Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 29

Chapter 293,513 wordsPublic domain

De landman kan zich een voorstelling vormen van het soms ontzaglijk groote aantal van deze Vlinders door de schade, die de rupsen hem toebrengen. Deze voorstelling wordt echter nog overtroffen door eenige in entomologische werken voorkomende aanteekeningen. Hierin vindt men o.a. de mededeeling, dat rupsen van Koolwitjes in het jaar 1854 een spoortrein tusschen Brünn en Praag tot staan hebben gebracht. Over een lengte van 200 voet waren de spoorstaven dicht bedekt met rupsen, in een brijachtige massa veranderd door de drukking der wielen. Deze pap had de rails en de raden zoo glad gemaakt, dat de wrijving niet meer voldoende was voor de rollende beweging van den trein en de wielen op dezelfde plaats bleven ronddraaien, zooals ook wel voorkomt, nadat het geijzeld heeft en het treinpersoneel zand of asch op de baan moet strooien om verder te kunnen komen. Andere voorbeelden van de sterke vermenigvuldiging dezer soort leveren de ontzaglijk groote zwermen van Koolwitjes, die nu en dan waargenomen zijn. "Dit geschiedde," volgens Ritzema Bos, "o.a. in het laatst van Augustus 1876. Op verschillende plaatsen in ons land en ook daarbuiten (Ostende, Dantumawoude, Groningen, Noord-Duitschland boven de Elbe) zag men kolossale vlinderzwermen, alle uit Koolwitjes bestaande. Merkwaardig was het, dat de vlucht, die men boven de Elbe waarnam, met groote snelheid zich steeds boven de rivier, en wel stroomopwaarts, voortbewoog. Men beweerde, dat deze vlucht over de Noordzee heen naar den Elbe-mond was gekomen. Te Dantumawoude kwamen de Vlinders uit het O.N.O. en vlogen voort naar het Z.W. Misschien zijn zij dus ook van over de Noordzee daar gekomen. Het overtrekken van den zwerm, die, naar een ooggetuige verzekerde, ongeveer een uur gaans breedte moet hebben gehad, begon omstreeks den middag en duurde tot bijna 7 uur. Uit hoevele millioenen Vlinders moet die zwerm niet hebben bestaan!--Van waar al die Vlinders zijn gekomen?--Men weet het niet; zeker waren zij niet uit ons land afkomstig, waar juist in 1876 de koolrupsen betrekkelijk zeer weinig voorkwamen. Uit hetgeen boven werd medegedeeld, zou men afleiden, dat zij ergens uit het noorden van Europa hierheen waren gekomen."--Op welke wijze door Sluipwespen (Microgaster glomeratus, Pteromalus puparum, Pimpla) de vermenigvuldiging van deze soort beperkt wordt, werd vroeger vermeld.

Het Kleine Koolwitje of Knollenwitje (Pieris rapae) is een trouwe begeleider van den zooeven besproken Vlinder en heeft zich sedert 1860 ook in Noord-Amerika gevestigd. Gemiddeld heeft het een vlucht van 50 mM. De kleur komt veel overeen met die van de vorige soort; het zwart van de spits der voorvleugels is doffer en minder uitgestrekt; de zwarte veeg aan den binnenrand ontbreekt meestal bij het wijfje; daarentegen heeft het mannetje dikwijls een zwarte vlek op de bovenzijde van denzelfden vleugel. De pop is gebouwd als bij de vorige soort, groen of groenachtig grijs van kleur, zwart gestippeld en met 3 gele, meer of minder duidelijke, overlangsche lijnen geteekend. De rups daarentegen is gemakkelijk te onderscheiden van die van het Koolwitje. Zij is vuilgroen, door een dichte en korte beharing eenigszins fluweelachtig; op den rug, zoowel als op iedere zijde, komt een fijne, gele, overlangsche lijn voor, die soms afgebroken is; de buitenste vergezelt de zwarte omlijste ademgaten.

Het Kleine Geaderde Witje (Pieris napi) is van de drie reeds genoemde leden van zijn geslacht het zeldzaamste; toch komt het tamelijk veel voor. In grootte komt deze soort met de vorige overeen; gemakkelijk herkent men haar aan de zwart bestoven uiteinden van de aders aan de bovenzijde der voorvleugels; de aders van de geelachtig witte onderzijde en de achtervleugels zijn over haar geheele lengte op deze wijze bestoven. Men vindt de rups op wilde kruisbloemige planten.

