Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 37
De meest bekende vertegenwoordigers van de onderorde der Rechtnadigen (Orthorhapha) en van de afdeeling der Langsprietigen (Nematocera) zijn ongetwijfeld de Steekmuggen (Culicidae). Deze slanke, langpootige Insecten hebben 14-ledige, bij het mannetje met lange haren, bij het wijfje met korte borstels begroeide sprieten en een (soms zeer langen) steeksnuit. Zij missen de bijoogen. Het rugschild van het borststuk is bol en vertoont geen dwarsnaad. De smalle, aan de spits afgeronde vleugels zijn in rust horizontaal boven het slanke, 8-ledige achterlijf gelegen; zij worden gesteund door minstens 6 in dikte overeenstemmende, overlangsche aders; de randader omgeeft den geheelen vleugel en heeft bijna overal dezelfde dikte; de aders en de achterrand zijn dicht bezet met haren, die duidelijk den vorm van schubben hebben. De larven leven in 't water; zij hebben een duidelijk begrensden kop, waarop oogvlekjes voorkomen; het borststuk is dik, uit 3 vergroeide ringen samengesteld en niet van een voetstompje voorzien; het achterlijf is slank en eindigt dikwijls in een adembuis. Al naar de larven en de poppen voortdurend onder water blijven, of nu en dan (door het achterlijf ruksgewijs te krommen en te strekken) naar de oppervlakte stijgen, ademen zij door tracheeënkieuwen of door adembuizen. Gene kunnen den vorm hebben van gewimperde haren of van plaatjes en komen gewoonlijk aan het eerste en aan het laatste rompsegment voor. De adembuizen bevinden zich bij de larven aan het laatste, bij de poppen aan het eerste rompsegment.
De "Muggen" of "Neefjes" zijn gedurende de zomermaanden, vooral bij vochtig, warm weer, op vele plaatsen buitengewoon talrijk. In Holland is de meest gewone soort de 6 mM. lange Piepende Mug (Culex pipiens), die lichte en donkere ringen op het achterlijf, doch geen donkere teekening op de pooten en vleugels heeft, behalve de bruine aders. In sommige streken van andere provinciën schijnt een andere soort, de Zingende Mug (Culex cantans), die door de ongevlekte vleugels met de vorige, in andere opzichten, ook in grootte, met de volgende overeenstemt, algemeener te zijn. In het najaar ziet men veelal de hiervoren afgebeelde, 8 mM. lange Ringpootige Mug (Culex annulatus), welke, behalve aan de witte ringen op bruinen grond, die de pooten en het achterlijf versieren, licht herkend wordt aan de 2 donkere strepen op den rug van het borststuk en aan de 5 donkere vlekjes op de vleugels. Hoe lastig deze 3 soorten door haar bloeddorst zijn, weet ieder, die in een warmen, vochtigen zomer eenigen tijd in een waterrijke streek heeft vertoefd. Minder algemeen bekend is het misschien, dat de bedoelde kwelgeesten uitsluitend wijfjes zijn; de mannetjes schijnen zich alleen met dansen te vermaken.
Dezelfde en andere soorten vormen gedurende den korten, doch warmen zomer van het hooge noorden boven de meren van de toendra zwermen, die op wolken gelijken.--In de heete gewesten van Zuid-Amerika noemt men de Steekmuggen "Mosquitos", een Portugeesch woord, dat Mug of Vlieg (Musca) beteekent en bij ons vervormd is tot Muskieten. Hiermede worden niet de leden van één bepaalde soort aangeduid, maar allerlei bloedzuigende Dipteren, voor een deel leden van het geslacht Culex (op het eiland Barbados b.v. vooral Culex molestus, C. trifurcatus en C. pulicaris).--In Suriname heeten zij "Duivelstrompetters". Vele oorden, vooral rivieroevers, zijn wegens de Muskieten letterlijk onbewoonbaar.--Aan den Orinoko is de eerste vraag, waarmede men des morgens een vriend begroet, veelal: "Hoe hebt gij het van nacht gehad met de Jankudos en Mosquitos?"--Bijna op iederen tijd van den dag wordt men door deze diertjes gekweld, nu eens door de eene, dan weer door een andere soort. Alexander von Humboldt zeide reeds bijna een eeuw geleden: "Tegenwoordig zijn niet de gevaren van de scheepvaart in kleine bootjes, ook niet de wilde Indianen en de Slangen, de Krokodillen en de Jaguars, de grootste verschrikkingen van een reis op den Orinoko, maar de Mosquitos."
