Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 36
Voor den landbouw schadelijk is de Karwijmot (Depressaria nervosa), die hare eieren verspreid op de karwij, of, wanneer deze plant niet aanwezig is, op andere schermbloemigen legt. Zoodra de karwij in vollen bloei staat, merkt men de rupsen op; zij vreten aan de bloemen en jonge zaden; indien deze beide niet meer in voldoende hoeveelheid voorhanden zijn, tasten zij ook de saprijkste takjes aan. Soms begroot men de door haar aangerichte schade op meer dan de helft van den oogst, dien men in gunstiger omstandigheden verkregen zou hebben. In ons land heeft men, naar het schijnt, tot heden niet veel last van dit Insect gehad. Om zich te verpoppen begeeft de rups zich binnen in den stengel der plant en knaagt zich hier een geschikte rustplaats uit; nadat de opening met een schuins dekseltje is dicht gesponnen, verandert zij in een van boven naar onderen eenigszins afgeplatte pop. Als de rupsen zeer talrijk zijn, vindt men soms in een plant 30 à 40 gaten, die tot een even groot aantal poppenwoningen toegang verschaffen: hierdoor gelijkt zulk een stengel meer op een fluit dan de koolzaadhauw, die door den Fluitjesmaker is aangetast.
De Mot, die uit de Kokerrups van den Lork ontstaat (Coleophora laricinella), heeft bruinachtig grijze, zwak glanzige, langwerpige voorvleugels met lange, glanslooze franje. Zij verschijnt in de tweede helft van Mei, in bergstreken eerst in Juni; over dag ziet men haar zeer snel om de takken der lorken vliegen, of langs de naalden op en neer loopen, om op elke naald een van hare zeer kleine eieren te leggen. Weldra komt hieruit een rupsje, dat op de plaats, waar het ei ligt, in de naald doordringt en deze langzamerhand leegvreet. Eerst tegen het midden van September, kort vóór het afvallen der naalden (die bij den lork slechts één jaar aan den boom blijven en bij bundeltjes uit dwergloten ontspruiten), is het bovenste deel van de aangetaste naald over een lengte van 4 à 7 mM. geheel uitgehold en witachtig van kleur. Het voorgevoel van den naderenden winter noopt de rups het holle gedeelte van de naald, waarin zij zich bevindt, af te snijden, om op deze wijze een kokertje te verkrijgen, dat zij al kruipend medevoert, daar de kop en de borstringen er uitsteken; aan 't tegenovergestelde einde heeft zij een opening gemaakt voor het verwijderen van den drek. Het kokertje is bruin en heeft de grootte van een kleine gerstkorrel; de rups hecht het vast aan een knop en overwintert hier. In 't volgende voorjaar, als de nieuwe naalden te voorschijn komen, wordt één daarvan dadelijk door de kokerrups aangetast; deze knaagt een opening in den top van het blad en holt dit al verder en verder uit, naarmate het van onderen aangroeit. Tegen het midden van April is de rups zoo dik, dat het kokertje noodzakelijk vergroot moet worden; dit geschiedt, door de laatst uitgeholde naald af te snijden, overlangs open te splijten en door spinsel met het eveneens opengespleten, oude huisje tot een wijderen koker te vereenigen. Van de eene naald naar de andere trekkend, richten de vraatzuchtige diertjes groote schade aan, zoodat de top van den lork bruin wordt. Tegen het einde van April verpopt de hoogstens 5 mM. lange rups zich in haar vooraf vastgesponnen koker. Zij is donker roodbruin, op den kop het donkerst, heeft kleine borst- en buikpooten, doch zeer groote naschuivers, waarmede zij zich aan den koker vasthoudt. Na een rusttijd van 2 of 3 weken, meestal reeds voor het einde van Mei, verlaat het 9 mM. spannende vlindertje de pophuid, die in den koker achterblijft.
