Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 40

Chapter 403,786 wordsPublic domain

De Schapenhorzel (Oestrus ovis) heeft het borststuk bruin en bijna naakt, het achterlijf zwart en door korte, zijdeachtige haartjes wit, als een dambord, gevlekt. Men ziet haar in Augustus en September op plaatsen, waar gewoonlijk Schapen grazen, stil zitten in gaten van muren en in spleten van de schors van boomen, zoodat men haar gemakkelijk kan grijpen. Het wijfje legt eieren aan den rand van de neusgaten der Schapen. De hieruit komende larven begeven zich door de neusholten omhoog naar de voorhoofdsboezems en voeden zich met het slijm, dat wegens haar aanwezigheid in grooter overvloed wordt afgescheiden. Zelden vindt men meer dan 7 of 8 van deze maden van verschillende grootte in den neus van één Schaap. Na ongeveer 9 maanden zijn zij volwassen, laten zich door niezen verwijderen, dringen loodrecht in den grond door en veranderen in tonnetjespoppen, waaruit na 7 à 8 weken de Vlieg ontwijkt. Dat de draaiziekte van de Schapen niet door deze maden veroorzaakt wordt, is reeds sinds lang bekend.--Andere soorten leven in de neusholte van den Buffel, den Kameel, het Edelhert, de Ree en het Rendier.

De 15 mM. lange Runderhorzel (Hypoderma bovis, fig. a) is zwart met roodgele scheenen en voeten; de haren, die het lichaam dicht bekleeden, zijn zwart op den 2en en 3en, geel op den laatsten achterlijfsring, overigens wit of grijswit; op het rugschild van het borststuk komen eenige breede, stompe, naakte, glanzige, overlangsche lijsten voor.

Het wijfje vliegt in den zomer tusschen Juni en September bij warm zonnig weer, sterk gonzend, om de Runderen in de weide en legt eieren op hun huid. De larve dringt door tot in het onderhuidsche bindweefsel en groeit in het eerste halfjaar van haar leven niet bijzonder snel, zoodat er uitwendig aan de huid van het Rund niets valt waar te nemen. Gedurende de volgende drie maanden neemt zij sterk in omvang toe; dan ontstaan de "horzelbuilen", waarmede de Runderen in den winter en in 't voorjaar behept zijn en die ten slotte de grootte van een duivenei bereiken. De rijpe made (fig. b) verlaat vroeg in den morgen, tusschen 6 en 8 uur, de buil, kruipt in den grond en verandert, in een tonnetjespop (fig. c), waaruit zich in 4 à 6 weken een Vlieg ontwikkelt.--Dezelfde levenswijze hebben de Reehorzel (Hypoderma Diana), de Herthorzel (Hypoderma Actaeon), de Rendierhorzel (Hypoderma tarandi), kortom alle andere, op verscheidene wilde en tamme dieren (zelfs Neushoornen en Olifanten) levende Huidhorzels.

Bij een aantal Echte Vliegen zijn de vleugelschubjes afwezig of zoo klein, dat zij de kolfjes niet bedekken. Tevens is het voorhoofd bij de mannetjes even breed als bij de wijfjes en niet in drie velden verdeeld. Dit geldt o.a. van de Glansvliegen (Sepsina), vertegenwoordigd door de Kaasvlieg (Piophila casei), met welker larven men soms, vooral 's zomers en in den herfst, kennis maakt bij het doorsnijden van een oude kaas. De in haar bedrijf gestoorde, 8 mM. lange, glanzig witte maden krommen haar rolrond lichaam tot een cirkel en springen ver weg door zich plotseling te strekken. In een verborgen hoekje van 't kaaspakhuis gaan zij in den pop toestand over en overwinteren. De 4 à 5 mM. lange, slanke Vlieg, die in het voorjaar het tonnetje verlaat, is op een groot deel van den kop en de pooten geelachtig rood, overigens glanzig zwart. Ieder jaar kunnen zich verscheidene generaties van afstammelingen ontwikkelen.

