Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 34
Niet minder schadelijk dan de Leucania-rupsen voor de grassen, zijn de Gestreepte Dennenrupsen [Trachea (Panolis) piniperda, fig. 2] voor de dennen. De eerste nauwkeurige berichten over de door haar aangerichte vernielingen zijn van de jaren 1783 en 1784, toen de Frankische en Saksische wouden vreeselijk geteisterd werden. De rupsen zaten tot in de toppen der hoogste boomen en verslonden de jonge naalden aan de spitsen van alle twijgen; de dennen, die na korten tijd er uit zagen als na een boschbrand, stierven alle binnen eenige jaren. In Augustus hielden de rupsen op met eten, werden slap en vielen in zoo groote hoeveelheid naar beneden, dat de grond er zwart van zag. De gezonde rups heeft niets zwarts aan zich; over het groene lichaam loopen verscheidene witte rugstrepen en een oranjekleurige zijdestreep. Ook in de vorige eeuw heeft de Gestreepte Dennenrups zich herhaaldelijk in verschillende streken van Duitschland in ontzaglijke menigte vertoond en duizenden HA. boschgrond vernield. Ook in ons land is zij de gevaarlijkste vijand der dennenbosschen. De belangrijkste schade, door haar aan onze houtteelt toegebracht, is die, welke in 1854 en 1855 in de provincie Gelderland voorviel. In deze beide jaren werden aldaar niet minder dan 2270 HA. aangetast en daarvan 985 HA. totaal vernield. Ook de provincie Utrecht bleef niet gespaard; aan de Vuursche werden 50 à 60 HA. en bij Zeist 170 HA. aangetast en gedeeltelijk kaalgevreten (Ritzema Bos). Zonder sterk de aandacht te trekken, komt de Gestreepte Dennenrups van het laatst van Mei tot het midden van Juli waarschijnlijk in alle dennenwouden voor; bij voorkeur houdt zij zich op in de 30- à 40-jarige boomen. Dikwijls heeft men deze rupsen uitgedroogd aan de naalden zien hangen of ze in grooten getale rottend over den bodem verspreid gevonden; in vele gevallen wordt hierbij vermeld, dat hun dood plaats had na hevige regenbuien en koud weder. De lage temperatuur en de vochtigheid brengen echter niet direct dit gevolg teweeg, wel indirect door het begunstigen van de vermenigvuldiging der Insectendoodende zwammen (schimmelplanten). Dat een zwam de oorzaak is van de epidemie, werd voor 't eerst aangetoond in West-Pruisen door Bail (1869). De Bary vond in 1883, dat deze zwam Entomophthora Aulicae is. Hoe snel zij den dood van de rups kan teweegbrengen, ondervond Nitsche, die een groot aantal oogenschijnlijk volkomen gezonde exemplaren welke des Zondagsmiddags te Primkenau ingezameld waren, des Maandagsmiddags, toen hij ze in Tharand uitpakte, voor een groot deel reeds dood en met de karakteristieke vruchthyphen overdekt vond. Ook in Beieren heeft in 1892 deze rupsenvijand volgens Von Tubeuf zeer gunstig gewerkt. Natuurlijk ontbreken in zulke gevallen ook de zonder microscoop zichtbare bondgenooten van den houtteler niet: duizenden van Sluipwespen zwermen om de aangetaste boomen en veroorzaken den dood van even zoovele rupsen. Zelden duurt een dennenrupsenplaag langer dan 2 jaar, omdat bij het einde van dit tijdperk de parasieten zich doorgaans zoo sterk hebben vermenigvuldigd, dat aan de ramp een einde komt. Zoo werd aan de bovengenoemde dennenrupsenplaag in Gelderland, nadat deze 2 jaren had geduurd, een einde gemaakt door een Parasietvlieg (Tachina glabrata). (Ritzema Bos).
Als tegen het einde van Maart de zon verscheidene dagen achtereen warm geschenen heeft, ontwijkt de Dennenuil, waarvan de Gestreepte Dennenrups de larve is, reeds in deze maand, anders stellig in de volgende maand uit de in den grond overwinterende pop. Zij is een van de bontste Uilen, zit met daksgewijs afhellende vleugels op de stammen of tusschen de naalden der dennen en zwerft ook over dag door haar gebied om bloeiende wilgenkatjes op te zoeken. De voorvleugels en het ruige, niet van haarpluimen voorziene borststuk zijn roodachtig kaneelkleurig met bijmenging van geelgrijs; aan de binnenrand is de golflijn roodbruin geschaduwd; de beide groote vlekken zijn wit. Het achterlijf en de achtervleugels zijn effen donker grijsbruin. In Mei legt het wijfje reeksen van 6 à 8 eieren op de naalden.
