Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 31

Chapter 313,690 wordsPublic domain

In Mei en Juni ziet men niet zelden aan populierenstammen langs groote wegen witachtige of bruinachtige Vlinders, die men op eenigen afstand voor droge bladen zou houden. Zij hangen aan de schors, daar zij zich alleen met de voorpooten vasthouden. Het zijn Populierpijlstaarten (Smerinthus populi), vertegenwoordigers van het geslacht der Gehakkelde Pijlstaarten (Smerinthus), zoo genoemd wegens den bochtigen of gehakkelden achterrand der vleugels. Deze zijn veel minder dan die van andere Pijlstaarten voor een snelle vlucht geschikt. In den rusttoestand bedekken zij het achterlijf niet, maar wel grootendeels elkander; bij de genoemde soort steekt een stuk van den achtervleugel voor den voorrand van den voorvleugel uit. Alle leden van dit geslacht hebben een dunnen, korten, voor het gebruik ongeschikten zuiger en blijven dus niet, gelijk de andere Sphingiden bij hunne nachtelijke zwerftochten, voor een bloem zweven. De voorvleugels zijn door 2 bruinroode, een weinig golvende, smalle strepen in 3 velden verdeeld; op het middelveld ziet men een wit maantje en een bruinroode middenschaduw. De achtervleugels missen het vleugelhaakje, zijn aan den voorsten hoek uitgesneden, aan den binnenrand bruinrood wolkachtig gevlekt en hebben 2 strepen.--In den nazomer ziet men geelgroene rupsen met een naar boven spits toeloopenden kop over den weg kruipen; zij hebben een door kleine knobbeltjes ruwe huid met witachtige, schuine streepen en een hoorntje, dat in een zwarte spits eindigt. Weldra kruipen zij in den grond en veranderen in een overwinterende, zwartbruine pop. Behalve op populieren, ontwikkelt haar rups zich op wilgen, evenals de veel op haar gelijkende rups van den Pauwoog-pijlstaartvlinder, gewoonlijk Avondpauwoog genoemd (Smerinthus ocellatus), die zich door een groote, blauw en zwart gerande, donkere oogvlek op de karmijnroode achtervleugels van alle andere inheemsche Sphingiden gunstig onderscheidt. De derde inheemsche soort van dit geslacht, even gewoon als de beide andere, de Linde-pijlstaartvlinder (Smerinthus tiliae), is verschillend van kleur, de voorvleugels zijn witachtig paars à okerbruin, soms groenachtig, de achtervleugels okergeel, gedeeltelijk zwartachtig.

De Meekrapvlinder, veelal Onrust genoemd (Macroglossa stellatarum), waarvan ieder jaar twee generaties voorkomen, is in Juni en Juli en in September bij de meest verschillende bloemen te vinden. Door de wijze van vliegen en door den vorm van het lichaam, dat in een breeden staartpluim eindigt, herinnert hij aan een Vogel en vormt een hoogst eigenaardige tegenstelling met de overige leden zijner orde. Bliksemsnel verschijnt hij bij een bloem, blijft er met snellen vleugelslag een oogenblik voor zweven, terwijl hij met den langen zuiger de nectariën leegpompt en is even plotseling weer verdwenen. Hij overwintert niet als pop, gelijk de overige leden der familie, maar als imago, misschien ook als ei. De rups is meer of minder donkergroen, soms roodbruin, bij 't naderen van den poptoestand paars; zij heeft 8 reeksen van witachtige, uitpuilende parelvlekken en 4 witte, overlangsche strepen. Zij leeft op walstroo (Galium) en werd vroeger, toen hier meekrap verbouwd werd, veel op deze plant gevonden.

Twee zeldzamere soorten van 't zelfde geslacht (Macroglossa bombyliformis en M. fuciformis) worden Glasvleugelpijlstaarten genoemd, omdat het middelste deel der vleugels de schubben spoedig weer verliest en dan glashelder wordt, gelijk ook bij de Glasvlinders geschiedt.

