Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 27
De Gewone Halmwesp (Cephus pygmaeus, fig. 2) bezoekt van Mei af boterbloemen, duizendblad en andere bloeiende planten, die aan akkerranden en slootkanten hun bonten tooi verschaffen. Bij warm, zonnig weer ziet men haar bedrijvig van de eene bloem naar de andere vliegen en honig lekken; als de lucht bewolkt is, zit zij stil of beweegt zich weinig. Dit 9 mM. lange wespje herkent men zonder moeite aan het zwarte, met veel geel geteekende lichaam, uit welks zijdelings samengedrukt achterlijf bij het wijfje een korte, naar boven gerichte legboorscheede te voorschijn komt, en aan de eenigszins knotsvormige sprieten op den bijna bolronden kop. De voorvleugel kenmerkt zich door 2 rand- en 4 onderrandcellen. Hoe onschuldig deze wespjes ook schijnen, hunne larven (fig. 4) zijn schadelijk voor de rogge- en soms, doch minder dikwijls, ook voor de tarweakkers, in welker nabijheid men daarom de meeste kans heeft het gevleugelde dier aan te treffen. Het wijfje legt slechts één ei in iederen halm, in een gat, dat zij in een van de bovenste knoopen boort. Voor ieder van de 10 à 15 eieren, die zij voortbrengt, wordt deze arbeid verricht. Ongeveer 10 dagen later verlaat de larve de eischaal en begeeft zich onmiddellijk in het naburige holle lid van den halm. Hier voedt zij zich met de spaantjes, die zij losknaagt van de binnenste oppervlakte der haar omgevende buis, doorboort het in den knoop aanwezige schot en kruipt in haar nauwe woning op en neer. Als de oogsttijd gekomen is, heeft zij haar vollen wasdom bereikt, daalt af naar het onderste uiteinde van den halm en spint zich hier een zijden hulsel. In de cocon en in den stoppel blijft zij gedurende den geheelen winter als larve liggen en verandert eerst 14 dagen voor het uitvliegen in een vrije pop. Als de aren van de niet aangestoken halmen beginnen te rijpen en de zieke er niet meer op het eerste gezicht van onderscheiden kunnen worden aan de witte kleur, kan dit geschieden, door ze te betasten. Als men er een tusschen de vingers krijgt, welker onderste deel geen korrels bevat en zich door slapheid onderscheidt, is het tamelijk zeker, dat er bij 't opensplijten van den halm een parasiet voor den dag zal komen. Terzelfder tijd op dezelfde plaats als de Halmwesp, ziet men een minstens even lange, slanke Sikkelwesp ronddoolen, Pachymerus calcitrator geheeten (fig. 3), die de halmen opzoekt, welke door Halmwesplarven bewoond worden, om deze met een ei te begiftigen.
Van de familie der Bladwespen (Phyllophaga) kent men omstreeks 1000 soorten, uit alle werelddeelen, doch vooral uit Europa. Zij hebben aan den kop lange bovenkaken en rechte, 3- à 30-ledige sprieten; de voorste borstring reikt zijwaarts tot aan den oorsprong der vleugels, is meestal zeer kort en wordt dan "halskraag" genoemd. Het middelste en het achterste rugschild van het borststuk zijn door een diepe groeve gescheiden. De voorscheen eindigt in 2 doornen; de voetleden hebben aan de zool dikwijls napvormige verbreedingen (patellen); het eindlid draagt 2 klauwen, die meestal van een zijtand voorzien zijn. De legboor van het wijfje is kort en steekt niet voorbij het achterlijf uit. De larven zijn zoogenaamde "bastaardrupsen".
De Spinselbladwespen (Lyda) vormen een talrijke, zeer duidelijk begrensde groep. Door de lange, borstelvormige sprieten en de zeer beweegbare kop naderen zij tot de Houtwespen; het platte, aan de zijden kantige achterlijf is haar meer in 't bijzonder eigen; door den niet uitstekenden legboor en de levenswijze der larven, die aan de oppervlakte van de plant leven, gelijken zij op de Echte Bladwespen, waarmede zij echter niet geheel overeenstemmen, daar de larven, behalve de aan 't laatste segment voorkomende naschuivers, in 't geheel geen achterlijfspooten hebben en in een licht spinsel of, evenals sommige Kleine Vlinders (Bladrollers), in een van bladen vervaardigd kokertje leven.