Dat er rupsen zijn, die andere rupsen opvreten, weet alleen de verzamelaar en kweeker van zulk gedierte. Deze moordenaars heeft hij te vreezen; als er een zich bevindt in de doos, waarin hij ook andere rupsen naar huis draagt, kan hij er zeker van zijn, dat een deel van den met moeite verzamelden buit onderweg bedorven wordt. Zulk een "moordenaar" is de rups van de IJpen-hyena-uil [Cosmia (Calymnia) diffinis, fig. 1], die zich in Mei op ijpen vertoont. Zij heeft geen onaardig uiterlijk: met uitzondering van den zwartbruinen kop en het glanzig bruine nekschild, is zij op geelachtig groenen grond met 5 witte, overlangsche streepen geteekend, die gelijke tusschenruimten overlaten, welke bezet zijn met bruin behaarde, door een wit vlekje omringde wratjes. Een lichtgekleurde, gaffelvormige teekening op het voorhoofd en bruine ademgaten behooren mede tot haar tooi. Niet minder sierlijk is de gladde, glanzig kastanjebruine, vooral aan den binnenrand van den voorvleugel roodgrijs genuanceerde Vlinder; de geelachtig grijze voorrand vertoont twee groote vlekken, beginsels van dwarslijnen, waarvan de achterste sterk gebroken is.
Vele leden van het soortenrijke geslacht der Akkeruilen (Agrotis) zien er vuil en onooglijk uit, grijs als de bodem, waarop zij, onder bladen verborgen, bij voorkeur verblijf houden; andere hebben het in haar familie zeldzame voorrecht van bont gekleurde achtervleugels te bezitten: geel, met een zwarte streep bij den zoom. Het lichaam is krachtig gebouwd; de kop en het borststuk zijn met aanliggende haren bekleed; het ongekuifde achterlijf is dikwijls van boven naar beneden afgeplat. Zij hebben de gewoonte zich over dag te verbergen en bij verstoring van hun rust de horizontaal gerichte, elkander bedekkende vleugels trillend heen en weer te bewegen, voordat zij opvliegen, om zich een eind verder nogmaals op den grond te verschuilen. De onbehaarde, rolronde rupsen leiden een verborgen leven, eten uitsluitend gras of kruiden, overwinteren en verpoppen zich in den grond.
De Huismoeder [Agrotis (Tryphaena) pronuba] heeft 50 à 60 mM. vlucht en is, behalve aan haar grootte, ook kenbaar aan den zwarten band op het zoomveld van de overigens okergele achtervleugels; de voorvleugels zijn bij sommige (var. innuba) bijna effen, roodachtig lederbruin; bij de overige scherper geteekend op rood-, grijs- of zwartbruinen grond.
De Aardrupsen (Agrotis segetum) zijn bijna ieder jaar voor landbouwers en tuinlieden niet slechts lastig, maar zelfs zeer schadelijk. Zij hebben een vaalbruine, met veel grijs en eenig groen gemengde kleur op de doorschijnende, sterk glinsterende huid; het nekschild is donkerder dan het lichaam, het stuitschild niet. In volwassen toestand zijn zij 52 mM. lang en zoo dik als een flinke ganzepen. Van Augustus tot October, bij voortdurend gunstige weersgesteldheid nog in November, knagen zij aan de wortels en andere onderaardsche plantendeelen van het jonge winterkoren (vooral van rogge en tarwe), van allerlei soorten van kool en rapen, van aardappels en mangelwortels, van verschillende groenten en sierplanten. Die welke, als engerlingen, in knollen en knolvormige wortels leven, hierin gangen boren en groote holten doen ontstaan, blijven geruimen tijd in dezelfde plant; de overige komen 's nachts boven den grond om zich van de eene plaats naar de andere te begeven en boven den grond de jonge plantjes af te vreten. Over dag liggen zij ineengerold onder steenen en aardkluiten, of houden zich, zoo deze ontbreken, verscholen in de bovenste aardlaag bij de wortels van hare voederplanten. Eenige gaan reeds vóór den winter in den poptoestand over, hoewel zij, behoudens enkele uitzonderingen, eerst in het volgende voorjaar de pophuid verlaten. De meeste overwinteren echter als rups, verpoppen zich in de lente en komen na een rust van ongeveer 4 weken als Vlinders te voorschijn. Dit brengt teweeg, dat men ze reeds in de tweede helft van Mei ziet vliegen, veelvuldiger echter in Juni en ook nog wel in Juli en Augustus. Hun vlucht bedraagt 44 mM.; de voorvleugels hebben een meer of minder donkere, grijsbruine kleur, bij de meestal lichtere mannetjes met geelachtigen weerschijn; voorts zijn zij met vlekken en strepen meer of minder duidelijk geteekend. De achtervleugels hebben bij de mannetjes een melkwitte kleur, bij de wijfjes een donkerder tint. Deze soort bewoont geheel Europa, maar is ook over een groot deel van Azië en bovendien over Zuid-Afrika en Noord-Amerika verbreid; men kan haar dus cosmopoliet noemen.
