Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 28
De achtervleugels zijn niet zelden voorzien van een fijnen, soms dubbelen doorn, die om een haakje aan de ondervlakte van den voorvleugel geslagen is en beide vereenigd doet blijven. Deze inrichting heet vleugelhaakje; bij geen der Dagvlinders komt zij voor.--Om zich bij de beschrijving van de verdeeling der kleuren over den vleugel duidelijker te kunnen uitdrukken en op den voorvleugel, die ook in dit geval de hoofdrol speelt, verschillende plaatsen te kunnen bepalen, is zijn oppervlakte in 3 hoofddeelen gesplitst: het wortelveld, het middelveld en het zoomveld. Bij een groot aantal Vlinders is deze verdeeling door twee enkelvoudige of samengestelde dwarsstrepen aangeduid, zoodat de voorste dwarsstreep het wortelveld van het middelveld, de achterste het middelveld van het zoomveld scheidt; doch ook wanneer deze zichtbare grenzen ontbreken, wordt de bedoelde onderscheiding gemaakt. Behalve de vorm, de teekening en de loop der aders is ook de stand van de vleugels gedurende hun rust kenmerkend voor de soort.
Aan de monddeelen en de vleugels onderscheidt men deze orde van de overige Insecten; ook op de overige lichaamsdeelen der Vlinders moeten wij echter, zij het dan ook vluchtig, de aandacht vestigen. Het grootste deel van de oppervlakte van den ruig met haren of schubben bekleeden kop wordt ingenomen door de groote samengestelde oogen, die halfbolvormig uitpuilen. De enkelvoudige oogen zijn ten getale van 2 aanwezig en op de kruin verborgen, even dikwijls afwezig. De sprieten zijn uit vele leden samengesteld en meestal borstel- of draadvormig, bij de Dagvlinders aan het einde knopvormig gezwollen; afwijkingen van den genoemden regel zijn echter niet zeldzaam.
Daar het borststuk grootendeels dicht bedekt is met haren, die bij sommige gewoon, bij andere schubvormig zijn, kan men de 3 borstringen uitwendig niet duidelijk onderscheiden. Het achterlijf is "aangegroeid", nooit gesteeld, en vertoont 7 à 9 ringen.
Soms dragen de pooten een dicht kleed van lange haren en schijnen dik; bij nader onderzoek blijkt het echter, dat zij slank, teer en los aangehecht zijn. De scheen is met betrekkelijk lange sporen gewapend, de voet uit 5 leden samengesteld en aan 't einde van kleine klauwen voorzien.
De larven van de Vlinders zijn beter bekend dan die van eenige andere orde van Insecten, omdat zij meer dan deze, ook niet deskundigen, tot een onderzoek uitlokken. Vele rupsen verdienen onze bewondering door haar schoonheid, vele worden wegens haar vraatzucht gevreesd. Haar lichaam bestaat uit een hoornachtigen kop en 12 weeke rompsegmenten, waarvan de 3 voorste ieder één paar hoornachtige, uit leden samengestelde en spits eindigende ware pooten of borstpooten dragen. Bij alle zonder uitzondering is het laatste segment voorzien van een paar vleezige, achterwaarts gerichte pootjes, de zoogenaamde naschuivers of achterpooten. Het lichaamsdeel tusschen de reeds genoemde segmenten wordt gesteund door 2 à 8 op zuignappen gelijkende, korte pootjes (buikpooten), die op zulk een wijze verdeeld zijn, dat onmiddellijk achter de borstpooten minstens 2 en onmiddellijk vóór de naschuivers evenveel pootlooze segmenten overblijven. Een rups bezit dus hoogstens 16 pooten, soms slechts 10, zelden niet meer dan 8; een grooter aantal pooten dan 16 kenmerkt de bastaardrupsen. Een uitzondering op dezen regel vormen sommige Zuid-Amerikaansche