Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 35

Chapter 353,663 wordsPublic domain

De Gewone Dennenspanner (Bupalus piniarius, fign. 1-3) vertoont zich in een gunstiger jaargetijde dan zijne laatstgenoemde verwanten. Met schommelende, maar toch haastige en woeste vlucht bewegen de mannetjes en wijfjes zich op warme Junidagen tusschen de stammen en de twijgen der dennen en sparren. Het mannetje is op zeer verschillende wijzen met lichte vlekken en stralen op zwartbruinen grond geteekend; deze hebben op de bovenzijde een stroogele, van onderen een zuiverder witte kleur. Bij het nog sterker varieerende wijfje wisselt op soortgelijke wijze somber roodgeel met roodbruin af. De eieren worden boven in de kroon op overlangsche reeksen aan de onderzijde der dennenaalden vastgekleefd; in Juli kruipen de rupsjes er uit; eerst in Augustus valt de door hen aangerichte schade in 't oog, wanneer zij in grooten getale aanwezig zijn. In October laten zij zich aan draden op den grond zakken om zich onder mos of dorre bladen te verpoppen. De zeer slanke, groene rups heeft drie witte rug- en twee gele zijlijnen. De pop overwintert.

De Spiesbandspanner (Larentia hastata, fign. 4 en 5) heeft zwart en wit geteekende vleugels: de witte band heeft op elken vleugel een zoomwaarts gerichte, spiesvormige spits. Hij bewoont, evenals de vorige, uitsluitend bosschen, doch alleen die, waarin het berkenkreupelhout de overhand heeft. Hier vliegt hij in Mei tamelijk vlug en schuw rond. De rups is kaneelbruin met een rij van gele, hoefijzervormige vlekken op iedere zijde.

De Schubvleugeligen, die men onder den naam van Kleine Vlinders (Microlepidoptera) samenvat, vormen geen natuurlijke groep; zij worden over verscheidene familiën verdeeld, die met elkander niet nader verwant zijn dan met de overige Heteroceren. Voor de nog steeds gebruikelijke splitsing der orde bestaan redenen van praktischen aard. De studie der Microlepidoptera is wegens hun kleinheid en teerheid met grootere bezwaren verbonden, dan zich bij de andere Vlinders voordoen; zij kan in den regel niet op voldoende wijze met het ongewapend oog geschieden; voorts vereischt het voor haar benoodigde materiaal andere methoden van vangst, kweeking en behandeling. Hoewel deze moeielijkheden velen hebben afgeschrikt, is het aantal bekende soorten van Kleine Vlinders thans reeds aanmerkelijk grooter dan dat der Groote. In Nederland heeft men, volgens J. Th. Oudemans, van gene 949, van deze 764 soorten gevangen. Voor geheel Europa schijnt een dergelijke verhouding te gelden. Ruim 20 jaren geleden waren 2583 soorten van Groote Vlinders en omstreeks 2700 soorten van Kleine uit ons werelddeel bekend.

De Bladrollers (Tortricina) verschillen door de houding van 't lichaam en het maaksel der vleugels aanmerkelijk van de overige Microlepidoptera; men zou ze op 't eerste gezicht voor een klein slag van Uilen kunnen houden. De langwerpige, dikwijls metaalachtig glinsterende en bont geteekende vleugels hebben een korte franje en een boogvormig vooruitstekenden voorrand. De ongeteekende, breede achtervleugels hebben den vorm van het vierde deel van een ellips of van een trapezium, missen de ingeschoven cel, bezitten een vleugelhaakje, 3 vrije binnenrandsaders en nog 6 of 7 andere aders. De borstelvormige sprieten ontspringen uit een dik grondlid en bereiken de spits van den vleugel niet; bijoogen zijn aanwezig. Vrijwillig vliegen de Bladrollers niet anders dan 's avonds of 's nachts; zij laten zich echter opjagen uit de struiken of het gras, die aan vele soorten over dag een schuilplaats verschaffen, waar hun kleur hen beveiligt; in rust bedekken de vleugels dakvormig het achterlijf.