De Monniken of Monnikskappen (Cucullia) zijn tamelijk groote Uilen van 39 à 55 mM. vlucht, welker slank lichaam een deels glad, deels gekuifd (op de borst en de pooten glad en wollig) haarkleed draagt. De voorvleugels zijn lang, lancetvormig, de achtervleugels kort. Zij vliegen snel, uitsluitend 's nachts en blijven op soortgelijke wijze als de Sphingiden met trillende vleugels zweven voor de bloem, waaruit zij met haar zeer langen zuiger honig opnemen. In rust bedekken de vleugels steil dakvormig het achterlijf en worden de beide helften van den halskraag zoo gedraaid, dat zij als een kap boven den kop uitsteken; hieraan is de naam van het geslacht ontleend. De naakte, glanzige, met heldere vlekken geteekende rupsen eten bloemen en zaden van kruidachtige planten en verbergen zich over dag niet. Wanneer men ze aanraakt, maken zij krachtige, springende bewegingen. Zij verpoppen zich in den grond in een eivormigen cocon, welker rand wel 5 mM. dik is en uit aaneengelijmde aardkluitjes bestaat. De pop overwintert.
Tot dit geslacht behoort de Wolkruidvlinder (Cucullia verbasci), wiens dikke, rolronde rups is voorgesteld, zittend op haar gewone voederplant (de toorts of het wolkruid), waarvan zij de bloemen verslindt; zij is zeer fraai blauw-, groen- of geelachtig wit met 4 gele, zwart gekernde vlekken op ieder segment. Tegen het einde van Juni verpopt zij zich. De Vlinder vliegt in April en Mei. De voorvleugels zijn bruingeel, aan den voor- en binnenrand met een breeden, nootbruinen band, van achteren met 2 lichte maanvlekjes. De achtervleugels zijn aan den wortel witachtig, aan den zoom bruingrijs; bij het mannetje heeft gene, bij het wijfje deze kleur de overhand.
De Gouduilen (Plusia) zijn over alle werelddeelen verbreid en ook in Europa door talrijke soorten vertegenwoordigd; zij onderscheiden zich voor 't meerendeel gunstig door metaalachtig glinsterende vlekken op de voorvleugels, soms gelijkend op de Grieksche letters, b.v. g, n of l, die uit een dikke laag goud of zilver schijnen te bestaan. Boven het slanke achterlijf verheffen zich de huidbekleedselen kuifvormig. Deze fraaie Uiltjes rusten met steil hellende, dakvormige vleugels; vele vliegen ook des daags. De rupsen hebben een kleinen kop; ook haar romp wordt naar voren dunner. Daar de voorste buikpooten ontbreken, kruipen zij op de wijze van spanrupsen en houden in rust niet zelden het voorste deel van 't bultige lichaam omhoog gekromd. Alle leven vrij op kruiden, tusschen welker bladen zij zich in een luchtig spinsel verpoppen. In den regel overwinteren zij als rupsen.
