Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 32
Evenals de uitmuntendste zanger onder de Vogels, draagt ook de nuttigste van alle Vlinders, de Moerbezie-zijdespinner [Bombyx (Sericaria) mori, fig. 1] een zeer eenvoudig kleed. Hij heeft 40 à 45.5 mM. vlucht; bij beide seksen hebben de sprietleden lange, tandvormige uitsteeksels; deze zijn zwart; overigens is de Vlinder meelwit. De vleugels zijn kort; de zoom van den voorvleugel is diep boogvormig uitgesneden, waardoor de spits een sikkelvormige gedaante verkrijgt; dikwijls hebben beide vleugels een bruinachtig gele dwarsstreep, die echter even dikwijls ontbreekt. De rups wordt gewoonlijk "zijdeworm" genoemd en is, o.a. door het volslagen gemis van haren op de huid, voor zijde-leverancier uitmuntend geschikt. Haar vorm komt overeen met dien der pijlstaartrupsen: het voorlaatste segment draagt aan de rugzijde een kort hoorntje; het borststuk is bijna op dezelfde wijze verdikt als bij de rups van de Olifantsvlinder (Sphinx Elpenor). Haar kleur is grijswit, met bruine gaffel- en roodachtig gele oogvlekken op den rug en een varieerende teekening op de zijden van de voorste ringen. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit moerbeibladen (Morus alba, desnoods M. nigra). De eivormige, gelijmde, van buiten met vlossige, zijden draden omgeven cocons zijn wit of geel; deze kleur heeft ook de ruwe zijde. Dubbele cocons komen volstrekt niet zelden voor; soms hebben zij den vorm van enkele; in beide gevallen leveren zij twee Vlinders op. Van 4000 cocons kan 1 KG. zijde worden verkregen; een cocon bestaat uit een draad van 3000 M. lengte, waarvan men echter slechts 300 à 600, in 't gunstigste geval 900 M. kan afwikkelen, daar het binnenste perkamentachtige en het buitenste vlossige deel van den cocon niet bruikbaar zijn.
Naar alle waarschijnlijkheid is de Moerbezie-zijdespinner afkomstig uit China, het vaderland van zijn voederplant. Beider verbreiding bleef beperkt tot het Hemelsche Rijk en naburige staten, totdat onder de regeering van Keizer Justinianus twee Perzische monniken moerbeziestekken en zijdespinnereieren (grains), die zij geroofd en in hunne holle wandelstaven verborgen hadden, naar Konstantinopel overbrachten. Hier althans werden sedert 520 n. C. zijdewormen gekweekt; tot in de 12e eeuw bleef deze teelt in het uitsluitend bezit van het Grieksche keizerrijk, waar het eiland Kos in dit opzicht boven alle andere gewesten de overhand had. Van Griekenland werd de zijdewormenteelt door Arabieren naar Spanje overgebracht. In het midden van de 12e eeuw kwam zij op Sicilië in zwang en breidde zich allengs over Florence, Bologna, Venetië, Milaan en het overige Italië uit, onder Hendrik IV naar Frankrijk en van hier verder noordwaarts. In Duitschland werd in 1670, en wel in Beieren, de eerste vereeniging voor de zijdewormenteelt opgericht. Frederik de Groote bevorderde zooveel mogelijk de invoering van dit bedrijf in zijne staten; zijne maatregelen brachten teweeg, dat het in de tweede helft van de vorige eeuw overal in Duitschland ingang vond. De bevrijdingsoorlogen gaven aan het nieuwe middel van bestaan een geweldigen knak. Later werd het opnieuw opgevat en van regeeringswege, in Pruisen althans, begunstigd. Men stelde een premie op de productie van een zekere hoeveelheid cocons en verving de tot dusver gebruikelijke moerbeziestamboomen door moerbezieleiboomen, die veel sneller en gemakkelijker het noodige voeder voor de rupsen opleveren.