Slechts enkele woorden kunnen wij wijden aan de 3 nog overige familiën van Microlepidopteren. Twee daarvan--Pterophorina en Alucitina--worden meestal gezamenlijk Vedermotten genoemd, omdat hunne vleugels overlangs tot aan het midden of zelfs tot dicht bij den wortel in slippen zijn verdeeld, die aan weerszijden franje dragen en hierdoor op vedertjes gelijken. Bij de Pterophorinen (met uitzondering van Agdistes, die ongespleten vleugels heeft) bedraagt het aantal slippen in den voorvleugel 2, in den achtervleugel 3. Het zijn slanke vlindertjes met zeer lange pooten; vooral de achterpooten zijn zeer lang en worden in rust tegen het achterlijf aangelegd. Zij vliegen 's avonds en rusten over dag. In rust worden de vleugels horizontaal zijwaarts gericht en wegens het over elkander schuiven der slippen zoo smal, dat ook hierdoor deze Insecten aan Langpootige Muggen herinneren. De kop draagt half bolvormige oogen, geen bijoogen, draadvormige sprieten, een langen zuiger zonder bijpalpen, tusschen 2 vooruitstekende liptasters. De rupsen hebben 16 pooten; sommige leven vrij aan de oppervlakte van de plant, andere verborgen in knoppen, zaden of stengels.
Op stille avonden van Juli tot September vliegt Pterophorus pendadactylus langzaam in droge tuinen rond, reeds op een afstand kenbaar aan zijn sneeuwwitte kleur (vlucht 28 à 30 mM.). Zijn groene rups leeft op winden (Convolvulus sepium en C. arvensis).
De Alucitinen vormen een nog kleinere familie (9 Europeesche, 2 inheemsche soorten) dan de vorige, van welke zij verschillen door hunne ieder in 6 slippen verdeelde, in rust waaiervormig zijwaarts uitgespreide vleugels en door het bezit van bijoogen.
De grijsgroene rups van Alucita hexadactyla leeft in bloemknoppen van verschillende soorten van kamperfoelie (Lonicera). Soms komen 2 generaties voor. Het vlindertje heeft 15 à 18 mM. vlucht en vliegt van Juli tot in den herfst, soms ook in de lente. Zijn kleur is lichtgeelachtig grijs met 2 grijze, witgezoomde dwarsbanden over de voorvleugels.
De familie van de Adermotten (Micropterygida) omvat 2 geslachten met 24 Europeesche en 2 inheemsche soorten; zij is kenbaar aan eigenaardigheden van het vleugeladerstelsel en van de monddeelen. Dit laatste geldt vooral van het geslacht Eriocephala. De rupsen zijn pootloos bij Micropteryx; zij hebben 22 pooten bij Eriocephala. De meeste knagen gangen in het bladmoes.
VIERDE ORDE.
DE TWEEVLEUGELIGEN (Diptera, Antliata).
De Tweevleugeligen zijn gemakkelijk te herkennen, daar zij slechts twee vleugels hebben. Met den ongeleden, nooit opgerolden zuiger, die grootendeels door de onderlip wordt gevormd, nemen sommige bloed, de meeste echter ander vloeibaar voedsel op. De drie ringen van het borststuk zijn onderling vergroeid. Hun gedaantewisseling is volkomen: er bestaat een zeer belangrijk verschil tusschen de drie vormen, waarin het dier achtereenvolgens voorkomt. Door het maaksel van den stam van het lichaam stemmen de Tweevleugeligen met de leden der beide vorige orden overeen. De kop is door een dun draadje met het borststuk verbonden en kan ver naar rechts en naar links gedraaid worden. Van den eersten der drie borstringen ziet men van boven alleen de beide schouderknobbels; de tweede is het sterkst ontwikkeld, daar hij de beide vleugels draagt; het schildje is steeds duidelijk zichtbaar, meestal zoo groot, dat de rug van het naborststuk er door bedekt is. De rug van alle 3 ringen te zamen genomen noemt men gewoonlijk het rugschild. Het achterlijf is zittend of aanhangend, slechts zelden gesteeld. Het bestaat uit 4 à 8 ringen. Ook door de bekleeding van het lichaam zijn de Vliegen het naast aan de Vliesvleugeligen verwant; want, wanneer het niet naakt is, draagt het alleen haren, meestal borstels, soms een wollige vacht, zooals b.v. sommige Bijen hebben, hoogst zelden daarentegen schubben, die zoo dikwijls aan de Vlinders (en ook aan de Kevers) een kleed verschaffen. Elke poot is door een kegelvormige heup met het borststuk verbonden, heeft een dijring, een 5-ledigen voet, welks eerste lid (hiel) in den regel lang is, terwijl het laatste twee klauwen draagt; tusschen deze merkt men dikwijls een bijklauw op; vaker echter komen 2 of 3 zoolvormige kussentjes (paletten of pulvillen) voor, die de Vliegen in staat stellen om op de gladste voorwerpen niet minder veilig te loopen dan op oneffene oppervlakten.
