Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 43

Chapter 433,573 wordsPublic domain

De groote, halfbolvormige of dwars gerichte, cilindrische kop rust vrij op een dunnen hals. Evenals de oogen, zijn ook de monddeelen buitengewoon sterk ontwikkeld. De breede, met vele scherpe tanden gewapende bovenkaken vormen een krachtige tang; daaronder liggen de beide onderkaken, die in een groep van scherpere tanden eindigen en aan den voet voorzien zijn van een éénledigen taster. De bolle onderlip (bestaande uit een door onderkin, kin en 2 stammen gevormd wortelgedeelte, een middenlob en 2 zijlobben) komt bij 't sluiten van den mond met den voorrand zóó tegen de bovenlip te liggen, dat de reeds genoemde moordtuigen er geheel door verborgen worden. De sprieten vallen weinig in 't oog. Naast elk der beide bovenste van de 3 bijoogen rust op een dik grondlid een 4-ledige, korte borstel.--De beide achterste ringen van het borststuk hebben een buitengewoon steilen stand, zoodat de vleugels ver naar achteren, de pooten ver naar voren en de achterheupen vóór den oorsprong van de voorvleugels zijn aangehecht. De 4 vleugels zijn, wat de grootte, den vorm en het beloop van het sierlijke netwerk van aders betreft, nagenoeg volkomen gelijk aan elkander; bijna altijd ziet men op korten afstand van de spits duidelijk een vleugelstip. Het 10-ledige achterlijf draagt aan den laatsten ring 2 ongelede, stijl- of bladvormige staarten, waartusschen zich bij de mannetjes de soms ver uitstekende aarsklep, bij de wijfjes de korte legboor bevindt. Het achterlijf is buitengewoon lang, bij de Agrioniden bijna naaldvormig. In Zuid-Amerika vindt men een soort (Agrion Amalia), die bij 14.4 cM. lichaamslengte een achterlijf van 12.2 cM. heeft.

Bij 't eierenleggen danst het wijfje in rechtstandige houding boven het water, of maakt met den legboor in waterplanten insnijdingen, waarin het ei verborgen wordt.

De larven van de Waternimfen leven in 't water en spelen bij de kleine en jonge dieren in meren, plassen en moerassen, dezelfde rol als de Haaien voor de bewoners der zee, n.l. die van geduchte, onverzadelijke roovers. Hoewel zij over 't algemeen, wat den lichaamsbouw betreft, met de volkomen Insecten vergeleken kunnen worden, wijken zij toch in twee opzichten, de monddeelen en de ademhalingswerktuigen, belangrijk van hen af. De onderlip is bij haar uitgegroeid tot een grijptang, het zoogenaamde masker. Men zou het masker met een arm kunnen vergelijken: de bovenarm zou dan zijn het smalle wortelgedeelte, dat in rust achter de keel ligt; door de voorarm zou men kunnen voorstellen het breedere, driehoekige stuk, dat door een scharniergewricht met het vorige verbonden is; aan den top komen twee beweeglijke "zijlobben" voor, die aan vingers herinneren en in een klauwvormigen taster eindigen. Het masker heet vlak, als het in den toestand van rust eenvoudig van onder den mond bedekt en van boven onzichtbaar blijft. Van een helmmasker spreekt men, als de beide "zijlobben" met hare tanden in elkander grijpen, bol zijn en in rust den mond ook zijdelings en van boven bedekken, zooals bij de geslachten Libellula, Cordulia, Epitheca (fig. 4). Als de larve een prooi wil bemachtigen, strekt zij het masker snel naar voren, grijpt met de als een tang werkende zijlobben haar slachtoffer en brengt dit, door het terugtrekken van haar vangorgaan, voor den mond, waar het door de kaken snel vermalen en vervolgens ingeslikt wordt.--Voor de ademhaling van de larven dienen tracheeën-kieuwen. Bij sommige zijn zij van buiten zichtbaar en bestaan uit 3 langwerpig ronde plaatjes aan de spits van 't achterlijf; dan heeten zij staartkieuwen. Bij andere is er uitwendig niets van te zien en noemt men ze, naar de plaats die zij innemen, darmkieuwen. De wanden van den endeldarm bevatten n.l. 2 dunne luchtbuizen, die, van voren naar achteren reiken en blind eindigen; de hiervan uitgaande dwarstakken verdeelen zich in zeer fijne buisjes in de talrijke dwarse huidplooien aan de binnenste oppervlakte van den darm. De aarsopening is omgeven door 3 driehoekige, stekelvormige kleppen; door de werking van krachtige spieren wordt het water in den endeldarm opgenomen en weer naar buiten gestuwd; hierdoor worden de darmkieuwen aanhoudend met versch water in aanraking gebracht, terwijl bovendien door het wegpersen van het water het dier zich vooruitbeweegt.

