Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 3

Chapter 33,658 wordsPublic domain

Het is noodig bij deze gelegenheid de aandacht te vestigen op een uitdrukking, die in het vervolg herhaaldelijk zal voorkomen. Men spreekt n.l. van een enkelvoudige generatie van een Insect, wanneer het in één jaar zijne ontwikkelingsstadiën slechts éénmaal doorloopt, van twee, van drie generatiën, wanneer dit in den genoemden tijd twee-, driemaal geschiedt; wanneer er twee generaties zijn, onderscheidt men ze door de namen zomer- en wintergeneratie. Deze omvat altijd een langduriger tijdperk dan gene, omdat het Insect gedurende den winter op den eenen of anderen zijner ontwikkelingstrappen blijft rusten. Bij deze aanduidingswijze denkt men niet aan het burgerlijke jaar, maar aan een periode van 12 maanden, die voor verschillende soorten op verschillende tijdstippen kan aanvangen.

Het aantal soorten van Insecten, waarvan de ontwikkelingsgeschiedenis in de vrije natuur op voldoende wijze werd nagegaan, is gering in verhouding tot den ontzaglijk grooten omvang dezer klasse. De tot dusver waargenomen feiten schijnen echter recht te geven tot de onderstaande gevolgtrekkingen: 1o. Het larvetijdperk duurt langer dan het leven van het geslachtsrijpe Insect, behalve wanneer dit moet overwinteren; een andere uitzondering op dezen regel vormen de in maatschappijen levende Insecten (Bijen, Mieren, Termieten). 2o. De borende en onder den grond levende larven hebben een langeren tijd noodig voor haar ontwikkeling dan die, welke vrij op planten en dergelijke voorwerpen of boven den grond leven. 3o. De pootlooze larven, maar vooral die, welke zoomin pooten als een kop bezitten, ontwikkelen zich in den kortsten tijd. 4o. Hoe langer tijd een Insect voor zijn ontwikkeling noodig heeft, des te korter levensduur heeft het in den volkomen toestand. Zoomin als deze en andere wetten, die misschien uit de reeds bekende feiten kunnen worden afgeleid, algemeen zijn, zoomin ontbreken de uitzonderingen op den regel ten aanzien van de tijdruimte, waarin een soort haar gedaantewisseling ten einde brengt.

Het is duidelijk gebleken, dat warmte gepaard met een behoorlijken vochtigheidsgraad van de omgeving en, zoolang de larventoestand duurt, een overvloed van voedsel leiden tot bespoediging van de ontwikkeling en dat deze daarentegen vertraagd wordt door het niet bevredigen van deze eischen. Ieder die in het opkweeken van Vlinders ervaren is, weet, dat hij uit de pop, die in de vrije natuur eerst in Mei een Vlinder geworden zou zijn, dezen reeds omstreeks Kerstmis met even prachtige kleuren te voorschijn kan lokken, door de pop dichtbij de warme kachel te plaatsen en haar dikwijls te bevochtigen. Omgekeerd moet hij de eieren van den Zijdevlinder gedurende de wintermaanden op eene koele plaats laten, als hij niet gevaar wil loopen, de rupsen te zien uitkomen, voordat het voor haar geschikte voedsel, de bladen van den moerbeiboom, aanwezig is. De opmerkzame onderzoeker kan zich overtuigen, dat de verschijning van een Insect bij ongunstige weersgesteldheid soms wel 4 weken later plaats heeft dan in andere jaren, die voor de ontwikkeling dezer dieren gunstiger zijn. Hij weet, dat een Insect, dat in den zomer gedaantewisselingen ondergaat, hiervoor een veel korteren tijd noodig heeft dan wanneer de winter tusschen beide komt.