Zeer algemeen is hier te lande de Gammavlinder, ook wel Pistooluiltje genoemd (Plusia gamma); hij is een van die soorten, welker voorvleugels gemerkt zijn met een dikke zilveren letter in den vorm van de Grieksche g (gamma); waarschijnlijk is hij de veelvuldigste en verst verbreide van allen, daar men hem ook in Noord-Amerika aantreft. Schuw en haastig ziet men hem bij ons boven akkers en in bosschen, over weiden en in tuinen vliegen, bij zonneschijn niet minder dan in den vroegen morgen, of op den laten avond, bedrijvig honig zuigend uit allerlei bloemen.--De rups is overlangs wit gestreept op geel- à grijsgroenen grond, tusschen de segmenten ingesnoerd; zij vreet allerlei kruiden en komt soms in zeer grooten getale voor. Dit was o.a. het geval in den zomer van 1879 in allerlei streken van ons land en ook in andere landen. "De rupsen hadden zich," schrijft Ritzema Bos, "in buitengewoon groote menigte op langs den weg groeiende onkruiden, als varkensgras (Polygonum aviculare), wilde wikken en lenzen, lathyrus en rolklaver (Lotus), herik, melde, enz. enz. gevestigd, terwijl men in de gemeentelijke verslagen over 1879 klachten vindt aangeheven over de rupsen van den Gamma-uil uit bijkans alle streken des lands, maar 't meest uit Gelderland, Noordbrabant en Limburg. Vooral leden erwten, wikke, klaver, vlas en hennep." Erger nog was het in 1829 in vele streken van de provincie Groningen.
De grootste Uilen en tevens die, welke aan eigenaardigheden van hunne achtervleugels kenbaar zijn en hun grootste bekoorlijkheid ontleenen, worden Weeskinderen (Catocala) genoemd; men onderscheidt ze in Blauwe, Roode en Gele. Van de vier inheemsche soorten behoort één tot de eerstgenoemde afdeeling, terwijl de 3 overige in de tweede een plaats verdienen. De derde is in Nederland niet vertegenwoordigd.
Het Blauwe Weeskind (Catocala fraxini) is de grootste inheemsche soort van haar geslacht en van haar familie; zij heeft soms meer dan 105 mM. vlucht. Men herkent dezen Vlinder licht aan den breeden, lichtblauwen dwarsband op het midden van de zwarte achtervleugels. Hij vliegt 's nachts, van Juli tot September, en rust over dag dikwijls op zonnige plekken tegen stammen, schuttingen, muren, enz. Daar de vleugels te groot zijn om op de gewone wijze het lichaam dakvormig te bedekken, hebben zij in den rusttoestand geen sterke helling. De eieren overwinteren. De rupsen hebben 16 pooten, maar gebruiken de beide voorste buikpooten niet veel en kruipen dus eenigszins spannend. Zij voeden zich 's nachts met bladen van eiken, wilgen en populieren en rusten over dag lang uitgestrekt op schuilplaatsen, waar zij wegens hun schorskleurige huid niet licht opgemerkt worden.
De 3 overige inheemsche soorten hebben op de roode achtervleugels, behalve een zwarten band in het zoomveld, nog een tweeden, meer of minder sterk getakten op het midden. De meest algemeene is die, welke meer bepaaldelijk het Roode Weeskind (Catocala nupta) wordt genoemd. Dit fraaie dier, dat soms 80 mM. vlucht heeft, kan men na half Juli, op boomstammen, in hoeken van muren, onder afdaken, enz. zien rusten. Nadert men deze plaats, dan verwijdert het zich snel, zoodat men dikwijls de vleugelslagen kan hooren, en zoekt haastig een veiliger schuilhoek op. Als het duister wordt, begint het uit eigen beweging om de boomen te fladderen en herinnert dan aan een kleine Vleermuis.--De rups, die tot het midden van Juni op wilgen en populieren haar voedsel zoekt, is niet minder schuw dan de Vlinder. Wanneer men haar aanvat, slaat zij met het voorste en het achterste deel van 't lichaam in 't rond, op soortgelijke wijze als een Visch, die in 't midden van 't lichaam wordt gegrepen; als zij den vinger van haar aanrander bereiken kan tracht zij hem te bijten, kortom, zij gaat hevig te keer.--Weldra zoekt elke rups onder schors, mos of dorre bladen een plaatsje op, waar zij zich met eenige draden ontwikkelt en in een slanke, met een blauwachtig waas bedekte pop verandert.
Dezelfde levenswijze als de genoemde Vlinders hebben alle overige leden van hun geslacht. In Europa vindt men er 25; Noord-Amerika is niet minder goed bedeeld.
