Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 33

Chapter 333,518 wordsPublic domain

De eik, die, gelijk bekend is, meer larven van Vlinders voedt dan eenige andere plant, wordt in sommige streken geteisterd door een zeer merkwaardige en zonderlinge rups, die meer aanspraak heeft op den naam van giftig te zijn dan eenige andere. Hare lange, in een witte spits eindigende haren, die, naar het microscoop leert, van boven van takjes voorzien zijn, bevatten mierenzuur, dat zelfs op een weinig gevoelige huid een hevig brandend gevoel en jeuk teweeg kan brengen. Het ontbreekt niet aan voorbeelden, dat zij in het spijskanaal van menschen of dieren een hevige ontsteking van de slijmvliezen veroorzaakt hebben, die soms den dood ten gevolge had; Runderen gedroegen zich in zulk een geval als dol. De rupsen, die deze gevaarlijke brandharen dragen, hebben de zonderlinge gewoonte van gezamenlijk in een bepaalde orde uit te rukken naar de plaats waar zij haar voedsel vinden en van hier in dezelfde orde naar het nest terug te keeren; men noemt haar daarom processierupsen. Zij komen in Mei uit de eieren, die in den vorigen zomer in hoopjes van 150 à 300 stuks aan de schors van een eikenstam vastgekleefd werden, gemengd met de grijsbruine haren uit het viltachtige uiteinde van 't achterlijf van 't wijfje. Reeds in den avond van haar geboortedag trekken zij uit--achter elkander aan, wanneer zij in gering aantal voorkomen, in wigvormige orde, wanneer zij talrijker zijn: één aan de spits, de volgende bij paren, bij drieën, bij vieren, enz.--naar de kroon van den boom, om zich te verzadigen met de bladen, waarvan zij aanvankelijk alleen de bovenzijde afvreten, gelijk alle zeer jonge rupsen doen. Evenals zij hier op rijen gerangschikt eten, vormen zij na den maaltijd een soortgelijke "processie" om terug te keeren naar een beschutte plaats van den stam, bij voorkeur naar een takgaffel of tamelijk dicht bij den grond. Hier richten zij zich huiselijk in, zitten dicht opeengedrongen, niet slechts naast, maar, als zij grooter geworden zijn, ook op elkander en spinnen een los weefsel over zich heen. Aanvankelijk verwisselen zij vaak van standplaats, later daarentegen behouden zij dezelfde. Daar in het spinsel de afgeworpen huiden en voor een deel ook de uitwerpselen blijven hangen, wordt het voortdurend dichter; van eenigen afstand ziet het er uit als een blaasvormige opzwelling van den stam. Uit deze nesten worden de bij iedere vervelling afgeworpen brandharen door den wind opgenomen en verstrooid, vallen neer op het gras, dat door het vee wordt afgegraasd, of geraken, in de lucht zwevend, in de maag van de houthakkers, die hun ontbijt of een ander maal gebruiken in de buurt van boomen, die door processierupsen bewoond worden. "Ik herinner mij," schrijft Dr. J. Th. Oudemans, "dat, ik meen in het jaar 1878, de weg tusschen Nijmegen en Hees voor mensen noch dier straffeloos begaanbaar was en zooveel mogelijk gemeden werd, aangezien de soort daar toen in massa aanwezig was en de lucht met de fijne haren vervulde, waardoor het verkeeren op dien weg inderdaad ernstige gevolgen had." In ons oog doordringend, veroorzaken de haren een pijnlijke ontsteking. Zoodra het donker wordt, verlaten de rupsen haar nest, waarin men van onderen een opening opmerkt, om zich naar boven te begeven; zij doen dit iederen avond, behalve op de beide ziektedagen, die met iedere vervelling gepaard gaan. Soms ziet men over dag een "processie" op den grond; misschien zijn de rupsen dan door gebrek aan voedsel genoodzaakt om haar boom en het hier aanwezige nest te verlaten. Deze optocht levert een merkwaardig schouwspel op: als een donkeren band, als een Slang, kronkelt zij zich en komt slecht langzaam vooruit. De volwassen rups heeft een grooten, bruinzwarten kop en is 29 à 52 mM. lang, op den rug donker blauwgrijs à blauwzwart, op de zijden en op den buik grijsachtig of groenachtig wit. Alle ringen hebben een dwarsrij van roodbruine, lang behaarde wratten; de beide middelste rugwratten zijn echter op de ringen 4 tot 11 vervangen door een groote, aan den omtrek lange borstels dragende, roodbruine, plek (spiegel), die dicht bezet is met duizenden korte, zeer gemakkelijk loslatende brandharen. De lange borstels, die zelf echte brandharen zijn en zich voorover buigen, als de rups verontrust wordt, schuieren de korte brandharen van het voorafgaande segment los en richten zich vervolgens weer op, waardoor de giftige wapens zich door de lucht verspreiden. Om zich te verpoppen, begeven alle rupsen zich op den bodem van het nest en maken hier reeksen van cocons, die ieder weldra een donker roodbruine pop bevatten, welker buikringen scherpe randen hebben. In Juli en Augustus komt hieruit de Eikenprocessierupsvlinder (Cnethocampa processionea), wiens effen, bruinachtig grijs kleed op de voorvleugels eenige donkerder dwarslijnen vertoont, die duidelijker zichtbaar zijn bij het donkerder en scherper geteekende mannetje dan bij het wijfje; de geelachtig witte achtervleugel heeft een onduidelijke dwarsstreep. De "processierups", schrijft Ritzema Bos, "werd tot heden zoo goed als uitsluitend in Limburg, Brabant en Gelderland aangetroffen en wel in de meeste jaren in gering aantal; enkele keeren echter trad zij in groote massa's op. Dit was o.a. in de jaren 1874 tot 1878 het geval in verschillende streken van Gelderland en Noordbrabant. In den zomer van 1875 kwamen zij in de omstreken van Nijmegen in groote menigte voor; zij vraten daar niet alleen de eikenboomen, maar ook al 't andere loofhout en de ooftboomen kaal en lieten zelfs de gewassen op den akker niet onaangeroerd. In 1877 vertoonden zij zich in de nabijheid van Wageningen, waar zij echter--zeker grootendeels ten gevolge van 't vernielen harer nesten--later niet dan in een gering aantal werden wedergezien."