rupsen, die, naar men zegt, 20 pooten hebben. De rupsen, die slechts 1 of 2 paar buikpooten hebben, bewegen zich op een eigenaardige wijze: het lichaam wordt gestrekt, de borstpooten hechten zich ergens aan vast, de overige pooten laten hun steunpunt los, het voorste deel van 't achterlijf kromt zich lusvormig naar boven, terwijl de voorste buikpooten onmiddellijk achter de borstpooten worden neergezet; nadat deze op hun beurt opgeheven zijn en het voorste deel van 't lichaam zoo lang mogelijk naar voren uitgerekt is, worden de bewegingen in de aangegeven volgorde herhaald, waardoor een snelle verplaatsing tot stand komt. Zulke rupsen worden spanrupsen en hare Vlinders Spanners genoemd.--De 9 ademgaten aan weerszijden van den romp vallen bij niet te kleine rupsen duidelijk in 't oog; zij ontbreken alleen aan het 2e, 3e en laatste segment.--Bij sommige is de huid geheel of zoo goed als geheel naakt, zoodat men ternauwernood hier en daar enkele haartjes kan zien; bij andere is de huid dicht behaard. De haren zijn niet zelden bij bosjes geplaatst, die op sommige leden zich ver boven hun omgeving verheffen. Behalve haren, komen echter ook wratten (knopwratten) voor, die meestal met haren zijn begroeid, voorts vliezige uitwassen, die enkelvoudig of doornvormig vertakt, naakt of behaard kunnen zijn, bovendien nog andere aanhangselen, die over het geheele lichaam verspreid staan, of waardoor enkele segmenten zich onderscheiden.--De kop, die in hoofdzaak begrensd wordt door twee naast elkander gelegen hoornachtige schalen, heeft goed ontwikkelde, bijtende monddeelen en een microscopisch fijne opening in de onderlip, waardoor de spinstof, welke in de beide spinklieren bereid wordt, in den vorm van een fijnen draad ontwijkt; nagenoeg alle rupsen kunnen spinnen. Aan den voorsten hoek van iedere schaal bevindt zich een groep van 5 of 6 oogjes en verder naar voren een spriet, die uit een gering aantal cilindervormige leden bestaat.
Bij de rupsen merkt men een grooter verschil in levenswijze op dan men zou vermoeden. Sommige treft men steeds eenzaam aan, omdat de eieren ieder afzonderlijk op verschillende plaatsen gelegd worden; andere leven gedurende een meer of minder langen tijd gezellig bijeen, met of zonder een spinsel, dat aller gemeenschappelijke woning is. De meeste vertoeven aan de oppervlakte van bladen. Op allerlei planten treft men ze aan; behalve in de afdeeling der Cryptogamen zijn er waarschijnlijk niet veel planten, die niet aan één soort van rupsen voedsel verschaffen. De eik, die wij reeds als een door de Galwespen bevoorrechten boom hebben leeren kennen, herbergt niet minder dan 121 soorten van rupsen. Er zijn ook rupsen, die zich aan onze waarneming onttrekken, daar zij zich in hout of in stengels van kruidachtige planten, vooral echter in vruchten, bladen en wortels ophouden en het daglicht schuwen. Zulke rupsen hebben meestal een bleeke, vuilwitte kleur, graven of boren ieder op een eigenaardige wijze en verraden hierdoor haar tegenwoordigheid.
Sommige rupsen hebben den naam van vergiftig te zijn en worden dikwijls om deze reden meer gevreesd dan wegens de schade, die zij aan gekweekte planten veroorzaken. Hoewel geen enkele rups giforganen heeft, bevatten de haren of de vleezige met beweeglijke zijtakken voorziene uitwassen, een met sterk mierenzuur gevulde holte en veroorzaken daarom bij 't afbreken van den top op de huid een brandend gevoel.
