Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 39
De Slijkvlieg, in het noorden van ons land onder den naam van Blinde Bij bekend (Eristalis tenax), wordt gevonden in geheel Europa, in het noorden en zuiden van Afrika, in China en Japan, sedert eenige tientallen van jaren ook in alle deelen van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Zij verschijnt vroeg in de lente en is een van de laatste bezoekers van de weinige bloemen, die nog open zijn, wanneer de natuur zich tot haar winterslaap voorbereidt. Op het eerste gezicht zou men haar voor een Bij kunnen houden, zoozeer gelijkt zij op een "dar" door haar grootte, haar vorm en het gonzend geluid, dat zij maakt, als men haar aanvat, b.v. terwijl zij te midden van een groot gezelschap van hare soortgenooten op de vensterruiten van een tuinhuis of van een boerderij zit. Dit sierlijke, veel van bloemen houdende dier dankt den niet zeer vleienden naam van "Slijkvlieg" aan zijn levenswijze gedurende den larvetoestand. Dan houdt het zich op in het slijk, vooral in het bezinksel van stinkslooten, bij veestallen en mesthoopen en op dergelijke vuile plaatsen. Menigeen zal deze "zwijnsmaden" of "rattestaartmaden" reeds opgemerkt hebben, zonder te vermoeden, dat zij zich later zullen ontwikkelen tot fraaie Vliegen met een bruingrijs behaard borststuk en een glimmend zwart achterlijf, op welks 2en ring een roode, in 't midden afgebroken band voorkomt. Den naam "rattestaartmaden" danken zij aan de lange, staartvormige adembuis van het laatste segment. In volwassen toestand heeft deze vuilgrijze, rolronde larve, welker ingewanden door de huid heenschemeren, een lengte van 17.5 mM., waarbij nog 19.5 mM. komt voor den "staart", die in een dunne, roodachtige, terugtrekbare spits eindigt. Overal waar de Slijkvlieglarven talrijk zijn, vindt men later, maar alleen op betrekkelijk droge plaatsen, harde voorwerpjes met vele dwarse rimpels; deze in tonnetjes veranderde rattestaartmaden hebben een paar oorvormige aanhangsels, die als ademhalingsorganen dienst doen. Na 12 à 14 dagen wordt op deze plaats een dekseltje afgestooten en komt de Vlieg voor den dag.
Wegens de beperkte ruimte is het moeielijk een goede keuze te doen uit het ontzaglijk groote aantal soorten, die onder den naam van Echte Vliegen (Eumyidae) tot één familie worden samengevoegd. Ondanks de groote verscheidenheid van vormen, die men in deze familie opmerkt en die, volgens Brauer, het best in rekening wordt gebracht door haar in 36 onderfamiliën te verdeelen, vertoonen alle in sommige opzichten groote overeenstemming. De algemeen bekende Huisvlieg, de Blauwe Bromvlieg, de Goudvlieg en honderden andere Insecten, die den ongeoefende als soorten van Huisvliegen voorkomen, behooren tot deze groep en kunnen ons een denkbeeld geven van hare eigenaardigheden. Voorzoover deze betrekking hebben op het vleugeladerstelsel, waarmede wel niet alle, maar toch zeer vele vleugels van Echte Vliegen overeenkomen. Bovendien hebben deze Insecten de volgende kenmerken gemeen: De sprieten zijn in meerdere of mindere mate benedenwaarts gericht of tegen den kop aangedrukt en altijd 3-ledig; het laatste lid is verschillend van vorm, maar steeds platgedrukt en voorzien van een geleden of ongeleden, naakten of behaarden rugborstel. De knievormig gebogen snuit is slechts bij enkele soorten hoornachtig en geschikt om er mede te steken, bij verreweg de meeste voorzien van breede eindlobben, ongelede tasters en, inwendig, van 2 borstels. Tot haar signalement behoort ook nog een dwarsnaad op den rug van het borststuk. Het eindlid van den voet draagt, behalve de enkelvoudige klauwen, twee hechtkussentjes, die bij het mannetje dikwijls sterker ontwikkeld zijn dan bij het wijfje, dat zich bijna altijd door meerdere grootte onderscheidt. De Echte Vliegen ontwikkelen zich uit acephale larven, die in echte, met een deksel zich openende tonnetjes-poppen veranderen (soms geraakt aan weerszijden een deksel los). In tegenstelling met de Syrphiden en hare verwanten, wordt dit deksel bij de laatste gedaantewisseling door de Eumyiden en Pupiparen afgestooten tengevolge van de zwelling der bij haar aanwezige voorhoofdsblaas; de beide laatstgenoemde familiën worden daarom onder den naam van Schizophora samengevat.