Daar de familiën der Vlinders in alle richtingen door overgangsvormen verbonden zijn, die een scherpe begrenzing niet toelaten, is het moeielijk een van deze groepen met weinige woorden te kenschetsen. In een beknopt algemeen overzicht kan men dan ook geen volledige bepaling van deze familiën verwachten. Hier worden daarom slechts eenige van de belangrijkste eigenaardigheden opgenoemd, waardoor de Spanners (Phalaenidae), die men ook wel met de namen Landmeters (Geometridae), Meters of Krammetjes aangeduid vindt, overeenstemmen. Hoewel al deze 5 benamingen, met uitzondering van de tweede, aan de houding van de larve ontleend zijn, beginnen wij met de bespreking van het geslachtsrijpe Insect. Vóór den kleinen kop, die op de kruin geen bijoogen draagt, steken de tasters slechts weinig uit; de zuiger daarentegen vertoont in deze familie de meest verschillende graden van volkomenheid. In den voorvleugel vindt men 11 of 12 aders, waarbij slechts één binnenrandsader. De breede achtervleugels hebben een korte franje, een vleugelhaakje, hoogstens 2 binnenrandsaders en bovendien nog 6 of 7 andere vleugeladers. De meeste Spanners houden in rust hunne teere vleugels een weinig uitgespreid, doch niet zoover als die, welke in de verzamelingen voorkomen; sommige richten ze half gesloten omhoog; andere houden ze als een dak boven hun achterlijf. Vele vliegen over dag of maken althans spoedig van hunne vleugels gebruik, wanneer zij hun rustplaats tusschen gras of struiken niet meer veilig achten; des nachts toonen de meeste echter een grootere neiging om zich te bewegen dan over dag.
Scherper dan door de eigenaardigheden van het volkomen ontwikkelde Insect onderscheiden de Spanners zich van de overige Vlinders door de kenmerken der larven. Dat bij haar de buikpooten, met uitzondering van het laatste paar, ontbreken of onbruikbaar zijn en dat zij daarom "spannend" kruipen, werd reeds vroeger vermeld. Zij bezitten dus slechts 10, bij uitzondering 12, voor 't gaan geschikte pooten; in rust hechten zij zich met de naschuivers aan een twijg en strekken het slanke lichaam rechtuit of krommen het lusvormig, zoodat de rups, die in vele gevallen grootendeels bruin is, zeer veel op een dor takje gelijkt. Enkele bevestigen zich, als de Dagvlinders, met een gordel aan een blad, wanneer zij in den poptoestand overgaan; de meeste echter spinnen zich met eenige draden vast, hetzij tusschen groene, of tusschen droge bladen; andere kruipen in den grond.
Men kent tegenwoordig uit alle werelddeelen ongeveer 1800 soorten van Spanners, waarvan slechts weinige de middelmatige grootte overschrijden. Linnaeus beschreef de hem bekende soorten onder den geslachtsnaam Phalaena, bracht ze tot de groep der "Geometrae" en gaf aan hare soortnamen den uitgang aria of ata, al naar hij bij de mannetjes kamvormige of eenvoudig draadvormige sprieten vond. Latere schrijvers hebben hier, evenals overal, een groot aantal nieuwe geslachtsnamen ingevoerd.
De Berkenspanner (Amphidasis betularia) nadert in sommige opzichten tot de Spinners en behoort wegens de langwerpige gedaante zijner voorvleugels tot de grootste inheemsche soorten (50 à 55 mM. vlucht). Twee kegelvormige verhevenheden op den kop van de rups hebben aanleiding gegeven tot den naam Meter-torenkop, die een der eerste beschrijvers dezer soort haar gegeven heeft. De witte grondkleur van den Vlinder is overal bruinzwart besprenkeld. Vele stipvormige vlekjes vloeien hier en daar, doch vooral aan den voorrand der voorvleugels tot vlekken en lijnen ineen. Het aanmerkelijk kleinere mannetje onderscheidt zich van het wijfje door den slankeren vorm van het lichaam en de dubbel-kamvormige sprieten. De rups is verschillend van kleur, meestal groenachtig grijs, minder dikwijls bruinachtig of geelachtig; dit verschil schijnt in verband te staan met de soort van planten, waarmede zij zich voedt. Hoewel zij ook op berken, lijsterbessen en andere breedgebladerde boomen voorkomt, geeft zij, naar 't schijnt, aan den eik de voorkeur. In Mei of Juni verschijnt de Vlinder; deze ziet men nooit over dag vliegen; wegens zijn grootte en lichte kleur zal men hem niet licht over 't hoofd zien, terwijl hij met half geopende vleugels in het bosch op een boomstam zit.