De Drekzak-dennenbladwesp (Lyda campestris, fig. 2) wordt als larve in Juli op 3- en 4-jarige dennen gevonden, waar het bevruchte wijfje hare eieren, hoogstens bij drieën te gelijk, aan de naalden van verschillende in Mei uitgesproten twijgen heeft vastgehecht, zonder hierin een insnijding te maken. De larve houdt zich op in een buisvormig spinsel, dat ondoorzichtig is door den hierin opgehoopten drek. Slechts het voorste deel van het lichaam wordt, meestal aan het onderste deel van de buis, naar buiten gestoken om een daarbuiten gelegen naald, van den top tot aan den voet, af te knagen. Zoodra alle naalden, die zij bereiken kan, verslonden zijn, wordt het nest langer gemaakt, waardoor de bewoonster in staat gesteld wordt om het éénjarige takje geheel of grootendeels te vernielen. Tegen het einde van Augustus is zij volwassen, laat zich aan een draad naar den bodem zakken, kruipt hoogstens 13 mM. diep in lossen grond, vervaardigd hier van spinstof en aarde een losse, boonvormige cocon en brengt hierin den herfst en den winter slapend door. In het midden van April van het volgende jaar vindt men haar soms vervangen door een pop; het kan echter ook voorkomen, dat zij tot in 't einde van Mei, bij uitzondering zelfs gedurende het geheele loopende jaar, nog in den larvetoestand blijft verkeeren. 14 dagen ongeveer duurt de rustperiode; daarna verschijnt de 18 mM lange Wesp, die zich tamelijk goed verborgen houdt tusschen de naalden en daarom niet licht opgemerkt wordt. Haar achterlijf is tot over de helft (van den 2en tot den 5en ring) roodachtig geel; overigens is zij grootendeels glanzig blauwzwart; de mond, de sprieten, een oogvlek, het schildje, de knieën, scheenen, voeten en vleugels zijn geel; de randstip ligt in een blauwe vlek.
Een tweede, eveneens op dennen levende, veel schadelijker soort is die, welke door de Duitsche houttelers Groote Dennenbladwesp (Lyda stellata, L. pratensis) wordt genoemd, hoewel zij als imago kleiner, als larve slechts weinig grooter is dan de vorige soort, van welke zij verschilt door de roodbruine zijranden van het (op den rug bruinzwarte, aan de buikzijde vuilgele) achterlijf. Dezelfde woonplaats heeft de larve van de Roodkoppige Spinselbladwesp (Lyda erythrocephala) als imago kenbaar aan den staalblauwen romp en den rooden kop van het wijfje.
De soortenrijkste en sterkst vertegenwoordigde afdeeling van de geheele familie is die der Echte Bladwespen (Tenthredinidae); van hare larven geldt het op p. 459 gezegde.
De Dennenkamhoornwesp (Lophyrus pini) houdt zich uitsluitend in dennenbosschen op, waar hare larven soms een niet onbelangrijke schade aanrichten. In de jaren 1819 en 1820 o.a. waren zij in sommige boschdistricten van Frankenland zoo talrijk, dat de stammen geel zagen van de rupsen, die in de boomen klommen; zij bedekten volkomen de takken, die nog naalden droegen en hingen er in kluwens ter grootte van een menschenhoofd van af. Toen al het groen verslonden was, trachtten zij andere bosschen te bereiken, die van het schouwtooneel dezer verwoestingen gescheiden waren door een beek, aan welker oevers de rupsen bij duizenden rondkrioelden; daar zij niet van richting veranderden, vielen zij in het water. Dag aan dag trokken ontzaglijke scharen uit de verderop gelegen deelen van het vernielde bosch op deze wijze een wissen dood tegemoet; de beek scheen, in plaats van water, louter stervende en reeds gestorven Insecten af te voeren. Zulk een sterke vermenigvuldiging komt echter niet dikwijls voor; in den regel verschijnen deze bastaardrupsen in betrekkelijk geringen getale, voor 't eerst in de maand Mei. Zij hebben 22 pooten en zijn 25 mM. lang. De kop is bruin en in meerdere of mindere mate zwart gevlekt. De romp is met fijne dwarsrijen van doorntjes en wratten bezet, geelachtig groen van kleur; soms heeft de eene, soms de andere kleur de overhand; boven elken buikpoot komt een zwarte vlek voor, die op een kommapunt (;) gelijkt; andere zwarte vlekken bevinden zich iets hooger op de voorste en achterste segmenten. Na minsten 8 weken is de 5-maal vervellende larve volwassen en omgeeft zij zich met een tonvormige, aan een dennenaald gehechte cocon, waaruit de Wesp tegen het einde van Juli door een losgeknaagd dekseltje ontwijkt. In dit geslacht verschilt het mannetje van het wijfje door den vorm der sprieten (welker aantal leden, al naar de soort, van 17 tot 22 afwisselt). Bij het wijfje zijn zij gezaagd, bij het mannetje zeer fraai kamvormig. Behalve de kop en het borststuk, die grootendeels zwart zijn, is het wijfje roestgeel. Bij het mannetje hebben alleen de scheen en de voet deze kleur en zijn alle overige lichaamsdeelen zwart.