De Houtboorders (Xylotropha) hebben slechts twee kenmerken met elkander gemeen: sprieten, die spits eindigen, en twee sporen aan de binnenzijde van de achterscheen; overigens wijken zij ver uiteen. Bij sommige vindt men breede vleugels, welke aan die der Dagvlinders herinneren, bij andere komt de smalle vleugelvorm der Sphingiden voor, nog andere vertoonen den tusschen beide gelegen vorm der Spinners. De rolronde of platgedrukte, schraal behaarde, 16-pootige rupsen leven in haar jeugd onder de schors van houtige planten, dringen, als zij grooter worden, dieper in den stam door en knagen gangen in het hout of tusschen het hout en de schors. Daar zij onttrokken zijn aan den invloed van 't zonlicht, komen heldere kleuren bij haar in 't geheel niet voor; de meeste hebben het lichte, ivoorkleurige gewaad, waardoor de andere op deze wijze levende insectenlarven zich kenmerken. De borende rupsen hebben meer tijd noodig voor haar ontwikkeling dan de andere: in den regel overwinteren zij éénmaal, sommige zelfs tweemaal. Vele vervaardigen, als zij volwassen zijn, een gesloten huisje van de haar omgevende spanen, andere verpoppen zich vrij, nadat zij een deel van haar gang eenigszins verwijd hebben. Bovendien is de pop op zulk een wijze gebouwd, dat zij met een scherpe spits aan den kop boren en met kransen van borstels aan hare rompsegmenten zich door kromming van het lichaam verplaatsen kan, zoodra haar ontwikkeling zoover is voortgeschreden, dat zij aan den drang naar vrijheid gevolg moet geven.

De Glasvlinders (Sesiina) stemmen o.a. door den vorm van 't lichaam en het maaksel der sprieten, alsmede door het vleugelhaakje aan de achtervleugels met de Sphingiden overeen, van welke zij echter duidelijk verschillen door hun levenswijze, het bezit van twee bijoogen op de kruin en het ontbreken van schubben op de vleugels: de achterste zijn geheel glashelder, de smalle voorvleugels meestal zeer onvolledig geschubd. Van deze bijzonder fraaie Vlinders zijn ongeveer 60 Europeesche soorten bekend, waarbij een tiental inheemsche; bovendien heeft men er een groot aantal in Amerika gevonden. Ongetwijfeld komen zij ook in de overige werelddeelen voor; aan het opsporen van deze Insecten zijn echter eigenaardige bezwaren verbonden. Wanneer men, bekend met den ontwikkelingstijd van een soort en met de plant, waarin zij als larve verblijf houdt, er voor zorgt ter rechter tijd op de juiste plaats te zijn, zal men een rijken oogst kunnen verkrijgen; daarentegen zal ieder, die met deze omstandigheden onbekend is, jaren lang met den grootst mogelijken ijver kunnen zoeken, voordat hij bij toeval een enkel exemplaar ontdekt. Behalve de zwarte, met gele lijntjes geteekende Mugvlinder (Sesia tipuliformis)--wiens rups in de takken van aalbessenstruiken leeft en die zelf in aalbessentuinen in Mei en Juni bij zonneschijn veelvuldig vliegend wordt waargenomen--, krijgt men bij ons het meest den Horzelvlinder (Trochilium apiforme) te zien. Bij de afbeelding moet opgemerkt worden, dat de lichte plekken op het lichaam goudgeel, de donkere, evenals ook de sprieten, bruin à zwartbruin, de aders en de franjes van alle vleugels, de voorrand van de voorvleugels en de pooten roestgeel (bronskleurig) zijn. De Vlinder vertoont zich van het laatst van Mei tot in het einde van Juli en maakt bij 't vliegen een duidelijk hoorbaar, gonzend geluid, dat de herinnering aan een Horzelwesp, die door zijn lichaamsbouw gewekt wordt, nog versterkt. De rups boort gangen in het onderste gedeelte van den stam van jonge populieren, bij voorkeur op gelijke hoogte met den bodem, doch ook wel lager. In Juni en in het begin van Juli worden de eieren gelegd tusschen de schubben van de schors; in Maart van het volgende jaar vindt men in het hout de volwassen rups. Vóór den winter omgeeft zij zich met een cocon van saamgesponnen houtvezels, doch verpopt zich eerst in het voorjaar. De poptoestand duurt slechts 3 weken. De cocons van de rupsen, die in de onderaardsche deelen van den stengel leefden, worden ook wel in den grond dicht bij de oppervlakte aangetroffen.

