Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 41
Tot de eerste behooren de merkwaardige Mierenleeuwen (Myrmeleon, juister: Myrmecoleon), die gemakkelijk herkend en van Glazenmakers onderscheiden kunnen worden aan hunne korte, platgedrukte, naar den top knotsvormig verdikte sprieten en de 4 langwerpige, spits eindigende bijna gelijke, netswijs geaderde vleugels. De ronde, ongedeelde oogen puilen sterk uit en verschaffen aan den korten kop een groote breedte; de hoornachtige kaken zijn zeer goed voor 't bijten geschikt.
Bij ons is de meest gewone, maar toch nog vrij zeldzame soort van Mierenleeuw, Myrmeleon formicaleon. Slechts één enkele maal werd hier Myrmeleon formicarius (fig. a) gevonden, die trouwens van de vorige niet anders verschilt dan door donkere vlekjes op de vleugels en betrekkelijk korte sprieten, die minder lang zijn dan kop en borststuk te zamen genomen. De hoofdkleur is grauwzwart, op den kop en het borststuk geel gevlekt, aan den achterrand der ringen lichtbruin, op de pooten geelbruin. Beide houden zich bij voorkeur in de naaldhoutbosschen van de Middel- en Zuid-Duitsche zandstreek op en vliegen van Juli tot September. Op zonnige hellingen, vooral onder de beschutting van boven den grond uitstekende boomwortels, slaat de larve, die meer bepaaldelijk den naam van "mierenleeuw" verdient, haar woning op. Deze bestaat (fig. b) uit een kleinen, in 't zand uitgeholden trechter, op welks bodem zij zich verbergt en met opgeheven kaken op de loer ligt. Als buit verlangt zij Mieren en andere Insecten, die door een misstap in den trechter vallen. Onmiddellijk worden deze gegrepen en uitgezogen; met dit doel is de bovenkaak lang en dun en over haar geheele lengte van een diepe, overlangsche groeve voorzien, waarin zich de tasterlooze, borstelvormige onderkaak op en neer beweegt en als een zuiger in een pompbuis werkt. Om haar slachtoffer te kunnen grijpen zijn zintuigen noodig; aan elken hoek van den voorrand van den grooten, bijna hartvormigen kop bevinden zich 7 enkelvoudige oogen en een korte spriet.
Bij 't graven van zijn trechter loopt de "mierenleeuw" aanhoudend bij rukken in een kring achteruit. Hij maakt op deze wijze eerst een kringvormige groeve, waarvan de wijdte evenredig is aan zijn eigen grootte en welks buitenrand de grens van zijn toekomstige woning is. Hierbij werkt hij voortdurend met het achterlijf het losse zand omhoog en brengt dit met den binnensten voorpoot op den breeden, platten kop, die het vervolgens met een snellen ruk zoo krachtig naar buiten werpt, dat het wel 5 cM. ver wegstuift. Om de nu nog overblijvende, afgeknot kegelvormige zandhoop uit den weg te ruimen, gaat hij, steeds kleinere kringen beschrijvend, op dezelfde wijze voort. Nu en dan rust hij even; ook verandert hij soms van bewegingsrichting en laat den rechtervoorpoot het werk van den nu vermoeiden linkervoorpoot doen; zoolang hij aan den arbeid is, veroorzaken zijne vlugge bewegingen een aanhoudenden regen van zandkorrels in de omgeving van den steeds dieper wordenden kuil. De binnenste kegel neemt bij iederen omgang af; eindelijk is de kleine polderjongen in 't middelpunt aangekomen, waar hij zoover onder 't zand kruipt, dat alleen de kaken er boven uitsteken, en wacht in deze houding zijn slachtoffer af. Daar de Mierenleeuw door zijn lichaamsbouw niet geschikt is om groote tochten te ondernemen, legt zijn moeder de eieren steeds op zulke plaatsen in 't zand, dat hare jongen onmiddellijk in de gelegenheid zijn om den arbeid te verrichten, die voor hun verdere ontwikkeling volstrekt noodig is. Het spreekt vanzelf, dat de mierenleeuw niet voortdurend denzelfden trechter blijft bewonen; naarmate het diertje in omvang toeneemt, heeft het ook een grooter kuiltje noodig; bovendien kunnen verschillende oorzaken instortingen teweegbrengen en kan ook gebrek aan voedsel het bouwen van een nieuwe woning noodig maken. De trechter van een volwassen larve is 5 cM. diep en heeft van boven een middellijn van ongeveer 7.8 cM.; deze verhouding is echter niet standvastig en hangt ongetwijfeld