De vleugels, waarop dikwijls duidelijk zichtbare, doch vaker microscopisch fijne haren voorkomen, zijn bij sommige soorten glashelder, bij andere in meerdere of mindere mate ondoorzichtig, bij nog andere op sierlijke wijze bont gevlekt. Daar de Tweevleugeligen in andere opzichten zeer gelijkvormig zijn, spelen de vleugels door de eigenaardigheden van hun aderstelsel een belangrijke rol bij de onderscheiding der groepen en vereischen daarom een (zij het ook korte) beschrijving. De overlangsche aderen hebben de overhand, daarom zijn de meeste cellen langwerpig. Wanneer men de vleugeladers met eenigen aandacht beschouwt, merkt men, hoeveel verschil haar vertakking ook aanbiedt, twee hoofdstammen op, die zelfstandig van den wortel uitgaan en, althans in de nabijheid van hun oorsprong, een meer of minder breede tusschenruimte overlaten. Altijd zijn deze beide hoofdstammen door een dwarsader (x) verbonden. In de nabijheid van den binnenrand ziet men, meestal onduidelijk, soms echter zonder moeite, een derden, zelfstandig uit den vleugelwortel ontspringenden stam (g). De voorrand zelf vormt de randader (costa), die bij de nadere aanduiding der overlangsche aders niet medegeteld wordt. Men heeft hierbij in het oog te houden, dat drie van deze aders tot den voorsten, drie tot den achtersten hoofdstam behooren, zoodat in 't geheel slechts 6 overlangsche aders een rangnummer krijgen; het is tusschen de derde (c) en de vierde (d), dat de vroeger genoemde verbinding der beide hoofdstammen door de zoogenaamde kleine of voorste dwarsader, ook wel eenvoudig dwarsader genoemd (x) tot stand komt. De eerste overlangsche ader(a) ontspringt uit den vleugelwortel en splitst zich dikwijls op korten afstand van daar in twee takken. De eene, de mediastinaalader, is naar boven gericht en eindigt altijd in den voorrand op een plaats, die men ook wel de randvlek noemt. De andere tak, die meer bepaaldelijk eerste overlangsche ader (subcostaal- of onderrandader) heet, mondt eveneens in de costa uit, maar kan zich ook naar de volgende of tweede overlangsche ader (de radiaalader, b) wenden, die uit de eerste ontspruit en in den voorrand, dikwijls ook in de eerste overlangsche ader eindigt. De derde overlangsche ader (cubitaalader, c) gaat altijd van de tweede uit, of indien deze ontbreekt, van de eerste. De vierde overlangsche ader (discoïdaal- of middelader, d) is de bovenste tak van den tweeden hoofdstam; soms buigt zij zich bovenwaarts naar de derde overlangsche ader en heet dan topdwarsader. De vijfde overlangsche ader (posticaalader, e) komt direct uit den vleugelwortel; zij ontbreekt nooit en is als dikste tak van den tweeden hoofdstam de voornaamste steun van de achterste helft van den vleugel. Zij mondt uit in den achterrand of in de zesde overlangsche ader (de anaalader, f), die uit haar ontspringt. Wanneer verder achterwaarts nog een overlangsche ader gevonden wordt, komt deze uit den wortel voort, behoort tot den derden stam en heet okselader (g). Wanneer, zooals in den vleugel van de Mug, een middel- of discoïdaalcel (5) aanwezig is, gaan hiervan een aantal overlangsche aders uit, die niet op dezelfde wijze als de overige gesteld worden, maar eenvoudig als "uit de middelcel ontspringende aders" worden aangeduid. Bovendien kunnen in den vleugel, behalve de beide reeds genoemde, nog eenige andere dwarsaders voorkomen, n.l. de achterste of groote dwarsader (d), die in de nabijheid van den achterrand de vierde met de vijfde overlangsche ader verbindt, de voorste worteldwarsader (y), die in andere gevallen tusschen dezelfde aders een brug vormt, doch zeer dicht bij den wortel gelegen is, waar ook de achterste worteldwarsader zich bevindt, die de beide volgende overlangsche aders vereenigt; de schouderdwarsader (humeraalader, s) eindelijk brengt de eerste overlangsche ader met den voorrand in gemeenschap.