In landen met een winter, die door vorst en sneeuw gekenmerkt is, wordt gedurende dit tijdperk al het insectenleven voor ons onmerkbaar; dat het echter niet opgehouden heeft, blijkt in iedere daaropvolgende lente opnieuw. Vele Insecten overwinteren steeds als ei; sommige, o.a. die, welker ontwikkelingsgang 2 of meer jaren duurt, verkeeren gedurende het ongunstige seizoen in den larvetoestand, andere in dien van pop, nog andere brengen als geslachtsrijpe dieren den winter door. Waarschijnlijk komt het slechts zelden voor, dat Insecten van dezelfde soort nu eens des winters in den eenen, dan weer in een anderen ontwikkelingstoestand verkeeren. Men kan een denkbeeld verkrijgen van de talrijkheid der soorten, die als imago winterslaap houden, door in den herfst, vóór den aanvang van het tijdperk van schijndood, een wandeling te doen in een bosch. In de jaarlijks dikker wordende laag van afgevallen bladen, onder de dorre takken van struiken, die op een beschutte plaats groeien, onder steenen en in dergelijke tegen den scherpen wind beveiligde schuilhoeken zal men een onverwachte verscheidenheid van Kevers en Vliegen, Wespen en Spinnen, Wantsen en andere dieren aantreffen, hier en daar een Nachtvlinder uit het dorre loof te voorschijn zien komen, maar bij alle het streven opmerken om zich zoo schielijk mogelijk aan de blikken van den verstoorder hunner rust te onttrekken. Misschien zal men hier vele oude bekenden ontmoeten, die zich in gunstiger jaargetijden veelvuldig elders vertoonen; men ziet hier echter ook vele Insecten, die in zulke schuilplaatsen voor goed verblijf houden en ternauwernood een enkele maal aan 't daglicht komen. Een paar vleugels van Meikevers, een half beschimmelde Wesp, waaraan de pooten ontbreken, en dergelijke overblijfselen zouden iemand op het denkbeeld kunnen brengen, dat men hier te doen heeft met een groote begraafplaats van deze kleine wezens en dat geen van hen den winter overleeft. Ga, om u van het tegendeel te overtuigen, zoodra het gure jaargetijde ten einde loopt, ten tweeden male naar hetzelfde oord en neem van daar, als de vorst en de sneeuw het toelaten, eenige handen vol van het vergruisde, halfvergane gebladerte in een goed gesloten zakje mede naar huis. Wanneer men dit, nadat het eenige uren in de warme kamer heeft gelegen, op een zeef van metaalgaas ledigt, hieronder een vel wit papier legt en nu aan 't schudden gaat, zal men verbaasd zijn over het groote aantal levende diertjes, dat op het papier valt, en er vele bij vinden, die men in den herfst in de vrije natuur ontmoette, gesteld namelijk, dat men een goed geheugen voor zulke zaken heeft. Terloops moeten wij nog doen opmerken, dat het zooeven besproken onderzoek overeenkomt met een bekende en doeltreffende handelwijze, waardoor de insectenliefhebber zijn verzameling verrijkt met een menigte zeer kleine dieren, die hij op zijne zomersche onderzoekingstochten over 't hoofd ziet, of opzettelijk veronachtzaamt, omdat andere nasporingen hem dan geheel in beslag nemen.

In het water en op het land, op planten en op dieren, kruipend over den grond of vliegend in de lucht, overal waar het voor een dier mogelijk is te leven, worden Insecten gevonden. Het aantal soorten neemt af, naarmate men de polen nadert of in de met sneeuw bedekte gebergten grootere hoogten bereikt; op zeer hooge breedten ontbreken zij geheel; in de Zwitsersche Alpen werden nog op 2812 M. boven de oppervlakte der zee Insecten aangetroffen. Hoe warmer de luchtstreek, des te sterker zijn zij er vertegenwoordigd, des te grooter is hun verscheidenheid, des te wonderbaarlijker hun vorm en des te prachtiger hun kleur.

Men kent ongeveer 2000 soorten van voorwereldlijke Insecten; de oudste komen voor in de Silurische en Devonische lagen; in die van het steenkolentijdperk worden zij reeds in betrekkelijk grooten getale gevonden. Het aantal thans levende soorten wordt op 1 millioen geschat.

De verdeeling der Insecten in orden berust vooral op de verschillende inrichting der monddeelen, op het maaksel van den eersten borstring en van de vleugels, bovendien op eigenaardigheden van de ontwikkelingsgeschiedenis. Wij behouden hier de oude indeeling in 7 orden: 1o. Schildvleugeligen of Kevers, 2o. Vliesvleugeligen, 3o. Schubvleugeligen of Vlinders, 4o. Tweevleugeligen, 5o. Netvleugeligen, 6o. Rechtvleugeligen, 7o. Snavelinsecten; maar mogen niet onvermeld laten, dat van de 4e orde de Vlooien, van de 5e de Haften, Glazenmakers, Gaasvliegen, Plooivleugeligen, Schorpioenvliegen en Kokerjuffers, van de 6e de Franjestaarten, Springstaarten, Oorwormen, Bijtende Luizen en Blaaspooten dikwijls als afzonderlijke orden worden afgescheiden.