Tot dezelfde onderfamilie (Notodontina) rekent men nog eenige Vlinders, die vooral in den larvetoestand de aandacht trekken, daar bij hare rupsen de plaats van de naschuivers wordt ingenomen door 2 bovenwaarts gerichte, draadvormige aanhangsels. Uit elk harer "gaffelspitsen" kunnen de bedoelde tweestaartrupsen een nog langeren, dunnen draad te voorschijn doen komen, die, als het koord van een zweep aan den steel, naar beneden hangt. Zij toonen de "zweep", gelijk de rups van den Koninginne-page den nekgaffel, alleen wanneer zij echter verontrust worden. In rust nemen deze dieren een hoogst zonderlinge houding aan op het blad van den door hen bewoonden struik of boom.--Een van deze rupsen met verdacht uiterlijk is die van den Grooten Hermelijnvlinder (Harpyia vinula); men vindt haar vooral in Juli en Augustus op wilgen of populieren. Zij is lichtgroen en heeft over den geheelen rug een violette zadelvlek, die op den 7en ring aan weerszijden tot aan het ademgat afdaalt en door een zuiver witten rand omgeven is. In Mei verlaat de Vlinder de huid van de overwinterende pop; over dag zit hij zeer traag op stammen, palen en planken; zijn kleur is wit, op de vleugels met gele aders, voor een deel uitvloeiende zigzaglijnen en vlekken (die aanleiding gaven tot den Nederlandschen naam) op de vleugels.