Tot de Spinners naderen (althans wat de eigenschappen der Vlinders betreft) de plomp gebouwde Cossinen (Cossina); zijn hebben onbehaarde oogen, sprieten, die een baard, kamtanden of zaagtanden dragen, geen of een onbruikbaren zuiger, groote voor- en veel kleinere achtervleugels, beide dicht beschubd en in den rusttoestand daksgewijs het achterlijf bedekkend.

De Wilgenhoutvlinder (Cossus ligniperda, fig. B) komt als larve het meest voor in den boom waaraan hij zijn naam ontleent, doch ook in de vruchtboomen, ijpen, populieren, elzen, eiken en linden, waarop het tamelijk trage wijfje zich toevallig bevond gedurende den tijd van 't eieren leggen. In den regel wordt iedere boom slechts door één of eenige weinige van deze rupsen bewoond, bij uitzondering echter door een groot aantal. In een plantsoen bij Göttingen hakte men in December 1836 drie treurwilgen om, welker stam een middellijn had van bijna 3 dM.; in deze boomen vond men bij het kloven van het hout 100 rupsen. De rups groeit zeer langzaam, daar in het hout slechts weinig voedingstoffen voorkomen; voordat zij volwassen (90 mM. en 20 mM. breed) is, moeten minstens 2 jaar verloopen. Daar zij zoowel in gaaf als in vermolmd hout gangen knaagt, heeft de natuur haar met zeer krachtige kaken en met een goed ontwikkeld spierstelsel uitgerust. Pieter Lyonet (geboren te Maastricht in 1707, overleden in den Haag 1789), wiens uitvoerige verhandeling over den anatomischen bouw van de genoemde rups als een meesterstuk wordt geroemd, heeft in haar lichaam niet minder dan 4041 spieren aangetoond. Bovendien maakt zij bij haar arbeid gebruik van een naar azijnzuur riekend, bijtend sap, dat zij den mensch, die haar al te onbescheiden nadert, in 't gelaat spuwt. De rozenroode kleur van de jonge larve maakt op lateren leeftijd plaats voor "bessensapkleur" op de zijden, aan den buik en in de geledingsgroeven, terwijl de rugschilden der segmenten een bruine kleur aannemen, de kop zwart wordt en op het halsschild zwarte vlekken ontstaan. Nog later worden de roode deelen geelachtig, welke kleur kort voor den overgang in den poptoestand de overhand verkrijgt. De rups bevindt zich dan dicht bij het uiteinde van de gang, die zij tot aan de oppervlakte van den stam voortgezet en met een prop van houtknaagsel gesloten heeft. Zij spint hier een dikke laag houtdeeltjes tot een cocon aaneen, tenzij het haar beter voorkomt den boom te verlaten en onder den eersten den besten steen een schuilplaats te zoeken, waarin zij hare laatste gedaantewisselingen ondergaat. Naar het schijnt, verlaat de Vlinder de pophuid tegen het invallen van den nacht; in de omgeving van zijn geboorteplaats rondfladderend, wijdt hij het aangevangen tijdperk van vrijheid in, dat echter door zijn korten duur hem slechts een schrale vergoeding verschaft voor het langdurig verblijf in duistere gangen. Over dag zit hij tegen een boomstam aan en is bijna niet te onderscheiden van de schors. De eenige dan zichtbare lichaamsdeelen, de voorvleugels en een deel van de rugzijde van het borststuk, zijn met tallooze gekronkelde lijnen en vlekken, in alle tinten van bruin, grijs en zwart, fijn gemarmerd; de kruin en de halskraag hebben een geelachtig grijze kleur; de achtervleugels zijn bruingrijs, bij den zoom onduidelijk donkerder. Het achterlijf is grijs met witachtige ringen en eindigt bij het wijfje in een uitstulpbare legbuis, waarmede de eieren diep in spleten van de schors worden gelegd.

