Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 38

Chapter 383,721 wordsPublic domain

Een van de meest beruchte der op grassen levende Galmuggen is de in Nederland niet voorkomende Hessenvlieg (Cecidomyia destructor), zoo genoemd, omdat de landbouwers in Noord-Amerika, die in 1778 hun oogst door dit Insect zagen vernielen, ten onrechte meenden, dat het naar hun land was overgebracht in het bedstroo van de door Frederik II, landgraaf van Hessen-Cassel, voor 40 millioen gulden aan Engeland verkochte 12000 soldaten, die in 1776 onder aanvoering van generaal Heister op Long-Island landden. De volwassen made (fig. f) is 3.37 mM. lang. Men vindt dit zeer trage dier tusschen den halm en de bladscheede van de rogge- of tarweplant, hetzij aan haar onderste gedeelte of onmiddellijk boven een der beide onderste knoopen; soms bevat elk dezer ruimten één made, soms een aantal van deze dieren, hoogstens 9 stuks; alle hebben het voorste deel van 't lichaam naar onderen gericht. De aanvankelijk kort spoelvormige made verkrijgt later een meer eivormige gedaante en trekt zich een weinig van de lichaamshuid terug, waarna deze in een tonnetje verandert, welks bewoner nu "schijnpop" heet, en in dezen toestand overwintert. Ongeveer 14 dagen vóór het verschijnen van de Vlieg vindt men in het tonnetje (d) de pop (c). De wijfjes (a, a') zijn veel talrijker dan de mannetjes; deze zijn vrij geregeld 3, gene 2.7 à 3.75 mM. lang. Het wijfje is grootendeels fluweelachtig zwart; bijna de geheele buik, met uitzondering van een nagenoeg vierkante, zwarte vlek op elk van de 6 middelste leden, is bloedrood; dezelfde kleur hebben op den rug de geledingsvliezen en een overlangsche middenstreep. Korte, zwarte haren bedekken bovendien het lichaam, roodachtig gele de 16-ledige sprieten. Het mannetje is meer bruinachtig en langer behaard, doch is het gemakkelijkst te herkennen aan den vorm van het achterlijf (fig. b). In de tweede helft van April begint de zwermtijd, die ongeveer 5 weken duurt; waarmede niet bedoeld wordt, dat de Mug zoo lang leeft, maar alleen, dat gedurende dezen tijd, bij de eene vroeger, bij de andere later, de overgang in den imago-toestand plaats heeft; de levensduur van het geslachtsrijpe dier bedraagt slechts weinige dagen; regen en koude kan het niet verdragen. Het wijfje legt 80 à 100 eieren achtereenvolgens, zonder merkbare rustpauzen, ieder afzonderlijk of paarsgewijs tusschen 2 overlangsche nerven van een blad. Na weinige dagen verlaat de larve de eischaal en glijdt langs de bladschijf tot in de bladscheede, waar zij zich voor goed vasthecht. Gewoonlijk worden de planten door de maden niet gedood; het onderste deel van den halm wordt echter zoo beschadigd door het zuigen der parasieten, dat hij later de aar, die zich dikwijls ook minder goed ontwikkelt, niet goed kan dragen en door den wind gemakkelijk geknikt wordt; de akker ziet er daarom in den oogsttijd uit, alsof hij door hagelslag vernield werd. Vóór den langsten dag zijn de meeste maden volwassen, de oudste reeds in tonnetjespoppen veranderd, waaruit in September of reeds in het einde van Augustus de zomergeneratie te voorschijn komt. De maden van de tweede of wintergeneratie, die aan de nu zwermende mugjes het leven danken, tasten het jonge winterkoorn aan, waarvan zoo goed als niets terechtkomt. Vooral in dezen tijd richt de Hessenvlieg de groote schade aan, waardoor zij zich berucht heeft gemaakt. Herhaaldelijk, vooral van 1850 tot 1857, heeft zij in Noord-Amerika, dikwijls ook in Posen, Silezië en andere streken van Duitschland, in Hongarije en andere landen den oogst doen mislukken.