De larven vervellen vele malen, ook dan nog, als zij reeds vleugelstompjes hebben; waarschijnlijk loopt de geheele ontwikkeling in één jaar af en heeft de overwintering in den larvetoestand plaats. Zoodra de larve ver genoeg ontwikkeld is om in een meer volkomen toestand over te gaan en van waterdier luchtbewoner te worden, begeeft zij zich boven den waterspiegel, door langs een waterplant, een in 't water staanden paal of een dergelijk voorwerp op te kruipen; de huid van alle lichaamsdeelen wordt al droger en droger en barst eindelijk open van den nek tot voor op den kop. Deze deelen komen het eerst uit het nu overbodig geworden larveskelet te voorschijn, de pooten volgen en eindelijk komt ook het nog verborgen achterlijf voor den dag. Zoodra hare vleugels droog zijn, verheft de Libelle zich er mede in de lucht en beoefent hier het rooversbedrijf met nog grootere behendigheid dan gedurende den minder volkomen larvetoestand.

Er zijn tegenwoordig 1000 à 1100 soorten van Waternimfen bekend; zij zijn over alle werelddeelen verbreid, doch in de warme gewesten het talrijkst. Ongeveer 100 soorten bewonen Europa, waarvan 53 ons vaderland.

De Meerjuffers (Calopteryx) behooren tot de familie der Agrioniden, die in den imago-toestand kenbaar zijn aan den hamervormig verbreeden kop, waaraan de oogen steeds ver uiteenstaan, aan het cilindervormige, dunne achterlijf en aan de diepe spleet tusschen de beide binnenste kaaklobben, die onderling vereenigd zijn tot de middenlob van de onderlip; hare larven hebben staartkieuwen en een vlak masker. Bij het genoemde geslacht worden de engmazige vleugels naar den wortel allengs smaller; zij zijn bij het mannetje geheel of gedeeltelijk donkerblauw en zonder randstip, bij het wijfje verschillend van kleur. Bovendien vormen de "staarten" van het mannetje een tang. Een van de veelvuldigste en meest verbreide soorten is de 43.5 à 48 mM. lange Gewone Meerjuffer (Calopteryx virgo). Het wijfje heeft bruine vleugels met witte vleugelstip en een metaalachtig glinsterend, smaragdgroen lichaam; de donkerblauwe kleur van het mannetje herinnert aan een stalen pantser. Te gelijk met deze, in Juli en Augustus, vliegt de even lange Schitterende Meerjuffer (Calopteryx splendens); zij heeft smallere, doorzichtige vleugels, die bij het mannetje een blauwen dwarsband vóór de spits, bij het wijfje groene aders hebben.

Bij de Slankjuffers (Lestes) zijn de vleugels nog smaller, vooral het wortelgedeelte, dat op deze wijze een duidelijken steel vormt. In rust hebben zij een horizontalen stand. De mazen van het adernet zijn wijder, voor een deel vijfhoekig. De slanke, dunne larven ademen in het laatste tijdperk van haar waterleven uitsluitend door lange en breede staartkieuwen; haar zeer lang en smal masker reikt in rust tot aan de achterheupen. Van Juni tot October ziet men veelvuldig de 40 mM. lange Groene Slankjuffer, (Lestes viridis), die zich door hare glasheldere vleugels met groote, zwart omlijste vleugelstip onderscheidt; zij is bronsgroen met roodachtigen weerschijn.

De talrijke, aan fijne naalden herinnerende Juffertjes, die men bij zonnig weer aan den waterkant en tusschen het riet ziet dansen, waarbij de langzaam bewogen vleugels door een prachtigen glans de aandacht trekken, en die bij somber weer met bovenwaarts gerichte, tegen elkander aanliggende vleugels rusten, behooren tot verschillende geslachten, voor een groot deel echter tot dat der Slankjuffers (Agrion). Vooral de 35 mM. lange Schoone Slankjuffer (Agrion pulchellum) komt van Mei tot Augustus zeer algemeen voor. Haar rug is zwart met blauwe dwarsbanden op de meeste segmenten, blauwe strepen op het borststuk, een bronskleurigen weerschijn en 2 groote, lichte vlekken op het achterhoofd.