voor een deel van de gesteldheid van den bodem af. Niet altijd verkrijgt de loerende roover zonder moeite en krachtsinspanning de slachtoffers, welker leeggezogen lijken hij buiten den trechter slingert. Een Mier of een even groot Kevertje wordt spoedig gedood. Meer weerstand bieden grootere dieren, zooals kleine rupsen, Pissebedden of Spinnen, die het ongeluk hebben van in den afgrond te storten--soms eerst nadat hunne pogingen om naar boven te klauteren verijdeld werden door den vijand, die uit alle macht zijn moordhol begint uit te diepen en hierdoor den grond onder de voeten van het Insect, dat op de helling staat, in beweging brengt. Ook voor een dapperen en weerbaren vijand deinst de mierenleeuw niet af. Bonnet ving een onder dorre bladen en tusschen gras levende Spin (Pardosa saccata), kenbaar aan den witten eierzak ter grootte van een erwt, dien zij in 't voorjaar, vastgekleefd aan haar buik, medevoert, en wierp haar in den kuil van een mierenleeuw. Het zakje werd gegrepen, voordat de Spin het gevaar kon ontloopen; een hevige strijd ving aan: beide kampioenen rukten zoolang, de eene in boven-, de andere in benedenwaartsche richting, aan den zak, dat deze ten slotte los geraakte. Toch gaf de Spin den strijd niet op, maar keerde zich om en greep het eierennestje met de kaken; het baatte niet: de stevig in 't zand vastzittende roover kon meer kracht oefenen dan de ongelukkige moeder, die, hoe zij zich ook weerde, moest toezien, dat haar dierbaarste bezitting onder het zand verdween. Zelfs nu wilde zij niet wijken, putte zich uit in vruchtelooze pogingen om haar kroost te redden en zou het slachtoffer van haar moederliefde geworden zijn, indien Bonnet haar niet met geweld uit den trechter verwijderd had.--Volharding en list vergoeden bij den mierenleeuw, hetgeen de natuur haar onthield. Maanden lang kan hij vasten, welke eigenschap voor hem van groot belang is, daar hij soms in geruimen tijd, bij vochtig weer b.v., niets vangt. Eerst in het tweede jaar is deze larve volwassen; haar overgang in den poptoestand kan men in den zomer, op zijn vroegst in het begin van Juni, waarnemen. Te dien einde kruipt zij onder den top van haar trechter iets dieper dan gewoonlijk in 't zand, schuift het uiteinde van haar achterlijf als een verrekijker uit tot een weeke, beweeglijke buis en spint hiermede witte zijden draden, die aan de naburige zandkorrels samenhang geven en een lossen, bolvormigen cocon doen ontstaan; haar wand is van binnen met een dichtere en gladdere laag draden bekleed. In de huid van de larve ontstaat achter den kop een barst, waardoor de pop ontwijkt. Uitgebroed door het zand, dat dikwijls gloeiend heet is, schrijdt de ontwikkeling van de pop snel voort. Na 4 weken verbreekt zij haar cocon aan den top en komt er halflijfs boven uit (fig. c); de huid barst open en het vliegende Insect verlaat zijn gevangenis. De slanke "Mierenleeuwjuffer" aanschouwt het eerste levenslicht steeds in de avonduren, hetgeen in verband staat met haar nachtelijke levenswijze. Het wijfje legt een gering aantal eieren met harde schaal; deze is eenigszins gekromd en geelachtig van kleur, doch aan het dikste einde rood. Nog vóór den winter komen de larven voor den dag, die zich dadelijk een trechtertje uithollen en in den schralen tijd in 't zand winterslaap houden.--In warmere gewesten komen "Mierenleeuwjuffers" voor, die bijna 2-maal zoo groot zijn als de inheemsche.
De Gaasvliegen (Chrysopa) zijn tamelijk kleine Netvleugeligen, die door de borstelvormige, nooit in een knop eindigende sprieten en als larven door hare ongetande zuigkaken duidelijk van de Mierenleeuwen verschillen. De Gewone Gaasvlieg (Chrysopa vulgaris, fig. a) herkent men aan de vleugels, die zoo doorzichtig zijn als glas en effen groene (soms groenachtig gele of vleeschkleurige, doch in geen geval gedeeltelijk zwarte) aders hebben, aan het grasgroene, met een gele, overlangsche lijn geteekende lichaam en aan de lichtgele sprieten, tasters en voetleden. Aan de goudgele oogen dankt het geheele geslacht haar wetenschappelijken naam.
