Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 42

Chapter 423,457 wordsPublic domain

Bij verscheidene soorten van Bijen (o.a. van de geslachten Andrena, Halictus en Bombus) en Wespen (b.v. Polistes) ziet men soms aan de rugzijde, tusschen twee achterlijfsringen, een knobbeltje (zelden 2, bij uitzondering meer) naar buiten treden; dit is het voorste gedeelte van een in haar lichaam parasiteerende Stylopiden-larve, die nu volwassen is. Zij heeft gedurende haar leven als woekerdier allerlei vroeger aanwezige organen (oogen, monddeelen, pooten) en zelfs de geleding van het voorste deel van den stam verloren: de kop en de 3 voorste rompsegmenten zijn bij dit madevormig wezen tot een "kopborst" (cephalothorax) versmolten. Alleen deze en de eerste ring van het 9-ledige achterlijf verheffen zich boven de huid van de "gestylopiseerde" Bij of Wesp. De meeste, zoover gevorderde Stylopiden-larven doorloopen, zonder van plaats te veranderen, in 1 of 2 weken het geheele popstadium en worden gevleugelde mannetjes. De opening, door het afvallen van het bovenste kapje der larvehuid gevormd, stelt hen tot wegvliegen in staat. De overige vervellen zonder de larvehuid te verlaten en zonder van vorm te veranderen. Toch zijn zij nu geslachtsrijpe wijfjes geworden. Zij brengen, na paring, levende jongen voort uit hare door het geheele lichaam verspreide eieren, maar sterven spoedig daarna. De larven zijn 0.1 mM. lang, wanneer zij zich, na het verlaten van de larvehuid der moeder, aan de oppervlakte van de Bij of Wesp vertoonen. Door dit Insect gedragen, komen zij in een nest, waar zij in de gelegenheid zijn de hier aanwezige maden te stylopiseeren. De ontwikkeling van den parasiet houdt ongeveer gelijken tred met die van zijn gastheer en veroorzaakt dezen, naar het schijnt, geen nadeel. Hierdoor vormen de Strepsipteren een uitzondering op hunne bij Insecten parasiteerende beroepsgenooten. Korten tijd nadat de jonge Bij of Wesp de pophuid verlaten heeft, komt de rijpe Stylopiden-larve op de hierboven aangeduide wijze te voorschijn.

Het mannetje verkeert gedurende de weinige uren van zijn leven in groote onrust; hij vliegt of loopt onverpoosd rond; bij het loopen blijven zoowel de tot stompjes verminderde voorvleugels (a) als de overlangs geplooide, omvangrijke achtervleugels aanhoudend in beweging. Aan den kop merkt men onevenredig groote, samengestelde oogen met zeer grove facetten en 4- à 6-ledige, meestal gegaffelde sprieten op.

ZEVENDE ORDE.

DE RECHTVLEUGELIGEN (Gymnognatha, Orthoptera).

Alle tot dusver behandelde Insecten zijn gedurende het eerste tijdperk van hun leven larven, nemen vervolgens een andere gedaante aan en verkeeren een tijdlang als poppen in een toestand van rust, gebruiken geen voedsel, totdat zij ten slotte als geslachtsrijpe Insecten--Kevers, Vlinders, Wespen, Vliegen--een nieuwe periode van werkzaamheid aanvangen. De beide nu nog overige Insectenorden onderscheiden zich van alle vorige door de ontwikkelingswijze harer leden, die met een onvolkomen gedaantewisseling gepaard gaat, bij sommige zelfs zonder vormsveranderingen, die den naam van "metamorphose" verdienen, haar beslag krijgt. De Kevers, Vlinders, Wespen, Vliegen en Vlooien kunnen in den imago-toestand gemakkelijk als leden van verschillende orden herkend worden; de kenmerken, waarop deze onderscheiding berust, zijn hun als 't ware op 't voorhoofd geschreven; reeds bij uitwendig onderzoek merkt men ze duidelijk op. Bij de Netvleugeligen zagen wij de bedoelde, op verwantschap wijzende verschijnselen minder sterk op den voorgrond treden; de samenhang van de leden dezer orde bleek niet bij allen uit het maaksel der vleugels, evenmin uit het verschil tusschen den eersten borstring en de beide volgende afdeelingen van het borststuk, doch alleen uit de bijtende monddeelen en de volkomen gedaantewisseling. In nog hoogere mate dan bij de Netvleugeligen zal men vaagheid opmerken in de begrenzing van de beide nog overige orden van Insecten. De monddeelen leveren ook hier de belangrijkste kenmerken ter onderscheiding: bij sommige zijn zij bijtend, over 't algemeen bruikbaar en niet zelden tot zwaren arbeid in staat; bij andere vormen zij een voor 't zuigen geschikten snavel. Deze worden daarom "Snavelinsecten" genoemd; gene zou men, in navolging van sommige Duitsche schrijvers, "Kauwinsecten" kunnen noemen, maar worden gewoonlijk aangeduid als "Rechtvleugeligen", een naam, die alleen op de kern der orde, op de Sprinkhanen en hunne verwanten, letterlijk past. Tot beide orden behooren n.l., behalve gevleugelde, ook ongevleugelde Insecten; bij beide zijn er, welker voorvleugels min of meer hoornachtig zijn, nevens andere met uitsluitend vliezige vleugels, welke al of niet een netvormig aderstelsel bezitten.