In het geslacht Selandria heeft men een groot aantal soorten van Bladwespen van kort-eivormige gedaante vereenigd, waarbij ook de kleinste leden van de geheele familie zijn. Zij kenmerken zich door het bezit van 2 rand- en 4 onderrandcellen, waarvan de 2e en de 3e de terugloopende aders opnemen; de 9-ledige, meestal draadvormige sprieten zijn zoo lang als de kop en het borststuk te zamen genomen. Van de lente tot in den zomer vindt men deze Wespen meestal op struiken. Bij ruw weer zitten zij stil en roerloos, maar zijn steeds bereid om zich dood te houden, als men haar te na komt. Zeer vlug en vroolijk vliegen zij daarentegen rond, als de zon haar warm op 't lichaam schijnt.
De Zwarte Kersenbladwesp [Selandria (Eriocampa) alumbrata] is glanzig zwart, alleen op de voorscheen (van voren althans) lichtbruin. Zij is 5.5 mM. lang en heeft 11 mM. vlucht. In de eerste dagen van Juni, maar ook wel later, verlaten de wespjes hare cocons, in welker spinsel zandkorrels stevig vastgewreven zijn en die gedurende den winter op korten afstand van de oppervlakte in den grond gelegen hebben. Zij begeven zich in den boom of struik, in welker schaduw zij gerust hebben (kers, peer, pruim, abrikoos of sleedoorn). Meestal in Juli en Augustus, doch ook wel later, merkt men aan deze planten glanzig zwarte, naar inkt riekende larven op, die eenzaam of bij troepjes aan de bovenzijde van de bladen zitten en haar op zulk een wijze afvreten, dat alleen de benedenste opperhuidlaag overblijft. Deze neemt weldra een bruine kleur aan; ten slotte is de geheele top van den boom als 't ware met een bruin floers bedekt. De 20-pootige larve is na iedere vervelling aanvankelijk groenachtig geel van kleur, maar wordt kort daarna zwart; zij gelijkt wel eenigszins op een zwarte Slak, is na 4 vervellingen volwassen en begeeft zich dan in den grond om zich in te spinnen. De larven richten soms een niet onbelangrijke schade aan. Deze soort bewoont Nederland, Duitschland, Frankrijk en Zweden.
De larven van de Knollen-bladwesp (Athalia spinarum: fig. 1), vooral die van de tweede generatie, zijn soms een plaag voor den landman, daar zij de bladen van de knollen en rapen en van het jonge raapzaad in September kaal vreten, zoodat er alleen de dikke bladnerven van overblijven. De dooiergele Wesp heeft den kop en de sprieten, de rugzijde van het borststuk (met uitzondering van den halskraag en het schildje) en den voorrand van den vleugel tot aan de vleugelstip glanzig zwart; de voeten zijn zwart en geel geringd, de 11-ledige sprieten eenigszins knotsvormig; de verspreiding der vleugeladers blijkt. In Mei verschijnen de Wespen, die zich uit de overwinterende larven ontwikkelen; men bemerkt ze dan bijna niet, daar zij niet gezellig vliegen. Tegen het einde van Juli en Augustus zwermen deze Wespen voor de tweede maal en vallen dan wegens haar veelvuldigheid licht in 't oog, als zij op zonnige plaatsen op de bloemen van de weide, op wilgenhakhout, op struiken aan boschranden bedrijvig rondvliegen om honig of het zoete sap van de Bladluizen te zoeken. Bij ongunstige weersgesteldheid zitten zij roerloos met opgetrokken pooten op de bladen en twijgen en laten zich naar beneden vallen, wanneer men haar op korten afstand nadert. Jonge knollen en dergelijke planten verschaffen aan de wijfjes een uitmuntende gelegenheid om zich van haar moederplicht te kwijten; met den zaagtoestel maken zij een insnijding in de opperhuid onder aan het blad en leggen het ei in de wonde. In September en October verraden de grijsachtige groene, zwart gestreepte larven haar aanwezigheid door de gaten, die zij in de bladen vreten.