Zeer eigenaardig is de wijze, waarop dit Insect zijne witte eieren (fig. g) aan bladen of boomstammen bevestigt. Het drukt de spits van 't achterlijf tegen het bedoelde voorwerp, heft haar zoo hoog mogelijk op, brengt op deze wijze een stijf, wit draadje voor den dag en voorziet dit aan den top van een knopje, dat door het ei wordt gevormd. Het geheel ziet er uit als een schimmelplantje en werd vroeger werkelijk als zoodanig beschouwd. Weldra ontstaat er aan de bovenzijde van het ei een opening, waaruit een slank diertje te voorschijn komt, dat, zoodra het een weinig grooter geworden is, licht opgemerkt wordt tusschen de Bladluizen en daarom "bladluisleeuw" (fig. c.) werd genoemd. De volwassen larve hecht een aantal zijden draden, die uit de spits van haar achterlijf komen, aan een blad (fig. e), tusschen dennenaalden (fig. f) of op een andere plaats, waar zij het laatst verblijf hield, vast en omwikkelt zich vervolgens met een tamelijk stevigen, bijna bolvormigen cocon, waarbinnen zij zich verpopt. De Gewone Gaasvlieg is over geheel Europa verbreid en komt ook in het zuiden van Afrika voor. Van de 14 inheemsche soorten van dit geslacht zijn 8 gewoon of althans niet zeldzaam.
Ten onrechte dragen de Landjuffers (Hemerobius) een wetenschappelijken naam, die "slechts één dag levend" beteekent. Evenals de Gaasvliegen, doch minder talrijk, ziet men ze gedurende den geheelen zomer tot laat in het najaar op struikgewas in tuinen en bosschen, vooral op eikenhakhout, waar zij in dezen tijd, nu het aantal Insecten zoo gering is, licht in 't oog vallen. De Landjuffers houden zich echter meer verborgen of zitten hooger. Weldra zoeken beide een beschut plaatsje op, waar zij de breede vleugels om het lichaam wikkelen en in winterslaap vervallen. Gewoonlijk bedekken de rustende vleugels daksgewijs het lichaam. Die van de Landjuffers hebben dan een bijzonder steilen stand; bovendien zijn zij zeer breed en dikwijls gevlekt of over hun geheele oppervlakte gekleurd. De sprieten zijn parelsnoervormig.
De Ruige Landjuffer (Hemerobius hirtus, fig. h) is zwartbruin, met uitzondering van de pooten en het voorborststuk, die bruinachtig geel zijn; haar lichaam is 6.5 mM., de voorvleugel 8.75 mM. lang.
De larven van de Landjuffers gelijken op de "bladluisleeuwen", waarmede haar levenswijze overeenstemt: zij zijn echter meer gedrongen van bouw, hebben zeer korte en breede zuigkaken, dikke sprieten en dikke, korte hechtkussentjes aan de korte pooten. Men treft bij haar dikwijls een zeer eigenaardige vermomming aan, die, naar het schijnt, dienen moet om hare vijanden af te schrikken. De overblijfselen van de leeggezogen Bladluizen werpen zij zich n.l. op den rug, waar deze huidjes met den drek, die eveneens op den rug wordt bewaard, een soort van zak vormen. De larven van sommige soorten van Gaasvliegen doen evenzoo.
De Kameelhalsvliegen (Rhaphidia) verdienen dezen aan het Duitsch ontleenden naam wegens de langwerpige gedaante en de groote beweeglijkheid van haar voorborststuk, dat smaller is dan de kop en hierdoor op een hals gelijkt. Als voorbeeld van dit bij ons door 5 soorten vertegenwoordigde geslacht beschrijven wij de 10 mM. lange, zwarte, Diksprietige Kameelhalsvlieg [Rhaphidia (Inocellia) crassicornis], die zich van verwante soorten onderscheidt door het ontbreken van de bijoogen en van de dwarsader in de roodbruine vleugelstip (pterostigma), die de eenige vlek vormt in de overigens glasheldere vleugels. In Juni zoekt zij op boomstammen, vooral op eiken, haar uit kleine Insecten bestaanden buit.