Onder Rechtvleugeligen (Orthoptera) verstaan wij dus alle Insecten met kauwende monddeelen, vrij voorborststuk en onvolkomen gedaantewisseling. De dus omschreven groep omvat zoowel zeer laag als betrekkelijk hoog georganiseerde wezens, zoowel de ongevleugelde Springstaarten onzer wouden en plassen en de eveneens vleugellooze, zilverachtig glinsterende Suikergasten onzer provisiekamers, als de Oorekruipers, Kakkerlakken, Krekels en Sprinkhanen, benevens de Termieten en de Waternimfen. Deze verscheidenheid van vormen heeft aanleiding gegeven tot een splitsing in vele afdeelingen; gewoonlijk neemt men er 9 aan, waaraan hier den rang van onderorden wordt toegekend, maar die, de eene met meer, de andere met minder recht, door vele schrijvers als afzonderlijke orden worden beschouwd. Het zijn: 1o de Perlariën (Plecoptera), 2o de Haften (Agnatha), 3o de Waternimfen (Odonata), 4o de Knagers (Corrodentia), 5o de Blaaspootigen (Thysanoptera), 6o de Echte Rechtvleugeligen (Orthoptera genuina), 7o de Oorwormen (Dermatoptera), 8o de Springstaarten (Collembola), 9o de Franjestaarten (Thysanura).

Behalve in de drie genoemde opzichten is er bij deze Insecten ook nog overeenkomst op te merken in het maaksel der onderlip en de samenstelling van het achterlijf. Bij nagenoeg allen is de oorspronkelijke vorm van het 3e paar kaken in zoover behouden gebleven, dat men van het ontstaan der onderlip door vergroeiing van 2 links en rechts van het middenvlak geplaatste organen en van haar overeenstemming met de onderkaken (of kaken van het 2e paar) nog duidelijke bewijzen waarneemt. Afwijkingen vertoonen de Waternimfen, die, wat de monddeelen betreft, het naast aan de grens van de orde staan, de Haften, met rudimentaire, en de Blaaspootigen, met voor 't zuigen geschikte monddeelen. Bij verreweg de meeste Rechtvleugeligen is het typische aantal van 10 achterlijfsringen volledig voorhanden; bij enkele is het zelfs door secundaire deeling tot 11 vermeerderd. Een uitzondering vormen echter de Springstaarten, welker achterlijf uit niet meer dan 6 vrije segmenten bestaat.

Bij gevleugelde soorten kan men de larve aan het gemis van vleugels gemakkelijk van het imago onderscheiden. Beginsels van vleugels ontwikkelen zich bij haar langzamerhand na herhaalde vervellingen. Bij ongevleugelde soorten bepaalt zich het verschil tusschen imago en larve tot het geringer aantal sprietleden en oogfacetten bij deze, en is dus veel moeielijker aan te toonen. Als het imago slechts vleugelstompjes heeft, zullen deze bij de larve in haar laatste ontwikkelingstijdperk ook aanwezig zijn; meestal ligt dan echter het achterste stompje op het voorste, inplaats van omgekeerd.