De vreemdsoortigste van alle inheemsche rupsen is die van den bij ons zeldzamen Eekhoorn (Stauropus fagi); de Vlinder vliegt in denzelfden tijd van 't jaar als de vorige en komt met dezen in vorm overeen, doch heeft een bruinachtig grijze kleur. Wegens de houding, die de lederkleurig, bruine, onbehaarde rups in den toestand van rust aanneemt, draagt de soort den naam van Eekhoorn; het achter de buikpooten gelegen deel van 't lichaam is sterk gezwollen, naar boven en naar voren gekromd; het wordt met den pluimstaart van het genoemde Zoogdier vergeleken. Ofschoon in hoofdzaken met de vorige overeenstemmend, vertoont zij echter eenige afwijkingen, die haar een ander voorkomen verschaffen. De twee vrij lange "staartstiften" aan het laatste segment missen den uitstulpbaren draad, hoewel zij opgericht kunnen worden; de 6 buitengewoon sterk verlengde borstpooten herinneren sterk aan spinnepooten. Als de rups verontrust wordt, gooit zij haar kop achterover, strekt de borstpooten en brengt ze in trillende beweging. Men vindt haar in den herfst op beuken en eiken. De bruinzwarte pop houdt verblijf in een vliezig spinsel tusschen twee afgevallen bladen en overwintert. De muisgrijze Vlinder heeft 50 à 60 mM. vlucht en vliegt in Juli en Augustus.

De Uilen (Noctuina) vormen een zeer soortenrijke familie, welker leden voor 't meerendeel slechts een middelmatige grootte hebben en die, met uitzondering van eenige weinige geslachten, door overeenstemming van lichaamsbouw en door eigenaardigheden van de teekening der vleugels (uilenteekening) duidelijk hun verwantschap verraden. Hun lichaam is in den regel forsch gebouwd, het achterlijf aan het einde meestal kegelvormig, het haarkleed dicht, op het borststuk en het achterlijf niet zelden tot borstels van verschillenden vorm uitgegroeid. De soms behaarde, soms naakte oogen schitteren in 't donker. De borstelvormige sprieten zijn iets langer dan de halve voorvleugel. Slechts bij enkele soorten komt de zuiger niet tot volledige ontwikkeling, maar blijft week of ontbreekt zelfs geheel. De binnenrand van de krachtige voorvleugels is steeds langer dan de zoom; meestal treft men 12 aders in deze vleugels aan. Bij het beschrijven van de teekening maakt men gebruik van eenige algemeen aangenomen uitdrukkingen, die met behulp van de nevensstaande, schematische figuur verklaard zullen worden.

Dicht bij den wortel bevindt zich de halve dwarslijn (a); de beide geheele dwarslijnen, de voorste (b) en de achterste (c), werden reeds dikwijls genoemd; zij begrenzen het middelveld. Hierin komen 3 door haar kleur van haar omgeving afwijkende vlekken voor: de ronde vlek (d), de niervlek (e), beide in den regel van een lichtere kern voorzien, en de minder standvastig voorkomende, eenvoudig door haar donkerder kleur gekenmerkte tapvlek (f). In het zoomveld merkt men de golflijn (h) op, die er ongeveer midden doorheen loopt en het verdeelt in een buitenste gedeelte, het franjeveld, en een binnenste, de gewaterde band; de buitenrand van het zoomveld heet franjelijn. Aan de golflijn merkt men dikwijls 2 wortelwaarts uitstekende punten (W) op, die pijlvlekken worden genoemd. Onnoodig is het waarschijnlijk, te vermelden, dat al deze vlekken en lijnen niet altijd op iederen vleugel zichtbaar zijn. De kortere en breedere achtervleugels zijn gewoonlijk ongevlekt en somber gekleurd; zij worden meestal op het zoomveld allengs donkerder dan aan den wortel; als zij een lichtere, sprekende kleur hebben (geel, rood, blauw), dan ontbreekt in den regel ook de teekening niet, al bestaat zij slechts uit een middenvlek (maanvlek) op de middenader en soms een daarachter (nader bij den zoom) gelegen booglijn en een franjelijn. Een dergelijke teekening kan voorkomen aan de onderzijde, zoowel van de voorvleugels als van de achtervleugels, bij gene nog vermeerderd met een tusschen boog- en franjelijn gelegen golflijn. In rust bedekken de vleugels daksgewijs het achterlijf.