Tot de Boorvliegen (Trypetina) behoort de Aspergevlieg (Platyparea poeciloptera), die in het begin van Mei eieren legt tusschen de schubben van den aspergekop. Na 14 à 21 dagen, al naar de weersgesteldheid, zijn de witte maden uitgekomen en beginnen zij den stengel, voor zoover hij kruidachtig is, in zijn geheele lengte te doorknagen. Deze kwijnt, groeit meestal van boven krom, wordt geel en gaat rotten. De pop overwintert. Het geslachtsrijpe Insect, dat nauwelijks de grootte van onze Huisvlieg bereikt (4,5 à 5,2 mM. lang), heeft den kop en de pooten glanzig bruinrood; dezelfde kleur hebben de zijden van het borststuk, welks rug dof grijsachtig is, met uitzondering van het glanzig zwarte schildje. Een donkere, overlangsche band op den vleugel is aan den voorrand 2-maal, aan den achterrand 3-maal wigvormig ingesneden. Het achterlijf is bruinachtig zwart.

Een lid van dezelfde onderfamilie is de Kersvlieg (Spilographa cerasi), die in het begin van Mei eieren legt bij de aanhechtingsplaats van den steel der nog groene kersen (in den regel één op iedere vrucht); de made dringt tot in de kern door, en overwintert als pop in den grond.

De Groenoogen (Chloropina) zijn kleine of zeer kleine Vliegen, die soms ontzaglijk groote zwermen vormen, ook wel binnenshuis komen; hare larven leven in halmen van grassen en brengen dikwijls veel schade toe aan de te velde staande graangewassen.

De Korenvlieg of Gele Halmvlieg (Chlorops taeniopus) is grootendeels glanzig geel; de sprieten zijn echter geheel zwart; de rug van het borststuk heeft drie overlangsche, zwarte strepen, het achterlijf een zwartbruine dwarsstreep op iederen ring. De voetleden zijn donker, aan de voorpooten zwart (bij het mannetje echter op het midden met een gelen ring, waaraan de soort haar naam ontleent). De vleugels zijn glashelder, de kolfjes wit.

Door haar zuigen aan den halm van de tarwe (en van de gerst) geeft de witte made aanleiding tot een misvorming, die in Engeland "jicht" of "podagra" wordt genoemd; zij maakt een ondiepe groeve van 5 à 10 cM. lengte, die zich in den regel van de aar tot aan den bovensten knoop uitstrekt; de rand van de groeve zwelt op, waardoor de halm, die aan de tegenovergestelde zijde week en dun blijft en tot rotting overgaat, het uitzicht verkrijgt van platgedrukt te zijn. Dientengevolge groeit de aar in 't geheel niet boven de bladscheede uit, of zal, zoo dit wel geschiedt, niet tot volledige ontwikkeling komen. De larve, die bij een lengte van 4.5 mM. volwassen is, verpopt zich in den regel in 't laagste gedeelte van de groeve dicht bij den bovensten knoop, tusschen den halm en de bladscheede, bij uitzondering in de aar; meestal vindt men op deze plaatsen slechts één pop. Deze rust 17 à 21 dagen; in Augustus wordt het tonnetje door de Vlieg geopend. De wijfjes van deze generatie leggen eieren op het winterkoren, waarin de made soortgelijke verwoestingen aanricht als die van de beruchte Hessenvlieg en soms de teere plantjes nog vóór den winter doodt.