Het geslacht der Steekmuggen i.e.z. (Culex) kenmerkt zich door een draadvormigen steeksnuit, die gedurende het vliegen recht vooruitsteekt, bij het mannetje korter is dan bij het wijfje, doch bij beide langer dan kop en borst te zamen. De 5-ledige tasters zijn bij het wijfje veel korter, bij het mannetje langer dan de snuit en ruig behaard. Het mannetje heeft dus, daar ook zijne sprieten vedervormig zijn, op den kop een weelderigen haardos. Nooit zult gij dezen opmerken aan de Mug, die op uw hand gaat zitten en haar hol, hoornachtig steekorgaan, dat uit 5 samengevoegde, beweegbare, draadvormige monddeelen (boven- en onderkaken en onderlip) bestaat, in uw huid boort, totdat zij een bloedvat bereikt heeft, terwijl de zachte, gootvormige onderlip, die als scheede dient voor het rustende wapen, knievormig naar achteren wordt gebogen. Wel zult gij opmerken, dat het achterlijf van uw nu met volle teugen zwelgende kwelgeest (die gij aan de zooeven genoemde eigenschappen als een wijfje hebt herkend) al rooder en dikker wordt. Ieder weet ook, dat de jeukte heviger, de wonde pijnlijker zal zijn, wanneer de Mug gedurende haar bedrijf wordt doodgeslagen, dan wanneer men haar rustig laat begaan, omdat in 't eerstgenoemde geval de spits van den snuit in de wonde achterblijft.
De larven van onze stekende Muggen leven bij millioenen in stilstaande wateren. Een merkwaardig schouwspel leveren deze teere schepseltjes op, wanneer zij met benedenwaarts gerichten kop aan den waterspiegel hangen, zoodat de adembuis, die van het voorlaatste segment zijwaarts uitgaat, lucht kan opnemen. De geringste beweging van het water is voldoende, om hen van de oppervlakte te verdrijven; met slangsgewijze kronkelingen van het lichaam begeven alle zich naar de diepte. Hier blijven zij echter niet lang. Op dezelfde wijze als bij het onderduiken, komt weldra de eene larve na de andere weder naar boven en gaat op nieuw met de adembuis aan de oppervlakte hangen.--Te rechter tijd kromt haar lichaam zich hier in den vorm van een vraagteeken; door een overlangsche spleet, die achter den kop in het te nauw geworden chitine-skelet ontstaat, kruipt een diertje van denzelfden vorm, doch iets grooter van afmetingen, naar buiten. Elke larve moet 3-maal vervellen, voordat zij haar volle grootte, 8.75 mM. bereikt heeft. Nadat de huid in den nek voor de 4e maal opengebarsten is, krijgt men de pop te zien, die een minder slanke, meer ineengedrongen gedaante vertoont en in zijdelingsche richting eenigszins saamgedrukt is (fig. c). Zij hangt met 2 adembuizen, die achter den kop aanvangen, aan den waterspiegel en beweegt zich, evenals de larve, doch nu uitsluitend tot tijdverdrijf en om zich in veiligheid te stellen, naar boven en naar beneden, door het achterlijf naar het voorste deel van 't lichaam om te buigen en daarna plotseling te strekken. Ook haar laatste uur slaat weldra: het barsten der huid bevrijdt de Mug van haar masker; 6 lange pooten gaan voor, een slank, tweevleugelig lichaam volgt hen na. Het diertje blijft eenigen tijd op de drijvende pophuid rusten en verheft zich vervolgens in de lucht om, bij zijn leven althans, nooit meer in het water terug te keeren. Alleen het wijfje komt, kort voor haar dood, aan den waterkant om eieren te leggen. Te dien einde gaat zij zitten op een oeverplant of op een drijvend voorwerp, zoodat zij met de spits van het achterlijf het water kan bereiken; de langwerpige, van boven spits, van onder breeder eindigende eieren worden gelegd tusschen de gekruiste, achter het lichaam uitstekende achterpooten; zij kleven met de zijden aaneen en drijven rechtstandig in 't water. Op deze wijze ontstaat een voorwerpje, dat op een spits toeloopend, platboomd schuitje gelijkt en uit 250 à 300 eieren is samengesteld. Wanneer men bedenkt, dat een wijfje gemiddeld 300 eieren legt, waaruit in 4 à 5 weken geslachtsrijpe Muggen ontstaan, kan men zich een voorstelling vormen van den oorsprong der ontzaglijke zwermen, die vooral in vochtige jaren, als er geen gebrek is aan poelen en plassen, de lucht vullen. De wijfjes van de laatste generatie overwinteren in allerlei schuilhoeken, vooral in kelders, en zorgen in 't volgende jaar voor het instandhouden der soort.