Bij de Hepialinen (Hepialina) vertoont de wijze van vertakking der vleugeladers nog overeenkomst met die, welke bij de Vlinders in 't algemeen gedurende den poptoestand wordt opgemerkt. Een aan den vleugelwortel ontspringende ader doorsnijdt bij hen (ook bij de Cossinen) de middelcel en levert door haar verdeeling de takken, die bij de meeste volwassen Vlinders schijnbaar wortelloos uit de dwarsader ontspringen. Het aderstelsel van de voorvleugels gelijkt meer dan gewoonlijk op dat der achtervleugels. De sprieten en de liptasters zijn zeer kort, de oogen klein en naakt; de zuiger is onbruikbaar. De vleugels zijn langwerpig en spits, de voor- en achtervleugels nagenoeg even lang, hunne aanhechtingsplaatsen verder van elkander verwijderd dan bij de overige Vlinders. De Hepialinen gelijken hierdoor op Kokerjuffers. Een van de 4 inheemsche soorten is de Hopvlinder (Hepialus humuli), wiens ivoorkleurige, zwart gestippelde en zwartkoppige rups aan de onderaardsche deelen van hopplanten knaagt en zich in een holte in den grond verpopt.

Bij de 3 onderfamiliën der Houtboorders was, zoo niet tusschen de Vlinders, dan toch tusschen de larven en de poppen overeenstemming op te merken; de 3 groepen (Zygaeniden, Syntomiden en Lithosiden), die tot de familie der Chelonariën (Chelonariae) worden samengevoegd, wijken ook in dit opzicht uiteen. In de meeste boeken worden de Zygaeniden (eigenlijk alleen wegens het overeenstemmend maaksel der sprieten) tot de Sphingiden gerekend, de beide andere groepen met de Spinners vereenigd, waaraan zij werkelijk zeer nauw verwant zijn. Wanneer men echter ook op de talrijke uitheemsche soorten let, merkt men een zoo onmerkbaren overgang van de eene groep tot de andere op, dat er geen bezwaar tegen de samenvoeging kan bestaan. Bovendien vertoonen bijna al deze Vlinders een eigenaardigheid, die aan een nauwe verwantschap doet denken. Wanneer men ze tusschen de vingers houdt, nemen zij door het laten verslappen van de sprieten en pooten het voorkomen aan van dood te zijn en werpen door de geledingsvliezen van beide soorten van organen drupjes van een geel, dik vocht uit, dat ook uit de wonde van het borststuk ontwijkt, zoodra dit met een naald wordt doorstoken. Voor 't overige stemmen de Chelonariën overeen door het bezit van een bruikbaren zuiger, doordat bijoogen in den regel aanwezig zijn, door het glad aanliggende haarkleed en de daksgewijze houding der rustende vleugels, welke organen meestal met heldere kleuren prijken en door een vleugelhaakje verbonden zijn. De 16-pootige rupsen zijn nimmer naakt, bij vele soorten zelfs zeer sterk behaard. De poppen rusten zoomin in den grond als in plantendeelen, maar boven den grond in een cocon, waarvan het maaksel zeer verschillend kan zijn.