De beide nog overige familiën van Waterjuffers (Aeschnidae en Libellulidae), die gezamenlijk Glazenmakers (Anisoptera) worden genoemd, verschillen van de Agrioniden door forscheren lichaamsbouw en snellere, woeste vlucht, waardoor het ondernemen van rooftochten op grooteren afstand van 't water mogelijk wordt. Op 't eerste gezicht herkent men deze Waternimfen aan den grooten, halfbolvormigen kop, die voor een groot deel wordt ingenomen door de prachtig schitterende oogen, die elkander op de kruin ontmoeten en slechts bij een enkel geslacht (Gomphus) een kleine tusschenruimte overlaten. Hunne facetten kan men bij gunstige verlichting zonder vergrootglas onderscheiden. Vóór de oogen ligt het blaasvormig gezwollen voorhoofd, dat een derde deel van de oppervlakte van den kop bestaat en ter hoogte van de zeer kleine, borstelvormige sprieten door een dwarsgroeve in 2 deelen is gesplitst, die, vooral bij de Libelluliden, waar ook het achterste deel uitpuilt, duidelijk zichtbaar zijn. Op het voorste volgt de bovenlip, die als de klep van een pet de krachtige monddeelen van boven bedekt. De vleugels zijn in rust steeds horizontaal zijwaarts gericht. De achtervleugels overtreffen aan den wortel de voorvleugels aanmerkelijk in breedte; alle 4 leveren kenmerken ter onderscheiding van de geslachten: de "vleugeldriehoek" (een door dikke aders begrensd veld bij den vleugelwortel tusschen de 3e en de 5e der hier ontspringende, overlangsche aders) en het "bijvliesje" (een klein, min of meer halvemaanvormig, dikwijls gekleurd lobje aan den vleugelwortel). De larven hebben groote, samengestelde oogen en dunne, 7-ledige sprieten; zij ademen door darmkieuwen en missen dus de staartkieuwen of zwemplaatjes aan de achterlijfsspits.

Bij de Aeschniden dragen de zijlobben van de onderlip ieder een tastertje en zijn even groot als de middellob of kleiner dan deze; de vleugeldriehoeken zijn nagenoeg even groot in beide paren vleugels. De larven hebben een vlak masker, zijn langwerpig van vorm en aan de zijden van de laatste achterlijfsringen van stekels voorzien (fign. 1 en 2).

Tot de Gordeljuffers (Aeschna), zoo genoemd wegens de insnoering van haar achterlijf ter hoogte van den 2en ring, behooren de grootste en bontste Europeesche Glazenmakers. Men herkent ze gemakkelijk aan de oogen, die elkander boven op den kop volgens een lijn (niet slechts in één punt) aanraken. Haar lichaam is met blauwe en gele vlekken geteekend. Men ziet deze Insecten in den regel alleen, daar ieder zijn jachtgebied aanhoudend in woeste vlucht doorkruist en er niet licht een soortgenoot in duldt.

De algemeenst voorkomende, inheemsche soort is de Groote Gordeljuffer (Aeschna grandis); haar lichaam is roestbruin en minder gevlekt dan dat van hare verwanten; verscheidene van deze hebben op het blaasvormig gezwollen voorhoofd een T-vormige, zwarte vlek, die bij de genoemde soort ontbreekt. De zijden van het borststuk zijn getooid met 2 geelachtige strepen; blauwe vlekken komen voor op het midden van den rug tusschen de geelachtige vleugels en op het 3e achterlijfslid.

Bij de Libelluliden is de middellob van de onderlip veel kleiner dan de beide tasterlooze zijlobben. De samengestelde oogen raken elkander op de kruin in één punt. De vleugeldriehoeken der voor- en achtervleugels zijn zeer verschillend van vorm en grootte. De larven (fign. 4 en 5) zijn korter en dikker dan die der vorige familie en bezitten een helmmasker.