De Dennenrupsspinner (Gastropacha pini) heeft men in ons land slechts op enkele plaatsen in Gelderland (steeds in zeer geringen getale) aangetroffen; in Duitschland waar hij in alle met dennen begroeide oorden veelvuldig voorkomt, richt zijn fraaie rups (fig. d) soms groote schade aan. Half volwassen of nog kleiner overwintert zij onder mos, beschut door 60- à 80-jarige bosschen. Als de vorst wijkt, ontwaakt zij uit haar verstijving en herneemt, al naar de weersgesteldheid vroeger of later, haar plaats in den boom. Nadat zij tegen het einde van April in de kroon te midden van de naalden is aangekomen, keert zij in den regel niet weder naar den bodem terug, tenzij kort voor haar gedaantewisseling. Hare beide hoofdkleuren zijn bruin grijswit, die, op verschillende wijzen genuanceerd en gerangschikt, met elkander afwisselen. De groeven op den 2en en 3en ring vormen zoogenaamde "spiegels", daar zij zich als staalblauwe, fluweelachtige dwarsstrepen vertoonen, wanneer de rups de boven d voorgestelde houding aanneemt. Voor den overgang in den poptoestand spint zij een gesloten cocon (fig. e), niet altijd tusschen de afgevreten naalden, maar ook wel onder aan den stam tusschen schubben van de schors. Dikwijls komt zij echter niet zoover en levert dan een treurig schouwspel op. Honderden van kleine Sluipwespmaden, die in de rups parasiteerden, komen te voorschijn en veranderen op de huid, het laatste overblijfsel van haar slachtoffer, in poppen, die met een sneeuwwitten cocon omgeven zijn (fig. i). De normale pop van den spinner heeft ongeveer 3 weken noodig voor haar ontwikkeling, zoodat men omstreeks het midden van Juli de Vlinders ziet vliegen. Hun kleur is even veranderlijk als die der rupsen. Ook bij hen komen grijs en bruin, op verschillende wijzen samengevoegd, als hoofdkleuren voor. Aan een wit maanvlekje op den voorvleugel en een van hier uitgaande smalle of breede, roodbruine dwarsstreep zijn zij gemakkelijk te herkennen. Het wijfje (fig. b) is lichter van kleur dan het mannetje en grooter; bij een vlucht van ruim 80 mM. heeft zij een lengte van 39 mM. Haar aard is traag, doch ook het mannetje (fig. a) vliegt over dag niet veel. Het wijfje legt 100 à 200 groene eieren; men vindt ze in meer of minder groote groepen bijeen op den stam (fig. c) of de naalden, soms op een twijg; kort voor het uitkomen in Augustus is hun kleur grijs. Men heeft uitgerekend, dat een rups, die zich normaal ontwikkelt, gemiddeld 1000 naalden verslindt, voordat zij in den poptoestand overgaat. Hieruit blijkt, welk een schade deze Insecten aanrichten kunnen, wanneer zij in grooten getale voorkomen. Sedert het jaar 1776 heeft men hierover gegevens. In het district Möllbitz bij Wurzen werden in het jaar 1869 74.5 KG. eieren, 65 HL. vrouwelijke Vlinders en 125 HL. rupsen ingezameld, zonder dat men den vijand meester kon worden. De pogingen om dit doel te bereiken zouden onvoldoende zijn, indien de natuur niet door de werkzaamheid van allerlei Sluipwespen de te sterke vermenigvuldiging der Vlinders beperkte; bovendien wordt de dood van de larven veroorzaakt door een in haar lichaam parasiteerende zwam (Botrytis bassana), welker vruchtlichaam zich boven de gestorven rups tot een kolossale hoogte ontwikkelt. Zelfs heeft men Kikvorschen aangetroffen op de boomen, die met een zeer groot aantal rupsen bezet waren.
De livreirupsen ziet men bij zonnig weer nog in het laatst van Mei of het begin van Juni dicht opeengedrongen, in grooten getale, op stammen van vruchtboomen zitten. Deze lichtblauwe, met oranjekleurige, zwartgezoomde, overlangsche strepen en een witte ruglijn getooide rupsen dragen vóór op den blauwen kop 2 zwarte, aan oogen herinnerende vlekken. In het voorjaar zijn ze te voorschijn gekomen uit bijna steenharde eieren, die ringsgewijs een twijg omgeven en met de schors zoozeer in kleur overeenstemmen, dat het eenige moeite kost ze te vinden. Zoodra deze rups volwassen is, spint zij, bij voorkeur tusschen bladen, een geelachtigen, van binnen in den regel met geelachtig stof bedekten cocon, waarin de dofzwarte pop, die op den rug en het achterlijf met korte, wollige grijze haartjes bekleed is, eenige weken rust. In Juli of Augustus komt hieruit de Ringel-, Ring- of Livreirupsvlinder (Gastropacha neustria), die men slechts zelden ziet, daar hij uitsluitend des nachts om den top van den boom vliegt. Gewoonlijk draagt hij een licht okergeel kleed; op de voorvleugels komen twee nagenoeg rechte en bijna evenwijdige dwarsstrepen voor, die beide iets donkerder van kleur en aan de buitenzijde licht gezoomd zijn; hierdoor onderscheidt hij zich van een zeldzame, verwante soort (Gastropacha castrensis), welker blauwe rups op wolfsmelk gezellig leeft en nog bonter, met fraaie, goudkleurig bruine strepen, getooid is.