In de houding, waarvan de afbeelding (fig. 5) een voorstelling geeft, ziet men van het midden van Juni tot in Augustus op verschillende bloemen van het woud Vlinders zitten, die door hun dik achterlijf, fraaie roode achtervleugels en roode vlekken op de metaalachtig groene of blauwzwarte voorvleugels de aandacht trekken. Op donkere dagen zitten zij hier stil en droomerig; bij zonnig weer zuigen zij ijverig, soms met hun drieën of vieren te gelijk op één bloemhoofdje, om, als hier niets meer te bikken valt, op plompe wijze weg te vliegen en elders hun geluk te beproeven. Men zou deze fraaie Vlindertjes, in navolging van de Duitschers, wegens de eenigszins gekromde sprieten, Ramshoornkapellen of, wegens de roode vlekken op de voorvleugels, Bloedvlekjes (Zygaena) kunnen noemen. Alle komen overeen door het bezit van een sterk ontwikkelden zuiger, van 2 sporen aan de achterscheen, van 2 binnenrandaders in de stomp toegespitste voorvleugels en van 3 in de breedere en spitsere, roode achtervleugels en van ongetande, betrekkelijk lange, vóór de spits sterk gezwollen sprieten.

De Sint-Janskapel (Zygaena filipendula), die in fig. 5 op een Scabiosa zittend is voorgesteld, heeft 6 karmijnroode vlekjes van gelijke grootte op de blauwachtig groene voorvleugels; men ontmoet echter bij uitzondering ook exemplaren, waar het rood op de vóór- en achtervleugels door koffiebruin vervangen is (Zygaena chrysanthemi). De rups zien wij in fig. 6 op een weegbreeblad zitten; aan deze en dergelijke laag groeiende planten, zooals vergeet-mij-nietjes en leeuwentand, ontleent zij haar voedsel. Zij overwintert, blijft in de volgende lente nog eenige weken eten, kruipt in den voorzomer bij een stengel op en spint zich hier in; de cocon ziet er uit, alsof zij uit sterk goed gelijmd papier vervaardigd is en heeft den vorm van een gerstkorrel, die met de rechte zijde tegen den stengel is bevestigd.

De Phegea (Syntomis Phegea, fig. 7) is blauwzwart met witte vlekjes op de vleugels en een goudgelen dwarsband op het achterlijf; zij gelijkt op 't eerste gezicht veel op de leden van het vorige geslacht, maar verschilt er toch in sommige opzichten aanmerkelijk van. Haar ontbreken n.l. de bijoogen; de slanke sprieten zijn bij den top niet verdikt en iedere vleugel heeft slechts één binnenrandsader. Dit bij ons zeldzaam voorkomend, fraai vlindertje heeft dezelfde levenswijze als de Zygaena's. De rups overwintert, voedt zich met korstmossen, die op boomen groeien, en is bij wijze van een borstel dicht bedekt met grijze haren, die zij, wanneer de tijd om van gedaante te wisselen gekomen is, tot een los spinsel samenvoegt, waarin de bruine, van voren en van achteren stomp eindigende pop slechts weinige weken rust.