EERSTE ORDE.

DE KEVERS (Coleoptera, Eleutherata).

De uitwendige kenmerken van de Kevers of Schildvleugeligen zijn: de bijtende monddeelen,--het sterk ontwikkelde voorborststuk (halsschild), dat steeds beweeglijk met het middenborststuk verbonden is en welks vorm een belangrijken invloed oefent op de gedaante van het geheele dier--voorvleugels, die tot dekschilden zijn verhard, welker meestal rechtlijnige binnenranden tegen elkander aanliggen of liever ineensluiten en op deze wijze een "naad" vormen, wanneer de vleugels in rust verkeeren,--het met zijn breede grondvlakte aan het naborststuk gehechte (vastzittende) achterlijf. De leden dezer orde hebben een volkomen gedaantewisseling.

Slechts zelden is de kop vrij vóór het halsschild gelegen, in de meeste gevallen is hij meer of minder diep in dezen ring opgenomen en dus in zijne bewegingen op verschillende wijze beperkt. Van de bijtende monddeelen der Kevers valt op te merken, dat de kaaktasters uit 4, de lip tasters uit 3 leden samengesteld zijn en dat aan de onderlip de kin de meestal onverdeelde tong in grootte overtreft.--Bij geen der overige orden treft men zulk een groote verscheidenheid van maaksel der sprieten aan als bij de Kevers. Het minst wisselt het aantal leden dezer organen af, daar het meestal elf bedraagt, hoewel het bij sommige Schildvleugeligen tot 4 verminderd, bij andere tot 30 gestegen is. Grootere afwijkingen biedt de lengte aan; de grootste merkt men echter op in den vorm, die aan een borstel, een draad, een knots, een zaag, een kam, een waaier of aan andere voorwerpen herinnert, of ook wel, wegens zijn onregelmatigheid geen vergelijking toelaat.

De achtervleugels zijn gewoonlijk door een gering aantal dikke "aders" gesteund; meestal hebben zij bij het midden van den voorrand een chitinevlek, het merk; hier kunnen zij dubbel gevouwen worden, zoodat zij, na nogmaals (nu overlangs) geplooid te zijn, plaats vinden onder de dekschilden. Alleen deze door een dun vlies gevormde achtervleugels stellen den Kever tot vliegen in staat; wanneer zij ontbreken of verloren gaan, hetgeen niet zelden voorkomt, kan er van vliegen geen sprake zijn; de vergroeiing van de schilden volgens den naad gaat niet zelden met deze afwijking gepaard.

In verband met de verblijfplaats en de levenswijze der Kevers wijzigt zich de vorm hunner meestal voor 't gaan en loopen dienende (en in dit geval slanke) pooten; deze worden dan tot zwem-, graaf- of springpooten. Van de zwempooten hebben alle leden een platte gedaante; zij zijn door borstelige haren langs den scherpen rand nog meer verbreed, kunnen slechts in horizontale richting bewogen worden en komen meestal uitsluitend aan het achterborststuk voor. De graafpooten kenmerken zich door de zwakke ontwikkeling van den soms rudimentairen voet, door een breeden, langs den buitenrand getanden scheen en een korte, dikke dij; deze inrichting bereikt aan de voorpooten den hoogsten trap van volkomenheid. Voor het springen dienen uitsluitend de achterpooten, die in dit geval een sterk verdikte dij en een rechten, betrekkelijk langen scheen hebben.

De drie hoofdafdeelingen van het lichaam vertoonen ieder in deze orde een zoo groote verscheidenheid van vormen en staan tot elkander in zoo verschillende verhoudingen, dat van de gestalte der Kevers geen algemeene beschrijving kan worden gegeven: men ontmoet bij hen alle denkbare overgangen tusschen den langwerpigen, smallen, den platten, tot een schijf verbreeden en den tot een bol naderenden vorm. Sombere en effene kleuren hebben de overhand, vooral bij de bewoners van gematigde en koude gewesten, hoewel er ook vele zijn, die door hunne bonte kleuren en hun prachtigen glans bij edelgesteenten en metalen niet behoeven achter te staan.

