Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 30
De Semele (Satyrus Semele) is een zeer schuwe, vlugge Vlinder, die gedurende de maanden Juli en Augustus, vooral op dorre, zandige terreinen, bij ons veelvuldig aangetroffen wordt. Zij zet zich gaarne op een boomstam neer, maakt de oppervlakte van de vleugels, welker bovenzijden aaneensluiten, zoo klein mogelijk door de voorste over de achterste te schuiven, vliegt bliksemsnel weg om op een andere plaats van denzelfden stam nogmaals zulk een houding aan te nemen en herhaalt deze doellooze bezigheid 10- à 20-maal snel achtereen. In rust liggen hare vleugels steeds tegen elkander aan en zijn ineengeschoven; daar zij gedurende het vliegen zeer snel bewogen worden, krijgt men hun bovenzijde in 't geheel niet te zien. Deze is bruin met een grijs waas; in het zoomveld van den voorvleugel zijn 2 oogvlekken met fijne, witte kern dicht achter elkander geplaatst; in den achtervleugel is er één dicht bij den binnenhoek. De onderzijde van den voorvleugel komt, wat teekening betreft, vrij wel met de bovenzijde overeen; de achtervleugel is van onderen op zuiver grijzen grond donkerbruin en zwart gemarmerd; zijn kleine oogvlek is slechts bij het wijfje zichtbaar, bij het mannetje echter verdwenen. De vlucht van het wijfje bedraagt gemiddeld 58 mM. De gladde grijze, aan den buik groenachtige rups heeft 5 zwarte, overlangsche strepen, waarvan de middelste de donkerste is, bij ieder ademgat een zwarte stip en 6 zwarte strepen op den kop. Zij vreet gras, overwintert op tamelijk jeugdigen leeftijd en is in Mei of Juni van 't volgende jaar volwassen; zij verpopt zich dan even onder den grond of onder een steen.
Het Koevinkje (Epinephele hyperanthus) is een echte weidebewoner en draagt een zeer eenvoudig kleed. Zijne van boven donkerbruine vleugels hebben een witte franje en ieder 2 dicht bijeengelegen, zwarte oogvlekken met fijnen, gelen ring en witte kern. De onderzijde is grijsgeel en heeft, behalve de reeds genoemde, op den voorvleugel een kleine, iets lager gelegen, derde oogvlek, op den achtervleugel in het midden van den voorrand 2 vlekken, die samen een 8 vormen. Het wijfje is grooter dan het mannetje en heeft 41 mM. vlucht. Van het midden van Juni tot in Augustus is deze Vlinder op weiden overal te vinden. Zijn rups vreet bij voorkeur hirsgras (Milium effusum), doch ook andere grassoorten. Zij is in het midden het dikst, roodachtig grijs, fluweelachtig behaard, heeft boven de grijze pooten een witte en op den rug een bruine, overlangsche streep. Zij overwintert en verandert in 't begin van Juni in een korte, kegelvormige pop.
Het Bruine Zandoogje (Epinephele Janira, fign. 5 en 6), een van onze algemeenste en meest bekende Dagvlinders fladdert van Juni tot in September op alle weiden rond. Tusschen de beide sekten bestaat meer verschil dan bij menige andere soort. Bij het mannetje is de bovenzijde donkerbruin, de voorvleugel aan den wortel en op het middelveld tamelijk lang behaard en bij de spits voorzien van een oog, dat slechts aan de geelroode, langs den rand bruinachtige onderzijde een witte kern vertoont. De achtervleugel is van onderen grijsbruin en vertoont langs de romp sporen van een witte streep. Deze is bij het aanmerkelijk lichtere wijfje (fig. 5) duidelijker; bij haar is de oogvlek op de bovenzijde van den voorvleugel met een roode vlek omgeven en ook hier van een witte kern voorzien.--De groene of geelachtig zwarte rups (fig. 6) heeft een witte, overlangsche streep boven de pooten. Zij vreet verschillende grassen, vooral veldbeemdgras (Poa pratensis) en komt in levenswijze met de vorige soort overeen.
De Argusvlinder (Pararge Megaera) gaat gaarne met half geopende vleugel op leemmuren, op steile hellingen van dijken, holle wegen of doorgravingen, in steengroeven of op den naakten grond zitten; bij zijne rustplaatsen vliegt hij in den zonneschijn snel op en af, kenbaar aan de slappe houding van zijne donker okergele vleugels, die met bruingrijze, golvende lijnen en vlekken geteekend zijn; hoogst zelden ziet men hem op bloemen. Tot verduidelijking van de afbeelding moet nog gewezen worden op de geel gerande oogvlekken met fijne, witte kern (de laatste is dubbel) en op de witte franjes tusschen de aders; de onderzijde van de achtervleugels is geelachtig grijs, donkerder gemarmerd.