Zeer opmerkelijk is het, dat men soms ontzaglijke zwermen van verscheidene soorten van Groenoogen waarneemt, zonder dat hiermede een merkbare, door de maden veroorzaakte schade aan den plantengroei gepaard gaat. Zoo zag men in het laatst van den zomer van 1857 van het dak van een huis te Zittau dichte wolken opstijgen, die zooveel op rookwolken geleken, dat ijlings de brandspuiten werden gehaald om den vermeenden brand te blusschen. Bij nader onderzoek bleek het, dat millioenen 3 à 5 mM. lange Vliegjes (Chlorops natusa) uit een gat in het dak, dat door het breken van een dakpan was ontstaan, naar buiten kwamen en aanleiding gaven tot de vergissing. Ter zelfder tijd werden ook in en bij eenige andere huizen van de stad een verbazend groote hoeveelheid van deze Insecten gevonden. Het genoemde verschijnsel komt in sommige streken niet zelden voor.

Hoewel de Luisvliegen (Pupipara) nauw verwant zijn aan de Echte Vliegen, verschillen zij toch in enkele opzichten aanmerkelijk van deze en andere Tweevleugeligen. Het voornaamste verschil wordt uitgedrukt door den naam, die "Poppenbarenden" beteekent. Het wijfje brengt slechts één jong te gelijk ter wereld, dat in het lichaam van de moeder gevoed wordt met het afscheidingsproduct van een soort van melkklieren, totdat het nagenoeg rijp is voorden poptoestand, waarin het dan ook bijna onmiddellijk na de geboorte overgaat. Alle leden van deze familie leven in geslachtsrijpen toestand tijdelijk parasitisch op andere, voor 't meerendeel warmbloedige dieren. Zij vormen drie familiën; de Echte Luisvliegen, de Vleermuisluizen en de Bijenluizen.

De Echte Luisvliegen (Coriacea of Hippoboscidae) zijn van boven naar onderen platgedrukt; het uitwendig skelet van kop en borststuk is zoo hard als hoorn, dat van het achterlijf meer lederachtig en rekbaar. De kop draagt aan weerszijden groote samengestelde oogen en zeer korte, oogenschijnlijk éénledige, rolvormige, in groefjes ingeplante sprieten. De voor 't zuigen van bloed geschikte snuit wordt gevormd door de bovenlip en de beide onderkaken, die haar als een scheede omvatten; de onderlip is zeer kort; de tasters ontbreken geheel. Met uitzondering van de 5 à 6 mM. lange Schapenluis (Melophagus ovinus)--ten onrechte ook wel "Schapenteek" genoemd (daar de Teeken 8-pootige, Spinachtige Dieren zijn)--, hebben alle soorten vleugels, die in den regel lang, doch meestal, behalve bij den buitenrand, onduidelijk geaderd zijn. Sommige bezitten deze organen levenslang, andere werpen ze later af. De kolfjes zijn steeds aanwezig. Wegens de groote breedte der borstschilden staan de pooten ver uiteen. Door hun lichaamsbouw zijn deze Insecten in staat om zich zeer vlug en behendig vooruit, achteruit en zijwaarts in de vacht van Paarden, Herten, Reeën en andere Zoogdieren en tusschen de vederen der Vogels te bewegen. In den regel bepaalt iedere soort zich tot één diervorm. De Hertenluisvlieg (Lipoptena cervi) maakt hierop een uitzondering; gevleugeld verlaat zij de pophuid, zwerft in de bosschen rond, zuigt bloed bij Vogels, o.a. bij Hazelhoenderen, en zet zich ook wel op menschen neer; gewoonlijk verschuilt zij zich bij hen in 't haar of in den baard. Na de paring verliezen deze Insecten de vleugels, op zeer korte, getakte stompjes na, en gaan dan op verschillende soorten van Herten over; vooral de 4 mM. lange wijfjes, die aan haar breed en plat achterlijf kenbaar zijn, vindt men in den herfst soms bij honderden op het geweidragende wild. De jager moet zich bij het vervoeren van zijn buit zeer in acht nemen, daar ook hij door deze Insecten wordt lastig gevallen. De kleine tonnetjespoppen, die op glanzige, zwarte zaden gelijken, ziet hij dikwijls tusschen de lange haren van het Hert, maar (vooral wanneer er sneeuw ligt) ook wel op den grond, waar het dier gerust heeft. Vroeger hield men het op Vogels parasieteerende Insect voor een afzonderlijke soort en noemde het Ornithobia pallida.--Er zijn echter ook Luisvliegen, die uitsluitend op allerlei Vogels, vooral op Boomvogels, gevonden worden (Ornithomyia en Stenopteryx).