De drie genoemde soorten en nog vele andere Spinners van Europa en Amerika heeft men vereenigd tot het geslacht der Klokhenvlinders (Gastropacha), zoo genoemd, omdat vele in den toestand van rust herinneren aan een klokhen, die hare kuikens beschermt, daar de achtervleugels verder zijwaarts reiken dan de voorste.
De Zakdragers (Psychina) heeten zoo, omdat zij gedurende den rupstoestand in kokervormige huisjes leven, die van zeer verschillende plantendeelen vervaardigd zijn; iedere soort volgt bij het kiezen en samenvoegen der grondstoffen haar eigen methode, zoodat men aan den zak der rups een Vlinder met zekerheid kan onderscheiden van een andere, die er veel op gelijkt. Een tweede eigenaardigheid, van de onderfamilie is het ontbreken van de vleugels bij de vrouwelijke Vlinders. Vele wijfjes verlaten nimmer den zak, waarin zij als rups en als pop leefden, en blijven zelfs gedeeltelijk door de afgeworpen pophuid omhuld; zij gelijken meer op maden dan op geslachtsrijpe Insecten. Men zal ze niet licht als Vlinders herkennen: zij missen de sprieten en de pooten; hare monddeelen zijn rudimentair en zelfs de oogen schijnen zwak ontwikkeld te zijn. De wijfjes van andere soorten hebben pooten en sprieten en meer vrijheid van beweging; zij komen althans ver genoeg te voorschijn, om op de buitenzijde van haar woning te gaan zitten. De mannetjes zijn in den regel ruig behaard, somber van kleur en niet gevlekt of gestreept. Reeds op grooten afstand merken zij de leden der andere sekse op, zooals blijkt uit de haast, waarmede zij komen aanvliegen, wanneer een insectenverzamelaar een wijfje van hun soort in zijn bus heeft geborgen, en uit de pogingen, die zij doen om in de bus door te dringen. De sprieten zijn (zooals gewoonlijk, aan weerszijden) ruig behaard; de tasters en de zuiger ontbreken, of zijn althans zeer klein en onbruikbaar. Deze Vlinders vliegen over dag en in de schemering; hunne vleugels liggen in rust dakvormig over het achterlijf heen.
De rupsen hebben 6 hoornachtige borstpooten en gebruiken deze om bij boomstammen, grashalmen, planken, enz. naar boven te klimmen; terwijl zij voedsel zoeken sleepen zij haar huisje mede; de overige pooten zijn slechts door wratjes vertegenwoordigd of spoorloos verdwenen. Om zich te verpoppen, verlaten de rupsen van de meeste Psychinen haar voederplant en spinnen de voorste opening van haar zak aan een boomstam, een schutting, een steen of een dergelijk voorwerp vast.