Van de lente tot laat in den herfst ontwikkelen zich verscheidene generaties van Argusvlinders. Naar het schijnt, overwinteren zij soms in den imago-toestand; regel is dit echter voor de rups. Deze leeft op allerlei zachtbladige grassen; haar fluweelachtig behaarde, bleekgroene huid vertoont langs de zijden een witte, van voren allengs verflauwende streep en op den rug 5 donkergroene, overlangsche strepen met bleeken zoom. Zij verandert in een hangende pop van zwartachtig groene kleur met 2 reeksen van lichte knobbeltjes op den rug.
De Lycaeniden (Lycaenidae) zijn kleine Dagvlinders van 20 à 40 mM. vlucht, met ovale, van boven en van onderen eenigszins hoekige oogen, zwart en wit geringde, dunne sprieten, borstelig behaarde, eenigszins opgewipte tasters met naakt eindlid en nagenoeg normaal ontwikkelde voorpooten (de wijfjes althans). De rupsen zijn bijna eirond en van onderen plat; zij hebben een kleinen, terugtrekbaren kop en korte pootjes en veranderen in omgorde poppen.
Minder dan de andere Kleine Pages (Thecla) trekken de Kleine Eiken-pages (Thecla quercus) de aandacht, daar zij nergens talrijk zijn en niet dikwijls uit de hooge luchtlagen van het woud (of althans van het kreupelhout) afdalen. Zij hebben 32.5 à 35 mM. vlucht. De vleugels zijn aan de bovenzijde effen zwartbruin en bij een bepaalde wijze van verlichting als met een violet waas bedekt. Aan het mannetje komt de prijs der schoonheid toe, daar zijne voorvleugels aan den wortel versierd zijn met twee prachtig hemelsblauwe vlekken; deze zijn dicht bijeen geplaatst: de binnenste is langer dan de buitenste. De onderzijde is glanzig zilvergrijs en heeft in het zoomveld een witte, van binnen donker gezoomde streep, waarachter eenige roodachtige vlekjes voorkomen. De slanke, met witte en zwarte ringen getooide sprieten worden naar boven allengs dikker. De oogen zijn behaard en door fijne, witte schubjes omgeven, de voorpooten bij beide geslachten iets zwakker dan de overige. Deze fraaie Vlinders, die in Europa alle landstreken bewonen, waar eiken groeien, vliegen in Juni, nadat zij als pop den winter hebben doorleefd. De rupsen, die uit hunne eieren komen, bereiken in den loop van den zomer haar volle grootte, kruipen onder mos en gaan hier in den poptoestand over. Men noemt ze schildrupsen, daar zij van boven bol, van onderen plat zijn en ook door haar gedrongen lichaamsbouw op pissebedden gelijken.
Nog 5 andere soorten van Kleine Pages (Thecla betulae, spini, pruni, rubi, ilicis) worden in Nederland gevonden en komen door het maaksel van vleugels, sprieten, pooten en oogen, zoowel als door het leven dat zij leiden op de door haar soortnaam aangeduide boomen of heesters (berken, sleedoornen, pruimen, braambessen, eiken), met de reeds beschrevene overeen.
Aan de vorige gelijk, wat vorm en grootte betreft, zijn de Vuurvlindertjes (Polyommatus). Het mannetje van Polyommatus virgaureae is de vurigste inheemsche Dagvlinder, niet wegens zijn aard, maar wegens zijn kleur; zijne vleugels hebben aan de bovenzijde zwarte randen, doch schitteren overigens als een goudlegeering met groot kopergehalte; het wijfje daarentegen is met zwarte stippen als bezaaid, althans op de achtervleugels; de stippen der voorvleugels vormen op het zoomveld twee dwarse reeksen; bovendien staan er nog twee naast elkander op het middelveld. De onderzijde is bij beide seksen nagenoeg gelijk, n.l. dof geelrood en bezaaid met zwarte stipjes, waarvan er 3 op een rechte lijn in de middelcel geplaatst zijn, welk verschijnsel het geheele geslacht kenmerkt. De genoemde soort vliegt in Juli en Augustus bedrijvig rond bij bloemen in bosschen en laat zittend de bovenzijde van de vleugels zien. De groene, geelgestreepte schildrups leeft op guldenroede (Solidago virgaurea) en zuring.