Een geheel andere levenswijze heeft het hiernevens afgebeelde Geaderde Witje [Pieris (Aporia) crataegi]. In Juli verschijnt de zwak bestoven Vlinder, kenbaar aan de zwarte aders en de ophooping van schubjes van dezelfde kleur aan hare uiteinden. Het wijfje legt weldra hare gele, fleschvormige eitjes in hoopjes van verschillende grootte op bladen van pruime- en pereboomen en van den verwanten sleedoorn, veel minder dikwijls waarschijnlijk op den hagedoorn. In den herfst komen de rupsjes uit; deze gebruiken nu niet veel voedsel, maar spinnen dadelijk een paar bladen aaneen en aan hun twijg vast, zoodat zij bij het afvallen van het loof blijven zitten. Het als zijde glinsterend spinsel dient tot rustplaats gedurende den winter. Als de boomen hunne bladen verloren hebben, trekken deze "kleine rupsennesten" licht de aandacht. Zoodra in 't volgende voorjaar de knoppen groen worden, beginnen de rupsjes te eten en knagen weldra de bloemen weg, die zich in hun nabijheid bevinden. Als de rupsen iets grooter geworden zijn, verlaten zij haar gemeenschappelijke woning en verspreiden zich. De volwassen rups is dik en glanzig, middelmatig sterk behaard, heeft op den rug zwarte en roode, overlangsche strepen, die onderling afwisselen, en vertoont aan den buik een aschgrauwe kleur. Tegen het einde van Juni verpopt zij zich, meestal in de nabijheid van haar laatste voederplaats; soms echter verlaat zij deze en gaat op andere voorwerpen over. Na 12 à 14 dagen komt de Vlinder voor den dag en laat, evenals de meeste leden zijner orde, onmiddellijk na de geboorte een gekleurd vocht door de aarsopening ontwijken. Dit is bijna zoo rood als bloed en heeft op plaatsen waar de genoemde Vlinders in grooten getale voorkwamen, aanleiding gegeven tot het sprookje van den "bloedregen".

De Nederlandsche naam der onderfamilie, die de hoofdkleur aangeeft van een groot aantal inheemsche en uitheemsche soorten, zou moeten leiden tot de meening, dat al hare leden grootendeels wit zijn. In den vreemde worden er echter gevonden, waarbij de witte kleur tot een deel van de achtervleugels beperkt blijft. Andere, die, in plaats van witte, gele of oranjekleurige vleugels hebben, behoeft men niet in den vreemde te zoeken. De vrij algemeen voorkomende, fraaie Peterselievlinder, ook wel het Peterseliebeestje genaamd (Antocharis cardamines), heeft vóór de grijze spits op den overigens witten voorvleugel een zeer groote, oranjekleurige vlek; dit geldt van het mannetje. Bij het wijfje, dat men licht voor een Witje zou kunnen houden, is de vurige vlek door een grijze middenstip vervangen. Bij beide vertoont de onderzijde van den achtervleugel zeer sierlijke, boomvormig vertakte, sapgroene teekeningen. De slanke, lichtgroene rups heeft, behalve een onduidelijke, groenachtig witte streep op het midden van den rug, een witte streep en zwarte stippels op de zijden. Zij leeft op verscheidene op weilanden groeiende kruisbloemige planten, o.a. op pinksterbloemen, torenkruid en look-zonder-look. De pop is zeer eigenaardig; zij gelijkt op een smalle, eenigszins gekromde weversspoel. Na de overwintering ontwijkt hieruit de fraaie Kapel, waarvan ieder jaar slechts één generatie voorkomt.

De algemeen bekende Citroenvlinder (Rhodocera rhamni) verschilt door den vorm zijner vleugels van de vorige Piëriden en heeft een andere levenswijze. De voorvleugels hebben een uitgesneden achterrand en een scherp, sikkelvormig gebogen uitsteeksel tusschen de 6e en de 7e ader; aan de achtervleugels bevindt zich een spitse hoek aan 't einde van de 3e ader. Het mannetje is citroengeel, het wijfje groenachtig wit. Na de overwintering zoekt het bevruchte wijfje den gewonen wegedoorn (Rhamnus frangula) op, welks knoppen juist uitgesproten zijn, en legt hierop eieren. De dofgroene rups heeft op iedere zijde een witte streep, die van boven allengs in de grondkleur overgaat; zij voedt zich met de bladen van den genoemden heester en verandert in een hoekige, groene, op de zijden lichtgeel gestreepte en roodbruin gevlekte pop, die stompkantig uitpuilende vleugelscheeden heeft. De Vlinder vliegt in Juli en Augustus.