De rupsen van de Bladrollers hebben 16 pooten, Zij leven niet vrij en gezellig aan de oppervlakte van de plant, gelijk de meeste andere rupsen, maar eenzaam in een donkere woning. Deze wordt dikwijls verkregen door het oprollen van bladen, die met eenige draden bijeengetrokken en in dezen stand gehouden worden. Hieraan dankt de familie haar naam, hoewel dezelfde levenswijze ook wel bij rupsen van andere familiën wordt waargenomen. Daarentegen bewonen de rupsen van een groot aantal Bladrollers gangen, die zij in verschillende plantendeelen, vooral in vruchten, boren. Deze woning verwisselt de volwassen larve in den regel voor een andere, waarin zij als pop verblijf zal houden. De rupsen, die in opgerolde bladen leven, verpoppen zich hier ook. De pop wordt nooit door een echten cocon beschut en heeft dikwijls een krans van doorntjes aan den achterrand der achterlijfsringen, die beweging toelaten.

De rupsen van sommige Bladrollers richten in kweekplaatsen van planten, vooral in tuinen, bosschen en wijngaarden, schade aan. De dikke, zwartbruine of grijze rupsen van Rozenbladrollers [Grapholitha (Paedisca) tripunctana, roborana, enz.], die te voorschijn komen bij het openen van de saamgesponnen bladen van tuinrozen, vreten het uiteinde van de jonge twijg, die haar herbergt, geheel kaal; geen bloem zal hier ontluiken, tenzij de vraatzuchtige larve ten spoedigste wordt weggenomen en gedood. Andere rupsen van Bladrollers [Tortrix (Cacoecia) xylosteana, sorbiana, enz.] doen door een soortgelijke levenswijze schade aan vruchtboomen.

Een vleeschkleurige rups, welker kop, halsschild en borstpooten glanzig zwart zijn en die in volwassen toestand 12 mM. lang is, bewoont van half Mei tot half Juni (dus in den hooitijd) de bloeiwijze van den wijnstok en is daarom onder den naam van hooiworm berucht. Een tweede generatie van dezelfde soort van rupsen trekt nog meer de aandacht; zij leeft van 't einde van Augustus tot in September in de onrijpe druiven, die hierdoor zuur blijven en wordt daarom door de Duitsche wijnboeren zuurworm genoemd. Zij verpopt zich in October en overwintert onder de schubben van de schors van den wijnstok, aan den paal, die hem tot steun dient, of in den strooband, waarmede hij is vastgebonden. Uit de pop ontwikkelt zich in April een Vlinder van 14 mM. vlucht--de Eénmaal Gestreepte Druivenbladroller (Conchylis ambiguella)--, wiens glanzig stroogele voorvleugels in 't midden een breede, donkerbruine dwarsstreep vertoonen, die bij den binnenrand smaller wordt; de achtervleugels zijn grijsbruin, bij het mannetje meer witachtig. In Juni en Juli vliegt de zomergeneratie.

De Groene Eikenbladroller (Tortrix viridana) is gemakkelijk te herkennen aan de lichtgroene kleur van het voorste deel van 't lichaam en van de voorvleugels; het achterlijf en de achtervleugels zijn zilvergrijs. Reeds in Mei, als de knoppen van den winter- en den zomereik zich beginnen te ontwikkelen, kan men tusschen de knopschubben rupsjes vinden, voortgekomen uit eieren, die hier sedert den vorigen herfst gelegen hebben. Zij dringen in de knoppen door, vreten deze uit en leven later vrij op de bladen, die zij met eenige draden omspinnen en ook een weinig doen omkrullen. Vooral tegen den tijd, waarin zij tusschen de overblijfselen van bladen in den poptoestand overgaan, hangen een menigte van deze draden als spinrag aan de boomen. Bij de geelachtig groene, 14 mM. lange rups zijn de kop, de achterrand van het halsschild, een vlek op het laatste segment en de bruinachtig behaarde wratjes zwart. De Vlinder, die omstreeks den langsten dag verschijnt, is 8 mM. lang en heeft 23 mM. vlucht.

De Harsbuilenbladroller (Retinia resinella) en zijne verwanten maken een aangenamen indruk door de talrijke, meestal zilverachtig glinsterende, gegolfde dwarslijnen op de donker gekleurde voorvleugels; hunne rupsen zijn op verschillende wijzen nadeelig voor de knoppen en de jonge twijgen van de naaldboomen. De genoemde soort heeft zeer donkerbruine voorvleugels en vliegt reeds in Mei 's avonds bij mooi weer tusschen de dennenaalden rond. De naweeën van zijn verschijning vertoonen zich in den herfst: onder den krans van knoppen, die in de volgende lente zullen uitkomen, ziet men harstranen. Bij nader onderzoek vindt men hierin een gang, die zich tot aan het merg uitstrekt en bewoond wordt door een rupsje, wiens arbeid de harsuitvloeiing heeft veroorzaakt; deze neemt in den loop van het volgende jaar sterk toe; eindelijk heeft zij den omvang van een grooten noot bereikt en valt dan door haar vuilwitte kleur aan den voet van den intusschen uitgesproten krans van twijgen duidelijk in 't oog. De zoogenaamde "harsgal" bevat bijna 2 jaar na den tijd waarin het wijfje eieren legde, een geelachtig roodbruine, 11 mM. lange rups met dikken, zwarten kop, die in de lente in een pop verandert.