De Blauwtjes (Lycaena) heeten zoo wegens de fraaie, blauwe kleur van de bovenzijde der vleugels; dit geldt echter alleen van de mannetjes; bij de wijfjes heeft donkerbruin, waaraan soms een blauwe weerschijn valt waar te nemen, de overhand en komen alleen aan den vleugelwortel soms blauwe vlekken voor. De onderzijde is meer of minder sterk bezet met zwarte stippels (blinde oogen) of met oogvlekken, die in de nabijheid van den zoom reeksen vormen en niet zelden een glinsterende, zilverkleurige kern hebben. De aanwezigheid van een blind oog op de dwarsader van den voorvleugel is een der kenmerken van het geheele geslacht. Het is in alle werelddeelen vertegenwoordigd en omvat verscheidene honderden soorten. Hier te lande vindt men er 12. Al deze vlindertjes vliegen in 't midden van den zomer bedrijvig rond op bloemrijke weiden en velden, in bosschen en boven dorre heiden, maar bewegen zich, naar het schijnt, niet over groote afstanden. De rupsen hebben den vorm van schildrupsen en leven bijna alle op vlinderbloemige planten. Een dwarse spleet op het midden van den rug van den 10en ring, door Mr. A. Brants ontdekt, dient vermoedelijk tot afscheiding van een zoet vocht, waarvan de Mieren gebruik maken.
De meest algemeene soort is bij ons het Stalkruidblauwtje (Lycaena Icarus), die 27 à 38 mM. vlucht heeft, in Mei en van Juli tot September vliegt en ieder jaar 2 (of 3) generaties voortbrengt. De bovenzijde van beide vleugels is bij het mannetje licht paarsachtig hemelsblauw, bij het wijfje donker zwartbruin en meer of minder blauw bestoven. De onderzijde is bij het mannetje lichtgrijs, bij het wijfje donkerder, meer bruinachtig grijs. De vlekken, die vooral bij het wijfje voorkomen, zijn nog al onderhevig aan variatie. De bleekgroene, zwartkoppige rups is kenbaar aan een donkerder groene streep met witachtigen zoom over den rug, een geelachtig witte streep tusschen de pooten en de ademgaten, benevens vier donkergroene banden tusschen de beide genoemde strepen. Men vindt haar in Mei en nogmaals in Juli op het gedoornde stalkruid (Ononis spinosa), welks bloemen zij bij voorkeur eet.--De pop is grasgroen, op de vleugelscheeden, den kop en het staarteinde geel.
Behalve aan het kenmerk, dat in hun naam ligt opgesloten, kan men de Dikkoppen (Hesperidae) gemakkelijk van de andere Dagvlinders onderscheiden aan den half opgeklapten stand der vleugels gedurende het honigzuigen (geheel opgeslagen zijn zij in den toestand van rust), voorts aan den zwarten haarlok op den wortel der sprieten; de achterscheen draagt, behalve 1 paar sporen aan 't einde, ook nog 1 paar sporen in 't midden. De plompe bouw van kop en romp en de geringere grootte der vleugels gaan gepaard met een snelleren vleugelslag, zoodat de wijze van vliegen eenigszins aan die der Nachtvlinders herinnert. De rupsen zijn fijn en kort behaard; zij leven tusschen losjes saamgesponnen bladen; hier is tevens de rustplaats van de pop, die door een dun spinsel omgeven is. Ruim 1200 soorten van Dikkoppen bewonen alle werelddeelen, doch vooral Zuid-Amerika. Men kent een 30-tal Europeesche soorten, die ongeveer de gemiddelde grootte van de Lycaeniden bereiken, maar een meer gedrongen lichaamsbouw hebben; hun kleur is eentonig.
Als voorbeeld moge dienen de Kommavlinder (Hesperia comma), die hier te lande in Juli en Augustus, vooral op zonnige, zandige plaatsen in dennenbosschen, vliegt, geheel Europa bewoont en in de gebergten zoo hoog opstijgt, als de plantengroei reikt. Het mannetje en het wijfje zijn beide bruingeel van boven en groenachtig geel van onderen, doch verschillen overigens duidelijk. Het mannetje heeft voorvleugels met donkerbruinen zoom, met 5 lichtere vlekken en met een zwarte, scheef gerichte middelvlek, die door een als zilver glinsterende streep overlangs verdeeld is en op het leesteeken gelijkt, waaraan de soort haar naam ontleent. De achtervleugels hebben op hun donkeren zoom lichte vlekken. Bij het wijfje strekt zich over beide vleugels een reeks van lichte vlekken uit; die vooral op de achtervleugels geelachtig wit zijn; de plaats van de zwarte kommavlek wordt bij haar ingenomen door een aantal groene schubben.--De rups is groen, op de zijden zwart gestippeld; zij leeft op verschillende planten, doch vooral op de kroonwikke (Coronilla varia).