Onze bekendheid met de larven van de Kevers is nog altijd zeer onvolledig. Haar uitwendig voorkomen vertoont op verre na niet de groote verscheidenheid, die men bij de geslachtsrijpe dieren opmerkt. Daar de meeste een verborgen leven leiden en dus niet aan den invloed van 't licht zijn blootgesteld, komen bij haar geen bonte kleuren voor en heeft vuilwit of geelachtig wit de overhand. De stam van haar lichaam bestaat uit een hoornachtigen kop met 12 (of 11) daarop volgende leden; deze zijn pootloos, tenzij de 3 borstringen ieder één paar hoornachtige pooten dragen. De kop, die dikwijls een weinig teruggetrokken kan worden in het voorste rompsegment, heeft bij sommige een hellenden stand, zoodat de monddeelen dicht bij de borst komen te liggen, en is bij andere recht naar voren gericht; ook zijn vorm is verschillend. De oogen zijn steeds enkelvoudig en staan, voorzoover zij niet geheel ontbreken, ten getale van 1 à 6 aan weerszijden van den kop. Bij vele soorten komen tusschen de oogen en de bovenkaken draad- of kegelvormige sprieten voor. Deze bestaan in den regel uit 4, soms echter uit een geringer aantal leden, waarvan het derde niet zelden een zijwaarts gericht aanhangsel draagt. De monddeelen verschillen niet aanmerkelijk van die der volwassen Kevers, tenzij een beweegbaar kopschild de mondopening van boven begrenst. Hoewel enkele deelen van de onderlip ontbreken kunnen, is dit paar monddeelen standvastiger aanwezig dan de onderkaken. De 12 leden van den romp zijn soms hard en glad, soms zacht en dwars gerimpeld; bij vele soorten komen zij onderling nagenoeg overeen; dikwijls echter onderscheiden de 3 voorste, die later het borststuk zullen vormen, zich op de een of andere wijze van de overige.

De pop van den Kever verdient den naam van mummiepop, daar haar omhulsel uit een fijn vliesje bestaat, dat alle deelen van het imago, pooten, sprieten, vleugels, ieder afzonderlijk bedekt, zoodat deze, los tegen het lichaam aanliggend, gemakkelijk herkenbaar zijn. Bij aanraking beweegt zij zich sterk; meestal ligt zij vrij in een kunsteloos nest, dat door haar gedurende het laatste tijdperk van den larvetoestand werd gegraven of uitgeknaagd in de middenstof, die haar destijds tot verblijfplaats diende; slechts zelden bewoont de Kever pop een samengelijmd huisje of hangt, indien de larve vrij op een blad heeft geleefd, met de spits van haar lichaam hieraan, evenals vele Vlinderpoppen.

Nadat de Kever de pophuid verlaten heeft, verloopt er, al naar zijn grootte, een meer of minder lange tijd, voordat de chitine-laag, vooral die van de dekschilden, hard geworden is en haar gewone kleur verkregen heeft; altijd echter duurt dit, wegens de overvloediger chitine-bekleeding, merkbaar langer dan bij de meeste overige Insecten.

Het aantal soorten van thans levende Kevers wordt op 80000 begroot; de vormenrijkdom van deze en, naar het schijnt, ook die van de meeste overige Insectenorden (behalve de Rechtvleugeligen, de Netvleugeligen en de Snavelinsecten), is aanmerkelijk toegenomen sedert het einde van het tertiaire tijdvak, ofschoon men hem ook in deze periode reeds aanzienlijk mag noemen, zooals blijkt uit de talrijke overblijfselen van Kevers, die in barnsteen gevonden zijn. Verreweg de meeste van de circa 1000 bekende soorten van fossiele Schildvleugeligen leefden in het tertiaire tijdvak; in het secundaire was hun aantal gering. Alle 7 Insectenorden zijn in de Jura- en Lias-lagen vertegenwoordigd, in de hieraan voorafgaande Trias-formatie echter alleen de Kevers met de Netvleugeligen en de Rechtvleugeligen. De fossiele Insecten uit de secundaire lagen zijn nagenoeg zonder uitzondering leden van een thans uitgestorven orde; toch behoort, naar het schijnt, een enkele van deze vormen (uit de steenkolenperiode) tot de Kevers.