De Zwammuggen (Mycetophilidae), zoo genoemd naar de planten, waarmede vele soorten van deze familie zich in den larvetoestand voeden, hebben 2 of 3 bijoogen; de 12- à 17-ledige sprieten zijn meestal langer dan het borststuk en steken gewoonlijk boogvormig vóór den kop uit; de snuit is meestal kort en draagt 3- of 4-ledige tasters. De rug van het borststuk is bol en zonder dwarsnaad; de vleugels zijn groot, de heupen meestal sterk verlengd. Het rolvormige of zijdelings samengedrukte achterlijf bestaat uit 6 of 7 ringen. Deze Insecten ontwikkelen zich uit rolvormige, "eucephale" larven (zonder voetstompjes en meestal ook zonder oogen), die in een gewoonlijk vrij liggende, rustende pop veranderen. De meeste Zwammuggen zijn roestgeel; de Rouwmuggen (Sciara) echter heeten zoo wegens de donkere kleur der vleugels. Deze zijn in rust horizontaal boven het zijdelings samengedrukte achterlijf gelegen. De dunne, fijn behaarde sprieten bestaan uit 16, de tasters uit 3 leden; het laatste tasterlid is verbreed. De heup is middelmatig lang, de scheen van 2 korte eindsporen voorzien. De pooten zijn in vergelijking met die der Muggen kort.
De merkwaardigste soort van dit geslacht is de Legerworm-Rouwmug (Sciara militaris), zoo genoemd, omdat hare bleeke, doorschijnende, zwartkoppige, 11 mM. lange maden (fig. a) soms tot groote scharen vereenigd door de wouden trekken. Zij is zwart, op den rug van het borststuk glanzig met uiterst korte, zwarte haren, op het achterlijf dof; de kleur der pooten wisselt af van pekbruin tot vuil bruingeel; de vleugels zijn roetkleurig bruin en iriseerend. Het wijfje (fig. c en d) is 4 à 4.5, het slankere en zeldzamere mannetje 2.5 à 3.5 mM. lang.--De nauw verwante Thomas-Rouwmug (Sciara Thomae) wordt veelvuldiger, des zomers op bloeiwijzen van Schermbloemigen, waargenomen.
Het trekken van groote scharen van maden door de bosschen heeft dikwijls aanleiding gegeven tot allerlei bijgeloovige voorstellingen. De eerste berichten hierover (1603) zijn uit Silezië afkomstig, de latere uit de Saksische hertogdommen, Thuringen, Hannover, Noorwegen en Zweden. Sommigen voorspelden op grond van de verschijning van den Legerworm oorlog, andere den uitslag van den oogst. Volgens de Silezische bergbewoners waren de vooruitzichten van den landman gunstig, als het madenleger zich naar het dal begaf, en stond hem misgewas te wachten, als het zich in de tegenovergestelde richting bewoog; bijgeloovige lieden in het Thuringerwoud beschouwden de eerstgenoemde beweging als een voorteeken van vrede, de andere als een voorteeken van oorlog. Nog anderen maakten het verschijnsel tot een orakel, dat op hun eigen leven betrekking had. Om het te raadplegen, wierp men een kleedingstuk of eenvoudig een band vóór de trekkende schare en achtte zich gelukkig, wanneer zij er overheen kroop; het uitwijken voor zulk een voorwerp voorspelde een spoedigen dood aan den eigenaar.