De larve leeft onder boomschors of onder de haar bedekkende laag mossen en korstmossen en voedt zich met de hier voorkomende kleine diertjes. In den regel vindt men er niet meer dan één op elken stam. Zij is een slank en behendig diertje, dat een flink gebruik weet te maken van de zes borstpooten en van het als zevende poot diende, benedenwaarts gerichte, laatste segment. De larve is reeds vóór den winter volwassen en gaat in 't voorjaar in den poptoestand over. Vooraf verbergt zij zich in een reeds aanwezige of door haar zelf gegraven holte, evenals vóór de overwintering. Een cocon vervaardigt zij niet. Kort voordat de pophuid zich opent om het imago te laten ontwijken, maakt de pop gebruik van hare ledematen en zoekt een geschikt plaatsje op voor haar laatste gedaantewisseling. Eerst na deze vervelling verkrijgt het voorborststuk zijn buitengewone lengte.
De Gewone Watergaasvlieg (Sialis lutaria) herinnert door de houding van haar lichaam aan de Kokerjuffers, in welker gezelschap zij bij ons en in geheel Europa in Mei en Juni overal aan waterkanten te vinden is; zij rust op de hierboven (fig. 4a) aangeduide wijze op waterplanten, boomstammen, planken of muren, tenzij de verwarmende stralen van de zon haar uitlokken tot een schommelende en plompe beweging door de lucht (fig. 4). Ofschoon zij zich bovendien soms loopend een eindweegs van haar rustplaats verwijdert en dit tamelijk vlug doet, maakt zij toch den indruk van een traag en plomp dier, dat gemakkelijk gevangen kan worden. De sterk "berookte" vleugels blijven doorzichtig en worden door dikke aders gesteund. Het voorlaatste lid van den 5-ledigen voet is hartvormig. Het lichaam is donker bruinzwart met een bruingele vlek aan den wortel van de randader der voorvleugels.
Het wijfje legt op planten en andere voorwerpen in de onmiddellijke nabijheid van het water hoogstens 600 eieren in groote, bruine groepen (fig. 4a); alle eieren zijn zeer regelmatig op reeksen en overeind geplaatst (fign. 1 en 1a). Na weinige weken komen de nietig kleine larven voor den dag en begeven zich naar beneden in het water, waar zij van roof leven en zich kruipend en zwemmend, met slangsgewijze kronkelingen van het lichaam zeer vlug bewegen (fig. 2). Evenals de larven van de Kameelhalsvliegen, hebben zij gewone, bijtende kaken (geen zuigkaken). Het achterlijf draagt 7 paar tracheënkieuwen (fig. 2a). In Maart of April van het volgende jaar verlaat de larve het water en verandert aan den oever, in den grond of tusschen mos (zonder cocon), in een vrije pop (fig. 3).
Van een derde familie van Platvleugeligen is de Gewone Schorpioenvlieg (Panorpa communis) een hier te lande overal tusschen het gebladerte voorkomende vertegenwoordiger. Dit zonderlinge Insect, dat gedurende den zomer het struikgewas voor de andere leden zijner klasse onveilig maakt, herinnert door de houding van zijn lichaam eenigszins aan een Glasvlinder. Zijn volksnaam dankt het aan den vorm van het achterlijf van 't mannetje, welks laatste segment wel is waar niet in een knobbelvormig gezwollen gifklauw, maar in een dikke hechttang met 2 beweegbare haken eindigt, die dreigend bovenwaarts gericht wordt gedragen, maar volstrekt niet als wapen dient. Bij alle leden der familie is de kop benedenwaarts verlengd tot een snavel, aan welks einde de mondopening zich bevindt, die door kleine, maar scherpe, bijtende monddeelen is omgeven. De genoemde 13 à 15 mM. lange soort is grootendeels glanzig zwart; het schildje en de pooten hebben echter een gele, de snavel en (bij het mannetje) ook de 3 laatste segmenten van het achterlijf een roode kleur. De gevangen Schorpioenvlieg laat zich voeden met appels, aardappels, doode Vliegen en rauw vleesch en neemt dus, wat zij krijgen kan. In de vrije natuur toont zij zich een koene roover, schroomt niet een Glazenmaker, die vele malen grooter is aan te vallen, op den grond te werpen, hem den snavel diep in 't lijf te boren en vervolgens uit te zuigen. Niet zelden jaagt zij zelfs den insectenverzamelaar schrik aan door plotseling van tusschen de bladen naar buiten te schieten. Zoo vrank en vrij de Vlieg leeft, zoo verborgen is de schuilplaats van de larve en van de pop, die beide den vochtigen grond bewonen. Daar de geheele ontwikkelingsduur gemiddeld slechts 9 weken bedraagt en de eerste Schorpioenvliegen zich in het begin van Mei vertoonen, is het zoo goed als zeker, dat ieder jaar twee generaties oplevert, waarvan de laatste deels als larve, deels als pop overwintert. De larve wordt 15 mM. lang en gelijkt wel eenigszins op een bastaardrups; behalve 3 paar hoornachtige borstpooten, bezit zij aan elk der eerste leden van het achterlijf een paar buikwratten, die bij de voortbeweging als valsche pooten dienst doen. Aan weerszijden van den kop komt een groep van éénlenzige oogen voor, die gezamenlijk op één groot oog gelijken. Uit het laatste segment kan een vierdeelig orgaan worden uitgestulpt, dat als middel tot aanhechting dient, terwijl het lichaam wordt opgericht. Zij heeft bijtende monddeelen en eet in de gevangenschap rauw vleesch.