De familie der Langpootmuggen (Tipulidae) bevat de grootste van alle Muggen. Door haar lange, veeladerige vleugels en buitengewoon lange en brooze pooten trekken zij de aandacht, terwijl zij op weiden, struiken of boomstammen rondloopen. Zij zijn grijs, geel of zwart van kleur, hebben een rondachtigen kop, groote samengestelde, doch geen enkelvoudige oogen, veelledige sprieten en een (gewoonlijk korten) snuit zonder steekborstels, maar met 4-ledige tasters, waarvan het eindlid steeds langer dan de 3 andere te zamen en dikwijls zweepvormig verlengd is. Het rugschild van het borststuk is zeer bol en door een dwarsnaad middendoor gedeeld; het slanke, 3-ledige achterlijf eindigt bij het mannetje in een hechttang, bij het wijfje in een legbuis. De rolronde, hemicephale larven, welker 12 rompsegmenten dikwijls weeke knobbels of borstels, doch geen "buikpoot" dragen, leven gewoonlijk in den grond van plantaardige stoffen. Zij hebben stevige, dikke, getande, niet ver beweeglijke, voor 't knagen geschikte kaken, die onder de bovenlip verborgen zijn, en 2-ledige sprieten. Het laatste segment is afgeknot en vertoont 4 bovenste en 2 onderste kegelvormige, meer of minder harde knobbeltjes, waartusschen 2 groote, rondachtige, donkergekleurde chitine-platen, ieder met 1 ademgat; het geheel gelijkt dikwijls op een "duivelsmasker". De poppen leven vrij, gelijken op lange vlinderpoppen, hebben adembuizen aan het voorborststuk, kransen van doornen aan de achterlijfsringen en knobbels aan het uiteinde van 't lichaam.

De 22 à 26 mM. lange Kool-langpootmug (Tipula oleracea) heeft, evenals de andere leden van haar geslacht, 12-ledige korte sprieten en 4-ledige, in een lange draad eindigende tasters. Het rugschild van het borststuk is bij haar grijs met bruine striemen, het achterlijf roodbruin; de lichtbruinachtige vleugels hebben een steenrooden voorrand. De achterpooten zijn bijna 3 maal zoo lang als het achterlijf. Dit Insect ontwikkelt zich eerst in Juli en Augustus uit een rolronde, lichtbruine pop, welker op een masker gelijkend aangezicht aan het voorhoofd 2 bijna knotsvormige hoornen draagt. Als men in September over een weide loopt, ziet men deze Muggen overal op haar lange spinnenpooten tusschen het gras aan den arbeid; door elken voetstap wordt er een opgejaagd, die bij het bewegen van de lange vleugels een eenigszins ratelend gedruisch maakt, dat gedeeltelijk veroorzaakt wordt door het fladderen tusschen de grassprieten, en na een korte vlucht langs den bodem dadelijk weer in haar graskreupelbosch neerstrijkt. Overal steekt zij, het lichaam bijna rechtstandig houdend, de legbuis in den lossen grond, om één of twee eieren aan den schoot der aarde toe te vertrouwen. Binnen 8 dagen verlaten de maden, die men emelten of hemelten, in sommige streken ook wel hamels of grauwe wormen noemt, de eischaal. Nadat zij iets grooter geworden zijn, kan men ze in den bodem van het weiland, in vruchtbaren tuingrond en op eenigszins vochtige plaatsen van bosschen in de bovenste aardlagen zonder moeite opsporen. Zij zijn lei- of loodkleurig, van voren dunner dan van achteren, maar toch aan weerszijden stomp. Zoolang de weersgesteldheid het toelaat, voeden zij zich met de rottende plantaardige stoffen van den grond, vervallen daarna in een toestand van verstijving en hervatten in 't volgende voorjaar dezelfde levenswijze, totdat zij weinige weken vóór het verschijnen van de Mug in poppen veranderen. De emelten knagen ook aan fijne wortelvezels en aan de kiemplantjes en zijn hierdoor, vooral in het voorjaar, schadelijk voor den landbouw. Dit geldt ook van de larven van andere soorten, o.a. van Tipula maculosa en T. paludosa, die eveneens "emelten" worden genoemd.

De Kortsprietige Rechtnadigen hebben meestal 3- (soms 5-)-ledige sprieten; evenals de leden der beide laatstgenoemde familiën, ontwikkelen zij zich uit "hemicephale" larven, welker kaken evenwel niet in zijwaartsche richting op elkander werken, niet geschikt zijn om te bijten, maar wel om te steken, zich vast te haken en te boren.