De zak van den Eenkleurigen Zakdrager (Psyche unicolor, P. graminella) is verschillend van vorm, al naar de hierin aanwezige larve zich tot een mannetje of tot een wijfje ontwikkelt. De groote zak van de mannelijke rups (fig. e) draagt van voren allerlei omvangrijke plantendeelen; die van het wijfje wordt nooit zoo lang en heeft een veel gelijkmatiger oppervlakte. Daar de rups overwintert, vindt men de zakken in het laatste gedeelte van den herfst en in den winter op beschutte plaatsen, vooral aan boomstammen vastgesponnen. Zoodra de natuur tot nieuw leven ontwaakt, bijt de rups de draden stuk, waarmede haar huis is vastgehecht, en eet gras, totdat zij in Mei of in het begin van Juni rijp is voor den poptoestand. In onze afbeelding is de zak van het wijfje reeds vastgesponnen, terwijl de mannelijke rups bezig is hiervoor aan den stam een geschikte plaats op te zoeken. De rups is geelachtig met grijsachtig zwarte stippels, de pop geelbruin. Na een rust van hoogstens 4 weken komt de Vlinder te voorschijn. Het zwartachtig bruine mannetje (a) heeft witte puntjes aan de franje en enkele witte, ruige haren aan den buik, aan de achterscheen slechts één paar sporen, n.l. aan het einde. Het made-vormige wijfje (d) komt, nadat de pophuid losgeraakt is, in 't geheel niet te voorschijn, maar blijft steeds in den zak, die van voren gesloten en vast gesponnen, van achteren open is. Nog steeds is zij omhuld door de losse pophuid, die na de paring met de eieren gevuld wordt; het wijfje kruipt verder naar voren, naarmate haar achterlijf in omvang afneemt, maar sterft schielijk daarna. Zoodra de rupsjes de eischaal verlaten hebben, spinnen zij zich een klein zakje, waarbij zij gebruik maken van de haren, die het mannetje in de moederlijke woning heeft achtergelaten. Vervolgens begeven zij zich naar buiten, zoeken hunne voederplanten op, vergrooten hunne zakjes, zoodra dit noodig is en voegen dan vreemde bestanddeelen aan hun spinsel toe. Om te vervellen spinnen zij het voorste einde van hun huisje ergens aan vast; voor het verwijderen van de afgeworpen huid en van de uitwerpselen, dient de opening aan het achterste uiteinde, die van twee veerende kleppen voorzien is.
De Merian's-borstelrupsvlinder (Dasychira pudibonda) is een deels licht, deels donker, grijsbruin en wit geteekende Spinner van 40 tot 60 mM. vlucht; het wijfje is nog doffer gekleurd en nog minder scherp geteekend dan het mannetje. Deze Vlinders vliegen in het begin van Juni en trekken op geenerlei wijze bijzonder de aandacht. Als rupsen evenwel zijn zij niet slechts merkwaardig door fraaie kleuren, maar ook door de aanzienlijke schade, die zij dikwijls in jonge beuken-aanplantingen aanrichten. Op eiken vindt men ze eveneens. De "borstelrupsen" (larven van de geslachten Orgyia en Dasychira) heeten zoo wegens de pluim-, kwast- of penseelvormige haarbundels, waarmede zij getooid zijn. De genoemde soort heeft er 4 zeer in 't oogvallende van witte, gele of roodachtige kleur, die op langharige kleerborstels gelijken, op den rug van de segmenten 3-7, bovendien een lang, rozerood penseel (de "staart") op ring 11; soms vertoonen ook de overige haren een fraai rozerood waas; hun kleur is overigens gelijk aan die van de huid en deze (gewoonlijk zwavelgeel) varieert sterk. Gaarne neemt de rups een eigenaardige houding aan "laat den kop hangen," waarbij de prachtige, fluweelzwarte dwarsbanden ("spiegels") tusschen de "borstels" van de ringen 3-7 duidelijk in 't oog vallen. In October kruipt zij tusschen de dorre bladen, die den bodem bedekken en vervaardigt hier een los, met haren gemengd weefsel, waarbinnen zij zich omgeeft met een tweede, steviger spinsel, dat echter nog los genoeg is om de kleur van de donkerbruine pop te laten doorschemeren.
De Populierspinner (Dasychira salicis) is wit, zwak geschubd en als zijde glinsterend; de kamtanden van de sprieten en de ringen aan de dicht behaarde pooten zijn zwart. Deze Vlinders zijn het, die in de warme nachten van Juni en Juli spookachtig en dikwijls bij duizenden om de slanke populieren onzer straatwegen fladderen en door de Vleermuizen weggevangen worden, zoodat de weg bezaaid is met afgebeten vleugels. Over dag kan men ze reeds op grooten afstand tegen den stam zien zitten; zij vallen naar beneden, als Musschen en andere Vogels onder hen opruiming houden; vertrapt, half-dood rondkruipend, of in 't stof zich wentelend, bedekken zij den bodem. Het wijfje kleeft hare eieren aan den stam, waar zij eilandjes vormen tusschen de schubben van de schors. In de volgende lente komen de rupsjes uit, soms nog in den herfst; deze voorbarigheid wordt hun echter noodlottig, daar zij gedurende den winter bezwijken. Zij zijn matig sterk behaard, met roode wratjes bezet, vallen spoedig in 't oog door de reeks van zwavelgele of witte vlekken langs den bruingrijzen rug. Soms vreten zij de populieren en wilgen geheel kaal.