Bij de tot dusver beschouwde Netvleugeligen zijn beide paren vleugels gelijksoortig, neemt men althans geen plooiing van de achtervleugels waar en hebben de bovenkaken een hoornachtige geaardheid. In deze opzichten wijken de Schietmotten of Kokerjuffers (Phryganeidac) van hare naaste verwanten af. Hare vleugels zijn aan weerszijden behaard of geschubd, van weinige dwarsaders voorzien en dus volstrekt niet netsgewijs geaderd. De achtervleugels zijn meestal breeder, dikwijls veel breeder dan de stevigere en donkerder gekleurde voorvleugels, bovendien in rust waaiervorming geplooid, zoodat de voorvleugels, die in dit geval als een dak op het lichaam rusten en er achter uitsteken, hen kunnen bedekken. De monddeelen zijn bijtend, doch rudimentair, meer bepaaldelijk blijven de bovenkaken vliezig.
Door haar levenswijze en ontwikkelingsgeschiedenis stemmen alle Kokerjuffers in hoofdzaken overeen. In Mei en Juni houden de meeste zich op bij stroomende en stilstaande wateren, welker oevers zij verlevendigen, zonder evenwel sterk de aandacht te trekken van den liefhebber der natuur. Niet voordat de duisternis invalt, beginnen zij zich flink te bewegen; zelfs kunnen zij dan lastig zijn, door in grooten getale om en in de vlam van de lamp te vliegen. Over dag zitten zij op waterplanten en tegen planken of boomstammen, of houden zich verborgen achter losse stukken schors, waar men ze dikwijls in groote gezelschappen aantreft. De larven van de meeste Kokerjuffers leven in 't water, bewonen huisjes, die door haar zelf gemaakt zijn en worden hierom "kokerwormen" genoemd. Zij herinneren dus eenigszins aan de Zakdragers, terwijl ook de geslachtsrijpe Insecten aan Vlinders, n.l. aan Motten, doen denken. Om een oppervlakkige voorstelling te verkrijgen van de verschillende bouwstoffen en bouwstijlen dezer "kokertjes" beschouwe men de afbeelding. Sommige kokerwormen maken gebruik van zandkorrels (fign. 1, 2 en 5) of van grootere steentjes (fign. 3 en 4); andere bezigen als bouwstof slakkehuisjes (fig. 6), bij voorkeur van Schijfhoornslakken (Planorbis), waarvan sommige dikwijls nog bewoond zijn, of ook wel schelpjes van kleine Plaatkieuwige Weekdieren; in nog andere gevallen spelen plantendeelen (fign. 7-10), die vooraf met de kaken op een behoorlijke wijze gefatsoeneerd zijn, eendenkroos en boomzaden bij het vervaardigen van de kokertjes een hoofdrol. De keuze van het materiaal hangt af van de plaatselijke omstandigheden. Alle hier afgebeelde huisjes (met uitzondering van het in fig. 1 voorgestelde) vindt men in Duitschland (de meeste ook bij ons) in beken, sloten en plassen, die met planten begroeid zijn. Hoewel een zelfde soort niet overal en altijd dezelfde bouwstof bezigt, geeft zij toch aan het huisje denzelfden vorm, of wijkt althans slechts in zoover eenigszins van den gewonen regel af, als het verschillende bouwmateriaal haar er toe dwingt. Dat de in fig. 1 afgebeelde, fraaie woning ook bij nader onderzoek veel op een slakkehuisje gelijkt, blijkt uit het feit, dat de Noord-Amerikaansche slakkenkenner Lea haar voor de schelp van een Slak hield, die hij Valvata arenifera noemde, totdat de Zwitsersche natuuronderzoeker Bremi in een larve van een Kokerjuffer, door hem Helicopsyche Shuttleworthi genoemd, de maakster van dit kunstwerk leerde kennen.--Er bestaan ook gezellig levende Phryganeïden. Frits Müller, die ze voor 't eerst in de kolonie Blumenau in Zuid-Brazilië waarnam, heeft haar den naam van "Stroombewakers" (Rhyacophylax) gegeven. Een twaalftal larven vestigen zich naast elkander in een snelstroomende beek op de bovenvlakte van een steen, waaraan hare tamelijk grof van plantenvezels en steentjes vervaardigde kokertjes vastgehecht zijn; iedere woning is voorzien van een trechtervormig voorportaal; hierboven breidt zich een net uit, zoo sierlijk, dat geen Spin zich voor dit weefsel zou behoeven te schamen. Daar de trechter stroomopwaarts gericht is, worden alle door het water medegevoerde voedseldeeltjes er in opgevangen.