De 7 à 9 mM. lange Paardenluisvlieg (Hippobosca equina) behoudt de vleugels; zij is glanzig roestgeel, op de schijf van den middelrug kastanjebruin, op het schildje lichtgeel, de klauwen aan 't laatste voetlid zijn zwart. Men vindt haar niet zelden op Paarden (en Runderen), het meest op kale of weinig behaarde lichaamsdeelen, onder den staart, op de flanken en aan den buik, waar zij niet slechts door bloed te zuigen, maar ook door snel rond te loopen last veroorzaakt.

De Vleermuisluizen (Nycteribiinae) zijn tamelijk slank van gedaante; zij hebben geen vleugels, doch wel kolfjes. De kleine, cilindervormige kop draagt geen samengestelde, soms wel enkelvoudige oogen, is hoog aan het breede borststuk gehecht en kan achterover gebogen worden, tot hij met naar boven gerichte monddeelen in een holte van het rugschild komt te liggen. De slanke, lange pooten, die in groote klauwen eindigen, zijn geheel aan de zijden van het borststuk gehecht. Deze aan Spinnen herinnerende, bruinachtig gele diertjes, die meestal niet langer worden dan 2.25 à 4.5 mM., houden uitsluitend en levenslang verblijf in de vacht van Vleermuizen, vooral in de okselholte.

De eigenaardigheden van de Luisvliegen vallen het duidelijkst in 't oog bij de 1.5 mM. lange Bijenluis (Braula coeca, fig. G) daar zij, behalve de vleugels en de oogen, ook de kolfjes mist. Zij parasiteert bij de Honigbij, evenals de Triangulinen, de eerste larven van den Oliekever. De loodrecht geplaatste kop draagt 2 knotsvormige tasters en daartusschen de korte, vliezige snuit. Juist op de plaats, waar bij andere Vliegen de oogen zijn, bevinden zich twee diepe kuiltjes, waarin de 3-ledige sprieten tot aan het bijna bolvormige eindlid weggedoken zijn. De pooten bestaan uit een dikke dij, een eenigszins gekromde scheen en 5 voetleden: het 5e is zeer breed en draagt aan zijn voorrand ongeveer 30 borstelvormige tandjes, die bij wijze van een kam gerangschikt zijn en teruggeslagen kunnen worden; zij vervangen de klauwen. Het achterlijf is hoog eivormig gewelfd en bestaat uit 5 ringen.

Dit Insect brengt zijn geheele leven door op de Honigbij; op een arbeidster of een dar vindt men in den regel niet meer dan één exemplaar; de koningin heeft dikwijls verscheidene van deze parasieten op zich, die, naar men zegt, nadat zij zijn weggenomen, spoedig plaatsvervangers krijgen.

Ieder wijfje bevat slechts vier kiemen. Daar zij de rijpe larven laat vallen, komt deze gewoonlijk op den bodem van den korf terecht, soms ook wel in de open lucht: het hieruit ontwikkelde geslachtsrijpe Insect moet dus een toevallige ontmoeting met een Bij afwachten.

Tot dusver kent men geen andere vertegenwoordiger van de onderfamilie der Bijenluizen dan de genoemde; deze werd in geheel Duitschland, Frankrijk en Italië aangetroffen, in Rusland, met uitzondering van de Oostzee-provinciën, nog niet waargenomen.

VIJFDE ORDE.

DE VLOOIEN (Siphonaptera).