De Gewone Platbuik (Libellula depressa, fig. 3) heeft een sterk zijwaarts verbreed achterlijf, dat bij 't wijfje geelachtig bruin, bij het mannetje fraai hemelsblauw berijpt, bij beide langs den rand geel gevlekt is. Een groote, langwerpige en donkere vlek aan den wortel der voorste, een groote driehoekige aan dien der achterste vleugels, een roodbruine "basaalcel" tusschen de wortels van de 3e en de 4e overlangsche ader op alle 4 vleugels en minstens 10 dwarsaders aan den voorrand van den vleugelwortel tot aan het "knoopje" (het eenigszins samengeknepene, door dikke dwarsaders gekenmerkte plekje op het midden van den voorrand) onderscheiden deze soort van hare talrijke verwanten. Van Mei tot Juli ziet men dit 42 mM. lang Insect (70 mM. vlucht) bij moerassen en op vochtige weilanden.

Van Mei tot Augustus ontmoet men op dezelfde plaatsen den iets grooteren Viervlekkigen Platbuik (Libellula quadrimaculata); deze heeft een minder breed achterlijf, doch ongeveer dezelfde kleur, hoewel het mannetje niet blauw berijpt is. De soortnaam is ontleend aan de donkere vlek op het knoopje van alle vleugels, die bovendien aan den wortel safraangeel zijn.

Beide soorten hebben nu en dan de algemeene aandacht getrokken door ontzaglijk groote zwermen te vormen en verre tochten te ondernemen. Sedert 1673 worden meer dan 40 zulke gevallen vermeld; meestal bestonden de zwermen uit Libellula quadrimaculata, soms uit Libellula depressa, een enkele maal uit een Agrion-soort.

De Insecten, die men onder den naam van Knagers (Corrodentia) samenvat--de Houtluizen, de Termieten en de Vachtluizen--gelijken op de reeds genoemde leden der orde door het bezit van 2 paar gelijkaardige, vliezige vleugels (bij sommige ontbreken deze organen of zijn zij rudimentair), maar verschillen er van, doordat zij, als larve en als imago, op het droge leven en zich met droge, plantaardige of dierlijke stoffen voeden.

De Houtluizen (Psocidae) zijn kleine, platte Insecten met lange, borstelvormige sprieten, zonder liptasters en met 2- of 3-ledigen voet. De meeste vindt men op boomen en struiken; o.a. geldt dit van de Houtluizen i.e.z. (Psocus). Haar naam zou aanleiding kunnen geven tot een verkeerde voorstelling van den lichaamsvorm. De kop, die het geheele voorborststuk aan de rugzijde bedekt, breidt zich ook in de overige richtingen sterk uit: naar de zijden door de uitpuilende, samengestelde oogen, naar voren door een blaasvormige opzwelling van het voorhoofd. Vóór de 3 bijoogen zijn de 8-ledige, borstelvormige sprieten aangehecht, welker lengte die van het lichaam overtreft. De vleugels bedekken dakvormig het korte, eivormige, 9-ledige achterlijf, steken er ver achter uit en bevatten weinige aders. Deze diertjes voeden zich waarschijnlijk met korstmossen en droge plantendeelen. De larven vertoonen geen eigenaardige verschijnselen. Opmerkelijk is echter de beschutting, die het wijfje verschaft aan hare op bladen gelegde eieren door draden uit spinklieren, welker afvoeropening aan de onderlip voorkomt. Er zijn wel meer spinnende, geslachtsrijpe Insecten, o.a. de Pekzwarte Watertor; geen enkele echter spint met den bek. De Vierstippelige Houtluis (Psocus quadripunctatus) b.v. legt 5 à 16 eieren tusschen bladnerven en bedekt ze met spinsel, zoodat het geheele eierenhoopje, op eenigen afstand gezien, het voorkomen heeft van een vischschub.

De gestreepte Houtluis (Psocus lineatus) is de grootste Europeesche soort; als de vleugels in rust verkeeren, is de afstand van hun spits tot het voorhoofd 6.5 mM. waarbij nog komt 11 mM. door de zwarte, aan den wortel lichtbruine sprieten. De grondkleur is geel (op de pooten lichtbruin), de teekening zwart.