Hoewel de Dazen of Bremsen (Tabanidae) door haar uitwendig voorkomen op Echte Vliegen gelijken, stemt haar ontwikkelingsgeschiedenis in hoofdzaken met die der Langsprietigen overeen. Hare wijfjes zijn even bloeddorstig als die van vele Muggen en kunnen menschen en vee erg kwellen. De beschrijving van de Runderdaas of Runderbrems (Tabanus bovinus), een der meest voorkomende soorten, moge dienen om den aard van de geheele familie te leeren kennen. De houding van het lichaam en de vorm zijner deelen blijken uit de afbeelding. Als men den kop van ter zijde beschouwt (fig. b), ziet men de ver daarbuiten uitstekende, als scheede voor den zuigsnuit dienende, groote, weekhuidige onderlip, die in rust eenigszins teruggetrokken kan worden. Zij bevat bij de wijfjes 6, bij de mannetjes, die de bovenkaken, de echte steekorganen, missen, 4 steekborstels. Bovendien merkt men de 2-ledige kaaktasters en de sprieten op. Van deze vertoont het derde of laatste lid ringen, die soms zoo duidelijk zijn, dat men de geheele spriet 6-ledig kan noemen. De betrekkelijk korte, dikke pooten zijn niet met borstels bezet en dragen aan 't laatste voetlid drie hechtlapjes, een eigenaardigheid van alle leden dezer familie. De genoemde soort is een van de grootste inheemsche Vliegen; zij heeft onbehaarde oogen, die bij het mannetje elkander altijd op de kruin ontmoeten. Het grootendeels somber waskleurig gele, 7-ledige achterlijf heeft op de meeste leden een driehoekige, witachtige rugvlek. Het zwartbruine borststuk is onder de geelachtige beharing nagenoeg verborgen. De halvemaanvormig uitgesneden sprieten zijn nooit geheel zwart; de vleugels hebben een bruinachtig grijze, hunne aders een geelachtig bruine kleur.

Evenals de andere leden van het Dazengeslacht, kondigt de Runderdaas door een luid gegons haar ongewenschte tegenwoordigheid aan; zij verdwijnt even schielijk als zij gekomen is, vliegt met plaaglustige dartelheid in kringen om haar buit, de grazende Runderen, die soms, wanneer de onverzadelijke wijfjes-Dazen in grooten getale hare scherpe dolken door hun huid boren en haar zuigtoestel laten werken, druipend van bloed en schuimbekkend van woede, ten einde raad, uit de weide wegloopen. Het wild zoekt het schaduwrijke kreupelhout op om aan den aanval der gevleugelde kwelgeesten te ontkomen; deze volgen het niet daarheen, omdat zij van zonneschijn en bijgevolg van open terreinen houden. Tegenover den mensch gedragen de Dazen zich veel minder stoutmoedig; gewoonlijk strijken zij eerst dan op hem neer, als hij bewegingloos blijft staan. Op gure dagen blijven zij liefst op boomstammen zitten, maar letten dan toch wel degelijk op hetgeen er in haar omgeving voorvalt; dit blijkt, als men er een wil vangen; zelfs wanneer iemand ze zeer behoedzaam nadert, sluipen zij hem onder de hand weg. Op gewonde eikenstammen kan men ze soms in menigte het uitvloeiende sap zien opzuigen.

De larve gelijkt op die van de Langpootmug en leeft, evenals deze, gezellig in den lossen grond van weiden, waar zij zich waarschijnlijk met wortels van grassen voedt. Nadat zij hier den winter heeft doorgebracht, in Mei, is de tijd voor de gedaantewisseling aangebroken; de made werpt haar huid af en verandert in een ongeveer 25 mM. lange mummiepop. Hieruit ontwijkt in Juni de Vlieg. Nadat het wijfje op de hierboven aangeduide wijze haar tijd heeft besteed, legt zij 300 à 400 eieren bij hoopen op grashalmen; 10 à 12 dagen later worden de larven geboren, voor zoover de eieren niet door de kleine Sluipwespen, die de te sterke vermenigvuldiging van deze Dazen beperken, zijn aangestoken.