Andere Witjes (of "Geeltjes", zooals men ze wegens hun kleur eerder zou noemen) kenmerken zich door een zilverkleurige of parelmoerachtige vlek op de onderzijde van de achtervleugels. Deze vlek heeft den vorm van een 8 en is met een roodbruinen rand omgeven bij den Oranjekapel of Gouden Acht (Colias Hyale); het mannetje heeft zwavelgele vleugels, het wijfje witachtige.--Een roestkleurigen rand heeft de zilverkleurige 8 bij den oranjegelen Hooivogel (Colias Edusa). Hier te lande komen deze Vlinders niet dikwijls voor.

Een aantal groote en fraaie, inheemsche Dagvlinders onderscheiden zich van de leden der beide vorige onderfamiliën door de geringere ontwikkeling der voorste ledematen, die vervormd zijn tot zoogenaamde poetspooten, zoo genaamd wegens hun verrichting, waarvoor zij de geschiktheid ontleenen aan de lange beharing. Zij zijn korter dan de voor 't loopen dienende pooten en dragen geen klauw; hun voet is gebrekkig ontwikkeld, vooral bij 't mannetje, waar slechts één langwerpig voetlid voorkomt. De hieraan kenbare Doornrupsvlinders (Nymphalidae) ontleenen hun naam aan de uitwassen, die op de huid der larven (doornrupsen) voorkomen. De pop hangt aan de staartspits met den kop naar beneden. De vleugels van den Vlinder zijn dikwijls getooid met prachtige, op goud en zilver gelijkende vlekken.

Algemeen bekend zijn de Paarlmoervlinders (Argynnis), die hun naam danken aan den glans van de onderzijde der achtervleugels. Hier komen verscheidene strepen of reeksen van vlekken voor; de bovenzijde van de vleugels vertoont een zwarte, dambordvormige teekening op oranjerooden grond, met vlekken, die op slecht geschreven cijfers gelijken, achter den voorrand van den voorvleugel. Zij wonen in of bij bosschen. Enkele soorten bezoeken, te gelijk met andere zomervlinders, bloeiende heideplanten en de met roode thijm begroeide open plekken in bosschen of op dorre vlakten. In den heeten zonneschijn fladderen zij in zoo grooten getale om deze en andere honigbronnen, dat men het klappen hunner vleugels kan hooren.

De grootste inheemsche Paarlmoervlinder is de bij ons zelden voorkomende Keizersmantel (Argynnis paphia), die minstens 60 mM. vlucht heeft. De oranjeroode vleugels hebben op het zoomveld 3 reeksen van zwarte vlekken; de voorvleugel heeft op het wortelveld dicht bij den voorrand een teekening, die meer of minder duidelijk het getal 1556 voorstelt--op den linkervleugel staan de cijfers natuurlijk in omgekeerde volgorde. De groene onderzijde van den achtervleugel is versierd met vier paarlmoerstrepen met violetten weerschijn, n.l. 2 korte, wigvormige in het wortelveld en 2, die zich van den voorrand tot den achterrand uitstrekken, in het zoomveld. De geel gedoornde, bruine rups, die op den rug een afgebroken, gele, bruin gezoomde, overlangsche streep heeft, wordt vooral in vlakke, boschrijke streken op viooltjes, brandnetels en braambessen gevonden.

De Aglaja-vlinder (Argynnis Aglaja) heeft 42 à 55 mM. vlucht en is het best te herkennen aan de groenachtig gele spits van de onderzijde der voorvleugels, waarop 6 zilveren stippels prijken; vier dwarsreeksen van dergelijke stippels komen op de achtervleugels voor. De rups is met vertakte, zwarte doornen bezet; zij heeft een gele rugstreep en steenroode zijdevlekken op zwartachtigen grond. Terzelfder tijd als de vorige ontmoet men haar op viooltjes, bij ons het meest op de heide, langs spoordijken en vooral in de duinen.