Het aantal der Rechtvleugeligen, die door vorm, kleur of grootte de aandacht trekken, is in verhouding tot het geheele aantal soorten, dat op 6000 wordt geschat, niet onbelangrijk. Deze orde is over de geheele wereld verbreid, hoewel sommige familiën uitsluitend de tropische gewesten bewonen. Sommige soorten kunnen ontzaglijk groote zwermen vormen, en, voor zoover zij zich met plantaardige stoffen voeden, den mensch veel schade veroorzaken, daar zij in hare beide ontwikkelingstoestanden door geen andere Insecten in vraatzucht overtroffen worden. Andere (dierenetende) leden der orde doorkruisen de lucht om buit op te sporen en zijn nuttig door het verdelgen van allerlei ongedierte.

Tot de Rechtvleugeligen, en wel tot de Franjestaarten, behooren, naar men meent, de Insecten, die door hun eenvoudige organisatie het meest gelijken op den hypothetischen stamvorm der geheele klasse; waarbij echter dient te worden opgemerkt, dat de alleroudste fossiele Franjestaarten in barnsteen (dus niet vóór het tertiaire tijdvak) gevonden werden. De alleroudste Insecten, waarvan men fossielen kent, behoorden, volgens Zittel, tot de Palaeodictyoptera, die reeds in de Devonische afdeeling van het primaire tijdvak leefden, gedurende de vorming der steenkolen- en dyas-lagen het talrijkst waren en in geen jongere lagen dan die van het trias aangetroffen zijn. Uit dezen stam zijn in den aanvang van laatstgenoemde tijdperk de Echte Rechtvleugeligen, de Netvleugeligen en eenige familiën van Kevers ontsproten, later, bij den aanvang van de lias-afdeeling van de secundaire periode ook de zoogenaamde Valsche Netvleugeligen (zie onder), de Snavelinsecten en de meeste overige Insecten-orden. (Alleen de Vlinders en de Kringnadige Tweevleugeligen zijn niet ouder dan de Jura-lagen). De Rechtvleugeligen, Netvleugeligen en Snavelinsecten bereikten in het secundaire tijdvak hun hoogsten bloei; zij overvleugelden destijds alle overige orden, die hen thans in soortenrijkdom verre overtreffen.

De Perlariën, Haften, Waternimfen, Knagers en Blaaspootigen vat men dikwijls samen onder den naam Valsche Netvleugeligen (Pseudoneuroptera), omdat zij vroeger tot de Netvleugeligen werden gerekend. Den naam Amphibische Rechtvleugeligen (Amphibiotica) verdienen de leden der 3 eerstgenoemde groepen, omdat hunne larven in 't water leven en in verband hiermede meer dan alle overige Orthopteren-larven verschillen van de geslachtsrijpe Insecten. Deze hebben geen andere dan naakte, vliezige, gelijksoortig gebouwde vleugels, in den regel 4; bij de Haften echter ontbreken niet zelden de achterste; deze zijn steeds aanmerkelijk kleiner dan de voorste. Bij de Perlariën daarentegen zijn de achterste vleugels breeder dan de voorste, waaronder zij zich in rust, overlangs geplooid, verbergen. De Haften en de Waternimfen plooien de vleugels niet; bij de laatstgenoemde zijn zij alle 4 nagenoeg volkomen gelijk van grootte en netsgewijs geaderd. Ook bij sommige Haften komen zoowel dwarse als overlangsche aders in zeer grooten getale voor. Bij andere Haften hebben de overlangsche aders de overhand, hetwelk bij de Perlariën regel is. De monddeelen zijn de Waternimfen krachtig, bij de Perlariën zwak, bij de Haften onvolkomen ontwikkeld.

Als voorbeeld van de Perlariën (Plecoptera, Perlidae), waarvan men 20 inlandsche soorten kent, noemen wij de Tweestaartige Oevervlieg (Perla bicaudata). De kop is roodgeel, het overige lichaam bruingeel; op den rug van het voorborststuk zijn 2 vlekken, een striem in 't midden en de rand donkerder. Twee lange, veelledige "staarten" (cerci) geven aanleiding tot den soortnaam; dergelijke organen hebben de meeste leden der orde.