Na een meer of minder langdurig tijdperk van groei, herhaaldelijk voor korten tijd afgebroken door vervellingen, waarmede zelden een wijziging van den vorm, dikwijls echter een kleine kleursverandering gepaard gaat, is de rups rijp voor den poptoestand. De meeste Groote Vlinders en onder de Kleine Vlinders de Pyralididen zijn gedurende deze ontwikkelingsphase beter beschut dan alle overige Insecten: hunne ledematen en andere lichaamsdeelen zijn niet slechts ieder afzonderlijk omhuld met de dunne, vliezige scheeden, die ook bij de overige leden der klasse voorkomen, maar bovendien nog aaneengekleefd door bedekking met een gemeenschappelijke, in leden verdeelde chitine-schaal, die hoogstens op drie plaatsen, tusschen de achterlijfssegmenten 4-7, beweging toelaat. Zij heeten daarom bedekte poppen of mummiepoppen. Haar kleur verandert bij vele soorten met den leeftijd. Onderling verschillen zij door vorm en kleur, door de wijze van bekleeding, door het maaksel van de staartspits (cremaster, het doorntje aan het laatste segment) en door de middelen tot vasthechting. Eenige van deze eigenaardigheden zijn karakteristiek voor de groep, tot welke de pop behoort. Zoo hebben b.v. de (meer bepaaldelijk chrysaliden genoemde) hoekige poppen van de meeste Dagvlinders de staartspits door draden bevestigd aan het voorwerp, waaraan zij met den kop naar beneden hangen of waaraan zij bovendien zijn vastgebonden door een anderen draad, die haar lichaam als een gordel omgeeft, zoodat de kop naar boven gericht blijft. In 't eerste geval spreekt men van een hangende pop (pupa suspensa), in 't tweede geval van een omgorde pop (pupa succincta). De poppen van de meeste Spinners zijn verborgen in een tusschen twijgen of bladen vastgehechte cocon; van andere Vlinders is de pop, al of niet door een spinsel omgeven, in den grond verscholen. Bij de Kleine Vlinders en bij sommige Groote Vlinders (alle tot de Nachtvlinders behoorend, zooals de Glasvlinders en de Houtboorders) merkt men alle overgangen op van de mummiepop tot de vrije pop, die bij eenige familiën van Kleine Vlinders werkelijk voorkomt.
Bij den overgang in den imago-toestand opent zich de huid van de mummiepop in den nek achter de sprietscheeden; bovendien verkrijgt zij een overdwarse spleet op het aangezicht tot aan de grens en vleugelscheeden en een overlangsche spleet op het midden van den rug van het borststuk. Deze openingen stellen den Vlinder in staat naar buiten te komen; hij doet dit 's morgens vroeg, als hij van licht en zonneschijn houdt, des avonds, als hij gedurende den nacht werkzaam is. Aanvankelijk blijft hij stil zitten om te bekomen van de vermoeidheid, die een gevolg is van den zoo even door hem verrichten, zwaren arbeid. De vleugels moeten zich nog ontwikkelen uit de teere lapjes, die boven den rug uitsteken en met de buitenzijde naar elkander toegekeerd zijn. Dit geschiedt door bloed te persen in de vleugeladers en lucht in de daar aanwezige tracheeën. Men ziet de vleugels "groeien". Na verloop van een half uur bij Vlinders van gewone grootte, iets later bij de grootste soorten, hebben zij hun vollen omvang bereikt; de teekening was reeds bij het afwerpen van de pophuid duidelijk zichtbaar. De Vlinder houdt de vleugels nog korten tijd schuins naar boven en naar buiten gericht en geeft hun vervolgens den stand, die zij voortaan in rust zullen innemen. Eerst na verloop van eenige uren worden deze organen door de uitdrogende werking van de lucht hard en voor het gebruik geschikt, bij kleine Vlinders eerder dan bij groote. Wanneer deze tijd voorbijgegaan is, zonder dat de vleugels de gewone grootte bereikt hebben, zullen zij onbruikbaar blijven.
Men is gewoon de Vlinders te verdeelen in Groote (Macrolepidoptera) en Kleine (Microlepidoptera), hoewel voor deze scheiding geen voldoende gronden geleverd worden door verschillende organisatie. De familiën, die de eerste groep vormen, bevatten hoofdzakelijk de grootste, die van de laatste groep vooral de kleinste leden der orde; doch op dezen regel komen vele uitzonderingen voor. In den regel hebben de rupsen der Macrolepidoptera de zool der valsche pooten alleen aan den buitenrand met een enkele of dubbele rij van binnenwaarts gekromde haakjes bezet; deze "half gekroonde" pooten zijn voor het omklemmen van een voorwerp geschikt. Bij de Microlepidoptera daarentegen zijn de valsche pooten "gekroond"; hun zool draagt haakjes langs den geheelen omtrek.--Linnaeus verdeelde de Groote Vlinders in Dagvlinders (Diurna), Avond- of Schemeringvlinders (Crepuscularia) en Nachtvlinders (Nocturna). De eerste van deze 3 groepen wordt ook nu nog onder den naam van Knotssprietigen (Rhopalocera) aan alle overige Vlinders--de Ongelijksprietigen (Heterocera)--tegenovergesteld.