De rupsen van deze familie vormen 3 natuurlijke groepen. Die van de eerste groep staan door haar in 't oog vallende beharing en het bezit van 16 pooten het naast aan de rupsen der meeste Spinners en rusten, voor iedereen zichtbaar, over dag op haar voederplant. De andere hebben eveneens 16 pooten, maar geen merkbaar haarkleed, houden zich over dag meestal verborgen en komen alleen 's nachts te voorschijn om te eten; gedurende dit bedrijf kan de verzamelaar ze bij 't licht van een lantaarn gemakkelijker vinden dan over dag; in aantal overtreffen zij alle overige. De rupsen van de derde groep eindelijk hebben 1 of 2 paren pooten minder, zijn naakt, zitten over dag vrij op hare voederplanten en vormt door de eerstgenoemde eigenschap een overgang van de Uilen tot de eerstvolgende familie, die der Spinners. Alle Uilenrupsen spinnen, voordat zij zich verpoppen; zij maken echter geen volslagen cocon; die, welke vrij op planten leven, rusten hier of tusschen droge bladen op den grond, die van de tweede groep in den regel in den grond, nadat zij de haar omgevende aarde samengesponnen of met behulp van haar speeksel losjes samengelijmd hebben.

Men kent ongeveer 2500 soorten van Uilen, die over de geheele aarde verstrooid zijn. Dat hierbij 1000 Europeesche soorten voorkomen, leidt tot de gevolgtrekking, dat ons werelddeel in dit opzicht het nauwkeurigst onderzocht werd.

Tot de Spinnerachtige Uilen (Bombycoidea) behoort de Krakeling (Diloba coeruleocephala, fig. 3), zooals blijkt uit de sterk kamvormige sprieten van het mannetje en het dikke, wollig behaarde lichaam van het wijfje. De chocolade-kleurige, in het zoomveld lichtere voorvleugels vertoonen 2 zeer hoekige, aan den binnenrand zeer dicht bijeenkomende, zwarte dwarslijnen. Door het ineenvloeien van de 2 groenachtig gele voorste vlekken (waardoor de tapvlek, die een rond figuurtje vormt, met de ronde vlek samenhangt), ontstaat een groote, lichte plek, die zich soms in 2 aan een bril of een krakeling herinnerende vlekken verdeelt. De achtervleugels zijn witachtig grijs, aan den binnenhoek donker gevlekt. Deze Vlinder begint in September te vliegen, en behoort dus tot de "Herfstuilen"; over dag zit hij tegen boomstammen of schuttingen. Hij heeft 36 à 39 mM. vlucht. In het voorjaar verschijnen de dikke, blauwachtig witte rupsen, die gele strepen en zwarte wratten vertoonen; zij hebben een blauwen kop en ontleenen hieraan den soortnaam; haar voedsel bestaat uit bladen van pruimeboomen en sleedoornen. Als de rups volwassen is, lijmt zij houtspaantjes, de kalk van een muur, enz. aaneen tot een hulsel, dat aan onbeweeglijke voorwerpen bevestigd is en de stomp eindigende, roodbruine pop nauw omsluit.

Den Orion of Seladon-uil (Moma Orion, Diphtera Orion, fig. 1), een zeer sierlijken Vlinder van 33 à 38 mM. vlucht, ziet men in Mei of Juni, dikwijls zelfs vrij veelvuldig in het bosch tegen boomstammen zitten, steeds met den kop naar beneden gericht. Het afstaand behaarde borststuk, welks schubben bij de vleugelwortels zijdelingsche pluimen vormen, het achterlijf en de voorvleugels hebben een lichtgroene grondkleur met zwarte en witte teekening. Op de voorvleugels bevinden zich 2 donkerzwarte dwarslijnen en in het midden van het zeer breede middelveld eenige hieroglyphen, die gezamenlijk een derden dwarsband vormen. De grijsbruine, nader bij den zoom donkerder achtervleugels hebben een witte, door een zwarte lijn verdeelde binnenrandvlek en, evenals de voorvleugels, een zwart en wit gevlekt franjeveld. De fraaie rupsen vindt men eenige weken later, aanvankelijk gezellig levend, op eikenhakhout; zij laten zich aan een draad naar beneden zakken, als zij gevaar duchten. Later leven zij eenzaam; voordat het ruwe jaargetijde aanbreekt, vervaardigt ieder zich een stevig spinsel, waarin zij zich verpopt. De bovendeelen zijn fluweelachtig zwart, de zijden geelachtig; op alle segmenten komen roode wratjes voor met lange, roodbruine haren en op den rug van den 2en, 4en en 7en ring een groote, gele vlek.