Zoowel door hun uitwendig voorkomen als door hun levenswijze staan de Pijlstaarten, Sphinxen of Schemeringvlinders (Sphingidae, Crepuscularia) tegenover de Dagvlinders. Het lichaam is dik en zwaar en met een dicht kleed van schubben en haren bedekt; de vleugels zijn van onderen krachtig geaderd, dikwijls ruig behaard, de voorste smal en lang, de achterste, met deze vergeleken, afgerond en klein, van voren met een vleugelhaakje uitgerust; het achterlijf is spoelvormig en past volkomen op de borst. Aan deze kenmerken kan men de Sphinxen reeds bij den eersten oogopslag onderscheiden van de Dagvlinders met hun slank lichaam en sterk uitgebreide vleugels. Daar de tasters kort en breed zijn, loopt de betrekkelijk kleine kop van voren in een stompe spits uit; de bijoogen ontbreken. De sprieten zijn kort en dik, op de dwarse doorsnede driehoekig, aan den wortel meestal iets dunner dan verderop; zij eindigen in een haarfijne, haakvormig naar achteren omgebogen spits. De roltong bereikt hier den hoogsten trap van ontwikkeling en is soms dubbel zoo lang als het lichaam. De middelrug en het achterlijf zijn bij de inheemsche soorten met glad aanliggende haren bekleed.
Op enkele uitzonderingen na slapen deze Vlinders over dag rustig op een veilige plaats in de schaduw en laten de eenigszins geopende, horizontaal naar achteren gerichte vleugels los op het lichaam rusten. De naar achteren gerichte sprieten zijn zoo dicht tegen de vleugelwortels aangedrukt, dat men ze niet bemerkt. De oogen beginnen bij den aanvang van de avondschemering te schitteren. Dan verlaten de Sphingiden hunne schuilplaatsen, begeven zich naar de bloemen en zoeken elkander op; men hoort ze in den regel, voordat men ze te zien krijgt; met een sterk brommend geluid snorren zij door de lucht en blijven af en toe gonzend zweven voor een bloem, waaruit zij met hun lange roltong honig zuigen. Zoo traag zij er over dag uitzien, zoo wild en onbesuisd zijn zij nu. Zonder verpoozing duurt hun snelle vlucht, die hun den naam van Onrusten heeft verschaft, tot laat in den avond.--De rupsen zijn zonder uitzondering kaal; haar langwerpig lichaam loopt meestal naar voren een weinig dunner uit; het wordt gesteund door 16 pooten en is op den rug van het voorlaatste segment voorzien van een meer of minder langen hoorn, die aanleiding heeft gegeven tot den naam van pijlstaartrupsen; dikwijls zijn zij met fraaie kleuren of teekeningen versierd. Evenals de Vlinders, rusten zij over dag, vastgeklemd aan de plant, die haar voedsel verschaft; vele soorten houden 't voorste deel van 't lichaam opgeheven, de kop en de voorpooten ingetrokken; in dezen stand worden zij met de Egyptische Sphinx vergeleken, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot den naam der familie. Geheel anders gedragen zij zich des nachts; dan openbaart zich haar vraatzucht; de kaken van de rups bewegen zich dan even vlug als de vleugels van den Vlinder. Van gezelligheid vindt men bij de pijlstaartrups geen schijn. Als haar tijd gekomen is, kruipt zij in den grond; in een holte met gladde wanden, doch zonder eenig spinsel, verandert zij in een spoelvormige pop, die meestal een donkere, soms echter een lichte kleur heeft. In den regel is de winter noodig voor het voltooien van den ontwikkelingsgang; bij uitzondering duurt deze verscheidene jaren; slechts bij enkele soorten ontwikkelen zich 2 generaties in één jaar.--In Zuid-Amerika is deze familie het sterkst, in Nieuw-Holland het zwakst vertegenwoordigd; van hare ruim 400 soorten komen 35 in Europa voor.