Speyer schat het aantal soorten van Vlinders op 200000; sommige soorten zijn bijna over de geheele wereld verbreid; tusschen het door haar bewoonde gebied en den plantengroei bestaat een nauw verband.--In Nederland zijn, volgens Oudemans, 1713 soorten van Vlinders gevonden, waarvan 764 "Groote" en 949 "Kleine".--Wegens hun teeren lichaamsbouw zijn de leden dezer orde minder dan andere Insecten geschikt om in den bodem bewaard te blijven en komen daarom als fossielen zeldzaam voor; toch bezit men eenige goed geconserveerde Sphingiden uit tertiaire lagen en wel uit den lithographischen steen van Solnhofen en Eichstädt, voorts, door barnsteen omhuld, een aantal Kleine Vlinders (Tineïden, Tortriciden en Pyraliden); bovendien zijn bij Oeningen een paar Spinners en bij Aix eenige Dagvlinders opgedolven.
De eerste rang wordt toegekend aan de Dagvlinders of Kapellen (Diurna, Rhopalocera), het geslacht Papilio van Linnaeus. Een dun, slank, zwak bekleed lichaam, groote en breede vleugels, die in den rusttoestand omhoog gericht zijn, zoodat de bovenzijden elkander aanraken, slanke sprieten, die aan de spits of onmiddellijk daaronder haar grootste dikte bereiken, zijn eigenaardigheden, die men bij alle leden van deze soortenrijke familie vereenigd vindt. De Dagvlinders hebben nooit bijoogen, missen het vleugelhaakje, bezitten meestal slechts twee sporen aan 't einde der achterscheen en vliegen uitsluitend over dag. De rupsen verschillen naar het uitwendige te veel van elkander, om er in 't algemeen meer van te kunnen zeggen, dan dat zij 16 pooten hebben en geen dicht en lang haarkleed dragen. Alle inheemsche "gedoornde" rupsen behooren tot deze groep. De poppen van de Dagvlinders zijn licht van kleur en kenmerken zich meestal door den hoekigen vorm van den rug en door eindspitsen op de kruin, zoodat men niet zelden in het voorste deel van den rug de caricatuur van een aangezicht ziet. Van enkele soorten wordt de pop onder steenen gevonden; nooit echter is zij in een cocon verborgen, zelfs niet door een los spinsel omgeven.
De belangrijke invloed van licht en warmte op de leden dezer familie blijkt uit hun geographische verbreiding. Met de schitterendste kleuren prijken zij in streken, waar de zonnestralen bijna altijd in loodrechte richting het aardrijk treffen. De noordelijke grens van het verbreidingsgebied der Vlinders in 't algemeen (74°) en ook hun hoogtegrens (die, al naar de breedte, van 2812 tot 4080 M. afwisselt) wordt door de Dagvlinders meestal niet bereikt. Inheemsch zijn, volgens Oudemans, 79 soorten van Dagvlinders, die in ons land dus slechts 4.6 percent van de geheele orde uitmaken; 400 zijn er in geheel Europa met inbegrip van de Aziatische grenslanden (die in dit opzicht van ons werelddeel niet goed gescheiden kunnen worden). Veel talrijker zijn zij in de tropische gewesten; alleen bij Para in Brazilië ontmoet men niet minder dan 600 soorten van Dagvlinders. Waarschijnlijk overdrijft men niet, door het geheele aantal leden der familie op 5000 te schatten.
De grootste en fraaiste Dagvlinders behooren tot de onderfamilie der Papilioniden (Papilionidae), die Linnaeus zeer eigenaardig Ridders (Equites of Equitidae) heeft genoemd wegens hun statig voorkomen, dat bij de meeste soorten niet weinig verhoogd wordt door de soms zeer diepe insnijdingen der achtervleugels en de hierdoor begrensde staartvormige uitsteeksels. De uitgesneden binnenrand der achtervleugels bereikt het achterlijf niet.
Het geslacht der Vogelvlinders (Ornithoptera) spant de kroon, hoewel het staartelooze achtervleugels heeft. Zijne leden bewonen den Oost-Indischen archipel; de fraaiste en grootste vindt men op de Molukken. De Priamus (Ornithoptera Priamus) van Amboina heeft 157 à 183 mM. vlucht; het mannetje is groen, het wijfje zwart met witte teekening.