Tot de belangrijkste van alle Vliegen behooren ongetwijfeld de Parasietvliegen of Rupsenvliegen (Tachininae), die, ondanks haar geringe grootte, bestemd schijnen te zijn om een verstoring van het evenwicht in de zoo buitengewoon samengestelde huishouding der natuur te voorkomen, daar hare maden, meestal verscheidene tegelijk, als parasieten leven in andere larven--o.a. in die van Bladwespen, Oorwormen en Kevers, vooral echter in die van Vlinders--en haar al te sterke vermenigvuldiging tegengaan. Een gevolg hiervan is, dat de kleine leden dezer familie licht over 't hoofd worden gezien, terwijl zij onophoudelijk zoekend rondsluipen in het gras en struikgewas, waar de wijfjes hare slachtoffers weten te vinden. De grootste, 10 à 18 mM. lange soorten trekken eerder de aandacht; men herkent ze aan de haastige, schuwe, woeste wijze van vliegen. De behandeling, die de larven haar gastheer doen ondergaan, is bij verschillende soorten ongelijk. Sommige verlaten hem, terwijl hij nog in den rupstoestand verkeert en verpoppen zich in den grond; andere doen dit eerst, nadat de rups in een pop is veranderd; nog andere worden tot tonnetjespoppen binnen het lichaam van de vlinderpop of in het spinsel van de bastaardrups; verscheidene eindelijk verlaten als larven het lichaam van haar moeder en worden in dezen toestand, en niet in dien van ei, op den toekomstigen gastheer neergelegd.
Alle Parasietvliegen hebben, evenals de leden van de 4 volgende onderfamiliën, sterk ontwikkelde vleugelschubjes, die de kolfjes volkomen bedekken; het voorhoofd, dat bij het wijfje breeder is dan bij het mannetje, vertoont in overlangsche richting een verdeeling in 3 velden: het middelste is week, de beide andere zijn hoornachtig. De topdwarsader is duidelijk aanwezig, de sprietborstel geleed en onbehaard (of althans schijnbaar naakt), het achterlijf uit 4 ringen samengesteld. Slechts bij weinige soorten ontbreken de macrocheten te midden van het borstelige haarkleed op den rug van het borststuk en van het achterlijf. Aan deze danken sommige den naam van Egelvliegen (Echinomyia).
De larven gelijken op gewone Vliegenmaden, hebben 2 weinig gekromde, uitpuilende mondhaken, kleine ademgaten aan 't voorste en groote aan 't laatste rompsegment, op welks zwak uitgeholde, niet door wratten omringde achterzijde zij zich vertoonen als 3 rechte, convergeerende spleten op elk der 2 groote chitineplaten. De tonnetjes zijn eivormig en meestal bruin; zij bezitten twee adembuizen aan het achterste deel van 't lichaam.
De Parasietvliegen bezoeken dikwijls bloemen, vooral van schermbloemige planten, en worden dan niet zelden met andere leden van haar familie verward; het meest zal men ze echter opmerken op boomen of struiken, die veel van de rupsen te lijden hebben.
De grootste inheemsche soort is de ruim 17.5 mM. lange Dikke Egelvlieg (Echinomyia grossa), welker kort, eivormig achterlijf 11 mM. breed is. Zij is glanzig zwart, zeer dicht met stekelige borstels begroeid, aan den kop en de vleugelwortels roodachtig geel. Het roestroode, middelste sprietlid is bij alle leden van haar geslacht dubbel zoo lang als het vierhoekige, zwarte eindlid. De oogen zijn naakt; wimpers komen alleen op het onderste gedeelte van het aangezicht voor.--De Wilde Egelvlieg (Echinomyia fera) is bruin, het achterlijf echter doorschijnend roestrood, met uitzondering van een zwarte, overlangsche streep.
De Vleeschvliegen (Sarcophaginae) verschillen o.a. van de Parasietvliegen door de vedervormige beharing van het onderste deel van den sprietborstel, die van boven naakt is.