Op geheel andere wijze dan de brutale, geraasmakende Runderdazen, stil en arglistig, overvallen twee andere Vliegen, die tot dezelfde familie behooren en bijzonder veel van menschenbloed houden, hare slachtoffers. Een daarvan is de Blinde Goudoogbrems (Chrysops coecutiens), die deze tegenstrijdige namen dankt aan de werkelijk fraaie kleur harer oogen en aan de blindheid voor gevaar, die zij laat blijken, telkens als er kans bestaat om haar bloeddorst te bevredigen. Vooral op drukkend heete dagen is men bij het bewandelen van een breeden boschweg blootgesteld aan de voor niets terugdeinzende vervolgingswoede van deze fraaie Vlieg. Niet slechts op onbekleede lichaamsdeelen, maar ook door de kleederen heen tracht zij, dikwijls met goed gevolg, de scherpe dolken van haar snuit heen te boren en een bloedvat te bereiken; op de dikke huid van Runderen en Paarden gaat zij op dezelfde wijze te werk. Zij is slechts 8.75 mM. lang en komt in vorm nagenoeg overeen met de vorige soort; haar achterlijf is even sterk platgedrukt, maar tevens bijna overal even breed en van achteren meer afgerond. Men kan haar gemakkelijk herkennen aan den zwarten voorrand van de vleugels, die bovendien met een zwarten dwarsband geteekend zijn, en aan de lichte kleur van de voorste helft van het achterlijf. Met eenige verwanten, die moeilijk van deze soort onderscheiden kunnen worden, vindt men haar in Mei en Juni bezig met honig te zuigen uit bloemen. Vooral door de zwoele weersgesteldheid gedurende den tijd, die aan een donderbui voorafgaat, schijnt zij bloeddorstig te worden.

Weinig grooter dan de vorige, maar slanker, is de donkerbruine, op het achterlijf grijs gevlekte Regenbrems of Regendaas (Haematopota pluvialis). Men heeft haar zoo genoemd, omdat zij gedurende een plasregen en ook wanneer er een onweêr in aantocht is, de menschen lastig valt en zich het bloeddorstigst toont. Tien, twintig van deze diertjes zetten zich neer op de onderzijde van een uitgespannen parapluie en zijn zoo onbeschroomd, dat de persoon, dien zij vergezellen, moeite heeft, hen van zich af te houden; allicht weet een van hen, zij het ook door de kleeren heen, met zijn steekorgaan een bloedvat te treffen. Op ongeloofelijke wijze worden, naar men zegt, de Rendieren in Lapland door deze Dazen gekweld; soms is hun geheele huid door talrijke steken met korsten bedekt.

Bloed is, gelijk wij zooeven zagen, een lekkernij voor de vrouwelijke Dazen; met bloed voeden zich ook de talrijke Tweevleugeligen, die tot de familie van de Roofvliegen of Moordvliegen (Asilidae) vereenigd zijn, niet slechts de wijfjes, maar ook de mannetjes.

Zij verlangen echter geen rood en warm bloed, maar het kleurlooze, dat in het lichaam van de Insecten circuleert. Te recht dragen de Roofvliegen dus haar naam. Zij zijn kenbaar aan het meestal slanke, langwerpige lichaam, aan de krachtige pooten, die tusschen de klauwen van het laatste voetlid meestal twee hechtkussentjes dragen, aan den knevel- en wangbaard en aan het meestal langwerpige, derde of laatste sprietlid, dat in een borstel of in een uit leden samengestelden draad eindigt; de korte, spitse snuit heeft een horizontalen of schuinschen stand.

De larven leven in den grond of in rottend hout en voeden zich met de hier aanwezige Insecten, vooral met keverlarven, waarin de jonge vliegenmade soms geheel en al doordringt; zij hebben een rolronde gedaante, een kaakkapsel, die op een volledig kopskelet gelijkt en betrekkelijk goed ontwikkelde monddeelen draagt, ademgaten aan het voorste en het voorlaatste rompsegment en dikwijls een krans van ronde wratten op elk der segmenten 4-9. Als mummiepop verlaten zij de laatste larvehuid door een T-vormige spleet.

De 15 mM. lange, slanke Ölandsche Haviksvlieg (Dioctria oelandica), die haar naam ontleent aan het eiland Öland bij de Zweedsche kust, en over geheel Europa, met uitzondering van het zuidwestelijkste deel, verbreid is, komt 's zomers dikwijls in 't kreupelhout voor. Loerend zit zij op een blad en valt aan op de vermoeide Mug, de nieuwsgierige Vlieg, die zich argeloos in haar nabijheid neerzet; ook de vette Spin is niet veilig voor haar. Men herkent deze Vlieg gemakkelijk aan de zwarte vleugels, het glanzig zwarte lichaam en de tamelijk lange, roodgele pooten, waaraan slechts de voet en de top van de scheen zwartachtig zijn; de knevelbaard, de binnenste rand der oogen, eenige vlekken aan de zijden van het borststuk en twee striemen op het rugschild hebben een messing-gelen weerschijn.