Over de rangschikking der Kevers, en meer bepaaldelijk over de samenvoeging der talrijke familiën dezer orde tot groepen, heerscht veel verschil van meening. In navolging van Zittel zijn hier de familiën, waarvan enkele leden nader besproken zullen worden, vereenigd tot 7 groepen: Roofkevers (Adephaga), Knotssprietigen (Clavicornia), Zaagsprietigen (Serricornia), Bladsprietigen (Lamellicornia), Ongelijkledigen (Heteromera), Snuitdragers (Rhynchophora) en Planteneters (Phytophaga). De 4 eerste groepen stemmen gezamenlijk nagenoeg overeen met de door vele schrijvers aangenomen afdeeling van de Vijfledigen (Pentamera), met uitzondering echter van de familie der Lieveheersbeestjes, die de afdeeling der Drieledigen (Trimera) vertegenwoordigt en hier bij de Knotssprietigen is gevoegd; de 2 laatste groepen worden door de bedoelde schrijvers gezamenlijk Vierledigen (Tetramera) genoemd. Deze namen berusten (evenals die van de 5e groep) op het aantal leden van den voet.

De Veldzandkever (Cicindela campestris) is een buitengewoon vlugge, middelmatig grootte, groene Kever, die men bij warm weder en zonneschijn op heiden en zandige wegen (bij ons vooral in de hooge streken van Gelderland) heen en weer ziet vliegen. Nooit laat hij echter den mensch zoover naderen, dat men hem nauwkeurig kan nagaan; terstond vliegt hij schuw op, waarbij men een blauw schijnsel opmerkt (omdat het nu ontbloote achterlijf deze kleur heeft), gaat echter spoedig weer op den grond zitten en wel steeds zóó, dat de richting van het lichaam een hoek vormt met die van den zooeven afgelegden weg. Hoewel men vele van deze dieren om zich heen ziet, heeft men op een zonnigen dag niet licht het geluk er een te vangen, tenzij men van zeer bijzondere kunstgrepen gebruik maakt. Hevig verweert zich het gevangen exemplaar. Met de sikkelvormige bovenkaken bijt het woedend om zich heen, stampt met de slanke pootjes en spant al zijne krachten in om de vrijheid te herkrijgen. De bovenkaken zijn van voren zeer spits, aan de binnenzijde met 3 lange, spitse tanden gewapend en zóó lang, dat zij in den toestand van rust elkander flink kruisen. Zij geven aan het gelaat een woeste uitdrukking en verraden den roofzuchtigen aard van het dier. De stam van het lichaam is grasgroen; het onderste gedeelte van de sprieten en de duidelijk behaarde pooten hebben een roodkoperkleurigen glans; vijf kleine vlekjes aan den buitenrand en een grootere vlek achter het midden van ieder dekschild, benevens het groote, niet gekielde kopschild zijn wit, het laatste althans aan de spits. De grondkleur van de dekschilden en hun teekening kunnen verschillende afwijkingen vertoonen.

Dezelfde levenswijze heeft de Gewone Zandkever (Cicindela hybrida), de gemeenste soort ten onzent, die in grooten getale op de duinen en in lanen van zanderige bosschen, alsmede op de heidevelden voorkomt. Hij is groenachtig of paarsachtig koperkleurig; de dekschilden hebben van voren en van achteren een witte, halvemaanvormige, in het midden een witte, zigzagvormige, dwarse vlek; ook de bovenlip is wit.

Eigenaardig zijn de Zandkever-larven; vooral het blaasvormig gezwollen onderste deel van het aangezicht en de beide naar voren gerichte doornen op den rug van den 8en ring na den kop vallen onmiddellijk in 't oog. De hoornachtige kop draagt aan iedere zijde 4 oogen (2 groote aan de boven-, twee kleinere aan de onderzijde), 4-ledige sprieten en monddeelen, welke op die van het geslachtsrijpe dier gelijken. De larve graaft een verticale soms wel 47 cM. diepe buis, ter dikte van een penneschacht, in den grond en loert aan den ingang op Insecten, kleine Loopkevers, Mieren en larven. Als zij een dier gegrepen heeft, daalt zij er mede af naar den bodem van haar hol, bijt het stuk en zuigt het sap op. De overblijfselen worden naar buiten vervoerd; de uitgeholde bovenzijde van den kop is voor 't dragen, het gedoornd zijn van den 8en ring voor 't opstijgen en neerdalen in de buis van groot belang. Na eenigen tijd verwijdt zij den bodem van haar hol, maakt den ingang dicht en verandert in een pop, die de aandacht trekt door de doornachtige uitgroeisels aan weerszijden van den rug; deze zijn op het vijfde lid van het achterlijf bijzonder sterk ontwikkeld en doen waarschijnlijk dienst bij het te voorschijn komen van den Kever uit den grond. De duur van den poptoestand bedraagt, naar het schijnt, slechts 14 dagen.