Bij vele familiën vindt men achter den vleugel nog een meer of minder groot, enkelvoudig of dubbel vleugelschubje, waardoor de kolfjes (halteren) geheel of gedeeltelijk bedekt worden. Deze op een steel rustende knopjes, die licht in 't oog vallen, wanneer zij, zooals bij de Muggen, "onbedekt" zijn, komen uitsluitend bij de Tweevleugeligen voor (slechts bij een paar soorten ontbreken zij). Over de beteekenis der kolfjes zijn zeer verschillende meeningen uitgesproken. Zeker is het, dat zij overblijfselen zijn van de bij andere Insecten tot vliegwerktuigen ontwikkelde achtervleugels. Volgens de nieuwste onderzoekingen dienen zij als stuurorganen bij het vliegen. Anderen zijn van oordeel, dat zij in de eerste plaats noodig zijn voor de beweging der "bromringen," dus tot het voortbrengen van de stem, en eerst hierdoor invloed oefenen op de ademhaling en de geschiktheid voor het vliegen. Het geluid, dat de Tweevleugeligen maken, komt tot stand, deels door de trillingen der vleugels, deels door wrijving van de achterlijfsringen en van den kop, deels door de 4 ademgaten van het borststuk (2 aan het voorste, 2 aan het achterste segment). Bij de Vliegen en Muggen zijn de ademgaten van het borststuk in stemorganen veranderd, bij sommige alle 4, bij andere slechts 2: alleen de voorste of alleen de achterste. Iedere bromtoestel heeft ongeveer de volgende inrichting: de talrijke luchtbuizen van het borststuk vereenigen zich allengs, totdat zij in de nabijheid van ieder ademgat een enkele buis vormen. Deze verwijdt zich aan het einde tot een halfbolvormige blaas, welker buitenste opening tevens de rand van het ademgat is en welker talrijke, door chitine verharde plooien gezamenlijk gesteund worden door den "bromring", die onmiddellijk onder het ademgat gelegen is. Door de lucht, welke de tracheeën uitwerpen of in zich opnemen, worden de chitineplaatjes van de "bromholte" in trilling gebracht. Daar het dus gevormde geluid met de ademhalingswerktuigen wordt voortgebracht, mag men het "stem" noemen.
Meestal wordt het grootste deel van den kop ingenomen door de oogen, die soms naakt, soms behaard zijn, bij vele mannetjes op de kruin elkander raken, daarentegen bij het wijfje steeds gescheiden blijven, zij het dan ook slechts door de smalle voorhoofdsstriem. In den regel zijn drie bijoogen aanwezig.
De monddeelen werden reeds besproken en (in fig. 11) afgebeeld. Bij de bloedzuigende soorten zijn zij hoornachtig, bij de andere weeker; de verschillende organen, die bij andere Insecten voor 't bijten of kauwen dienen, vormen bij gene een steeksnuit, bij deze een schep- of zuigsnuit.
Het deel van den kop, dat tusschen de sprieten, den binnenrand der oogen en den mondrand gelegen is, wordt aangezicht (epistoma) genoemd; de baardvormige beharing, die soms hierop voorkomt, heet knevel (mystax), in tegenstelling met de bakkebaard (barba), die het onder de oogen gelegen deel van den kop, de "wangen", soms bedekt en ook wel aan den onderrand van den mond gevonden wordt. De alleenstaande haren, die de zijden van het ondergezicht insluiten, heeten knevelborstels. Niet zelden onderscheiden enkele van de borstelige haren van het lichaam, vooral van het achterlijf, zich door dikte en lengte; men noemt ze groote borstels (macrocheten), als zij een bijzondere vermelding verdienen.
De sprieten zijn volgens twee aanmerkelijk verschillende typen gebouwd. Bij de Langhoornigen of Langsprietigen (Nematocera) bestaan zij uit vele leden (soms niet minder dan 36). Bij de Korthoornigen of Kortsprietigen (Brachycera) worden twee korte, ringvormige grondleden gevolgd door een grooter eindlid van zeer verschillenden vorm, dat aan of vóór zijn spits een fijnen sprietborstel draagt.
Bij de meeste Tweevleugeligen begint de ontwikkeling der larven, evenals bij de tot dusver genoemde Insecten, eerst na het leggen der eieren. Bij sommige soorten, o.a. bij de bekende Vleeschvliegen en vele Rupsenvliegen, nemen de bedoelde verschijnselen reeds vroeger een aanvang en zijn, voordat het ei ter wereld komt, zoover voortgeschreden, dat de larve onmiddellijk daarna de dunne eischaal verlaat. Zulke Insecten noemt men ovovivipaar. Bij de "pupipare" Luisvliegen blijft de larve in de afvoerbuis van de eieren-voortbrengende organen en voedt zich met het vocht, dat door een soort van "melkklieren" voor haar afgescheiden en in deze buis uitgestort wordt, totdat zij rijp is om in den poptoestand over te gaan, hetgeen onmiddellijk na de geboorte geschiedt.