Het geslacht der Roofvliegen i.e.z. (Asilus) omvat eenige honderden soorten uit alle deelen van de wereld, waarvan er alleen in Europa ongeveer 100 leven; nagenoeg alle dragen een eenvoudig, bruingrijs kleed. Door een grijsgele kleur onderscheidt zich de 15 à 24 mM. lange Horzelwespachtige Roofvlieg (Asilus crabroniformis), die over geheel Europa tot diep in Azië verbreid is. Op den kop, de schouderdeksels, eenige rugstrepen, de onderste deelen der pooten van af de dijen en de laatste achterlijfsringen gaat de grondkleur in zuiverder geel over; aan den wortel van het achterlijf is zij vervangen door fluweelachtig bruinzwart. Deze soort ontmoet men niet zelden, wanneer men langs een stoppelveld loopt. Op weinige schreden afstands vliegt zij met sterk gonzend gedruisch onverwachts snel op en dicht bij den grond langs en zoekt zich voor een gevreesden aanval te beveiligen op een stoppel te midden van den akker. Tegen den avond rust zij gaarne op boomstammen uit. Overal op struikgewas, op wegen, op zandige hellingen of boomstammen loeren deze Vliegen op buit, die half vliegend, half springend gegrepen en gedurende het uitzuigen met de voorpooten vastgehouden wordt.

Hoewel de familie der Dansvliegen (Empidae) zeer uiteenloopende vormen omvat, is zij door duidelijke kenmerken gescheiden van de haar verwante groepen. Een bijna bolvormige, kleine en dus zeer scherp begrensde kop, welks hoornachtige, spitse, aan een snippensnavel herinnerende snuit naar onderen gericht is, de slankheid van 't lichaam (vooral van 't achterlijf), het volkomen gemis van beharing en de lange achterpooten verschaffen aan de Empiden eenige overeenkomst met Langpootmuggen. Reeds in 't begin van de lente ziet men dikwijls geheele zwermen van deze Vliegen, die, evenals de vorige, van roof leven, onder boomen, in de nabijheid van kreupelhout, dansen en jagen. Sommige soorten zoeken gaarne de hoofdjes van distels, duizendblad, korenbloemen en andere samengesteldbloemigen en zijn niet zelden onkenbaar door het haar bedekkende stuifmeel, wanneer zij er uit komen. Sommige vertoonen zich in 't begin van de lente, andere eerst in den herfst; sommige dansen over dag, anderen doen dit, evenals de Muggen, des avonds; de meeste bewonen koude landen en gebergten. Van slechts weinige soorten kent men de larven; deze hebben diepe insnoeringen tusschen de rompsegmenten en leven in den grond. Een van onze grootste soorten, de 13 mM. lange Gewone Snipvlieg (Empis tesselata) verschijnt in Mei en Juni. Zij is bruinachtig grijs; op den rug van het borststuk komen zwarte striemen voor; de wortel van de lichtbruine vleugels is geel; het achterlijf heeft vierkante, lichtere vlekken.

De Gewone Doornrug (Stratiomys chamaeleon) is een van de meest verbreide soorten uit de gelijknamige familie (Stratiomyidae). De kop is op de dikke wangen heldergeel, zoo ook het aangezicht, met uitzondering van een smalle, glinsterend zwarte, overlangsche streep. De knievormig gebogen, vleezige snuit wordt in rust ingetrokken, bevat 2 korte, voor 't steken ongeschikte borstels en draagt kleine, 1-ledige tasters. Haar Nederlandschen naam ontleenen deze Vliegen aan het meer of minder geel gekleurde schildje, dat aan elken afgeronden achterhoek een spiesvormigen, schuins naar boven gerichten doorn bezit. Ook de teekeningen op het breede achterlijf en de pooten zijn, met uitzondering van een zwarten ring om de dijen, geel. De vleugels liggen in rust plat op het lichaam en laten de zijden van het breede achterlijf onbedekt. Hoewel de Doornruggen zonder geraas te maken van de eene bloem naar de andere vliegen, vooral op schermbloemigen, brommen zij sterk, wanneer men ze in de hand houdt.