De "Beerrupsen" hebben op alle segmenten lang behaarde wratten; door deze haren, welker lengte soms eenige malen grooter is dan de middellijn van 't lichaam, zijn zij beveiligd tegen vele insectenetende Vogels. Van Augustus af en na haar overwintering tot in Mei ontmoet men hier te lande zeer dikwijls de larven van den Grooten Beerrupsvlinder (Arctia caja, fign. 1-4); deze eten bladen van allerlei planten, kruiden zoowel als struiken, vooral echter brandnetels. Tusschen de lange haren, die bij de volwassen rups van blauwachtig witte wratten uitstralen, schemert de zwarte huid ternauwernood door; op het midden van den rug zijn de haren zwart met witte spits, op de zijden en de 3 eerste ringen bruinrood. De volwassen rups spint hare lange haren aaneen tot een lossen cocon, waarin de blauwzwarte, korte en dikke, van achteren stomp eindigende pop slechts weinige weken vertoeft. De Vlinder is getooid met heldere kleuren; de kop, de rug van het borststuk en de wit gemarmerde voorvleugels zijn fluweelachtig roodbruin; het achterlijf heeft een zwarte dwarsstreep op ieder rugschild en is overigens vermiljoenrood, evenals de blauwzwart gevlekte achtervleugels. Hij houdt zich over dag verborgen en vliegt in de warme nachten van Juli en Augustus rond; de groene eieren worden in groepjes gelegd op verschillende planten, o.a. op wilgen. Eenige verwante soorten vliegen ook wel, terwijl de zon schijnt, o.a. de bij ons zeldzame Jonkvrouw (Callimorpha dominula) en de prachtige Purperbeer (Arctia purpurea), die zuidelijker streken bewoont. Zelfs zijn er, die in den regel over dag vliegen, o.a. de Hera (Callimorpha Hera).

De nu nog overige, diklijvige, breed gevleugelde Vlinders, welker sprieten het onderscheiden der mannetjes gemakkelijk maken (daar zij bij deze door het sterk zijwaarts uitgroeien der leden duidelijk kamvormig zijn), rekenen wij tot de familie der Spinners (Bombycidae), die in rijkdom aan soorten bij geen der vorige achterstaat en deze door overeenstemming van lichaamsbouw overtreft. De Spinners zijn voor 't meerendeel middelmatig, sommige echter buitengewoon groot; de meeste hebben vleugels van een sombere, bleeke en wolkachtige kleur; zij missen de bijoogen; zeer algemeen bestaat er tusschen de beide seksen een in 't oogvallend verschil in grootte. De sprieten zijn bij de wijfjes soms borstelvormig, soms van zaagtanden of korte kamtanden voorzien, de mannetjes hebben buitengewoon lange, niet zelden zeer ruige kamtanden. In rust hebben de breede vleugels in den regel een daksgewijzen stand. Hoewel dicht en wollig behaard, is het lichaam van het mannetje dikwijls slank in vergelijking met dat van het wijfje, die een aanmerkelijk grooter, met talrijke eieren gevuld achterlijf heeft. In verband hiermede zijn de mannetjes beweeglijker en beter geschikt voor het vliegen dan de wijfjes, die zich meestal niet ver van haar geboorteplaats verwijderen; sommige kunnen dit zelfs niet, daar de vleugels onvolkomen ontwikkeld zijn. Wegens haar plompheid leggen zij gewoonlijk de eieren dicht opeengedrongen in hoopjes, waaruit voortvloeit, dat de rupsen tot groote troepen vereenigd blijven en voorzoover zij op gekweekte boomen haar voedsel zoeken, in boomgaarden en bosschen een zeer groote schade kunnen aanrichten. Hoe zeer zij overigens verschillen mogen, in één opzicht stemmen alle overeen: vóór den overgang in den poptoestand vervaardigen zij een spinsel, dat aan het een of ander voorwerp wordt vastgehecht. Hieraan ontleent de familie haar naam.

Evenals Ornithoptera en Morpho van de familie der Dagvlinders, Sphinx van de Pijlstaarten, is het geslacht der Nachtpauwoogen (Saturnia) de trots van de familie der Spinners en zelfs van de geheele orde. Tot zijne leden behooren de grootste van alle Vlinders; bovendien hebben hunne kolossale vleugels een sierlijken vorm en zijn in het midden met een "venster" of met een prachtige, groote oogvlek versierd. De grootste van alle Vlinders is de Atlas (Saturnia Atlas), die China en den Oost-Indischen archipel bewoont. Wanneer men hem op dit boek legde, zouden zijne uitgespreide vleugels van het begin van een regel op deze bladzijde tot het einde van een regel op de volgende bladzijde reiken; zijn lichaam is echter niet langer dan 37 mM.