Te recht worden de larven van de Tweevleugeligen "maden" genoemd. Ware pooten komen bij haar niet voor; zeer vele zijn zelfs geheel verstoken van pooten. Sommige hebben aan het eerste rompsegment een onparigen buikpoot of een paar op valsche pooten van rupsen gelijkende bewegingsorganen. Bij vele vindt men aan de buikzijde wratten of kussentjes, die soms naakt, soms met haren of doornen bezet zijn en bij het kruipen goede diensten bewijzen. Borstgraat noemt men een chitinestaafje, dat de larven van de Galmuggen aan de buikzijde van het 3e rompsegment kunnen te voorschijn brengen.
Over 't algemeen is de larve rol-, kegel- of spoelvormig, soms van boven naar onderen afgeplat, soms van aanhangselen voorzien. Het hoogst ontwikkeld zijn de "eucephale" larven van sommige Langsprietigen Muggen. Haar goed ontwikkelde kop draagt sprieten, kaken, die zijwaarts op elkander werken, en dikwijls ook oogen; hij is bekleed met een chitinepantser, dat ook de voorste centrale deelen van het zenuwstelsel (den slokdarmring) beschut.--Bij de ("hemicephale") larven van alle overige Langsprietige Muggen en van een groot aantal Kortsprietige Vliegen gelijkt de voorste lichaamsafdeeling op een kop, doordat zij van sprieten en kaken, soms ook van oogen voorzien is; haar skelet is echter veel minder volkomen; het omgeeft den slokdarmring niet en wordt kaakkapsel genoemd.--Zelfs deze eenvoudige beschutting missen de koplooze (acephale) larven van de Zweefvliegen en van alle Echte Vliegen (Eumyidae). Haar eerste ring draagt geen andere aanhangselen dan korte beginseltjes van sprieten en ook deze ontbreken zeer dikwijls. De zachte huid, die dit segment bekleedt, bevat hoogstens eenige chitine-strookjes om de hoornachtige mondhaken te steunen, die bij het losscheuren van voedseldeeltjes en bij het kruipen te pas komen, doch niet met de kaken der overige larven vergeleken kunnen worden. Bij de larven van de Luisvliegen zijn ook de mondhaken afwezig.
Bij sommige Dipteren-larven zijn alle rompsegmenten, met uitzondering van het 2e en het 3e, van ademgaten voorzien, bij andere alleen het eerste en het laatste. De achterste ademgaten komen dikwijls voor op groote, duidelijk in 't oog vallende chitineplaten, soms aan 't einde van een enkelvoudige of dubbele buis. Tracheeën-kieuwen vindt men bij larven, die voortdurend in 't water verkeeren.
De orde der Tweevleugeligen omvat 2 onderorden--de Rechtnadigen (Orthorhapha) en de Kringnadigen (Cyclorhapha)--zoo genoemd naar den vorm van de spleet, die in de laatste larvehuid ontstaat. Deze is T-vormig bij de leden der eerste onderorde, welker larven alle "eucephaal" of "hemicephaal" zijn en in mummiepoppen veranderen, die door de genoemde spleet naar buiten komen. Deze poppen kunnen haar achterlijf vrijer bewegen dan de Vlinderpoppen; vooral geldt dit van die, welke in 't water verblijf houden, daar zij tot zwemmen in staat zijn. Sommige Rechtnadigen, o.a. de Doornruggen (Stratiomyidae), blijven gedurende den poptoestand in hun laatste larvehuid, die zich eerst opent, nadat de laatste gedaantewisseling heeft plaats gehad en het gevleugeld Insect zijn intrede in de wereld doet. De Doornruggen vertoonen dus een toenadering tot de Kringnadigen. Bij deze komt, evenals bij de Kevers, een vrije pop voor. Zij blijft omhuld door de laatste larvehuid, die zich samentrekt tot een "tonnetje", welks ademgaten met de luchtbuizen van de pop in directe verbinding staan. Zoodra de Vlieg gereed is, oefent zij drukking uit op het voorste deel van 't tonnetje, dat hierdoor een kringvormige spleet verkrijgt, zoodat een dekseltje wordt afgestooten. Naar de wijze waarop dit geschiedt, verdeelt men de kringnadigen in twee groepen. Sommige Vliegen (Aschiza) blazen, voordat hun huid hard geworden is, den geheelen kop op; nadat hierdoor het gewenschte gevolg bereikt werd, herkrijgt de kop zijn oorspronkelijke grootte. Een voorbeeld leveren hiervan de Zweefvliegen (Syrphida). Bij andere Kringnadigen, n.l. bij de Echte Vliegen (Eumyidae) en de Luisvliegen (Pupipara), komt uit een dwarse spleet, die boven de sprieten gelegen is, een eigenaardig orgaan, de voorhoofdsblaas, te voorschijn; later herkrijgt deze blaas haar oorspronkelijken stand en kan alleen na het doorsnijden van den kop waargenomen worden; de voorhoofdspleet blijft echter van buiten zichtbaar, hoewel niet altijd duidelijk. De Vliegen, welke haar bezitten, heeten daarom "Spleetdragers" (Schizophora).