Zeer merkwaardig is de vorm van de in 't water levende larve dezer Vlieg. In volwassen toestand is haar lichaam van voren en van achteren spits en aan de zijden scherp, zoodat de dwarse doorsnede op die van een lens gelijkt. Van elk der 4 voorste rompringen bedekt de voorrand den achterrand van den vorigen ring, de vierde met zijn achterrand ook den voorrand van den volgenden ring; op de laatstgenoemde wijze bedekken alle overige ringen elkander. Aan een verrekijker, die deze inrichting vertoont, zou men dus de 7 laatste kokers in elkander en in de vierde kunnen schuiven; ook zou deze de 3 ineengeschoven voorste kokers kunnen bevatten. Aan het achterste segment komt een ademgat voor, omgeven door een krans van sierlijk gewimperde haartjes. Zoodra de larve onderduikt, neemt deze krans den vorm van een bol aan en omsluit een als zilver glinsterende luchtbel; de medegenomen luchtvoorraad stelt het diertje in staat lang onder water te blijven. Om zich te verpoppen verlaten zij meestal het water.

De Zweefvliegen of Staande Vliegen (Syrphidae) vormen een van de grootste familiën van de orde der Tweevleugeligen; zij behooren tot de onderorde der Kringnadigen en meer bepaaldelijk tot de afdeeling der Aschiza, die zich door het gemis van een voorhoofdsspleet onderscheiden. Tal van zeer in 't oogvallende, nergens ontbrekende soorten maken er deel van uit. Deze zijn zeer verschillend van vorm, maar komen overeen door het bezit van een overtallige overlangsche vleugelader, die tusschen de 3e en de 4e van den gewonen vliegenvleugel gelegen is en de kleine dwarsader doorsnijdt. De ader is nooit gegaffeld, soms echter (vooral bij Eristalis) in het laatste derde gedeelte van haar lengte sterk gekromd. De Zweefvliegen zijn ijverige bezoekers van bloemen en met Bladluizen bedekte struiken. Zij danken haar naam aan de gewoonte van verscheidene soorten om met snelle beweging der vleugels en met afhangende pooten (fig. 2) op dezelfde plaats in de lucht te blijven "staan" of zweven. Alle onderscheiden zich door haar behendige, soms woeste wijze van vliegen.

"Wormpjes", die door hun vorm en bewegingen veel op Bloedzuigers gelijken (fig. 3), grootendeels groen van kleur (sommige zuiver groen, andere meer grijsachtig), ziet men in den zomer op de met Bladluizen bedekte bladen zitten; het zijn maden van Zweefvliegen; lenig en behendig kunnen zij het lichaam spits naar voren uitstrekken, maar ook zoo sterk samentrekken, dat het bijna den vorm heeft van een ei (fig. 4); dit geschiedt, wanneer men haar aanvat. Met de weeke wratten aan 't achterlijf houden zij zich vast, terwijl het grootste, voorste deel van 't lichaam, tastend en steeds dunner wordend, door de lucht wordt bewogen. Aan het voorste uiteinde merkt men alleen 2 hoornachtige haakjes en daartusschen een hoornplaatje met 3 spitsen op. Met de haakjes houdt de made zich vast; het plaatje is als 't ware de vork, waarmede de buit wordt opgepikt. Als de zuiger van een pomp, beweegt het voorste deel van 't lichaam zich naar voren en naar achteren en pompt het slachtoffer leeg. Opmerkelijk is het, dat deze schijnbaar ongewapende made zulk een geweldige slachting aanricht onder de argelooze en weerlooze Bladluizen, die kalm blijven zuigen naast het roofdier, dat zoo even 20 of 30 van hare makkers nauwelijks voldoende achtte voor een zijner talrijke maaltijden. Slechts weinige weken nadat het vraatzuchtige monster hier als ei werd neergelegd, zoekt het, geheel volwassen, de onderzijde van een blad, den top van een dennenaald, een naburigen stengel of grashalm op, waar men het kort daarna vervangen vindt door een bruinachtig groen, peervormig "tonnetje", dat met de binnenzijde aan een dezer rustplaatsen is vastgelijmd (zie de afbeelding bij * en de fign. 5 en 6). Dit tonnetje, de ineengekrompen larvehuid, bevat een vrije pop, waaruit na eenigen tijd op de reeds vroeger aangeduide wijze het geslachtsrijpe Insect te voorschijn komt.

De Maanvlekkige Zweefvlieg (Syrphus seleniticus, fig. 1) heeft den kop en het borststuk metaalachtig blauwgroen (met uitzondering van het bruingele, doorzichtige schildje), beide (ook de oogen) fijn behaard; het platte, glanzig zwarte achterlijf vertoont 3 paar witte maanvlekjes. Als de zon schijnt, vliegen deze Insecten onvermoeid en strijken slechts nu en dan voor korten tijd op een blad of een bloem neer. Op donkere, gure dagen zijn zij, evenals alle Vliegen, loom en vermijden iedere niet volstrekt noodige beweging.