Het belangrijkste kenmerk van deze orde leveren de drie borstringen, die duidelijk gescheiden zijn en zich vrij kunnen bewegen; zij zijn ieder voorzien van een paar ademgaten en stemmen ook overigens in maaksel overeen. Aan het rugschild van iederen ring zijn twee zijstukken verbonden, die zoo verschuiven kunnen, dat men ze dikwijls ten onrechte voor leden van de pooten heeft gehouden; ieder zijstuk van het achterste borstsegment draagt een naast het achterlijf gelegen schildvormig plaatje, dat vroeger ten onrechte als een rudimentairen vleugel werd beschouwd. De vleugels en de kolfjes ontbreken geheel. Door haar geschiktheid voor 't springen overtreffen de Vlooien alle overige dieren; de 3 paren pooten zijn, evenals het lichaam, zijdelings samengedrukt. Van de voorste tot de achterste nemen zij in grootte toe. De heup is, vooral aan de achterpooten, zeer groot en kegelvormig; hiermede vergeleken, zijn de dij en de scheen (en ook de dijring) klein; de voet bestaat steeds uit 5 leden. Ook de kop, die met een breed grondvlak aan het borststuk bevestigd is en met den achterrand over den voorrand van het voorste rugschild schuift, vertoont eigenaardigheden, die de vereeniging van de Vlooien in een afzonderlijke orde wettigen. Op de plaats, die bij de meeste Insecten door de samengestelde oogen wordt ingenomen, komen in den regel 2 enkelvoudige oogen voor, waarachter de korte, 3-ledige sprieten zijn aangehecht, die in een groeve verborgen kunnen worden: het laatste sprietlid is meestal in een aantal plaatjes verdeeld; bijoogen zooals bij vele andere leden der klasse gevonden worden, komen hier niet voor. De monddeelen (de bovenlip en 3 paar kaken) zijn vervormd tot organen voor het steken en zuigen. Het eigenlijke steekorgaan is samengesteld uit 3 deelen: de zeer lange en smalle bovenlip, welker gootvormige groeve met de aaneensluitende bovenkaken een zuigbuis vormt, die aan weerszijden van onderen omhuld is door de plaatvormige onderkaken met hare korte, vierledige tasters en overigens door de veelledige, eindstandige tasters van het tot een onderlip vergroeide derde paar kaken. Het 9-ledige achterlijf is zeer groot, vooral bij de wijfjes, die bovendien van de mannetjes verschillen door den vorm der beide laatste segmenten en door het bij deze holle, bij gene bolle profiel van den rug. Het geheele lichaam draagt verspreide, lange borstels of doornen.--Kamvormige reeksen van chitine-stekels aan de onderzijde van den kop en aan den achterrand van de rugschilden van borststuk en achterlijf leveren belangrijke kenmerken voor de onderscheiding der soorten. Men kent er tegenwoordig 35, die als parasieten op Zoogdieren en Vogels leven en hun bloed zuigen; als larven voeden zij zich met allerlei rottende stoffen, vooral met mest. Haar gedaantewisseling, die voor 't eerst door Leeuwenhoek werd nagegaan, is volkomen. Vroeger werden alle Vlooien tot één soort gerekend, thans weet men, dat op nagenoeg iedere door haar bewoonde diersoort verschillende vormen voorkomen.