De Dennelootbladroller (Retinia Buoliana) heeft witte, als zilver glinsterende teekeningen op de roodachtig oranjekleurige voorvleugels, die van onderen, evenals de achtervleugels aan beide zijden, effen roodachtig grijs zijn. Het wijfje vliegt des avonds in Juli en legt eieren tusschen de knoppen aan en bij den top der jonge Dennen. Eerst in Mei van 't volgende jaar oefenen de rupsen een merkbaar schadelijken invloed op de dan ontstaande loten uit. Deze krommen zich op de plaats, waar de rupsen aan de schors en het nog jonge hout knagen en zullen, als zij in 't leven blijven, haar kromming behouden, terwijl het onbeschadigde deel daarboven op de gewone wijze verder groeit. Dit geschiedt ook met de loot, die zich ontwikkelt tot een verlengstuk van den stam, welke hierdoor den zoogenaamden "waldhoorn"-vorm verkrijgt.

De "wormpjes" van de "wormstekige" appels en peren zijn larven van den Appelbladroller [Grapholitha (Carpocapsa) pomonella, fign. 1 en 2]; zij hebben 16 pooten en zijn bleek rozerood of roodachtig geel, aan den buik lichter. Tot het knagen van gangen in appels en peren worden zij minder door het vruchtvleesch dan door de pitten in het klokhuis verlokt. De eieren worden op het halfrijpe ooft gelegd; de plaats waar het rupsje naar binnen drong, is kenbaar aan een zwart plekje op de "wormstekige" vruchten. Deze worden iets eerder rijp dan hare gave buren en vallen voor een deel onrijp af. De rupsen van de vroegrijpe vruchten gaan meestal te niet, omdat zij bij het opeten van het ooft gevonden en weggeworpen worden, voordat zij geheel volwassen zijn. Die, welke zich in de winterproviand bevinden, verlaten haar woonplaats door de reeds aanwezige gang of banen zich een anderen uitweg, kruipen in den een of anderen hoek, overwinteren hier in een door haar gesponnen kleed en verpoppen zich eerst in Mei. In Juni komt de Vlinder te voorschijn; hij heeft 20 mM. vlucht; men krijgt hem vooral te zien tegen de muren en vensters van bergplaatsen van winterappels en -peren. In de vrije natuur rust hij over dag tusschen schorsschilfers, waarmede zijn kleur zoozeer overeenkomt, dat men hem niet licht ontdekt. De blauwachtig grijze voorvleugels vertoonen fijne, gekronkelde, bruine dwarslijnen. Een roodachtig donkerbruine spiegelvlek, die een roodachtig goudkleurigen rand heeft en aan de zijde van den wortel zwart begrensd is, beslaat een groote plaats aan den binnenhoek. De roodachtig bruine achtervleugels hebben een zwakken koperglans en zijn omzoomd door grijze franje.

Veel minder vaak krijgt men de somber grijsbruine, kleinere Pruimenbladroller (Grapholita funebrana) onder de oogen; ofschoon de meeste pruimen in sommige jaren woning en voedsel verschaffen aan een van zijne rupsen, die dikwijls de helft van het vruchtvleesch in walgelijke drekkruimeltjes verandert.

De familie der Lichtmotten (Pyralidina) omvat de grootste en tevens kleinere Microlepidopteren, die, naar het uitwendige, aanmerkelijk minder overeenstemmen dan de leden der vorige familie. De gemeenschappelijke kenmerken berusten hoofdzakelijk op den vorm van het vleugeladerstelsel. De sprieten zijn borstelvormig; de onbehaarde oogen puilen meestal half bolvormig uit; de bijoogen ontbreken slechts zelden en zijn meestal onmiddellijk achter den wortel van de sprieten gelegen. De tasters zijn zeer veranderlijk van grootte, vorm en richting; behalve de liptasters komen ook zoogenaamde bijpalpen voor. De rupsen van de Lichtmotten komen in vorm en levenswijze met die der Bladrollers overeen. Verreweg de meeste soorten overwinteren als rups, slechts weinige als pop, geen enkele, naar het schijnt, als ei of als Vlinder.