De Weegbreevlinders (Melitaea), waarvan bij ons 3 soorten (Artemis, Cinxia, Athalia) op droge zandgronden gevonden zijn, gelijken veel op de vorige door de kleur en de teekening van de bovenzijde der vleugels; daar aan de onderzijde de zilvervlekken ontbreken, heeten deze vleugels "blind", evenals die van sommige variëteiten van Paarlmoerkapellen. De rupsen dragen, in plaats van doornen, bundels van haren; zij leven, evenals die van het vorige geslacht, op kruiden, o.a. op verschillende soorten van weegbree. De kleine, korte en dikke, van voren stompe poppen zijn wit, geel en zwart gestreept, zonder metaalglans. De Vlinders vliegen bij voorkeur op open plaatsen te midden van bosschen rond.

De Schoenlappers (Vanessa) behooren tot de meest bekende en verst verbreide Vlinders; sommige soorten zijn wereldburgers. Vele inheemsche trekken de aandacht zoowel door den hoekigen zoom als door de fraaie, bonte kleuren van de bovenzijde der vleugels; de onderzijde is met sombere kleuren als 't ware gemarmerd. De oogen zijn sterk behaard, de eindleden der sprieten vormen, evenals bij de vorige geslachten, een duidelijk begrensde knots, door vrij plotseling dikker te worden. Deze Vlinders vliegen overal, zijn minder sterk dan de vorige aan het verblijf in of bij bosschen gehecht. Alle soorten hebben in den larvetoestand de huid met volkomen onschadelijke doornen bezet en leven dan gedeeltelijk op lage planten, gedeeltelijk op boomen en struiken. De poppen zijn hoekig, hebben een kielvormigen rug, twee spitsen aan den kop en meestal metaalachtig glinsterende vlekken op de huid.

Duidelijk getande voor- en achtervleugels en fraaie kleuren merkt men op bij het Dagpauwoog, ook wel het Pauwoog genoemd (Vanessa Io), welke Vlindersoort in sommige jaren bij ons zeer talrijk is. De fluweelachtige, helder blauwroode vleugels prijken in de nabijheid van het voorste hoekpunt ieder met een prachtige oogvlek; deze bestaat op de achtervleugels uit bruinachtig zwarte, zwarte en blauwe, op de voorvleugels bovendien uit gele kleuren. De lichte plek aan den tamelijk donkeren voorrand van de voorvleugels heeft dezelfde houtgele kleur als de buitenste ring van de oogvlek. De gedoornde rups is glanzig zwart met fijne, witte stippels; zij leeft gezellig op de groote brandnetel en op hop. Het wijfje overwintert. Waarschijnlijk is één generatie regel; in gunstige omstandigheden komt echter ook nog een tweede generatie tot ontwikkeling. De lichtbruine pop heeft een goudkleurigen weerschijn en goudgele vlekken; de hoeken op den rug vormen een caricatuur van een menschelijk aangezicht.

De statige Nommervlinder of Admiraalvlinder (Vanessa Atalanta) is ongeveer even groot of iets grooter dan de vorige soort. De achtervleugels zijn afgerond, de voorvleugels van een middelmatig grooten tand voorzien; de kleur der bovenzijde is fluweelachtig zwart. De voorvleugel prijkt met een vermiljoenrooden band, die aan den voorrand, bij het einde van het wortelveld begint en zich tot in de nabijheid van den binnenhoek uitstrekt; witte vlekken (2 groote en eenige kleinere) bevinden zich bij de spits. De achterrand van den achtervleugel is eveneens vermiljoenrood; hij is tusschen de aders met 4 zwarte stippels geteekend. Op de onderzijde van den voorvleugel ziet men dezelfde teekening als op de bovenzijde, met eenigszins doffere kleuren; de achtervleugel is met geelachtige tinten woelig gemarmerd; bij den wortel staat met zwarte cijfers het getal 98 (89) te lezen. De bont gevlekte, gedoornde rups leeft eenzaam, losjes ingesponnen tusschen brandnetelbladen. Ook bij deze soort overwintert het wijfje. De Admiraal-vlinder is een wereldburger; hij is over geheel Europa en Noord-Amerika verbreid en komt ook voor op den Himalaja en het vasteland van Indië, op de Soenda-eilanden en op Nieuw-Zeeland.