Terzelfder tijd en op dezelfde plaatsen als de Kokerjuffers en de Watergaasvliegen ziet men de Perlariën met horizontaal op den rug rustende vleugels zitten, of, indien zij gestoord worden, loopen. Zij vliegen niet lang achtereen en worden eerst tegen den avond iets vlugger. Het wijfje verzamelt de talrijke eieren in een kuiltje aan de buikzijde van 't achterlijf en laat ze bij klompen in 't water vallen, terwijl zij er overheen vliegt. De hieruit komende larven gelijken zeer veel op het volkomen Insect, wanneer men de ontbrekende vleugels (waarvan de beginsels zich trouwens spoedig vertoonen) buiten rekening laat. De lange haren langs de dij en de scheen maken de pooten beter geschikt voor 't zwemmen. Van deze beweging houden de Perlariën niet veel. Liever loopen zij op den bodem van 't water rond of liggen hier tusschen steenen of in den modder in hinderlaag, loerend op haar prooi, die hoofdzakelijk uit larven van Haften bestaat. Bij de meeste komen aan de borst bundels van gesloten buisjes voor; dit zijn de tracheeën-kieuwen, die de in 't water opgeloste zuurstof aan het luchtbuizenstelsel toevoeren en hieruit koolzuur verwijderen; ademgaten bezitten zij niet.

De Haften (Agnatha) hebben een slank, bijna rolrond lichaam, bedekt met een zeer teere huid, eindigende in 3 (soms 2) geleden "staarten", die niet zelden 2/3 van de totale lengte uitmaken, b.v. bij het mannetje van Ephemera vulgata (bij het wijfje zijn zij even lang als het lichaam). Daar zij den naam Eendagsvliegen (Ephemeridae) werkelijk verdienen en soms ternauwernood 24 uur in den imago-toestand leven, hebben zij geen voedsel noodig en wijden zich uitsluitend aan de voortplanting. De sierlijke vleugels zijn in rust vertikaal naar boven gericht. Het merkwaardigste feit uit haar ontwikkelingsgeschiedenis, een verschijnsel, dat bij geen ander Insect voorkomt, is, de vervelling, die zij in gevleugelden toestand, buiten het water dus, ondergaan; zelfs van de vleugels wordt de huid afgeworpen. Men noemt haar daarom aanvankelijk sub-imago. De afgeworpen huid blijft in haar geheel, alsof het Insect zich er nog in bevindt, vastgehecht aan het voorwerp, waarop het sub-imago zich neerzette om in den imago-toestand over te gaan. Hieraan is waarschijnlijk de naam "Haft" ontleend.

Een tooverachtig schouwspel leveren deze sylphiden, wanneer zij op een stillen Mei- of Juniavond in haar gazen bruiloftskleed, door de gouden stralen van de ondergaande zon verlicht, in de zoele lucht dansen. Hier te lande ziet men ze het best in Mei; dan vliegt het Gewone Haft (Ephemera vulgata), onze grootste en algemeenste soort. Zonder de staartborstels is zij 17 à 19 mM. lang. Eenige oranjegele vlekken op het achterlijf en het afwisselen van lichte en donkere ringen op de 3 onderling gelijke "staarten" vroolijken haar donkerbruin kleed een weinig op. Zij heeft driehoekige voorvleugels met een bruine, afgekorte streep over het midden en met donkere aders, die een dicht netwerk vormen, waarvan de tusschenruimten doorzichtig zijn. Als larve draagt zij aan iedere zijde van het achterlijf 6 bundels van tracheeënkieuwen, aan den kop fijn behaarde sprieten en lange, sikkelvormig gekromde bovenkaken. De pooten hebben één eindklauw, zijn aan de zijden gewimperd, doch overigens glad. Door den forschen bouw van de dij en de scheen zijn de voorpooten geschikt om in zandige oevers horizontale gangen te graven, die een diepte van 52 mM. kunnen bereiken; meestal zijn er 2 naast elkander; het dunne tusschenschot heeft van achteren een opening, zoodat de larve zich in haar woning niet behoeft om te keeren. Zij voedt zich met bestanddeelen van de slib en vangt misschien ook levende dieren.

Het Gewone Oeveraas (Palingenia horaria) is grootendeels melkwit; de voorvleugels hebben een zwarten buitenrand, de voorpooten een zwarte dij en scheen. Dit geslacht kenmerkt zich door lichtkleurig geaderde, ongevlekte, niet doorzichtige vleugels en doordat de middenstaart korter is dan de zijstaarten.