Gewoonlijk hebben de verhuizingen van Rouwmuglarven van Juni tot Augustus plaats. Stel eens, dat ons de aanwezigheid van den Legerworm in een naburig bosch werd aangekondigd, zooals in Juli 1756 en Augustus 1774 aan de bewoners van Eisenach, en wij ons naar de aangeduide plaats begaven, wat zouden wij daar dan zien?--Een grijze Slang, die soms niet minder dan 376 cM. lang is, op de eene plaats drie vingers, op de andere een hand breed, beweegt zich langzaam als een Slak, over den bodem van het duistere woud en maakt wel degelijk een eenigzins spookachtigen indruk. Zij bestaat uit duizenden en nogmaals duizenden van bleeke maden, die, door de slijmerige oppervlakte van haar lichaam bijeengehouden, te zamen als 't ware één vreemdsoortig wezen vormen, welks staartgedeelte men voor een oogenblik met een stokje kan opheffen. Doordat iedere made, die van dit leger deel uitmaakt, op de gewone wijze zich bewegend, de achterste helft van lichaam bijtrekt en daarna tastend de voorste uitstrekt, ontstaat de verplaatsing van de geheele schare, welker oppervlakte bij den toeschouwer een soortgelijken indruk teweegbrengt als een langzaam vlietende waterstroom. De gesteldheid van den bodem en andere omstandigheden, kunnen aanleiding geven tot allerlei wijzigingen van den optocht. Over kleine hinderpalen trekt het leger heen, grootere veroorzaken een tijdelijke splitsing in twee kolommen. Soms verdwijnt een deel onder de bladerenlaag, die den bodem bedekt, zoodat de processie gedurende eenigen tijd schijnt te bestaan uit twee afdeelingen, die denzelfden weg volgen; wanneer zulk een scheiding werkelijk plaats heeft, b.v. door de hoeven van een paard of de wielen van een wagen, sluiten de verbroken gelederen zich spoedig weer, geheel op dezelfde wijze als bij de optochten der processierupsen. Ook heeft men opgemerkt, dat verscheidene scharen zich na verschillende zwenkingen ten slotte vereenigden.
Uit zorgvuldige onderzoekingen in de vrije natuur, die vele jaren achtereen werden voortgezet en uit proefnemingen met maden, die in de gevangenschap werden gekweekt, is gebleken, dat het trekken het opsporen van geschikte voederplaatsen ten doel heeft. De larven ontstaan uit hoopjes eieren, die onder een vochtige bladerenlaag liggen, op plaatsen waar de zonnestralen niet kunnen doordringen. Deze dieren zijn van nature tot een gezellig leven geneigd. Zij hebben voor haar ontwikkeling een bepaalden vochtigheidsgraad noodig: te veel vocht heeft op haar een niet minder verderfelijken invloed als te groote droogte. Zij voeden zich met de onderste, reeds eenigszins in ontbinding verkeerende bladerenlaag. Hare eigenlijke geboorteplaatsen zijn gelegen in oorden, die van nature vochtig zijn door het uit den bodem opstijgende water en waar de afgevallen bladen van vele jaren zich hebben opgehoopt. Op dergelijke plaatsen komen de larven 8 à 12 weken na het leggen van het ei tot volledige ontwikkeling; zij veranderen in poppen (fig. b), die 8 à 12 dagen rusten en daarna Muggen opleveren, waarbij altijd veel meer wijfjes (fign. c, d) zijn dan mannetjes.