De tot dusver behandelde Uilen en hunne verwanten zijn gedurende den rupstoestand in den regel duidelijk behaard en leven bijna zonder uitzondering op houtige planten, zonder zich te verbergen. De meeste naakte rupsen van de Uilen der tweede groep--de Echte Uilen (Noctuae genuinae)--krijgt men alleen te zien, wanneer men hare schuilplaatsen weet op te sporen. Zij voeden zich bij voorkeur met grassen en andere kruiden, hebben 16 pooten en kruipen in den grond om zich te verpoppen. Ook de Vlinders leven verborgen en gaan in de duisternis honig en dauw lekken op bloemen, bloeiende aren van graansoorten en andere grassen, zoo ook op boomen, struiken en andere planten, waarop de Bladluizen hare zoete excrementen hebben achtergelaten. De meeste komen ons niet onder de oogen, tenzij er een in onze woning verdwaalt, door het licht aangelokt of met het doel om een veilige rustplaats voor den dag te zoeken. Hoewel de rupsen verborgen leven, richten sommige toch eene niet onbelangrijke schade aan op gekweekte planten.

De Kweekgrasuil [Hadena (Luperina) basilinea, fig. 2] is lederbruin, soms met een eenigszins grijze tint; de voorrand en het middelveld van de voorvleugels zijn echter meer roestbruin. De ronde vlek en de niervlek zijn groot, de laatstgenoemde lichter, vooral aan de zijde van den zoom. Van het midden van den vleugelwortel gaat een zwarte straal uit; deze "lijn aan de basis" (basilinea) gaf aanleiding tot den soortnaam. De beide geheele dwarsstrepen, die een donkerder rand hebben aan de naar elkander toegekeerde zijden, de golflijn en de tapvlek zijn alle duidelijk zichtbaar. Kleine, zwarte maanvlekjes tusschen de aders vormen de franjelijn, twee andere donkere vlekken een band over het door een golvenden rand begrensde franjeveld. De glanzig geelbruine achtervleugels zijn bij den zoom en op de aders donkerder.--Na de paring legt het wijfje verscheidene eieren op de halmen en bladen van de grassen, waarmede de rups zich later zal voeden; soms begunstigt zij op deze wijze gekweekte grassen, n.l. rogge en tarwe. De rupsen, die soms in grooten getale voorkomen, heeft men, daar zij onderweg ter aarde vielen uit het koren, dat naar de schuur gereden werd, op de muren van de langs den weg staande huizen zien zitten, ook op de muren en den vloer van de schuur. Wanneer men ze ongestoord liet begaan, zouden die, welke in de aren achterblijven, voortgaan met het opvreten van de korrels, totdat de nadering van den winter haar in een toestand van verstijving doet overgaan; in de lente hieruit ontwakend, zetten zij haar bedrijf voort; sommige zoeken echter het gras in de vrije natuur op; in 't begin van Mei verpoppen zij zich.