De Grauwe Vleeschvlieg (Sarcophaga carnaria, fig. 6) ontmoet men gewoonlijk niet binnenshuis, des te vaker echter van Mei af gedurende het geheele jaar in de vrije natuur tegen boomstammen, in bloemen, op wegen en vooral op alle plaatsen, waar rottende, dierlijke en plantaardige overblijfselen voorkomen. Het mannetje is dikwijls weinig grooter dan een bijzonder dikke Huisvlieg; het wijfje is altijd grooter en in den regel 15 mM. lang. Wat de kleur betreft, kenmerkt zich deze soort door het lichtgele, glinsterende aangezicht, de lichtgrijze, eveneens glanzige, zwart gestriemde rugzijde van het borststuk, het bruine, met vierkante, zwart en geel iriseerende vlekken geteekende achterlijf en de fluweelachtig zwarte voorhoofdstrepen. Deze Vliegen en alle leden van haar geslacht komen ter wereld als maden, daar zij reeds in het lichaam van de moeder het ei verlieten. Het is wel mogelijk, dat niet eens de helft van het ontzaglijk groote aantal eieren (20000), dat door het wijfje wordt voortgebracht, tot ontwikkeling komt, maar gesteld zelfs, dat zij aan niet meer dan 8000 larven het leven schenkt, dan is haar vruchtbaarheid toch nog verbazend. De maden groeien zeer snel en hebben 8 dagen na de geboorte reeds haar volle grootte bereikt. In den een of anderen hoek of in de allerbovenste aardlaag veranderen zij dan in zwartbruine tonnetjes, waaruit na 4 à 8 weken de Vliegen ontwijken. Uit den naam van de soort zou men afleiden, dat de larven zich uitsluitend met dierlijke stoffen voeden; dit is echter volstrekt niet het geval; zulk voedsel is in de vrije natuur in veel te geringe hoeveelheid voorhanden; de meeste leven in rottende plantendeelen.
De Gewone Vliegen (Muscinae) hebben den sprietborstel van onderen tot boven aan weerszijden behaard en missen de macrocheten.
Zonder overdrijving kan men zeggen, dat geen enkel niet parasiteerend dier den mensch ongenood zoo trouw vergezelt als de Huisvlieg (Musea domestica, fig. 8). Zoowel in het koude Lapland als in de tropische gewesten beschouwt zij zijn woning als de hare. Ieder kent hare onhebbelijkheden; zij is brutaal, snoeplustig en ontziet zich niet alles te bevuilen; een goede eigenschap zal niemand haar toedichten. Vooral tegen het einde van den zomer, als zij in grooten getale binnenshuis beschutting zoekt tegen de koele nachten en morgens, is zij een ware lastpost. Gedurende een deel van 't najaar en in den winter schijnt zij totaal verdwenen te zijn; enkele exemplaren blijven evenwel gespaard en overwinteren in onze woningen, vooral echter in de warme stallen. Zoodra het nieuwe jaar ons eenige mooie dagen schenkt, begeven zij zich naar buiten om zich door de stralen van de lentezon te laten beschijnen. Een zeer eigenaardige ziekte onder de Vliegen trekt in het eene jaar meer, in 't andere minder de aandacht: met wijd uitgespreide pooten ziet men ze vastgehecht aan allerlei voorwerpen; haar 4-ledig achterlijf is gezwollen, de verbindingsvliezen der ringen puilen lijstvormig uit en zijn met schimmel bedekt, zoodat het achterlijf witte en bruine strepen vertoont (fig. 12). Wanneer men het opent, blijkt het niets anders te bevatten dan schimmelplantjes. Door een laagje van dezelfde zwamsoort is het doode dier vastgekleefd aan zijn laatste rustplaats.