De Vetmot (Aglossa pinguinalis) is een Vlindertje van 22 à 30.5 mM. vlucht met roodgrijze, als zijde glinsterende vleugels; de vlekken van de voorvleugels zijn voor een deel zwartachtig en als dwarsbanden, voor een deel witachtig en als dambordvelden gerangschikt; de effen gekleurde achtervleugels onderscheiden zich door lange franje. De zuiger ontbreekt. In Maart of April, ongeveer 4 weken vóór de geboorte van den Vlinder, verschijnt de glanzig bruine rups--die tot aan dien tijd verborgen was in vet, boter, spek en dergelijke waren--soms op de muren van de provisiekamer bij het zoeken van de plaats, waar zij als pop zal rusten.

De Meelmot (Asopia farinalis, fig. 3) bewoont, evenals de vorige soort, provisiekamers en andere bergplaatsen van eetwaren; haar rups voedt zich met meel.

Het soortenrijke geslacht der Glansmotten (Botys) omvat meer dan 100 Europeesche soorten. Sommige zijn donkerkleurig, vliegen uitsluitend bij zonneschijn en zetten zich neer op den grond of op bloeiende planten, waaruit zij honig peuren. Andere, vooral lichtkleurige soorten, worden gevonden in de omgeving van plassen en zweven, zoodra de duisternis invalt, spookachtig boven den waterspiegel, daar de hier groeiende planten aan hare rupsen voedsel verschaffen. De meeste zijn grootendeels geel van kleur, vliegen 's nachts en rusten over dag in de struiken. Dit geldt ook van sommige verwante geslachten. De rupsen van eenige Glansmotten richten op akkers schade aan.

De Koolzaad-fluitjesmaker (Botys margaritalis) heeft vuil zwavelgele voorvleugels met 2 roestgele (hier en daar onduidelijke of zelfs afgebrokene) dwarsbanden en een roestbruine, bij de spits aanvangende, schuinsche streep; de franje is roestbruin, met veel grijs gemengd. De glanzig stroogele, korte en breede achtervleugels hebben een fijne, roestbruine franjelijn en aan den binnenhoek een grijsbruine vlek op de zwak getinte franje. In Juni en Juli vliegen deze vlindertjes des avonds over de akkers; het wijfje legt dan eieren op de hauwen van koolzaad, raapzaad, boerenkers (Thlaspi), scheefbloem (Iberis), raket (Sisymbrium) en andere kruisbloemige planten. De gaten, die de rups knaagt in de door draden saamgesponnen vruchten, met welker zaden zij zich voedt, hebben aanleiding gegeven tot den naam van de soort, omdat de door haar aangetaste hauw met een fluit vergeleken wordt. De rups is geelgroen, met uitzondering van vier rijen zwartbruine, borsteldragende wratten op den rug en van één rij donkere stipjes boven de eveneens donkere ademgaten. De kop en het halsschild (waarop 3 witte, overlangsche strepen voorkomen) zijn zwart. De volwassen rups kruipt in den grond en overwintert hier in een eivormige, van binnen met zijde bekleede holte. In Mei, 26 dagen voor het verschijnen van den Vlinder, heeft de overgang in den poptoestand plaats.

De rupsen van de Wasmot (Galleria mellonella, fign. 3-6) leven in bijenkorven en voeden zich met was. Het wijfje (35 mM. vlucht) heeft aschgrauwe voorvleugels met bruinachtig gelen binnenrand en roodbruine vlekken; de achtervleugels zijn grijs. Zij dringt 's avonds door het vlieggat (liever nog door andere openingen) in den korf door en legt op de raten eieren. De hieruit komende rupsen graven gangen, die in verschillende richtingen de wanden der cellen doorboren; bij voorkeur vernielen zij op deze wijze oude broedcellen, hoewel ook de met honig gevulde niet gespaard blijven. De gang, die soms een lengte van 15 cM. bereikt en welks wijdte allengs tot die van een penneschacht toeneemt, is van binnen bekleed met een glad, zijdeachtig spinsel, waaraan van buiten afgeknaagde wasstukjes en sterk washoudende uitwerpselen vastgehecht zijn. De Wasmot-rupsen kunnen, wanneer zij in grooten getale voorkomen, door het omspinnen der raten en het laten wegvloeien van den honig, den Bijen zooveel last veroorzaken, dat deze genoodzaakt zijn den korf te verlaten. Elk jaar komen verscheidene generaties voor, die ieder een ontwikkelingsduur van ongeveer 3 weken vereischen, behalve de laatste, die in den poptoestand overwintert en in Mei haar laatste gedaantewisseling ondergaat. Deze veranderingen schijnen echter niet aan bepaalde tijden gebonden te zijn, daar men in de aangetaste korven van Juni tot October zoowel rupsen als poppen en Vlinders aantreft. De pop is bruingeel en op den roodachtig grijzen rug gekield; zij bewoont een dicht, wit, langwerpig spinsel; gewoonlijk liggen verscheidene van deze cocons in overlangsche richting naast elkander. Na een rusttijd van 18 dagen heeft de pop zich tot een Vlinder ontwikkeld. Deze kan zeer vlug loopen en is zeer lichtschuw; onmiddellijk zoekt hij een duisteren hoek op, zoodra men hem aan 't licht blootstelt.