Twee zeer fraaie Vlindertjes--de Grasuilen (Neuronia popularis en Charaeas graminis)--die door kleur en teekening aanmerkelijk verschillen, stemmen door het voorkomen en de levenswijze hunner rupsen zoozeer overeen, dat het zeer moeielijk is ze van elkander te onderscheiden, wanneer men ze niet beide te gelijk voor zich heeft. Beide hebben niet zelden een aanzienlijke schade aangericht door het afvreten van voedergrassen. Zij beginnen aan den voet, aan het jongste gedeelte van het blad, welks spits weldra verwelkt en daarom onaangeroerd wordt gelaten. Uit de eieren, die in Augustus of September op het onderste gedeelte van de grasplant worden gelegd, komen voor den winter rupsjes, die, al naar de weersgesteldheid in den herfst, in meer of minder ontwikkelden toestand verkeeren, wanneer de koude hen noodzaakt rust te nemen. In 't voorjaar zetten zij den arbeid met steeds toenemenden ijver voort; in Juni verpoppen zij zich onder steenen of in den grond. Hun rolvormig, vetachtig glinsterend lichaam is dan 52 mM. lang, 7 à 8 mM. dik, van boven bronskleurig-bruin, met 3 lichtbruine, aanvankelijk bijna witte, overlangsche strepen. De lichtbruingrijze buikzijde is scherp gescheiden van de rugzijde door een geelachtige streep, waarin zich de zwarten ademgaten bevinden. De kop is okergeel met 2 zwarte streepjes. Deze beschrijving geldt voor beide rupsen: die van Charaeas echter is iets kleiner en meer grijsachtig. Beide Vlinders gelijken op Spinners door hun langharig borststuk en de kamvormige sprieten van het mannetje. De eerste heeft fraaie, roodbruine voorvleugels met perzikbloesemrooden weerschijn; alle aders, de golflijn en de drie uilenvlekken zijn geelachtig geschubd. Bij den laatstgenoemden Vlinder is de grondkleur van de voorvleugels bestoven olijfgroenachtig, op het middelveld en de buitenste helft van het zoomveld donkerder, op de 3 vlekken en de haar verbindende middelader helderder, min of meer wit; de golflijn en de dwarslijnen zijn niet zichtbaar. Van de Charaeas-soorten hebben Zweden en andere deelen van Noord-Europa, vooral echter Noord-Amerika, soms veel te lijden; op onze weiden is haar aantal slechts bij uitzondering zoo groot als gedurende het jaar 1865 in Drente. Ook in Duitschland richten zij slechts zelden zulke verwoestingen aan als in 1817 te Harzburg, waar zij 1000 HA. weidegrond kaal vraten en reeds in 't vorige jaar zoo talrijk waren, dat de gedoode dieren een hand hoog de wagensporen der landwegen vulden.

Merkwaardig door de levenswijze hunner rupsen zijn de Rietuilen (Nonagria), effen grijsgele, in kleur met droog riet overeenkomende Vlinders, die zich door een vooruitstekende voorhoofdspluim, door den bollen, glad wollig behaarden rug van het borststuk en het achterlijf onderscheiden. Zij vliegen van Augustus tot October, uitsluitend in de nabijheid van hun geboorteplaats en hebben een uitgestrekt verbreidingsgebied. Hunne rupsen leven borend in de stengels van riet en andere eenzaadlobbige moerasplanten (welker bladen hierdoor aan de spits geel worden) en hebben, daar zij aan den invloed van 't licht onttrokken zijn, een bleeke kleur en een madevormig uiterlijk. Zij verpoppen zich in haar nauwe woning, maar knagen vooraf een gat, waardoor de Vlinder uitvliegen kan, wanneer hij slechts de opperhuid van den stengel verbreekt of de prop knaagsel wegduwt, die de opening verstopt.

Een van de grootste en meest verbreide soorten is de Gewone Lischdoddenuil (Nonagria typhae), die 39 mM. vlucht heeft; de kleur zijner voorvleugels wisselt af van roodachtig grijs tot donkerroodbruin; 2 reeksen van zwarte maanvlekjes versieren den zoom en witachtige aders het franjeveld; de achtervleugels zijn geelachtig wit. In de beide soorten van lischdodden (Typha latifolia en angustifolia) leeft de vuil vleeschkleurige rups.

Zeer nauw verwant aan de Nonagriën zijn de Bleeke Uilen (Leucania). Een daarvan, Leucania extranea, heeft zich door de verwoestingen, die zij als rups aanricht, vooral in de westelijke staten van Noord-Amerika (1861), onder den naam van Amerikaanschen Legerworm (Army-worm) een zekeren roem verworven. Deze rups voedt zich, evenals die van onze inheemsche soorten, met grassen en heeft in zeer korten tijd geheele weiden kaal gevreten; zoodra het voedsel op is, trekt zij verder en verschoont ook de rogge-, maïs- en sorgho-akkers niet. Volgens een bericht uit het genoemde jaar legde zulk een rupsenleger binnen 5 uren een weg van 55 M. af. Men zag de rupsen in drie boven elkander gelegen lagen voortrukken en zich soms over een afstand van 800 M. verplaatsen om een nieuwe voederplaats te bereiken. Men brandt daarom in het laatst van den herfst of in den winter de drooge grasstoppels af op de plaatsen, waar zich de rupsen vertoond hebben, ten einde nieuwe verwoestingen te voorkomen.