De Distelvink (Vanessa cardui) heeft afgeronde achtervleugels en een onbeduidenden tand aan den voorvleugel. Met uitzondering van Zuid-Amerika, is hij over de geheele wereld verbreid. Als rups leeft hij eenzaam tusschen saamgesponnen bladen van Distels, ook op gekweekte Artisjokken; daar planten, die voor de ontwikkeling dezer larve geschikt zijn, nagenoeg nergens ontbreken, ziet men den Vlinder overal boven velden en wegen vliegen. De bovenzijde der vleugels is rood (of oranje), zwart en wit gevlekt; de beide eerste kleuren hebben de overhand en zijn nagenoeg even sterk vertegenwoordigd. In Juni verschijnen de eerste Vlinders van het loopende jaar; deze brengen soms nog een tweede generatie voort, welker bevruchte wijfjes overwinteren; meestal echter komt slechts één generatie tot ontwikkeling, waarvan eenige exemplaren den winter overleven. Ook de Distelvinken komen enkele malen in groote menigte voor. Prevost zag in het laatst van October 1827 in Frankrijk een zwerm van 10 à 15 voet breedte 2 uren achtereen noordwaarts trekken.

De Koningsmantel (Vanessa Antiopa), de grootste inheemsche soort (58 à 71 mM. vlucht), houdt zich bij voorkeur in bosschen op, daar zijn rups het meest van berkenbladen houdt. Evenals de berk, is hij over geheel Europa en Noord-Amerika verbreid. Door de vleugeltanden komt hij met het Dagpauwoog overeen. Aan den breeden, lichtgelen achterrand der fluweelachtig zwartbruine vleugels, herkent men hem reeds op eenigen afstand. De daarvóór gelegen reeks van blauwe vlekken wordt eerst bij nader onderzoek zichtbaar. Van Juli af vertoont hij zich ook in de buurt van dorpen en steden, waar hij als rups bladen van wilgen en populieren at. Na de overwintering zoekt het wijfje in de genoemde boomen, welker knoppen dan juist beginnen te zwellen, een tamelijk hoog gelegen plaats voor hare eieren. Zij legt ze bij hoopjes en de rupsen leven eenigen tijd gezellig bijeen; in volwassen toestand zijn zij donker blauwzwart met steenroode vlekken langs den rug en hebben korte doornen over het geheele lichaam verspreid.

De vleugels van de Aurelia's zijn in vorm gelijk aan die der vorige soort, maar oranjebruin van kleur met blauwe maanvlekjes in den zwarten zoom. Bij de Groote Aurelia (Vanessa polychloros) zijn 5 kleine, afgeronde, zwarte vlekken over de voorvleugels verstrooid; hun voorrand is geteekend met 2 groote vlekken, die van den achtervleugel met één groote vlek van dezelfde kleur. De geel gedoornde, zwartbruine rupsen, hebben 3 gele, overlangsche strepen op den rug; zij leven gezellig op kersen-, peren- en eenige andere boomen, welker twijgspitsen zij kaal vreten. Zij ontstaan uit eieren van overwinterende wijfjes en komen slechts éénmaal per jaar voor.

De vleugels van de Kleine Aurelia (Vanessa urticae) zijn iets lichter bruin, meer geelrood, aan den wortel zwart, vooral de achterste; de voorste hebben zwarte vlekken: 3 kleine op de schijf, 3 grootere, vierhoekige aan den voorrand; de achterste vierhoekige vlek is van den zoom gescheiden door een witachtige vlek. Deze Vlinders vliegen overal en bijna gedurende het geheele jaar; zij leveren twee generaties van zwarte, gedoornde rupsen, die gezellig leven op brandnetels en deze dikwijls geheel kaal vreten. Men herkent ze aan de gele en geelachtig groene, overlangsche strepen op de zijden. Ook de Kleine Aurelia heeft men enkele malen in tallooze menigte zien trekken. Göbel zag in Juli 1828 aan het meer van Neufchâtel een zwerm, die eerst na een half uur voorbij was.

De eenige als pop overwinterende soort is de bij ons hoogst zeldzame Tralievlinder (Vanessa levana), wiens beide variëteiten Prorsa en Levana een voorbeeld leveren van "tweevormigheid", die van het jaargetijde afhangt (seizoen-dimorphisme). De bruingele, zwartgevlekte Wintervlinder Levana ontwikkelt zich uit de overwinterde pop en legt eieren, waaruit de zwarte, met een witte streep over de vier vleugels getooide Zomervlinders (Prorsa) ontstaan. Dezelfde tweevormigheid heeft men nog bij eenige andere Europeesche Dagvlinders waargenomen. Variëteiten die van het klimaat of van de plaatselijke gesteldheid afhankelijk zijn, komen veel vaker voor.