De Basterd-satijnvlinder (Porthesia chrysorrhoea) is effen wit, met uitzondering van het roodbruin behaarde einde van 't achterlijf, dat bij 't wijfje in een knobbelvormig kussen, bij het slankere mannetje in een kwastje eindigt. De Spinner verschijnt in denzelfden tijd als de vorige en heeft dezelfde levenswijze; hij weet zich echter beter verborgen te houden aan de onderzijde der bladen en bepaalt zich niet tot wilgen en populieren, maar zit op bijna alle boomen van het woud (eiken, beuken, haagbeuken, ijpen, wilgen, sleedoornen), ook op de meeste vruchtboomen, op rozen en andere sierstruiken in tuinen. Op al deze planten ziet men in het begin van Juli het wijfje bezig met eieren te leggen; zij doet dit gewoonlijk op de onderzijde der bladen. Met twee schubben aan de spits van het achterlijf plukt zij zich de roestbruine haren uit de laatste segmenten en omgeeft hiermede de gelijktijdig gelegde eieren, die tot een hoop opeengepakt worden. De achterste, viltachtige haren van het "kussen" komen het eerst aan de beurt, later de andere; op deze wijze ontstaat gedurende de 1 of 2 dagen van het eierleggen, naarmate het "haarkussen" verdwijnt, een zoogenaamde "kleine eierenzwam." Na 15 à 20 dagen verlaten de rupsjes de eischaal en beginnen te knagen aan de bladen in hun naaste omgeving. De kop is vuilgeel; de nek en de reeksen van stippels op den rug zijn zwart. Gezamenlijk spinnen zij een nest, dat langzamerhand al dichter en dichter wordt geweven, naarmate het ruwe jaargetijde nadert en steeds duidelijker zichtbaar wordt, hoe meer bladen de boom verliest. Dit zijn de zoogenaamde groote rupsennesten. In 't volgende jaar vreten de ontwakende rupsen de knoppen uit, stellen zich in de takgaffels aan de zonnestralen bloot en keeren naar het oude nest terug of spinnen een nieuw nest, dat zij eveneens verlaten, zoodra zij grooter geworden zijn. De volwassen rups is sterk behaard en donkerbruin, heeft op alle segmenten van het achterlijf een witte zijdevlek, over de ringen 6 tot 10 twee roode, eenigszins kronkelende rugstrepen en op het midden zoowel van den 9en als van den 10en ring een steenroode wrat. In de eerste helft van Juni spint zij tusschen bladen een lossen cocon en verandert in een zwartbruine pop.
De Plakker, Hebreeuwsche-letter- of Resj-vlinder (Ocneria dispar), ook wel bekend onder den naam van Stamuil, daar de wijfjes zeer traag op boomstammen zitten, draagt zijn wetenschappelijke soortnaam dispar (= ongelijk) met het volste recht, daar de beide seksen zoo zeer van elkander verschillen, dat een niet deskundige ze voor verschillende soorten zou kunnen houden. Het kleinere, grijsbruine mannetje (fig. 1) heeft eenige meer of minder duidelijke, zwarte, hoekige dwarsbanden op de voorvleugels en lange kamtanden aan de sprieten, waardoor deze den vorm van hazenooren verkrijgen. Het buitengewoon plompe en trage wijfje heeft vuilwitte vleugels; de laatste ringen van het leelijke achterlijf vormen een met wollig, bruingrijs haar bekleede verdikking; de voorvleugels zijn met soortgelijke, zwarte, hoekige dwarsbanden geteekend als die van het mannetje. Duidelijker dan op deze is een [Lambda]-vormig lijntje zichtbaar met een stip er boven, dat op de Hebreeuwsche letter "resj" gelijkt. Beide zijn tegen het einde van Juli of in Augustus uit de dofzwarte pop gekomen. Zoodra het mannetje de vleugels gebruiken kan, vliegt het in woesten ijver rond, glijdt als een schaduw langs den toeschouwer heen en is in een oogenblik verdwenen, daar de duisternis niet toelaat, dit als een Vleermuis vliegende Insect in 't oog te houden. Geheel anders handelt het wijfje. Traag zit zij tegen een schutting of een boomstam aangedrukt en bedekt haar wanstaltig dik achterlijf met de alles behalve fraaie, daksgewijs hellende vleugels. Eerst als de duisternis invalt, spreidt zij met