Het omvangrijke geslacht Tenthredo, waaraan vroeger een nog uitgestrektere beteekenis werd gegeven dan thans, omvat de grootste van alle slanke Echte Bladwespen. Dikwijls bestaat er in deze groep een belangrijk verschil in kleur tusschen het mannetje en het wijfje; een veelvuldig voorkomend geval is het o.a., dat het achterlijf bij het wijfje zwart, bij het mannetje zwart en rood is. De Tenthreden zijn fraaie, flinke dieren, de eenige onder de Bladwespen, die nu en dan een ander Insect met hare krachtige kaken grijpen en verslinden. Negenledige borstelvormige sprieten, die in den regel langer zijn dan het achterlijf, 2 rand- en 4 onderrandcellen in den voorvleugel, achterheupen, die hoogstens tot den achterrand van het tweede achterlijfssegment reiken, zijn, nevens de slanke gedaante, de belangrijkste kenmerken van dit geslacht.
Op wilgenhakhout vindt men hier te lande vrij algemeen de 8 à 10 mM. lange Groene Bladwesp (Tenthredo scalaris). Haar lichtgroene kleur wordt op den rug afgebroken door meer of minder uitgestrekte, zwarte vlekken, die in den regel op het midden van het achterlijf samenhangen.--Haar naam ten spijt is Tenthredo viridis grootendeels zwart; de lichtgroene kleur speelt slechts een ondergeschikte rol.--De Geelhoornige Bladwesp (Tenthredo flavicornis) heeft, behalve de sprieten, ook de pooten en het zwart gespikkelde achterlijf geel. Zij is een van de fraaiste soorten en wordt 13 mM. lang.
De Rozenbladwesp (Hylotoma rosae, fign. 2 en 3) is een fraai Insect, dat door grootte en kleur eenige overeenkomst met de Knollenbladwesp vertoont, maar er bij nader onderzoek en in belangrijke opzichten van verschilt; o.a. valt op te merken, dat hare sprieten slechts uit 3 leden bestaan, waarvan de beide eerste kort zijn; het derde is lang, bij het wijfje onbehaard en zwak knotsvormig, bij het mannetje aan de onderzijde als een borstel dicht met stijve haren bedekt. Deze soort is van Zweden tot Italië over geheel Europa verbreid en nergens zeldzaam; alle rozenliefhebbers kennen en haten haar larve. Zij heeft niet meer dan 18 pooten en is 15 à 19.5 mM. lang. Haar grondkleur is bruinachtig groen; aan weerszijden van het groene ruggevat ziet men op den rug gele, langzamerhand in de grondkleur overgaande vlekken, die dikwijls ineenvloeien en dan den geheelen rug oranjegeel kleuren. Ieder van de 12 rompsegmenten, met uitzondering van de beide laatste, draagt 6 paar glanzig zwarte wratjes met een borsteltje er op. Van Juli tot September vindt men deze bastaardrups op rozenstruiken, zoowel wilde als gekweekte; de wijze waarop zij de bladen uitvreet, wordt door de afbeelding verduidelijkt. Voordat zij in den poptoestand overgaat, omgeeft zij zich met een uit twee lagen samengestelde cocon; het buitenste hulsel heeft mazen als een net. De larven, die in Juli dezen trap van ontwikkeling bereiken, worden in Augustus Wespen; die, welke later volwassen worden, overwinteren en gaan eerst in 't volgende jaar in den imago-toestand over. Ieder jaar komen dus twee generaties voor. Het wijfje maakt met haar zaagtoestel in de jonge twijgen 2 evenwijdig loopende reeksen van insnijdingen en legt in ieder kerfje één ei. Een gevolg van deze verwonding is, dat het twijgje zich kromt en zwart wordt.
Door knotsvormige sprieten en een plompen lichaamsbouw onderscheidt zich een laatste groep van Bladwespen, waarvan de Berkenknophoornwesp (Cimbex betulae) een voorbeeld levert. Door de breedte en de logge gedaante van het lichaam herinnert haar geslacht aan dat der Hommels. De kop, het borststuk en de pooten zijn bij haar zwart of geel behaard, hoewel niet zoo dicht, dat de zwarte kleur en de glans van de huid hierdoor onzichtbaar worden. Het achterlijf is bij het wijfje lichter van kleur. De larve heeft 22 pooten en is in volwassen toestand fraai groen van kleur; haar huid vertoont talrijke, fijne dwarsplooien en is met witte wratjes onregelmatig bezaaid, vooral aan de zijden. Zij heeft midden op den rug een niet geheel tot aan den kop reikende, overlangsche, zwarte, geel gezoomde streep; ook de kop is geel. Men ziet deze bastaardrups eenzaam op bladen van berken zitten. Evenals hare verwanten, heeft zij de gewoonte uit de zijden van het lichaam een groenachtig vocht te laten ontwijken, wanneer men haar aanvat.