De Huisvlieg heeft geen lange borstels aan de binnenzijde der middelscheenen. Deze komen wel voorbij de zwartachtig blauwe Groote of Blauwe Bromvlieg [Musca (Catliphora) vomitoria: fig. 1], algemeen bekend door haar neiging om eieren te leggen op vleesch, welks aanwezigheid zij reeds op grooten afstand met haar reukorgaan ontdekt, en door de gewoonte om onder aanhoudend gegons telkens tegen de vensterruiten te vliegen, alsof zij zich den kop te pletter wil stooten. Zoowel de Huisvlieg als de Blauwe Bromvlieg vermenigvuldigen zich buitengewoon snel. De Huisvlieg legt in den tijd van een kwartier 60 à 70 eieren op een hoopje, vooral in mest. De eieren van de Bromvlieg zijn eenigszins gekromd, ongeveer als een augurk en worden ten getale van 20 à 100, bij voorkeur op vleesch, eveneens op een hoopje gelegd; ieder wijfje bevat er ongeveer 200. Geen van beide wijfjes is bijzonder keurig, wat de legplaats harer eieren betreft; ook de Huisvlieg legt ze op vleesch, op bedorven brood of graan, op aangesneden meloenen, op doode dieren en zelfs op den inhoud van een openstaande snuifdoos. De Bromvlieg gaat met dezelfde bedoeling op oude kaas zitten (de hierin levende springende maden zijn echter niet van haar, maar van de Kaasvlieg, afkomstig); ook zoekt zij doode dieren op en laat zelfs, door haar fijnen reukzin op een dwaalspoor gebracht, hare eieren achter op de als aas stinkende bloemen van de in Zuid-Afrika inheemsche Stapelia's, waar de maden, geen voedsel vindend, spoedig bezwijken. De maden komen hoogstens 24 uur na het leggen uit het ei; zij zijn wit, kegelvormig, van achteren afgeknot en hier van 2 (ieder door een chitine-plaat omringde) ademgaten voorzien, van voren spits en met 2 mondhaken gewapend. Deze zijn bij de Huisvlieg zoo dicht bijeengeplaatst, dat men bij oppervlakkige beschouwing slechts één zwarte haak ziet, bij de Bromvlieg echter wel onderling gelijk, maar door een kort pijlvormig staafje gescheiden. Het schijnt, dat de uitwerpselen der maden de rotting van de stof, waarin zij zich ophouden, bevorderen. Weldra hebben zij zich in alle richtingen verspreid; ofschoon niet met oogen uitgerust, ontwijken zij het licht. Zij groeien zeer snel; de maden van een Bromvlieg, die men op een dooden visch eieren had laten leggen, waren op den 2en levensdag reeds tweemaal zoo groot als bij het verlaten van het ei, maar toch nog zoo klein, dat 25 à 30 van deze diertjes te zamen nog geen grein wogen. Op den derden dag was iedere made reeds 7 grein zwaar; zij had dus in 24 uur een 200-voudige gewichtsvermeerdering ondergaan. Hoe gunstiger de weersgesteldheid, hoe beter en overvloediger het voedsel is, des te spoediger ontwikkelen zich de larven. In 8 à 14 dagen zijn zij volwassen, verspreiden zich en begeven zich, zoo dit mogelijk is, in den grond, om van gedaante te wisselen. Gemiddeld is de Vlieg in het tonnetje na 14 dagen voldoende ontwikkeld, om door het persen van lucht in haar voorhoofdsblaas zulk een drukking op haar hulsel uit te oefenen, dat er een kringvormige barst in ontstaat en een dekseltje van losgeraakt. Dit geschiedt steeds over dag, nooit 's avonds of 's nachts. In gunstige omstandigheden komen ieder jaar verscheidene generaties van Vliegen voor.
In 't najaar merkt men, vooral in kamers dicht bij een stal, niet zelden een soort van Vliegen op, die wegens haar bloedgierigheid Steekvliegen (Stomoxys calcitrans), wordt genoemd. Zij zijn grijs van kleur, met zwarte vlekken op het achterlijf en vier overlangsche, zwarte strepen op den rug van het borststuk. Bij oppervlakkige beschouwing gelijken zij veel op de iets grootere Huisvlieg, van welke men haar gemakkelijk onderscheiden kan aan den fijnen, spitsen snuit, die zeer kleine eindlobben draagt en in rust horizontaal naar voren gericht is. De kegelvormige, 8.75 mM. lange larve leeft 's zomers en in den herfst met de maden van de Huisvlieg in verschen paardenmest, maar ontwikkelt zich langzamer dan deze. De poptoestand duurt 4 à 6 weken. Ieder jaar verschijnen twee generaties: de eerste vliegt in Mei en trekt niet zeer de aandacht; de tweede, in Augustus en September, is lastig voor menschen en vee.