Twee ongevleugelde soorten, bekend onder den naam van Stofluisjes of Boekenluisjes, komen in onze woningen voor: de 1.3 mM. lange Troctes divinatorius bewoont geheel Europa en Noord-Amerika en heeft de sprieten bijna even lang als het lichaam; de 2 mM. lange Atropos pulsatorius heeft ze nog langer. (Wegens het betrekkelijk krachtige, tikkende geluid, dat dit luisje maakt, wordt het Doodskloppertje genoemd.) Beide leven tusschen oude papieren, in herbariën, kasten voor insecten-verzamelingen, stoffige hoeken van kamers; zij voeden zich met het hier aanwezige stof; maar knagen ook in de musea de schubben van de vlindervleugels af en zoeken altijd de duisternis op.

De Termieten (Termitidae) heeten in Suriname Houtluizen, daar en elders ook wel Witte Mieren, omdat zij groote maatschappijen vormen, die behalve gevleugelde mannetjes en wijfjes ook ongevleugelde, onvruchtbare individuën bevatten, gemeenschappelijk nesten bewonen en werkzaamheden verrichten ten bate van de maatschappij; overigens verschillen zij door haar lichaamsvorm en onvolkomen gedaantewisseling en in verschillende andere opzichten aanmerkelijk van de Vliesvleugeligen, waarmede men ze vergelijkt.

De Termieten hebben een langwerpig lichaam, dat nagenoeg overal even breed, van boven eenigszins afgeplat, van onderen bol is; de vrij beweeglijke, schuinsch of loodrecht naar onderen gerichte kop, maakt met het borststuk ongeveer de helft van de totale lengte uit; de pooten hebben een 4-ledigen voet. De geslachtsdieren hebben 4 lange vleugels van gelijke grootte met een dwarsnaad aan den wortel, die na den paartijd afgeworpen worden. Van de vier overlangsche vleugeladers gaan in schuinsche richting onderling evenwijdige of ook wel éénmaal gegaffelde takken uit. De samengestelde oogen puilen aan de zijden van den kop uit; dicht bij hun binnenrand staan de enkelvoudige oogen, waarvan er slechts 2 zijn, dicht bij hun voorrand de 13- à 20- (soms 27-)ledige sprieten, die hoogstens een weinig langer zijn dan de kop. Krachtig ontwikkelde knaagorganen omgeven de mondopening: van boven de schelpvormig gezwollen bovenlip, daaronder de stomp eindigende bovenkaken, die aan den binnenrand 4 à 6 tandjes dragen, voorts de onderkaken, ieder samengesteld uit een in twee tandjes eindigende binnenste lob, een hooger gelegen, sabelvormig gekromde buitenste lob (den "helm") en een 5-ledigen taster, ten slotte de onderlip, die uit 4 lobben bestaat, waarboven de 3-ledige liptasters zich slechts weinig verheffen.--De drie borstringen zijn gelijk van grootte; haar breedte overtreft de lengte; het rugschild van iederen ring is een platte, zijdelings slechts weinig uitstekende chitine-plaat. De pooten zijn slank, maar krachtig. De vleugels zijn in rust horizontaal achterwaarts gericht, bedekken elkander en het achterlijf en steken ver achter het einde van 't lichaam uit.--Aan het achterlijf merkt men van boven 10, van onderen slechts 9 ringen op.--De kleur der Termieten biedt weinig afwisseling aan en is in den regel op alle lichaamsdeelen nagenoeg gelijk. Men vindt bij hen alle tinten van bruin tot zwart en van bruin tot geel. Voor individuën van dezelfde soort verschilt de kleur met den leeftijd; de jongen hebben steeds de gele kleur van oud ivoor.

De larven zijn aanvankelijk klein, teer en sterk behaard; de 3 afdeelingen van den stam zijn niet scherp gescheiden, de oogen onduidelijk, de sprieten kleiner dan bij het volkomen Insect; van de vleugels zijn zelfs geen sporen te zien; deze vertoonen zich allengs na verscheidene vervellingen; de lichaamshuid wordt doorzichtiger, maar mist nog de noodige stevigheid. Eindelijk strekken de vleugels zich langs de zijden van het lichaam tot aan den 6en ring uit; in dezen toestand wordt het dier soms pop (nympha) genoemd.