Een zeer opmerkelijke eigenaardigheid van sommige soorten van Haften, vooral van het Oeveraas, is, dat zij zich soms in zulk een ontzaglijke groote menigte vertoonen, te meer opmerkelijk, omdat de levensduur van elk dezer wezens zoo buitengewoon kort is. Over 't algemeen krijgt men het Oeveraas ieder jaar slechts gedurende enkele dagen, of liever avonden, te zien; daarna verdwijnt het spoorloos, totdat in het volgende jaar de tijd van voortplanting voor deze soort weer aanbreekt. Zij houdt zich zoo strikt aan dezen regel, dat de landbouwer den oogsttijd van verschillende producten niet met meer zekerheid kan bepalen, dan de visschers de verschijning van het Oeveraas op een bepaalde rivier voorspellen. Tusschen 10 en 15 Augustus verwachten de visschers van de Seine en de Marne de Haften, die Réaumur met den naam Palingenia virgo aanduidt (thans Polymittarcys virgo). Zij noemen hen "Manna", zeggen in den bedoelden tijd: "het manna begint te komen" of "er is van nacht veel manna gevallen", en doelen hiermede op de ontzaglijk groote hoeveelheid voedsel, die de Haften aan de Visschen verschaffen, of op den overvloed van Visch in hunne netten. Elders zijn zij bekend onder den naam van "Augustusvliegen", bij verkorting "Aust".

"De myriaden Haften," verhaalt Réaumur, "die boven den stroom en boven den oever, waarop ik stond, door de lucht warrelden, trotseeren iedere beschrijving. Bij de hevigste sneeuwbui is de lucht niet zoo vol vlokken, als hier met Haften. Binnen eenige minuten zag ik de dikte van de laag Insecten, die den bodem bedekte, met 5 à 10 cM. toenemen. Beneden mij zag ik een plek van 1.5 à 1.8 M. middellijn, waar de waterspiegel geheel onzichtbaar was door de menigte der neervallende dieren, die, naarmate de stroom ze medevoerde, telkens weer door nieuwe vervangen werden. Verscheidene malen zag ik mij genoodzaakt van plaats te veranderen, omdat ik den stortvloed van Haften niet langer verdragen kon; zij vielen niet steeds in dezelfde schuinsche richting als regendroppels naar beneden, maar kwamen telkens van alle zijden op een zeer onaangename wijze in aanraking met mijn aangezicht; de oogen, de neus en de mond geraakten er door verstopt. Het was geen pleizierige taak bij deze gelegenheid als fakkeldrager dienst te doen. De kleederen van dezen man waren in weinige oogenblikken met Haften bedekt, als 't ware besneeuwd. Tegen 10 uur eindigde dit merkwaardige schouwspel. Eenige nachten later kwam het opnieuw voor; toen vertoonden de Haften zich echter in geringeren getale. Volgens de visschers valt de hoofdmassa van het "manna" gedurende 3 opeenvolgende dagen; zoowel vóór als na dien tijd ziet men echter enkele exemplaren. Hoe ook de temperatuur van den dampkring moge zijn, laag of hoog, steeds heeft het zwermen 's avonds terzelfder tijd plaats; het neemt een aanvang tusschen kwart over acht en half negen; tegen 9 uur zijn de Insecten zoo talrijk, dat zij op rondwarrelende sneeuwvlokken gelijken; in het volgende half uur is hun aantal het grootst en om 10 uur vertoonen zich slechts enkele individuën. In minder dan 2 uren ziet men dus deze ontzaglijke groote menigte Haften de rivier, waarin zij als larven leefden, verlaten, rondvliegen, de voor haar bestemde taak volbrengen en--verdwijnen. Een groot deel valt in het water en verschaft aan de Visschen een overvloedig maal, aan de visschers een rijke vangst."

Palingenia longicauda verschijnt boven eenige onzer groote rivieren tusschen 10 en 23 Juni, gewoonlijk gedurende een drietal avonden, in ontzaglijk groote zwermen, die aan sneeuwbuien doen denken; dit verschijnsel is in Hongarije onder den naam van "Theisblüte" bekend.--Niet slechts in Frankrijk, maar ook in andere landen weten de visschers voor hun bedrijf partij te trekken van het zwermen der Haften. Zij lokken deze naar hunne schuiten door hierop stroo te branden: met verschroeide vleugels vallen de Insecten in het water, waar de Visschen hen opwachten, die op hun beurt in de netten den dood vinden. Ook worden de Haften wel verzameld en met een weinig leem tot ballen gekneed, die bij het visschen als lokaas dienst doen.