De Doodshoofdvlinder (Acherontia Atropos) heeft, na de Mexicaansche Acherontia Medor, een grootere massa dan eenig ander lid van zijn orde. Hij heeft 100 à 134 mM. vlucht. Het 55 mM. lange lichaam is zeer forsch gebouwd; het achterlijf, vooral bij het wijfje zeer dik en plomp, kan 19.5 mM. breed worden.
Twee eigenaardigheden hebben dezen Vlinder een zekere beroemdheid verschaft. Het borststuk, dat met een dichtharige, bruine vacht bekleed is, draagt op den rug een okergele teekening, die veel gelijkt op een doodshoofd, met twee gekruiste beenderen er onder. Voorts kan de Vlinder een piepend of knarsend geluid laten hooren. De juiste verklaring van dit verschijnsel is, volgens de onderzoekingen van Dr. J. Th. Oudemans, door Maitland gegeven. "Het geluid wordt voortgebracht door het uitstooten van lucht door den zuiger heen, door middel van samentrekking van den pharynx" (of keelholte); "legt men dezen bloot door verwijdering van het schedeldak, dan kan men dit uitmuntend waarnemen; een opening in den pharynxwand gemaakt, doet het vermogen om geluid voort te brengen, onmiddellijk verloren gaan. De uitgestooten lucht brengt twee op stembanden gelijkende en een soort stemspleet tusschen zich latende, inspringende plooien aan den zuigerwortel in trilling en de zuiger doet vervolgens dienst als orgelpijp; wordt hij verkort, dan vermindert de sterkte van het geluid. De Vlinder maakt het geluid wel voornamelijk, indien hij verontrust wordt, doch niet uitsluitend."
De kop en de rugzijde van het borststuk, die de hierboven bedoelde gele teekening draagt, zijn bijna zwart, het achterlijf geel met zwarte ringen en een breede, blauwgrijze, overlangsche streep op het midden van den rug. De voorvleugels zijn donkerbruin, zwart en eenigszins okergeel gewolkt, door twee geelachtige dwarsbanden in de bekende 3 velden verdeeld; het middelveld heeft een witte, zwart gezoomde stip. De okergele achtervleugels zijn getooid met twee zwarte dwarsbanden; de buitenste is de breedste, bij de aders uitgetakt, als 't ware uitvloeiend. In Nederland is deze Vlinder, die, evenals de Oleanderpijlstaart, als een soort van "trekvogel" moet worden beschouwd, doorgaans vrij zeldzaam, in sommige jaren echter in den herfst overvloedig. Men ziet hem dan met dakvormig het achterlijf bedekkende vleugels tegen een muur zitten, of 's avonds in een woonkamer om het licht vliegen, waar zijn verschijning de bewoners niet zelden met schrik en vrees vervult. De rups, die in volwassen toestand 13 cM. lang is, vindt men in den regel in Juli en Augustus op aardappelloof; op den voorlaatsten ring draagt zij een S-vormig gebogen, als een staartje naar beneden hangend hoorntje. De kleur varieert sterk; gewoonlijk is zij groenachtig geel, op alle leden, behalve op de 3 eerste en het voorlaatste, dicht bezaaid met zwartblauwe stipjes; ieder segment, te beginnen bij het vierde, heeft op den rug een van voren geopende, winkelhaakvormige streep van fraaie, blauwe kleur, naar onderen zwart geschaduwd. De volwassen rups kruipt in den grond, maar komt hieruit soms 5 of 6 uur later weer te voorschijn, of steekt althans den kop naar buiten en knaagt aan een in de nabijheid liggend blad. Bij het aardappelenrooien vindt men de glanzig zwartbruine pop, die een gat in den grond bewoont.--De Doodshoofdvlinder komt in Mexico, geheel Afrika en op Java voor; in Zuid Europa ontmoet men hem veelvuldiger dan in noordelijker gewesten. Velerwege, o.a. in het Banaat en op Sicilië, heeft men hem betrapt op het stelen van honig uit bijenkorven.