De Morphiden (Morphidae), die voor 't meerendeel een aanmerkelijke grootte bereiken, zijn karakteristieke bewoners van den Oost-Indischen archipel en van tropisch Amerika. Reusachtige en prachtig gekleurde leden van het typische geslacht Morpho, dat 40 soorten omvat en tot Zuid-Amerika beperkt is, zweven gewoonlijk op vrij aanzienlijke hoogte, meestal niet lager dan 6 M., boven open plekken en breede wegen van de Braziliaansche wouden en maken een onvergetelijken indruk op iederen bezoeker van deze gewesten. De groote Ridders fladderen boven de straten der steden, vliegen in de tuinen rond en komen zelfs door het openstaande venster in een met bloemen versierde kamer. Minder gemeenzaamheid toonen de reusachtige Morpho's, die, evenals de groote Papilio's, naar Trojaansche helden genoemd zijn: de prachtig blauwe Menelaus, de niet minder fraai getooide Telemachus, de door een dofblauwen dwarsband kenbare Hector, de zuiver witte Laërtes, wiens achtervleugels aan de onderzijde met een dwarsstrook van allersierlijkst mozaïekwerk prijken, ziet men bijna niet anders dan na onweerregens op den grond verschijnen om hun dorst te lesschen. Alle hebben een vlucht van 130 à 180 mM. (of meer) en vallen dus reeds op vrij grooten afstand in 't oog; hun langzame beweging maakt, dat zij meer nog dan de bontgekleurde tropische Vogels de aandacht trekken. De schitterendste vertegenwoordiger van de geheele onderfamilie is het blauwe, wit gevlekte mannetje van Morpho cypris, die Nieuw-Granada bewoont.

De Zandoogen (Satyridae) vormen een soortenrijke onderfamilie, die zich niet zoo zeer door den vorm der vleugels, als wel door hun kleur en teekening en door eenige andere kenmerken duidelijk van de haar verwante groepen onderscheidt en vooral in Europa vertegenwoordigd schijnt te zijn. De meer of minder donkerbruine bovenzijde van de vleugels is bij sommige bijna effen, bij de meeste echter geteekend met ronde stippeltjes--"blinde" of gekernde oogvlekken--, die soms in gering aantal, soms talrijker voorkomen; deze zijn in 't laatstgenoemd geval altijd op een reeks dicht bij den zoom, dikwijls ook, vooral bij de wijfjes, op de voorvleugels, in een lichter gekleurde vlek geplaatst. De oogvlekken komen scherper en zuiverder uit op de onderzijde van de vleugels dan op hun bovenzijde. Van de voorvleugels stemmen beide zijden meestal overeen; de onderzijde van de achtervleugels is grootendeels bruin gemarmerd. Bovendien is bij alle Zandoogen het lichaam behaard. De meeste bereiken slechts een middelmatige grootte. Sommige soorten komen uitsluitend in het hooge noorden voor en onderscheiden zich door een lichtere grondkleur en een opmerkelijk dun en doorzichtig schubbenkleed. Verscheidene karakteristieke bewoners van de Alphen en andere hooge gebergten behooren tot deze onderfamilie; sommige van de talrijke, in bergstreken voorkomende soorten worden echter ook elders gevonden. Vooral op weiden en andere met gras begroeide plaatsen treft men ze aan.

De rupsen van de Zandoogen loopen van achteren dunner uit en zijn voorzien van 2 staartpuntjes; haar huid is glad of gerimpeld, zeer duidelijk met fluweelachtige haren begroeid en met overlangsche strepen geteekend, die lichter of donkerder zijn dan haar omgeving. Zij voeden zich bijna uitsluitend met grassen en leiden een zeer verborgen leven, daar zij 's nachts eten en over dag bij het onderste deel van hare voederplanten op of in den grond verscholen liggen. De poppen zijn bruinachtig van kleur en rusten los op den grond, in de bovenste aardlaag of onder steenen; sommige echter zijn met de staartspits aan het een of andere voorwerp bevestigd en hangen met den kop naar beneden.