De Gewone Vloo (Pulex irritans, fig. 4), die den Mensch tot gastheer heeft gekozen, verschilt door het gemis van stekelige kammen aan den kop en de borst van hare verwanten en is over de geheele wereld verbreid. Vooral in Augustus en September zijn deze diertjes lastig, in tropische gewesten meer dan in de gematigde luchtstreek. Het 3 à 4 mM. lange, drachtige wijfje legt een 12-tal betrekkelijk groote, langwerpig ovale eieren in naden van vloeren of in stoffige hoeken. In den zomer komt na 6 dagen de 2.5 à 3.5 mM. lange larve (fig. 2) uit het ei; 's winters wordt hiervoor in een verwarmd vertrek een tweemaal zoo langen tijd vereischt. De slanke, wormvormige larve is wit van kleur; zij heeft een duidelijk begrensden kop zonder oogen, doch met 2 korte sprieten en kauwende monddeelen, voorts 12 rompsegmenten, welker achterrand aan de zijden met lange haren bezet is. Deze, benevens een krans van doornen en twee spitse naschuivers aan 't laatste segment, doen dienst bij de beweging, die met slangsgewijze kronkelingen van het lichaam tamelijk snel geschiedt. Na 11 dagen zijn de larven volwassen, omgeven zich in een kleine holte van haar woonplaats met een zijdeachtigen cocon en veranderen in vrije poppen. De geheele gedaantewisseling duurt ongeveer 4, in den winter, als de omstandigheden gunstig zijn, 6 weken.--Op kermissen kan men in zoogenaamde "vlooien-theaters" Vlooien wagentjes zien trekken en allerlei andere kunstjes verrichten. Om het springen af te leeren zijn zij een langen tijd opgesloten geweest in platte doozen, waar zij bij iedere poging om zich in de lucht te verheffen, door een pijnlijken stoot tegen het deksel aan haar plicht herinnerd werden. Na iedere voorstelling beloont de dierentemmer zijne sujetten door ze op zijn arm naar hartelust te laten zuigen.

De Zandvloo (Sarcopsylla penetrans) is in de tropische en subtropische gewesten van Amerika onder de namen Chique, Chigger, Nigoea, Bicho, Pique, Toenga, enz. berucht. Men ontmoet haar overal in de nabijheid van menschelijke woningen of van verlatene nederzettingen, waar de voor haar noodige droogte en warmte niet ontbreken. Eerst na de paring dringt het 1 mM. lange wijfje in de huid van warmbloedige dieren door; bij menschen vestigt zij zich bij voorkeur onder de nagels van den voet en op andere plaatsen van dit lichaamsdeel. De mannetjes zuigen op dezelfde wijze als de Gewone Vloo; zij zijn, met uitzondering van den donker gekleurden inhoud van het spijskanaal, die door de huid heenschemert, geelachtig. Het wijfje onder de huid is bijna zuiver wit. Wanneer de plaats, waar zij zich bevindt, niet gewreven of gedrukt wordt, zwelt haar achterlijf op, tot het de grootte van een kleine erwt (5 mM. middellijn) heeft bereikt. Geruimen tijd blijft zij in dezen toestand en veroorzaakt geen merkbaren last, behalve roodheid en jeukte van de huid van haar gastheer op de beschadigde plaats. Door deze te wrijven en te krabben neemt de ontsteking aanmerkelijk toe; uit het verwaarloozen van deze wonde kunnen zeer nadeelige gevolgen voortvloeien, vooral omdat andere parasieten van dezelfde soort zich dikwijls bij de ontstane plek vestigen. Kwaadaardige ettervorming en koudvuur maken dikwijls amputatie van de teenen noodig; zelfs zijn er gevallen met doodelijken afloop voorgekomen. De zwelling van de Vloo heeft zeer schielijk plaats; vooraf moet zij echter tot aan de spits van het achterlijf in de huid doorgedrongen zijn. De zeer talrijke eicellen ontwikkelen zij hier langzamerhand op zulk een wijze, dat het rijpste ei altijd het dichtst bij de afvoeropening gelegen is en door de drukking van de overige eieren, die zich nu beginnen te ontwikkelen, naar buiten gestuwd wordt. De moeder blijft, indien zij niet door wrijving of drukking verpletterd wordt, zoo lang onveranderd, tot zij alle eieren gelegd heeft; deze springen dus naar buiten en komen niet in het lichaam van den gastheer. De moeder sterft vervolgens en valt uit haar woonplaats. De verdere ontwikkeling van de larve en haar leven gedurende den poptoestand komen in hoofdzaak overeen met de verschijnselen, die bij de Gewone Vloo voorkomen.--Raadzaam is het in streken, die door de Zandvloo bewoond worden, zich de teenen dagelijks te laten onderzoeken en de parasieten, die in de huid zijn doorgedrongen, te rechter tijd te verwijderen. Dit moet niet geschieden, terwijl de Vloo nog bezig is een goed plaatsje te veroveren, daar zij, met de monddeelen voortwerkend, licht verscheurd en slechts bij stukken naar buiten getrokken zal worden, hetwelk de wonde zou verergeren. Men laat haar vooraf tot rust komen, en tracht haar, terwijl zij reeds begint te zwellen, voorzichtig met een naald uit de wonde te halen.--Oorspronkelijk bewoonde de Zandvloo uitsluitend Amerika; in 1873 werd zij toevallig door een zeilschip van Bahia naar Afrika overgebracht, waar zij zich weldra aan den Kongo en in Gaboen voor goed vestigde.