In volkomen ontwikkelden toestand voeden de Tweevleugeligen zich hoofdzakelijk met vloeistoffen, die direct beschikbaar zijn; vooral geldt dit van die, welke hun voedsel aan planten ontnemen en voor 't meerendeel alleen van den honig der nectariën gebruik maken. Vele soorten evenwel, die op dierlijke vochten azen, kunnen deze naar buiten doen komen door met de monddeelen te steken. Alleen de wijfjes zijn hiertoe in staat. Vele maken door het uitwerpen van speeksel oplosbare, vaste stoffen voor opzuiging geschikt, gelijk b.v. de Huisvlieg doet met een korreltje suiker. Verscheidene, bloemen bezoekende Vliegen kunnen zelfs stuifmeel fijn wrijven om zich van voedsel te voorzien.
Alle Tweevleugeligen zijn echte lucht- en landdieren, die over dag hun arbeid verrichten. De meeste zijn klein. Zelfs de grootste zijn in vergelijking met de Kevers en de Vlinders niet meer dan middelmatig. Om deze en andere redenen is de studie der Dipteren minder ver voortgeschreden dan die der vroeger beschouwde Insecten-orden. De meeste werelddeelen zijn in dit opzicht te weinig onderzocht. Brauer schat het aantal bekende soorten op ongeveer 30000, waarbij ongeveer 10000 Europeesche. De alleroudste fossiele Tweevleugeligen zijn uit de tweede formatie van het secundaire tijdvak, uit de lias-lagen, afkomstig. Talrijke overblijfselen, vooral van Muggen, heeft men in tertiaire lagen gevonden, vooral in barnsteen (850 soorten).
Hoewel men het aantal soorten bij het naderen van de poolgewesten aanmerkelijk ziet afnemen, zijn toch de Tweevleugeligen gelijkmatiger over de aarde verbreid dan andere Insecten-orden. Geen enkele familie is geheel tot de tropische gewesten beperkt. In noordelijke landen wordt de geringere verscheidenheid van vormen dikwijls opgewogen door de meerdere talrijkheid der individuën. Als voedsel voor dieren spelen vele Vliegen en Muggen, zoowel de larven als de volkomen Insecten, een zeer belangrijke rol in de huishouding der natuur. Vele gevleugelde Dipteren hebben bovendien door het bevorderen van de kruisbestuiving een grooten invloed op de vermenigvuldiging der planten en indirect dus ook op het leven der dieren. Eenige, b.v. de Roofvliegen (Asilidae) en de Dansvliegen (Empidae) maken, als roofdieren jacht op andere Insecten.
Ook de larven spelen dikwijls een belangrijke rol. Vele voeden zich met rottende overblijfselen van planten en dieren en bespoedigen hierdoor de omzetting en den kringloop der organische stoffen. Andere leven parasitisch in andere Insecten, de Tachininen b.v. in Vlinderlarven, en beperken op deze wijze dikwijls aanmerkelijk de al te snelle vermenigvuldiging van schadelijke dieren. Een aantal larven, b.v. van Horzels, parasiteeren in Zoogdieren en brengen hierdoor nadeel teweeg. Andere beschadigen of vernielen planten; de Hessenvlieg (Cecidomyia destructor) b.v. is een van de gevaarlijkste vijanden van den graanbouw. Vele Dipterenlarven, b.v. die van de Galmuggen, veroorzaken de vorming van gallen. De bloedzuigende Vliegen en Muggen, de Steekmuggen en de Dazen b.v., behooren tot de lastigste vijanden van menschen en vee. Sommige, zooals de Afrikaansche Tsetse-vlieg (Glossina morsitans) kunnen zelfs den dood van sommige onzer huisdieren veroorzaken.