De Groote Wintervlinder (Hibernia defoliaria, fign. 1-3) vertoont zich in October en November. Wanneer de meeste andere insecten reeds hunne winterkwartieren hebben opgezocht en voor een deel reeds in verstijfden toestand verkeeren, vliegt deze trage Spanner in de koude nachtlucht zonder overhaasting rond. Het mannetje (fig. 1) heeft groote, teere en zwak geschubde vleugels van licht okergele kleur met fijne, donkere stipjes bezaaid en met een groote, donkere stip in 't midden; de voorvleugels hebben bovendien nog het middelveld begrensd door breede, gezaagde, roestbruine dwarsbanden. Het ongevleugelde, geel en zwart gevlekte, 10 mM. lange wijfje (fig. 2) kruipt tegen den avond bij de boomstammen omhoog en legt de eieren afzonderlijk of tot kleine groepjes vereenigd op de knoppen. De rupsjes komen reeds in het midden van April voor den dag en beginnen onmiddellijk hun vernielingswerk, voordat de knoppen zich hebben kunnen ontwikkelen. Het best merkt men ze aan de vruchtboomen op, welker eigenaar soms een belangrijke schade lijdt door hun vraatzucht; minder duidelijk openbaart zich hun werkzaamheid in de bosschen. De volwassen rups (fig. 3) is aan de rugzijde bruinrood, aan de buikzijde zwavelgeel, met roodbruine strepen op ieder segment. In 't begin van Juni laat zij zich aan een draad naar den grond afzakken om hier op zeer geringe diepte in den poptoestand over te gaan.
De Oranjeroode Wintervlinder (Hibernia aurantiaria, fign. 4 en 5) is hier te lande zeldzamer dan de vorige soort; hij vliegt terzelfder tijd of iets later en heeft dezelfde levenswijze.
Het laatste geldt ook van den Kleinen of Gewonen Wintervlinder (Cheimatobia brumata, fign. 6-8). Dat deze nog later verschijnt, wordt door zijn wetenschappelijken soortnaam aangegeven (bruma beteekent de kortste dag); daarentegen kruipt zijn rups iets vroeger in den grond, waaruit voortvloeit, dat de poptoestand gemiddeld een maand langer duurt. Evenals de Groote Wintervlinder in zuidelijker landen de vruchtboomen beschadigt en overal waar hij in grooten getale voorkomt, aanleiding geeft tot een schralen oogst, zoo de Kleine Wintervlinder in noordelijker gewesten. De teere, afgeronde vleugels van het mannetje zijn zwart geschubd en grijsachtig, de voorvleugels door een roodachtig waas donkerder en op onregelmatige en varieerende wijze met nog donkerder dwarslijnen geteekend. Het grijze, 5 à 6 mM. lange wijfje, kenmerkt zich door vleugelstompjes, die ieder een donkeren dwarsband hebben en door witgevlekte, lange pooten. De rups is vroeg in 't voorjaar bij 't verlaten van het ei grijs, na de laatste vervelling is zij 26 mM. lang en geelachtig groen of donkerder van kleur; de kop is donkerbruin, een aan weerszijden witgezoomde, fijne streep over den rug nog donkerder; een lichte streep loopt boven de ademgaten langs. Niet later dan in 't begin van Juli verlaat de rups haar boom om op geringe diepte in den grond te veranderen in een geelbruine pop, welker achterlijf in twee doorntjes eindigt.
Om de vruchtboomen tegen de zoo schadelijke rupsen van de Wintervlinders te beveiligen, brengt men sinds lang met goed gevolg een teerring aan op den stam. Deze bestaat uit een strook papier ter breedte van een hand, die op zulk een hoogte, als voor de werklieden het gemakkelijkst is, zoo om den stam wordt gelegd, dat geen enkel wijfje er onder door naar boven kan kruipen. Deze band wordt met een kleverige stof bestreken en kleverig gehouden, zoolang de geslachtsrijpe Insecten leven.