De Dennenpijlstaartvlinder (Sphinx pinastri) is het onaanzienlijkste lid van deze familie, daar zijn kleur nagenoeg overeenstemt met die van den dennenstam, waarop hij zit; overal waar deze boomsoort groeit, vindt men hem. De bovenzijde van zijne slanke sprieten en de franje van de vleugels zijn grijsachtig wit, de voorvleugels met eenige zwarte, overlangsche streepjes geteekend. De zuiger is 40 mM. lang. Het wijfje hecht hare bleekgroene eieren aan dennenaalden; na 10 à 14 dagen komen de rupsen te voorschijn. Deze vervellen gemiddeld alle 10 dagen, vreten de afgeworpen huid op, gelijk ook vele andere rupsen doen, en verkrijgen mettertijd hare bonte, overlangsche strepen: geel, groen en paars. Na de 4e vervelling is de rups volwassen; zij heeft dan blauwe, gedeeltelijk zwarte dwarsplooien en de bovengenoemde strepen hebben zich in meerdere of mindere mate in reeksen van vlekken gesplitst. Wanneer men haar aanraakt, slaat zij woest met het lichaam om zich heen, braakt een bruin vocht uit en tracht te bijten. Ongeveer in de eerste helft van September kruipt zij in den grond (als de voet van den boom door een laag mos omgeven is, begeeft zij zich ook wel hieronder), gaat in den poptoestand over en overwintert als pop. Deze is zwart en kenmerkt zich door een korte, bij wijze van een neus uitpuilende zuigerscheede. Soms komen de rupsen in zoo grooten getale voor, dat de dennen er groote schade door lijden.
In den zomer ziet men op de cypresbladige wolfsmelk (Euphorbia cyparissias) een dikke, fraai geel getijgerde rups zitten, waaruit zich de Wolfsmelkvlinder [Sphinx (Deilephila) euphorbiae] ontwikkelt. Zijne lederkleurig gele, dikwijls rozerood bestoven voorvleugels zijn zoowel aan den wortel, als achter het midden aan de voorzijde getooid met een olijfgroene vlek, voorts met een wigvormige streep van dezelfde kleur vóór den rooden zoom. De achtervleugels zijn deels licht, deels donker rozerood, aan den wortel en vóór den zoom met een zwarte streep geteekend, aan den binnenhoek wit. Wit zijn ook de zijden van het borststuk en van het achterlijf.
Veelvuldiger ontmoet men bij ons den Olifantsvlinder, ook wel genoemd het Avondrood [Sphinx (Deilephila) elpenor], wiens aanvankelijk groene, later bruine of zwartbruine rups van Juli tot September te vinden is op meekrap, walstroo (Galium), basterdwederik (Epilobium), kattestaart (Lythrum) en Fuchsia. De Vlinder vliegt in Mei en Juni; hij heeft olijfgroene voorvleugels met paarsroode strepen; de achtervleugels zijn rozerood, aan den wortel zwart.
De Oleanderpijlstaart [Sphinx (Deilephila) nerii] is kleuriger en vliegt vlugger dan alle andere Europeesche Schemeringvlinders. Zijn eigenlijk vaderland is trouwens in Noord-Afrika en Klein-Azië gelegen; van hier trekken vele exemplaren in den voorzomer (Juni) naar Europa, bezoeken ook ons land en leggen eieren, welke nog vóór den winter (van Juli tot September) in den vlinder-toestand overgaan. Het is echter gebleken, dat de wijfjes, die in noordelijke landen geboren worden, onvruchtbaar blijven. Volgens Dr. J. Th. Oudemans, moeten exemplaren, die elders uit overwinterde poppen gekomen zijn, de soort bij ons in stand houden; hetzelfde geldt van den Doodshoofdvlinder en van den zeldzamen Phoenix of Grooten Wijnstokpijlstaart [Sphinx (Deilephila) celeria]. De Oleanderpijlstaartrups is in volwassen toestand 110 mM. lang; men vindt haar, soms in Juli, meestal echter in Augustus, op oleander en maagdepalm (Vinca); zij vertoont kleursverscheidenheden: van de eene is de grondkleur groen, van de andere okergeel met bruinachtige, wolkige strepen. Aan weerszijden van het 3e rompsegment komt een niervormige oogvlek voor: een witte kern met zwartachtig blauwen zoom; daarachter begint een witte, overlangsche streep. Ongeveer 24 uur voordat zij haar voederplant verlaat, ondergaat haar kleur een belangrijke verandering. Zij verpopt zich aan de oppervlakte onder mos en andere op den bodem liggende voorwerpen, die zij door eenige draden aaneenvoegt. Na 4 à 6 weken in den poptoestand verkeerd te hebben, komt de Vlinder, die 110 à 115 mM. vlucht heeft, voor den dag. Zijn grondkleur is helder grasgroen; op de voorvleugels komen witachtige, rozeroode en paarse strepen en vlekken voor; de wortel der achtervleugels is geteekend met een breeden, violetten band; niet minder bonte kleuren vertoont de stam.