Verschillende ziekten, die in de tweede helft der vorige eeuw onder de "zijdewormen" groote verwoestingen aanrichtten en aan de kweekers aanzienlijke verliezen bezorgden, maakten het wenschelijk naar andere Spinners om te zien, welker rupsen geschikt zouden zijn om zijde te leveren. Sedert dien tijd zijn allerlei kweekingsproeven verricht door liefhebbers, die van verschillende vereenigingen vlindereieren ontvingen en de verplichting op zich namen van hunne ervaringen op nauwgezette wijze verslag te doen. Natuurlijk was alleen voordeel te verwachten van Vlinders, welker rupsen met inheemsche planten gevoederd konden worden. De eerste uitvoerige proeven hebben plaats gehad met den Ailanthus-spinner, in Assam Erya genaamd (Saturnia Cynthia), die in 1856 door Pater Fantoni uit China naar Frankrijk werd overgebracht. De Ailanthus-spinner ontwikkelt zich zeer snel, zoodat men in één jaar gemakkelijk 3 generaties kan opkweeken, wanneer men slechts in de gelegenheid is om aan de rupsen de noodige hoeveelheid voedsel te verschaffen; hiervoor wordt echter het bezit van een broeikas vereischt, daar de rups zich met de bladen van den in China inheemschen hemelboom (Ailanthus glandulosa) voedt. Meestal in Juni, soms eerst in Juli verlaten de rupsen van de tweede generatie de eischaal. Stel, dat dit den 14en Juli geschied is, dan heeft den 19en de 1e, den 28en de 2e, den 8en Augustus de 3e en den 14en de 4e vervelling plaats gehad. De rupsen zijn groenachtig geel, met 6 overlangsche reeksen van weeke, kegelvormige knobbeltjes bezet en met zwarte stipjes geteekend. De hoofdkleur van den Vlinder is licht fluweelachtig reebruin; over beide vleugels loopt een witte streep; de achterrand van het maanvormige "venster" is geelachtig, het oog op den voorsten hoek van den voorvleugel naar buiten zwart.--Bovendien werden nog met den Chineeschen (Saturnia Pernyi) en den Japanschen Eikenzijdespinner (Saturnia Yama-mayu)--in 1863 door Pompe van Meerdervoort naar Frankrijk overgebracht--acclimatisatie-proeven genomen. Tegenwoordig schijnt men geen werk meer te maken van het kweeken dezer plaatsvervangers van den Moerbezie-zijdespinner.

In Nederland vliegt 's nachts in April en Mei niet zelden, in heidestreken soms zelfs veelvuldig, de Kleine Nachtpauwoog (Saturnia carpini, S. pavonia); het mannetje (50 à 55 mM. vlucht) heeft bruingrijze voorvleugels en bruingele achtervleugels; bij het wijfje (60 à 70 mM. vlucht) zijn de vleugels lilagrijs. Iedere vleugel heeft op de dwarsader een oogvlek met zwarte kern, omgeven door een gelen en zwarten ring, waartusschen aan de binnenzijde nog een karmijnrood gezoomden, witten halven ring voorkomt. De aanvankelijk zwarte, later groene rups is bezet met rozeroode of gele wratten, die korte stekels en enkele lange stekelharen dragen; men vindt haar in den zomer op heide, braamstruiken, boschbessen, sleedoorn, wilde rozen, eiken, kruipwilg, enz. In Augustus spint zij een zeer stevige, bruinachtige, peervormige cocon, aan de kopzijde voorzien met een open, buisvormig verlengstuk, waarin een aantal veerkrachtige, langwerpig driehoekige strookjes, die te zamen een kegel vormen en uiteenwijken, als de Vlinder in 't voorjaar den cocon verlaat; daarna sluiten zij zich weer.