Vroeg in 't voorjaar, wanneer men nog ternauwernood van lente kan spreken, ziet men aan de nog dorre grassprietjes, waarlangs de gure Maartlucht strijkt, plompe, zwarte Vliegen hangen of traag over het struikgewas wandelen, vooral op plaatsen waar de Bladluizen zich beginnen te vertoonen; bij warm zonnig weer ziet men ze ook wel log rondvliegen, waarbij zij de pooten stijf naar beneden laten hangen. Deze 11 à 18 mM. lange Insecten verdienen den naam van Zwarte Vliegen (Bibio Marci), die men hun gewoonlijk geeft, niet slechts door hun glimmend zwarte huid, maar ook door de zwarte haren, waarmede zij bekleed is. Zij zijn de grootste inheemsche vertegenwoordigers van de familie der Vliegmuggen (Bibionidae), die, behalve aan de meestal duidelijk zichtbare beharing van het lichaam, ook kenbaar zijn aan de kortheid der 9- à 12-ledige laag aan den kop gezeten sprieten, die bij het borststuk in lengte achterstaan en hierdoor aan de sprieten der Vliegen herinneren. Voorts hebben zij krachtige pooten met dikke dijen en groote, weinig geaderde vleugels. Zij ontwikkelen zich uit "eucephale", volkomen pootlooze, doch dikwijls dwarsreeksen van borstels dragende larven (fig. a), die van plantaardig voedsel leven en in vrij rustende (niet door een cocon omhulde) mummiepoppen (fig. b) veranderen.
Het wijfje van de genoemde soort legt hare 120 à 150 eieren op bladaarde of andere rottende, plantaardige stoffen, gaarne echter ook op mest van Runderen of Schapen. De larven overwinteren gezellig in de losse bladaarde en veranderen eerst in Februari of in het begin van Maart in een eenigszins bultige, in twee spitsen eindigende pop van 8.75 à 11 mM. lengte. Ongeveer 14 dagen later verlaten de Vliegen den grond; op tuinbedden vallen de gaten, waardoor zij naar boven kwamen, licht in 't oog; gewoonlijk verschijnen de wijfjes het eerst, een week later de mannetjes.
Bij de Tuin-vliegmug (Bibio hortulanus), welker zwartachtige larven soms in tuinen schade aanrichten door het afknagen van de fijnste worteltjes van allerlei gekweekte planten, bestaat een groot verschil tusschen de beide seksen: het mannetje is zwart, het wijfje steenrood.
Ook de Krieuwelmugjes (Simulidae), die slechts één geslacht (Simulia) omvatten, behooren tot de kleinste Muggen en naderen door hun bultigen vorm tot de Vliegen. De breede, melkwitte vleugels hebben een bijna hoekige spits en zeer bleeke, slechts bij den zoom duidelijker zichtbare aders. Korte, 11-ledige sprieten, 4-ledige tasters, een voor 't steken geschikte snuit en het gemis van bijoogen zijn de belangrijkste eigenaardigheden van den kop. Dikwijls bestaat er tusschen de mannetjes en wijfjes van dezelfde soort een belangrijk verschil in kleur en andere eigenschappen. De Krieuwelmugjes komen in ontzaglijk groote zwermen voor en zouden, wegens hun kleinheid, allicht onopgemerkt blijven, indien niet de pijnlijke steken van de bloeddorstige wijfjes onze aandacht trokken. Vele Zuid-Amerikaansche Muskieten (b.v. Simulia pertinax) behooren tot dit geslacht, welks "eucephale" larven in 't water leven, evenals de poppen, die een kokervormig huisje bewonen en van voren tracheeënkieuwen dragen.