Tot het omvangrijke geslacht Papilio behoort de eenige inheemsche soort van de onderfamilie der Ridders, de welbekende Koninginnepage, Page de la Reine, ook wel Zwaluwstaart geheeten (Papilio Machaon). In het noorden en westen van ons land is hij vrij zeldzaam, in het oosten en zuiden een gewone verschijning. Men ziet hem niet slechts in geheel Europa, maar ook op den Himalaja en in Japan. Hij heeft 62 à 88 mM. vlucht en is dus onze grootste Dagvlinder. De zwavelgele vleugels zijn zwart gevlekt en geaderd; in het breede, zwarte zoomveld komen gele vlekken voor; het zwarte wortelveld van de voorvleugels is met gele schubjes als bestoven; dit geldt ook van den zwarten, in 't midden blauwachtigen band langs den binnenrand der achtervleugels, die als 't ware het ordelint van dezen "ridder" is, dat aan 't einde het ordeteeken, een oranjebruine oogvlek, draagt; iets hooger aan den zoom bevindt zich een lange staart. De onderzijde van de vleugels vertoont ongeveer dezelfde, maar doffere kleuren; hier heeft het geel de overhand. In Juli en Augustus fladdert deze fraaie Vlinder langzaam over de klavervelden of peurt honig uit de bloemen van weiden, tuinen en bosschen, waarbij hij zijne vleugels beurtelings in horizontale richting plaatst of half gesloten omhoog heft. Toch is hij wel degelijk tot een snelle vlucht in staat. Het is de tweede generatie, die men in de genoemde maanden waarneemt; deze is talrijker dan de eerste, die zich in Mei vertoont en uit overwinterde poppen ontstaat. Het bevruchte wijfje houdt zich bezig met de zorg voor haar nakomelingschap, bezoekt met dit doel op weiden, in tuinen en op open plaatsen in het woud verschillende schermbloemige planten, vooral venkel, dille, komijn, peen (Daucus), legt een ei, soms meer dan één, op iedere plant en sterft. De jonge rups is zwart, heeft op den rug witte vlekken en roode doornen; weldra echter ondergaat zij een groote verandering; in haar nieuw kleed ziet men haar dikwijls op de bovenste gedeelten van haar voederplant te midden van de vruchten, welker zaden haar tot voedsel dienen. Zij is nu groen met fluweelachtig zwarte ringen en heeft, behalve eenige plooien, geen eigenaardige kenteekenen meer op haar huid. Als men haar aanvat, stuwt zij, om den aanrander af te schrikken twee weeke uitsteekseltjes, die aan den voet vorksgewijs samenhangen, uit de groeve tusschen den kop en het voorste rompsegment naar buiten; tevens verbreidt zij een doordringende lucht en slaat soms met het lichaam heen en weer. De groenachtig gele, geel gestreepte pop, die aan de rugzijde kielvormig en ook overigens eenigszins oneffen is, heeft op den kop 2 stompe spitsen; op de hiernaast (bij 1) aangeduide wijze bevestigt zij zich met de staartspits en door een gordel in horizontalen of opgerichten stand aan het een of ander takje. Die van de tweede generatie overwintert, die van de eerste verandert binnen weinige weken in een Vlinder.
Een enkele maal vindt men hier te lande ook nog de Podalirius (Papilio Podalirius, fig. 1), die, evenals alle overige Ridders, door Linnaeus naar een der helden uit den Ilias benoemd werd. Hij is minder algemeen verbreid, meer tot heuvelachtige gewesten beperkt. Zijne stroogele vleugels zijn zwart gestreept: de voorvleugels vertoonen, behalve een zwarten zoom en een smal, zwart wortelgedeelte, 2 doorloopende en 3 afgebrokene, wigvormige, zwarte vegen, die alle aan den voorrand breed beginnen en allengs smaller worden. De langstaartige achtervleugels zijn aan den uitgetakten zoom op zwarten grond met blauwe maantjes, aan den rechten achterrand met een paar breedere, gezamenlijk in een roode vlek uitloopende strepen en met een paar zeer smalle over het midden getooid. De geelachtig groene rups leeft op sleedoorn, is met roode stippels, geelachtig witte lijnen op het midden van den rug en schuinsche strepen over de zijden versierd en kan, evenals de vorige, een vorkvormig orgaan uit den nek naar buiten stulpen. De pop is van voren bruin, van achteren geel en hier met bruine ringen en stippels geteekend.
