar in geen der overige werelddeelen het verbreidingsgebied van eenige Termiet zich verder dan 40° NB. of ZB. uitstrekt. Het bedoelde Insect, dat in de Landes vooral sparren aantast, is donker zwartbruin en bruin behaard; aan alle pooten zijn de voet en de top van de scheen geelachtig; de top van alle spriet- en tasterleden is witachtig. De gevleugelde Insecten hebben, bij 6 à 9 mM. lengte, 20 mM. vlucht.

Aan Lespès dankt men een uitvoerige beschrijving van de levenswijze dezer Termieten.

Nagenoeg alle werkzaamheden worden door de arbeiders verricht; evenals alle leden van hun geslacht, hebben zij de gewoonte, zich steeds in bedekte gangen te bewegen. Gewoonlijk bouwen zij het nest in een ouden sparrestomp, soms in eiken, vlier of tamarisken, altijd echter in dood en vochtig hout, dat onder of weinig boven den grond gelegen is. Kleine, één- of hoogstens tweejarige Termieten-staten houden verblijf achter boomschors, maar tasten vervolgens het hout aan. De gangen zijn niet regelmatig; zeer dikwijls bewijzen de in hout borende Kever-larven, vooral van Houtboorders, aan de Termieten den dienst van pioniers, en dienen de wijdere gangen van de Boktorlarven voor het aanleggen van groote cellen. Wanneer Termieten zich in hout vestigen, waar zulke wegbereiders nog niet werkzaam zijn geweest, volgen zij bij het knagen van gangen in zoover een vasten regel, dat zij alleen het zachtere lentehout van iederen jaarring aantasten en het hardere herfsthout sparen, tenzij om er de groote, ronde openingen in te maken, waardoor de cellen onderling in gemeenschap staan. De geheele binnenzijde van het nest is met een gladde, lichtbruine laag bedekt; dat deze uit drek bestaat, bleek bij waarnemingen aan gevangen dieren. In de Landes en andere streken van Frankrijk, waar Lespès de levenswijze van de Termieten heeft nagegaan, zijn de oude sparrestompen talrijk, daar men deze na het vellen van de boomen laat staan. Dit zal wel de hoofdreden zijn, waarom de huizen te Bordeaux slechts weinig van deze Insecten te lijden hebben, hoewel hier en daar sporen van hun aanwezigheid zijn opgemerkt. De arbeid geschiedt steeds in de grootste orde, zonder dat de soldaten zich er mede bemoeien; deze spelen de rol van opzichters. Behalve met het bouwen en onderhouden van het nest zijn de arbeiders ook met de zorg voor de eieren belast. Zoodra men een der hiermede gevulde cellen opent, snellen zij toe en sleepen er 5 of 6 te gelijk mede. Dat de arbeiders de overige leden van het gezelschap met voedsel zouden voorzien, wordt door Lespès onwaarschijnlijk geacht. Ook heeft hij hen geen bijzondere zorgen aan den koning en de koningin zien wijden. Wel zag hij hen de larven behulpzaam zijn bij hare vervellingen, doch alleen waar het larven van arbeiders en soldaten gold. Als een nymphe zich gekwetst had, hetgeen nog al eens voorkwam, waren onmiddellijk 2 of 3 arbeiders bij de hand om haar te helpen.

De soldaten, welker taak bestaat in het beschermen van de overige bewoners van het nest, nemen tegenover den mensch een dreigende houding aan, maken dan dikwijls een bespottelijk figuur, doch zijn niet gevaarlijk. Ondanks hun moed en ijver, gedragen zij zich wegens hun blindheid tamelijk onbeholpen; hoewel hun woede duidelijk blijkt, kunnen zij niet veel uitrichten, de kaken niet ver genoeg openen om de huid van den in 't nest gestoken vinger er tusschen te vatten. Meestal staan zij zonder beweging in de gangen of cellen; zoodra er echter in het nest een opening ontstaat, loopen zij er onbesuisd met geopende kaken heen. Zeer potsierlijk zijn hunne gebaren, wanneer men hen plaagt; zij laten den kop met de wijdgeopende kaken op den grond rusten, heffen het achterste deel van 't lichaam omhoog en doen herhaaldelijk uitvallen om den vijand te grijpen; na verscheidene vruchtelooze pogingen stooten zij vier- of vijfmaal den kop tegen den vloer van de gang, waardoor een schel geluid ontstaat.

De oude larven en poppen vindt men gewoonlijk dicht opeen gedrongen in de nauwe gangen, aan welker uiteinden de soldaten de wacht houden; zij vluchten zoodra haar verblijfplaats geopend wordt. Elke vervelling geeft aanleiding tot een groote opschudding, waarschijnlijk omdat alle Insecten, die de huid afwerpen, en vooral zij, die dit voor de laatste maal doen, een eenzaam plaatsje opzoeken, waar zij buiten het gewoel van hunne soortgenooten de verharding van het buitengewoon weeke lichaam, en, voor zoover zij vleugels hebben, de vergrooting van deze organen afwachten; na een uur is dit proces afgeloopen. Aanvankelijk zijn alle wit van kleur. De arbeiders hebben nog een paar dagen rust noodig, voordat zij aan den arbeid kunnen gaan. De mannetjes en de wijfjes verliezen zeer schielijk de vleugels en blijven steeds dicht bijeen. Lespès zag ze alleen dan zwermen, wanneer hij op een geschikten tijd het nest opende. Waarschijnlijk heeft de paring 's nachts en wel op den grond plaats. De koningin (soms waren er twee) werd in December, Maart en Juli in gezelschap van een koning of zonder dezen gevonden. Zij hield zich niet in een bepaaldelijk voor haar bestemde cel verborgen, maar in een diep gelegen gang. Ondanks haar zwaarlijvigheid kon zij zich goed bewegen. Eerst een jaar na haar laatste vervelling, en wel in Juli, begon zij eieren te leggen; vermoedelijk geschiedt dit slechts gedurende korten tijd.