De kabbelende golfjes van een rustig vlietende beek omspoelen de stengels van de waterplanten aan haar zoom, zoodat zij, en vooral de boven alles uitstekende riethalmen, zelfs bij onbewogen lucht zachtjes ruischen. Een steenen poort stelt het stroompje in staat om ook aan gene zijde van den spoordam, die als een muur de vlakte doorsnijdt, zijn weg te vervolgen en een aangename koelte te verbreiden over de elkander afwisselende, bont getooide weilanden en rijk gezegende akkers langs de oevers. De van afstand tot afstand opschietende struikwilgen, het weliger groeiende gras, dat hier en daar afgebroken wordt door de lichtroode groepen van bloeiende hoofdjes van de rosse munt en door de slanke, bloedroode aren van de kattestaart, teekenen de slangsgewijze kronkelingen van het smalle pad, waarlangs het water zich beweegt. Op het levenslustige Insectenvolk, dat langs de bloemrijke oevers zwiert, oefent het water een bijzondere aantrekking uit. Het riet, de wilgetwijgen, het metselwerk van de brug en andere voorwerpen langs de beek, of in de omgeving van een plas te midden van het weiland, zijn van Juli af de meest geliefde rustplaatsen van de slanke, blauwe of groene, metaalachtig glinsterende Juffertjes (Agrionidae). Met schommelende vlucht, meer fladderend dan vliegend, zweven zij van deze plant naar gene, wiegelen zich op een blad, verwisselen dit voor een ander, zoodra het eerste haar niet meer bevalt en houden in rust de vleugels steeds, als de Dagvlinders, loodrecht omhoog gericht. Tijdverdrijf schijnt het hoofddoel van haar beweging te zijn, hoewel zij niet nalaten, terloops hier een Mugje, daar een Vliegje te vangen en onmiddellijk te verslinden.

Andere Waterjuffers of Waternimfen, gemiddeld grooter dan de zooeven bedoelde, leeren wij in haar volle wildheid het best kennen op opene plekken in het bosch, vooral in tijden als de onweer voorspellende zwoelheid van de lucht ons het ademen bemoeilijkt. Hoe drukkender de weersgesteldheid is, des te teugelloozer en vrijer zwieren ons, telkens opnieuw, in woeste vlucht slanke Insecten langs het hoofd. Voor hen heeft ons volk de namen Korenbouten, Sparrebouten, Sparren en Glazenmakers, Paarden-, Bijen-, Puisten-, Vileinen-, Bleinen-, Wratten- en Waardenbijters, Donderbolken of -bolten, Hengsten en Vliegende Garnalen uitgedacht. Zij vormen de familiën der Libellulidae en Aeschnidae. Vooral wanneer onweersbuien in aantocht zijn of zich ontlasten, gedragen deze Insecten zich zeer onrustig. Hier gaat er een vóór ons op een boomstam of op den weg zitten: prachtig iriseeren zijne fijnmazige, lange vleugels in alle kleuren. Slechts één oogenblik kunnen wij het bewonderen: met even woeste vaart als het gekomen is, vliegt het heen. Snoerrecht, als een Roofvogel, schiet het neer op een ongelukkige Vlieg, gunt zich den tijd niet den buit zittend te verslinden, maar doet vliegend zijn maal en loert intusschen met de buitengewoon groote oogen op een nieuwe prooi. Vele houden er van voortdurend in een kring rond te vliegen, vooral over tamelijk groote watervlakten, intusschen alles vangend en verslindend wat binnen hun bereik komt, waarbij zij ook concurreerende soortgenooten niet zelden door eenige beten uit hun jachtgebied verdrijven. Door deze en dergelijke handelingen en door haar onvermoeidheid bij 't vliegen leveren de Libellen bijna overal, in het koude Lapland niet minder dan in de heete gewesten van Nieuw-Holland, op warme dagen, bij ons van Mei tot in den herfst, een aangename tijdkorting voor den wandelaar, die hare gangen bespiedt. Bij ruw en winderig weer blijven zij stil zitten en laten zich veel gemakkelijker met de vingers vangen dan anders met de beste vangwerktuigen, hoe behendig deze ook gehanteerd worden.