In andere werelddeelen, vooral in Zuid-Amerika, leven nog meer dan 300 soorten van het geslacht der Zwaluwstaarten; sommige zijn, evenals de onze, met zwarte strepen of vlekken op gelen grond getooid; andere hebben een prachtig, fluweelachtig zwart kleed met reeksen van gele vlekken; nog andere vertoonen helder karmijnroode vlekken, zooals Papilio Hector, die op Ceylon en in Oost-Indië voorkomt, of witte vlekken, die streepsgewijs bijeenstaan.
De Witjes (Pieridae) hebben gemiddeld een geringere grootte dan de Papilioniden; bij deze komen 4, bij gene 3 overlangsche aders uit den binnenrand van de middelcel. De achtervleugel eindigt nooit in een staart; uit zijn wortel ontspruiten 2 anale aders (in plaats van 1). Deze Vlinders ontstaan, evenals de vorige, uit omgorde poppen.
Het typische geslacht Pieris kenmerkt zich door den vorm van de knots aan 't einde der sprieten (die op een korten kegel gelijkt), door de lengte der tasters (die boven den kop uitsteken en welker laatste lid meestal even lang is als het voorlaatste), door de afgerond driehoekige voor- en de eivormige achtervleugels. Dit geslacht is over alle landen der wereld verbreid en in een zeer groot aantal soorten gesplitst, van welke sommige door de vraatzucht van hare rupsen voor den landbouwer in de hoogste mate lastig worden.
De Groote Witjesvlinder, ook wel Koolwitje genoemd (Pieris brassicae), is kenbaar aan de zwarte spits van de voorvleugels en den zwarten veeg aan den voorrand der achtervleugels. Op de voorvleugels heeft het wijfje bovendien 2 zwarte, ronde vlekken boven elkander achter het midden; van de tweede vlek loopt een zwarte veeg naar den binnenrand. De gele onderzijde van de achtervleugels draagt gelijkmatig verdeelde zwarte schubjes. Het wijfje heeft 65 mM. vlucht. Deze eenvoudige Vlinder begint in Juli over velden en weiden en in tuinen rond te zwerven; in de tuinen fladdert hij bij voorkeur om koolplanten, leukojen en Oostindische kers, zoodra het tijd is om voor de nakomelingschap te zorgen. Meer dan 100 gele eitjes komen bij elkander te liggen en vormen als 't ware een eilandje aan de onderzijde van het groene blad. Soms is hun aantal geringer, doch altijd zijn er verscheidene bijeen; ook aan de bovenzijde van de bladen treft men ze soms aan. Wanneer men zulk een eitje afzonderlijk ziet liggen, dan is het afkomstig van den Kleinen Witjesvlinder, die terzelfder tijd en op dezelfde plaatsen als de Groote rondvliegt.
De gele, zwart gevlekte rupsen kan men weldra dicht opeengedrongen in de nabijheid van de middelnerf van een blad der genoemde planten zien zitten. De poppen zal men hier waarschijnlijk niet aantreffen. De volwassen rups heeft n.l. de gewoonte, de plant, waarop zij haar voedsel vond, te verlaten en bij een naburigen muur of boomstam omhoog te kruipen, om een rustplaats voor haar gedaantewisseling te zoeken. Langzamerhand neemt het aantal gele, zwart gevlekte poppen toe; zij bedekken de naburige schuttingen, muren en andere boven den grond uitstekende voorwerpen en zijn hier een tijdlang gemengd met nog niet veranderde rupsen. Uit de overwinterde poppen komen in April of Mei van het volgende jaar Vlinders; deze vliegen dan slechts in kleinen getale en trekken niet zoo sterk de aandacht als die van de tweede generatie, welker leven zooeven geschetst werd. Hoewel twee generaties de regel is, kunnen er in een warmen zomer, waarop een mooie herfst volgt, wel drie voorkomen, daar de rupsen snel groeien en hare 4 vervellingen goed te boven komen, als het weder in dezen tijd niet al te vochtig is.