Nauw verwant aan onze Steekvlieg, doch grooter en fraaier van uiterlijk, is de Tsetse-vlieg (Glossina morsitans), in de tropische gewesten van Afrika zeer gevreesd wegens haar steek, die voor sommige huisdieren doodelijk kan zijn. De boeren, die weidegronden voor hun vee zoeken, mijden het "vliegenland" als de pest; hoogstens trekken zij er 's nachts door. De steek van de Tsetse-Vlieg is onschadelijk voor den mensch en voor de wilde dieren; ook de Geiten, Ezels en zuigende kalveren zijn er tegen bestand; alle andere huisdieren sterven er aan. De meeste schade veroorzaakt dit nog steeds raadselachtig Insect gedurende den regentijd of kort te voren.
De Bloemvliegen (Anthomyinae) hebben, evenals de tot dusver genoemde Echte Vliegen (en de Horzels), een driedeelig voorhoofd en sterk ontwikkelde vleugelschubjes; wegens het eenigszins verschillend beloop der vleugeladers (het ontbreken van de topdwarsader) worden zij in een onderfamilie samengevoegd. Van sommige zijn de larven kegelvormig en gelijken op maden van de Gewone Vlieg, van andere zijn zij plat met 4 draadvormige aanhangsels aan ieder segment, die gezamenlijk 4 reeksen vormen (2 op den rug en één op iedere zijde). Deze zeer algemeen verbreide Vliegen gelijken op de Huisvlieg en hare verwanten en worden er dikwijls mede verward. Het zijn de proletariërs onder de Tweevleugeligen. Hoewel sommige een belangrijken werkkring hebben, wordt haar betrekkelijk weinig aandacht geschonken; de onderscheiding der soorten wordt trouwens bemoeilijkt door haar eenvormigheid. Als larve leven de meeste in mest of andere rottende stoffen, sommige echter in levende planten, die zij beschadigen door aan wortels, knollen en bollen te knagen of bladmoes te verslinden. Landbouwers en tuinlieden hebben dikwijls reden om zich over haar werkzaamheid te beklagen. Op welke wijze de larve van de Grijze Uienvlieg (Anthomyia antiqua) en van de Sjalottenvlieg (Anthomyia platura) zich gehaat hebben gemaakt, blijkt uit haar naam. In de onderaardsche deelen van knollen, koolrapen, koolsoorten, radijs, enz. vindt men de maden van de Wortelvlieg (Anthomyia radicum) en van de Radijsvlieg (Anthomyia floralis). De geelachtig witte, in volwassen toestand 9 mM. lange larve van de Koolvlieg (Anthomyia brassicae) doorknaagt van Juli tot November het onder den grond gelegen deel van den stengel van koolzaad en andere koolsoorten en vernielt soms den geheelen akker. De Mangelwortelvlieg (Anthomyia conformis) dringt als larve in het bladmoes van mangelwortels en suikerbieten door en doodt vele bladen. De made van de Slazaadvlieg (Anthomyia lactucae) verslindt in Augustus en September de zaden van sla, enz. enz.
Een zeer eigenaardige levenswijze merkt men op bij de larven van de Horzels (Oestrinae). Hoofdzakelijk parasiteeren zij bij éénhoevige en tweehoevige huisdieren, bij Herten, Reeën en andere soorten van Geweidragers; enkele heeft men als parasieten van Buidel- en Knaagdieren leeren kennen: waarschijnlijk worden ook wel andere Zoogdieren door Horzellarven gekweld, maar zijn deze, wegens de moeielijkheden van het onderzoek, tot dusver onopgemerkt gebleven. Die, welke men in de tropische gewesten enkele malen in de hoofdhuid, de neusholte, de uitwendige gehoorgang en zelfs in de maag van den levenden mensch gevonden heeft, behooren niet tot één bepaaldelijk bij den mensch parasiteerende soort, maar zijn van hare gewone gastheeren (Runderen, Paarden, Honden, Muildieren, enz.) toevallig afgedwaald. Bovendien zijn volstrekt niet alle Vliegenmaden, die men in het lichaam van den levenden mensch aantrof, Oestrinen-larven. Bij de in Europa waargenomen gevallen waren het bijna altijd maden van de geslachten Sarcophaga en Sarcophila. Ook deze moeten als toevallige parasieten van den mensch beschouwd worden; men vond ze in open wonden bij personen, die in hulpbehoevenden toestand buiten, b.v. op een slagveld, hadden gelegen.