moeite de vleugels uit, fladdert log om de boomen heen en levert een vette prooi aan de op buit beluste Vleermuizen. Zoo brengt zij haar kortstondig leven door, over dag in trage rust, des nachts plomp rondvliegend; evenals het mannetje, gebruikt zij niets anders dan dauw; geen van beide treft men ooit op bloemen aan. Eindelijk ziet men haar (zooals in fig. 2) voor een bruine veel op het bekende zwam gelijkende massa, voor een "groote eierenzwam" zitten. Evenals de Basterd-satijnvlinder begint zij de plek met een laag slijm te bedekken, waaraan de onderste laag van het vilt blijft hangen, dat aan het donkerbruine aarskussen wordt ontleend. Hierop volgt een laag eieren, daarna nogmaals een laag haren; zoo gaat het voort, totdat er een vrij groote verhevenheid zonder bepaalden vorm ontstaan is op een boomstam, een schutting, een gewitte muur of een dergelijk voorwerp, steeds echter op een beschutte plaats. Hoe grooter het aantal "eierenzwammen" wordt, des te geringer kans heeft men om nog wijfjes te ontmoeten; de mannetjes zijn reeds vroeger bezweken. De eieren overwinteren. De rupsen zijn in Juni of Juli volwassen en hebben dan reeksen van blauwe en roode, borstelig behaarde wratten op het grijsbruine lichaam; aan den dikken kop, die uit de dicht bijeenstaande borstels te voorschijn komt, kan men haar gemakkelijk van andere rupsen onderscheiden. Allerlei bladen zijn haar als voedsel welkom; men vindt haar op rozenstruiken in tuinen, op de eiken in het woud, op de wilgen langs de beek, op de populieren langs den weg en op allerlei vruchtboomen. In sommige jaren worden zij door haar talrijkheid een ware plaag voor het land.
De Nonvlinder (Ocneria monacha), vroeger ook wel Kluizenaar genoemd, is de evenknie van den Plakker, zoowel door zijn uiterlijk en levenswijze, als door de schadelijke werkzaamheid van de rups, die bij voorkeur naaldboomen aantast. De Vlinders verschijnen terzelfder tijd als de vorige, hebben bij beide seksen zuiverder witte voorvleugels met scherpere, zwarte zigzagstrepen, zwarte getroebelde achtervleugels, een gevlekten rand aan beide; het wijfje kan het rozeroode uiteinde van het achterlijf, dat uit een uitstulpbare legbuis vormt, aanmerkelijk verlengen, wanneer zij de eieren achter de schorsschubben wil vastkleven. Tegen het einde van April of in het begin van Mei komen de rupsjes voor den dag; die, welke van een eierenschool afkomstig zijn, blijven 1 à 6 dagen op de in fig. 6 aangeduide wijze bij elkander zitten, voordat zij zich naar de naalden begeven. De Duitsche houtvesters noemen zulk een gezelschap een "spiegel" en alle werkzaamheden om het te dooden en hierdoor schade te voorkomen, het "spiegelen." In Juni of Juli zijn de rupsen (fig. 7) volwassen, op groenachtig grijzen (met witachtig grijs en zwart doormengden grond) met blauwe en roode wratten bezet; van voren hebben zij een witte plek achter een fluweelzwarten spiegel, achter het midden een lichte, zadelvormige vlek; zij gelijken veel op de rupsen van den Plakker. Zij hechten zich aan een stam door middel van eenige weinige haar omgevende zijden draden en veranderen in een fraai bronskleurig glinsterende, ruig wit behaarde pop (fig. 8). Daar de breedgebladerde boomen de verloren bladen weder vervangen kunnen, lijden zij door de vraatzucht van de nonnenrupsen minder schade dan de dennen en de teedere sparren. Tot in het jaar 1828 werd de Nonvlinder alleen voor de dennen schadelijk geacht; uit een in 1852 begonnen verwoesting van de Oost-Pruisische, Lithauensche, Masurische en Poolsche wouden door de Non bleek echter, dat de sparren nog veel meer van haar te lijden hebben dan de dennen. Geloofwaardige ooggetuigen verzekeren, dat het woud er uitzag als bij de hevigste sneeuwjacht en dat de boomen wit waren van de tallooze Vlinders, die hen bedekten en overal neervielen.