ZESDE ORDE.

DE NETVLEUGELIGEN (Neuroptera).

Linnaeus vereenigde onder bovenstaanden naam alle Insecten, welker vleugels min of meer volkomen netsgewijs geaderd zijn, in een orde. Een aantal leden van deze groep, zooals de Glazenmakers en hunne verwanten, werden, daar bij hen geen volkomen gedaantewisseling voorkomt, uit de orde der Netvleugeligen verwijderd. Hierin vatten wij dus (na deze beperking) alle Insecten samen, die een volkomen gedaantewisseling ondergaan, bijtende monddeelen bezitten, een vrij voorborststuk en gelijksoortige, vliezige voor- en achtervleugels hebben. Met uitzondering van het vrije voorborststuk, dat niet sterk in 't oog valt, komt deze omschrijving woord voor woord overeen met die, welke van de Vliesvleugeligen gegeven wordt; toch zal men de leden van beide orden niet licht met elkander verwarren. De Netvleugeligen hebben alle een langwerpige gedaante, zijn teer en week van lichaam: geen hunner is met zulk een stevige chitinelaag bedekt als die, welke alle Vliesvleugeligen, zoowel de grootste als de kleinste, bezitten. Hier komt nog bij het verschil in maaksel der monddeelen, die te recht naar hun vorm bijtend worden genoemd, hoewel zij dikwijls wegens hun zachtheid niet voor het bijten dienen. Voorts maken de vleugels, die een veel grooter aantal cellen vertoonen, meestal veel langwerpiger zijn en in grootte en vorm nagenoeg overeenkomen, als ook de bouw van het middenborststuk een vergissing onmogelijk. Wel kan het soms moeielijk zijn de geslachtsrijpe Insecten van deze orde steeds met zekerheid te onderscheiden van die der volgende, omdat het voornaamste kenmerk van beide op de gedaantewisseling berust, die men aan het volkomen Insect niet kan waarnemen. Hoewel de orde der Netvleugeligen kleiner is dan alle vroeger beschouwde orden (met uitzondering van die der Vlooien), niet meer dan een 1000-tal soorten omvat, is zij veel minder natuurlijk, minder scherp begrensd. Wij zullen haar in 3 onderorden verdeelen, die men tegenwoordig meestal den rang van orden waardig keurt: de Platvleugeligen (Planipennia), de Kokerjuffers (Trichoptera) en de Plooivleugeligen (Strepsiptera). De beide eerstgenoemde treft men reeds in de oudste formaties van het secundaire tijdvak aan, vrij talrijk echter in tertiaire lagen, vooral in barnsteen, waarin ook een Plooivleugelige werd gevonden.

De Platvleugeligen (Planipennia) hebben vier gelijke of zeer weinig van elkander verschillende, naakte, netswijs geaderde vleugels, waaraan geen plooibaar gedeelte voorkomt. De monddeelen zijn bijtend en goed ontwikkeld. Hunne larven leven meestal niet in 't water. Deze onderorde omvat drie familiën: de Breedvleugeligen (Megalopteridae), de Sialiden (Sialidae) en de Schorpioenvliegen (Panorpidae).