Sommige Horzellarven--die van de Huidhorzels (Hypoderma)--leven in het onderhuidsche bindweefsel en voeden zich met den etter der door haar veroorzaakte builen, andere--de Maaghorzels (Gastrophilus of Gastrus)--hechten zich vast aan de binnenste oppervlakte van den maagwand, ook wel in den darm; nog andere eindelijk--de Neushorzels (Oestrus of Cephalomyia)--komen in de neus- en keelholte voor. Bij vele Horzel-larven heeft men verscheidene vervellingen en hiermede gepaard gaande onbelangrijke vormsveranderingen waargenomen; na tot rijpheid te zijn gekomen, verlaten zij haar gastheer en veranderen op of dicht bij de oppervlakte van den bodem in tonnetjespoppen. De Horzels zelf hebben een korten levensduur; vele vliegen bij zonnig weer op kale hoogten sterk gonzend rond. Zij zijn kenbaar aan wratvormige, in een diepe voorhoofdgroeve verborgen sprieten, die een naakten rugborstel dragen en aan den zeer weinig ontwikkelden, voor het opnemen van voedsel nagenoeg ongeschikten snuit. Bijoogen zijn aanwezig. Het 6-ledige achterlijf eindigt bij het mannetje stomp, bij het wijfje in een sterk verlengbare legbuis.
De Paardenmaaghorzel (Gastrus equi), een van de veelvuldigst voorkomende soorten, heeft de rug van het borststuk en het voorhoofd bekleed met een dichte, bruinachtige vacht, die dicht bij iederen vleugel in een zwarte streep overgaat. De overige lichaamsdeelen zijn lichter van kleur en minder sterk behaard, op de pooten en het grootste deel van het achterlijf is de donker wasgele kleur van de huid zichtbaar. De niet volkomen doorschijnende vleugels zijn met een onduidelijk begrensden, donkeren dwarsband en eenige vlekjes geteekend; de vierde overlangsche ader strekt zich volkomen recht tot aan den rand uit; de topdwarsader ontbreekt. In rust houdt deze 13 à 17.5 mM. lange Vlieg de spits van het achterlijf naar boven gekromd en de vleugels half geopend. Alleen bij helder, warm weer staan Paarden, Ezels of Muildieren op de weide, den akker of den weg aan den aanval van het Horzel-wijfje bloot. Schuw en onzeker vliegt zij om een dezer dieren heen. omklemt een zijner haren en hecht er één of meer eieren aan vast, bij voorkeur op een plaats, welke het dier gewoon is af te lekken, b.v. aan de knieën. Ieder wijfje bevat ongeveer 700 eieren (fig. b); deze zijn langwerpig, bekervormig en van een dekseltje voorzien. Het eierenleggen wordt voortgezet, zoolang de weersgesteldheid en de tijd van den dag het toelaten; nooit volgt de Horzel haar slachtoffer in den stal of in het water. Na weinige dagen stooten de larven (fig. d) het dekseltje los en komen uit het ei te voorschijn. Zij begeven zich instinctmatig naar de lippen van het dier, of brengen jeukte teweeg, die het Paard door likken tracht te doen ophouden, indien het met de tong de plaats kan bereiken. De ingeslikte maden hechten zich met de mondhaken vast aan het slijmvlies van de maag (sommige blijven reeds in de keelholte achter); als Bloedzuigers zuigend, veroorzaken zij kuiltjes en langzamerhand groote holten die een etterachtig vocht afscheiden, waarmede de maden zich voeden. Vooral bij Paarden, die in de weide loopen, vindt men soms nesten van 50 à 100 stuks groote en kleine maden bijeen. De wonden van het slijmvlies genezen spoedig, nadat de larven het spijskanaal verlaten hebben. Dit geschiedt echter eerst, nadat zij hier 10 maanden parasitisch werkzaam zijn geweest, in den loop van Mei, Juni en Juli. De larve, die met de uitwerpselen op den grond is aangekomen, graaft hier een vertikale gang, totdat haar lichaam geheel bedekt is, keert zich daarna om en schrompelt tot een hard tonnetje (fig. e) ineen. Voor de ontwikkeling van de Vlieg zijn, bij gunstige weersgesteldheid, 6 weken voldoende. Behalve de genoemde, kent men nog 6 andere Maaghorzels, die bijna alle in Paarden, althans uitsluitend bij Eenhoevigen, voorkomen.