De meest beruchte Europeesche soort is de Kolumbatcz'sche Mug (Simulia Columbaczensis), zoo genoemd naar een dorp in het Servische district Passarowitz, waar zij volgens het volksgeloof ontstaan zouden in een rotshol, dat het tooneel was van den strijd tusschen St. Joris en den Lintworm. In dergelijke holen zoeken n.l. de Muggen bij onweersbuien een schuilplaats, waaruit zij, zoodra de lucht opklaart, in zwermen, die op wolken gelijken, te voorschijn komen. In de landstreken langs den geheelen benedenloop van den Donau verbreiden zij vrees en schrik onder menschen en vee. Zoo werd b.v. den 26en Juni 1813 uit Weenen bericht, dat in het Banaat en in een deel van Hongarije vele honderden stuks Runderen en Zwijnen gedurende de maanden April en Mei door deze vreeselijke kwelgeesten (die zich in Augustus voor de tweede maal vertoonen) om 't leven waren gekomen. De bedoelde Muggen zijn niet grooter dan Vlooien; zij kruipen in de neus, de ooren, den bek en den aars van het grazende vee, steken het om bloed te zuigen en martelen de ongelukkige dieren zoo hevig, dat zij als dol door de weide loopen en, door het jeuken van de spoedig verhardende gezwellen op de gestoken lichaamsdeelen uitgeput, spoedig bezwijken; het krachtigste dier kan zich binnen 6 uren doodgehold hebben. Bij den mensch kruipen de Krieuwelmugjes bij voorkeur in de ooghoeken. De wijfjes, de eenige, die zich aan bloedzuigen schuldig maken, zijn veel talrijker dan de mannetjes; zij zijn zwartachtig, over het geheele lichaam dicht bedekt met stofjes en messing-gele haartjes; het achterlijf is van boven bruinachtig, van onderen geelachtig wit, de rug van het borststuk zwartbruin. De sprieten zijn geel. De lengte van dit Insect varieert van 3.37 tot bijna 4 mM.
De tot dusver behandelde Langsprietige Rechtnadige Tweevleugeligen stemmen in vele opzichten, vooral ook door den bouw der larven zoozeer overeen, dat men ze soms onder den naam van Eucephalen samenvat. De beide familiën van Muggen, die wij nu nog zullen bespreken, zou men wegens het eenvoudiger maaksel der larven gezamenlijk Hemicephalen kunnen noemen.
Om verschillende redenen verdienen de Galmuggen (Cecidomyidae) ten zeerste onze aandacht. Het zijn kleine, dikwijls zeer kleine, zeer teere mugjes met een middelmatig grooten kop, lange sprieten, waarvan het aantal leden van 10 tot 36 afwisselt, een korten snuit, een aan de rugzijde niet door een dwarsnaad verdeeld borststuk, weinig geaderde vleugels met 3 à 5 overlangsche aderen en zonder discoïdaalcel, ongespoorde scheenen; het mannetje heeft een uit 9 ringen samengesteld, in een tang eindigend achterlijf, dat bij het wijfje uit 7 ringen bestaat en zich voortzet in een legbuis.
De breede, stompe, dikwijls behaarde, aan den rand altijd lang gewimperde vleugels van de Galmuggen i.e.z. (Cecidomyia) hebben 3, hoogstens 4 overlangsche aders, waarvan de middelste vóór de vleugelspits in den voorrand eindigt. De larven van vele (doch op verre na niet alle) soorten brengen aan planten misvormingen, gallen (cecidiën), teweeg. De uivormige, roodwangige uitwassen op de bovenzijde van beukenbladen ontstaan door den steek van de Beukengalmug (Cecidomyia fagi), de bijna bolvormige, die aan weerszijden van het blad van den ratelpopulier zichtbaar zijn, worden veroorzaakt door de Espengalmug (Cecidomyia polymorpha). De Vruchtengalmug (Cecidomyia pericarpiicola) brengt kersroode bolletjes voort in de bloeiwijze van de wilde peen en zoo kunnen allerlei andere plantenteelen van verschillende planten aan larven van andere soorten van Galmuggen een woonplaats leveren.
De meeste soorten van Galmuggen ontwikkelen zich uit een bedekte pop, die na het afwerpen van de laatste larvehuid vrij ligt of nog door een fijn spinsel omhuld is. Sommige soorten, welker larven meestal op grassen leven, hebben evenwel een vrije pop, die in de tot een tonnetje vervormde laatste larvehuid blijft liggen. Dit tonnetje opent zich echter niet met een deksel, zooals bij de Kringnadige Echte Vliegen, maar door een overlangsche spleet.