De familie van de Zandkevers (Cicindelidae) omvat 35 geslachten met omstreeks 800 soorten (waaronder 4 Nederlandsche). Deze Insecten hebben een bijzondere voorliefde voor droge zandige oorden, zoowel in het binnenland als bij de zee, in vlakten niet minder dan in bergstreken; het meest ontmoet men ze echter in warme gewesten. Door levenswijze, lichaamsvorm en grootte (gemiddeld 12 à 15 mM.) stemmen zij overeen. De mannetjes zijn kenbaar aan de drie eerste leden der voorpooten, die bij hen aanmerkelijk verbreed zijn. De buitenste kaaklob van de onderkaak heeft den vorm van een tweeledigen taster; de binnenste kaaklob draagt aan den top een beweegbaren tand, die slechts bij uitzondering ontbreekt.

De Loopkevers of Aardtorren (Carabidae) gelijken in allerlei opzichten en vooral door den tastervormigen bouw van de buitenste kaaklob der onderkaak zoo zeer op de Zandkevers, dat zij met deze tot één familie vereenigd zouden zijn gebleven, indien hun niet de beweegbare tand aan den top van de binnenste kaaklob had ontbroken. Bovendien zijn hunne bovenkaken minder lang, nooit met spitse tanden langs de geheele binnenzijde gewapend. De dekschilden reiken meestal tot aan de spits van het achterlijf, maar zijn bij sommige afgeknot; zij omvatten de zijden van het lichaam en zijn nu eens glad, dan weer grootendeels op eenvoudige wijze gestreept, met reeksen van stippels en zeer verschillende ribben voorzien. Niet zelden ontbreken de achtervleugels of zijn tot onbeduidende lapjes verkort; deze organen worden trouwens, zelfs wanneer zij volkomen ontwikkeld zijn, hoogstens alleen 's nachts voor 't vliegen gebruikt. De bonte kleuren, die bij de Zandkevers zoo veelvuldig voorkomen, zijn hier uitzonderingen; de meeste Loopkevers hebben wegens hun effen zwarte, groene, koperroode of bronsbruine kleur een zeer eentonig uiterlijk. Zij mijden het zonlicht veeleer, dan dat zij het zoeken en houden zich daarom over dag bij voorkeur verborgen onder steenen of aardkluiten, in rottend hout, enz.; het zijn nachtelijke roovers, die zich met andere dieren voeden. De grootste soorten worden ook wel Schallebijters genoemd.

De larven zijn ongelukkig slechts van weinige soorten bekend. Zij onderscheiden zich door een langwerpig lichaam met 2 (meestal harde, ongelede) aanhangsels aan het laatste achterlijfssegment, 6 pooten en een naar voren gerichten kop. De bovenkaken dienen meestal uitsluitend voor het vasthouden en wonden, niet voor het stukbijten van den buit, die met de mondopening wordt uitgezogen.

Men kent ongeveer 9000 soorten van Loopkevers; zij bewonen de geheele aarde, schijnen in de gematigde en de koude streken alle overige Kevers in aantal te overtreffen, dringen tot in de koudste gewesten en tot op de hoogste bergen door en zijn voor sommige oorden zeer karakteristiek; sommige soorten n.l. komen uitsluitend in bergstreken, nooit in de vlakte voor, andere uitsluitend in heete gewesten.

De Gewone Oeverlooper (Elaphrus riparius) herinnert in vele opzichten aan de Zandkevers, vooral door de uitpuilende oogen en den vorm van het geheele lichaam, dat echter steeds kleiner is. Ook door zijn levenswijze kan men hem als een overgangsvorm tusschen de Zandkevers en de Loopkevers beschouwen. Hij houdt n.l. van zonneschijn en doorloopt zijn jachtgebied zeer snel; hij jaagt evenwel niet op droge plaatsen, maar doorzoekt slijkerige waterkanten, den bodem van uitdrogende plassen en vochtige, schraal met gras begroeide weiden. Bovendien vliegt hij niet telkens op om aan vervolgingen te ontkomen, maar vertrouwt alleen op de snelheid zijner voeten en op de mogelijkheid om een veilige schuilplaats te bereiken. Hier houdt hij zich ook bij ongunstige weersgesteldheid op om niet opgemerkt te worden door den Gelen Kwikstaart, de Pluvieren en andere insectenetende Vogels, die op dezelfde plaatsen het talrijke ongedierte, dat in de zon zich koestert, overvallen en verslinden.