Verreweg de grootste helft van alle Microlepidoptera heeft men samengevoegd in de familie der Motten (Tineina); een algemeene beschrijving van deze groep is wegens de groote verscheidenheid van vorm en levenswijze harer leden zeer moeielijk. Bij de meest typische Motten krijgen de smalle, spits toeloopende, lijn- of lancetvormige vleugels eerst door hun buitengewoon lange franje den vorm, die aan de vlindervleugels over 't algemeen eigen is. In rust liggen zij op het lichaam en bedekken het bij wijze van een dak; bij eenige soorten omhullen zij het echter als een mantel. De achtervleugels zijn in den regel effen, meestal grijs, dus niet sprekend van kleur; de voorvleugels daarentegen prijken dikwijls met zulke schitterend bonte kleuren en prachtige, metaalachtig glinsterende teekeningen, dat men de Motten tot de fraaiste van alle Vlinders kan rekenen. Ongelukkig openbaart de schoonheid dezer Insecten zich, wegens hun kleinheid, slechts onder het vergrootglas in haar vollen omvang. De meeste dragen borstelvormige sprieten van middelmatige lengte; bij sommige soorten evenwel zijn de sprieten zeer lang, vooral bij de mannetjes; het kan voorkomen, dat hun lengte eenige malen die van het lichaam overtreft.

Niet minder verschillend dan het uitwendig maaksel der Vlinders is de levenswijze der 14- à 16-pootige rupsen. Sommige leven gezellig in een groot spinsel, dat geheele takken en kleine struiken als 't ware met een sluier omgeeft; andere rollen bladen of een blad samen en bewegen zich in de dus gevormde, aan beide einden geopende buis even snel vooruit als achteruit. De zelfgemaakte kokertjes, die de leden van andere soorten bewonen en voortdurend medesleepen, bestaan uit stukjes, die zij van haar voedsel hebben afgeknaagd. Zeer vele rupsen leven als "mijngravers" in gangen, die zij in het bladmoes, tusschen de bovenste en de onderste opperhuid van het blad, maken; andere boren eenvoudig gangen in allerlei plantendeelen.

Bij het geslacht Tinea komen zeer ontwikkelde, ver vooruitstekende, 6- à 7-ledige bijtasters voor; het tweede lid van den liptaster is aan het einde met borstels bezet, de zuiger voor het gebruik ongeschikt, de kop van een haarkuif voorzien. De borstelvormige sprieten zijn korter dan de voorvleugel.

De Korenmot (Tinea granella, fig. 1) heeft 13 mM. vlucht en richt als rups schade aan in graanpakhuizen. Hier ziet men het Vlindertje in Juni des daags tegen muren, balken, enz. zitten. De vleugels bedekken in rust daksgewijs het lichaam; de voorvleugels, die van achteren door de franje verbreed zijn, hebben een zilverwitte kleur en donkerbruine à zwarte marmervlekken. De franje en de randen zijn donker gevlekt; tamelijk standvastig strekt de grootste vlek zich van het midden van den voorrand streepsgewijs tot aan den binnenhoek uit. De achtervleugels zijn, evenals het achterlijf, glanzig witachtig grijs. Het wijfje legt bij voorkeur in graanpakhuizen eieren: 1 of 2 op elke korrel. Na 10 à 14 dagen worden de rupsjes geboren. In de laatste week van Juli openbaart hun aanwezigheid zich reeds door de kleine hoopjes drek, die aan de aangetaste graankorrels hangen; deze zijn bij 3, 4 of meer stuks aaneengesponnen. De "witte korenwormen" bepalen zich niet tot één korrel, maar snoepen van verscheidene en verbinden deze door een weefsel; hieronder verborgen beknagen zij het graan van buiten. De geelachtig witte rups verpopt zich in de uitgeholde graankorrel, in een naad van den vloer, of in een spleet van een balk. De woning, die zij van het knaagsel uit haar omgeving en van haar spinsel vervaardigt, bevat tot in de lente een rups, die dan eerst verandert in een bruinachtige pop.