Aan den zeer harden kop van de kokerwormen vindt men aan weerszijden een éénlenzig oog, doch geen sprieten. De bovenkaken zijn krachtig en voor 't bijten geschikt, beter ontwikkeld dus dan bij de geslachtsrijpe Insecten. Aan de onderlip (die met de onderkaken vergroeid is) bevindt zich op een tepeltje de opening van de groote spinklieren, welker aanvankelijk vloeibaar product verhardt, zoodra het met het water in aanraking komt. Het meer of minder harde borststuk draagt 3 paar gelede pooten. De 7 eerste ringen van het weeke, 9-ledige achterlijf zijn in den regel voorzien van draadvormige tracheeën-kieuwen (sommige kokerwormen ademen echter door de gewone huid). Voor het vasthouden van het kokertje dienen vooral 2 meer of minder lange, met eindhaken gewapende, gelede aanhangsels van het laatste segment. Kort na het herleven der natuur in de lente is de larve volwassen; zij spint dan haar kokertje aan een waterplant vast en sluit het met een deksel, dat van één of meer openingen voorzien is ten behoeve van de waterverversching. Vervolgens verandert zij in een vrije pop, soms na vooraf een cocon te hebben gesponnen. Reeds na weinige weken komen de Kokerjuffers te voorschijn, die men na Mei algemeen bij waterkanten opmerkt. Het wijfje hecht hare op geleiklompjes gelijkende eierenhoopjes aan waterplanten en andere dicht bij 't water gelegen voorwerpen.
Men zou verwachten, dat althans de larven van de Schietmotten door haar eigenaardige levenswijze voor den aanval van Sluipwespen beveiligd zouden zijn; toch is dit niet het geval, zooals uit een merkwaardige ontdekking van Von Siebold blijkt. In Kokerwormen, die tot het geslacht Aspatherium behooren en een rolrond, glad huisje bewonen, parasiteeren de larven van Agriotypus armatus. Het wijfje van deze kleine Sluipwesp begeeft zich onder water en blijft hier zoolang, tot zij met den korten legboor aan hare eieren in het lichaam van de Kokerwormen een geschikte woonplaats heeft verschaft.
De 18 à 27 mM. lange Groote Kokerjuffer (Phryganea grandis), die van Mei tot Juli aan waterkanten zeer algemeen voorkomt, is werkelijk de grootste inheemsche soort (het mannetje heeft 40 à 62 mM. vlucht). Haar lichaam is bruingeel, de sprieten zijn leemkleurig met bruine ringen, de voorvleugels bij het wijfje aschgrauw met bruine vlekken en 2 witte stippen, de achtervleugels geelachtig grijs. Het rechte, cylindervormige larvekokertje vindt men veelvuldig op den bodem van stilstaand water met veel plantengroei; het bestaat uit stukjes riet, spiraalsgewijs aaneengevoegd in den trant van fig. 7.
Een zeer opmerkelijke vorm van parasitisme valt op te merken bij de Plooivleugeligen (Strepsiptera, Rhipiptera, Stylopidae), over welker plaats in het stelsel nog verschil van meening bestaat en die waarschijnlijk in een afzonderlijke orde gebracht moeten worden.