Koningen en Koninginnen noemt men die leden van de Termieten-maatschappij, welke geschikt zijn om de soort in stand te houden. Zij hadden oorspronkelijk vleugels, maar hebben deze afgeworpen, toen zij na een korten zwermtijd in de gemeenschappelijke woning terugkeerden. Het achterlijf van het wijfje heeft zich dikwijls tot een wanstaltige grootte uitgezet (fig. 3), zoodat de kop en het borststuk er nog veel sterker bij afsteken dan bij een volgezogen Hondeteek. De opzwelling gaat gepaard met het groeien of rekken der verbindingsvliezen; de chitine-platen der segmenten liggen als donkere, door groote tusschenruimten gescheiden vlekken op dezen geelachtig witten zak, die tot barstens toe gevuld is met eieren. Slechts van zeer weinige soorten kent men de koningin. Het aantal geslachtsrijpe dieren in ieder nest is gering, veel grooter dat der zoogenaamde arbeiders en soldaten; deze hebben nooit vleugels gehad en verschillen van elkander hoofdzakelijk door den vorm van den kop en de grootte. De volkomen ontwikkelde arbeider is niet veel kleiner dan zijne gevleugelde soortgenooten, maar blijft door de geringere ontwikkeling van het borststuk iets korter. Zijn kop heeft een bijna loodrechten stand, mist bij de meeste soorten de oogen en is een weinig boller, maar komt overigens, wat maaksel betreft, met dien der geslachtsdieren overeen. Het borststuk vertoont belangrijke afwijkingen, daar het nooit vleugels draagt: de voorste ring is zeer smal en de beide volgende zijn van achterlijfsringen niet te onderscheiden. De soldaten gelijken volkomen op de arbeiders, maar zijn grooter en hebben een zeer sterk ontwikkelden kop; deze maakt niet zelden de helft van het geheele lichaam uit. Bij alle soldaten steken de bovenkaken op dreigende wijze vooruit; niet zelden is haar lengte gelijk aan het derde deel van die van den kop; soms zijn zij zelfs langer dan deze; de onderkaak en de onderlip daarentegen zijn zeer klein. Het verschil tusschen de arbeiders en de soldaten begint eerst na de tweede vervelling merkbaar te worden. Hagen heeft bij het geslacht Eutermes nog een derde "kaste" van geslachtlooze individuën aangetroffen; deze hebben een nog vreemdsoortiger voorkomen, daar het voorste deel van den kop bij hen neusvormig verlengd is: overigens komen zij met de soldaten en arbeiders overeen; zij worden neusdragers (nasuti) genoemd.

De geslachtsdieren met de onvruchtbare arbeiders en soldaten vormen gezamenlijk een maatschappij, welker woning wij "nest" zullen noemen, zonder voorloopig te letten op haar vorm en inrichting. In het nest komen de leden van de beide laatste "kasten" op verschillende trappen van ontwikkeling steeds in grooten getale voor; bovendien kan men er zeker van zijn, dat het steeds minstens één koningin bevat, hoewel men deze er niet altijd in gevonden heeft; de gevleugelde mannetjes en wijfjes vindt men er slechts gedurende korten tijd en wel, naar het schijnt, bij den aanvang van het regenseizoen. Zoodra hun ontwikkeling is afgeloopen en de kolonie aan overbevolking lijdt, heeft, evenals bij de Mieren, het zwermen plaats. De paring geschiedt in de lucht, of zoodra de dieren, na volbrachte reis, weer vasten grond onder de voeten hebben en hun de vleugels bij den dwarsnaad zijn afgebroken. Bates, die het zwermen van de Termieten in Amazonië heeft waargenomen, verhaalt, dat het 's morgens bij bewolkte lucht of op sombere, vochtige avonden plaats heeft. In 't laatstgenoemde geval oefent het licht in menschelijke woningen op de Termieten dezelfde aantrekking uit als op alle andere bij avond vliegende Insecten. Bij myriaden vliegen zij door de deuren en vensters naar binnen, veroorzaken een sterk ratelend gedruisch en blusschen de lampen uit. Rengger maakt in zijn "Reis naar Paraguay" melding van het vreemdsoortige schouwspel, dat deze dieren opleveren, wanneer zij uit den grond opstijgen als een "zuil", die, door de zon verlicht, uit zilveren loovertjes schijnt te bestaan.

Tallooze vijanden--Mieren, Spinnen, Hagedissen, Padden, Vleermuizen, Geitenmelkers--storen het bruiloftsfeest van de Termieten en maken gretig jacht op de weerlooze schare; de weinigen, die den dood ontloopen, worden koning en koningin over een nieuwen staat. Door een gunstig toeval is de onderzoeker soms in de gelegenheid deze potentaten met een gering aantal arbeiders in de eerste beginselen van hun toekomstig nest waar te nemen.