Algemeen bekend zijn de verwoestingen, welke de rupsen der Kleederen- of Pelsmotten (fig. 2) aanrichten op plaatsen waar men ze niet stoort, b.v. in kleerkasten, in gevulde zittingen van stoelen en canapees, in laden met wollen goederen en ook in natuurhistorische verzamelingen. Overal waar zij zeer talrijk zijn, ziet men ze 's winters aan den buitenkant der door haar aangetaste voorwerpen hangen in kleine zakjes, waarvoor het materiaal geleverd wordt door de stoffen uit de omgeving; later verpoppen zij zich hierin. De leden van 2 soorten verrichten gemeenschappelijk dezen arbeid. De eene is de 11 à 17.5 mM. spannende Pelsmot (Tinea pellionella), welker als zijde glinsterende, geelachtige voorvleugels in het midden met een of twee donkere stippen geteekend zijn en welker grijze achtervleugels een geelachtigen weerschijn hebben. De andere, de Tapijtmot (Tinea tapeziella), heeft 15 à 22 mM. vlucht: hare voorvleugels zijn voor de kleinste, aan den wortel grenzende helft violetbruin, overigens geelachtig wit, behoudens een violetachtig grijze vlek aan de spits; de achtervleugels zijn als bij de vorige soort. Beide vliegen in Juni en Juli; zij kunnen zich echter ook vroeger of later vertoonen, al naar de temperatuur der woonplaats.

De Appelboom-spinselmot of Appelboom-stippelmot (Hyponomeuta matinella) heeft 19 mM. vlucht en is grootendeels wit met zijdeachtigen glans. Op de langwerpige voorvleugels bevinden zich 3 overlangsche rijen van zwarte stipjes (zwart gestippeld zijn ook de rug en de schouderdeksels); de donkergrijze, aan den wortel witachtige achtervleugels hebben een effen lichtgrijze franje. Van het einde van Juni tot in het begin van Augustus kan men dezen weinig in 't oog vallenden Vlinder over dag op appelboomen zien loopen of zitten en 's avonds in hun nabijheid rondvliegen, voor zoo ver zich op deze boomen tusschen de takken floersachtige spinsels bevinden en reeds vroeger aanwezig waren. Hier is n.l. de woonplaats van zijn bruinachtig grijze, met zwarte wratjes bezette rups. Daar deze rupsen gezellig leven en er niet zelden een vereeniging plaats vindt van verscheidene gezelschappen, kan het voorkomen, dat geheele takken van den appelboom met een sluier omgeven zijn en dat het groen binnen dit nest hoe langer hoe meer afneemt, daar van de bladen ten slotte alleen de nerven en een der opperhuidlagen overblijven. Wanneer zij een tak hebben leeggevreten, trekken zij verder en tasten een andere aan; hieraan ontleenen zij waarschijnlijk den naam van Trekmaden, dien men haar in Gelderland geeft, waar zij soms in de appelboomgaarden groote schade aanrichten (Ritzema Bos). Zoodra zij volwassen zijn, verpoppen zij zich ieder afzonderlijk in een kleverigen, haverkorrelvormigen cocon, die de korte en dikke, roodachtig gele pop niet geheel aan 't oog onttrekt. Ieder nest bevat groote kluiten van dergelijke cocons.

De Akkeruilmotten (Depressaria) vervangen in de familie der Motten het Uilengeslacht Agrotis door de sombere kleuren van de vleugels, die plat op het zijdelings verbreede achterlijf rusten, voorts door haar wijze van opvliegen of wegloopen, als zij over dag gestoord worden. De leden van dit omvangrijke geslacht (60 Europeesche, een tiental inheemsche soorten) overwinteren in den imago-toestand. Vele van de rupsen bewonen de bloeiwijzen van schermbloemige planten, ook nadat de vruchten zich ontwikkeld hebben.