Andere soorten leven op wilgen, elzen, beuken enz. en gelijken zooveel op de genoemde, dat men ze thans algemeen als verscheidenheden van één soort (Cimbex variabilis) beschouwt.
DERDE ORDE.
DE SCHUBVLEUGELIGEN OF VLINDERS (Lepidoptera, Glossata).
De Vlinders, de bonte lievelingen van de voor natuurschoon gevoelige jeugd, moeten wij op de Vliesvleugeligen laten volgen wegens den algemeenen indruk, dien de vorm van het lichaam dezer Insecten bij opmerkzame beschouwing wekt. De drie volkomen vergroeide borstringen, de vrij vóór het borststuk geplaatste kop met zijne rechte sprieten, het meestal langwerpige, door een chitine-pantser bedekte lichaam en het bezit van vier vleugels hebben de Vlinders met de Vliesvleugeligen gemeen. Bovendien hebben beide de neiging om door zoete stoffen hun kortstondig leven te rekken en merkt men in beider ontwikkelingsgang drie scherp gescheiden phasen op. Ook de Vlinders verschillen duidelijk van alle overige Insecten door het maaksel hunner monddeelen en de eigenaardigheden hunner vleugels; onmogelijk kunnen zij met leden van andere orden verward worden; zelfs geldt dit van de weinige soorten, die door het rudimentair worden van de vleugels voor het leven in de lucht ongeschikt zijn geworden.
De monddeelen zijn voor het zuigen ingericht. De onderkaken, die aan de binnenzijde ieder een gootvormige uitholling vertoonen, zijn samengevoegd tot een zuigtoestel, dat spiraalsgewijs opgerold kan worden en zuiger of roltong heet. De bovenkaken zijn zeer dikwijls afwezig en in ieder geval, evenals de bovenlip, zoo klein en door de bekleeding van het aangezicht met chitine-schubjes zoo verborgen, dat een ongeoefende ze waarschijnlijk tevergeefs zal zoeken. Een klein, driehoekig uitsteeksel onder de plaats van aanhechting van den zuiger, dat aan weerszijden van een drieledigen taster is voorzien, kan gemakkelijk als een onderlip herkend worden. De eigenaardigheden van de liptasters of "palpen" leveren vooral bij de Kleinvlinders belangrijke kenmerken ter onderscheiding van de familiën en geslachten op. De kaaktasters eindelijk, hoewel in den regel aanwezig, zijn gewoonlijk rudimentair; zij vertoonen zich als korte, tweeledige aanhangsels bij den wortel van den zuiger en zijn alleen bij de Motten (Tineidae), waar men ze gewoonlijk "bijpalpen" noemt, buitengewoon sterk ontwikkeld. Ook de bovenkaken zijn bij de Tineïden nog duidelijk zichtbaar. Genthe vond ze bovendien bij alle andere door hem onderzochte "Kleine Vlinders", hoewel zij vermoedelijk slechts bij één geslacht (bij Eriocephala, die door het gemis van zuigende monddeelen van alle overige Vlinders verschilt) voor 't bijten geschikt zijn. Ook bij de Sphingiden komen sporen van bovenkaken voor. Bij alle overige "Groote Vlinders" ontbreken deze organen geheel. De sterk behaarde kleine verhevenheden, die men vroeger voor rudimentaire bovenkaken hield, behooren, naar Walter heeft aangetoond, tot de bovenlip.
Nagenoeg alle aders, die de 4 vleugels steunen, hebben een overlangsche richting. De voorvleugels zijn meestal aanmerkelijk grooter dan de achtervleugels en hebben een soortgelijk, doch eenigszins samengestelder aderstelsel. Hieraan worden bij de rangschikking der Vlinders belangrijke kenmerken ontleend; een kort overzicht van de voornaamste verschijnselen, die zich hierbij voordoen, mogen wij daarom niet achterwege houden. Uit het midden van den vleugelwortel ontspringt een cel, de middelcel (discoïdaalcel), die ongeveer op de helft van de lengte van den vleugel door een korte, meestal gebogen of gebroken dwarsader gesloten wordt. De bovenste of voorste middelader (radius) begrenst de middelcel aan de zijde, die naar den voorrand (costa) van den vleugel gekeerd is; aan de tegenovergestelde zijde komt de onderste of achterste middelader (cutibus) voor. Uit de beide middeladers en uit de dwarsader ontspringen een aantal overlangs gerichte takken, die aan den zoom of buitenrand van den vleugel of in zijn voorrand eindigen. Ieder van deze aders heeft een rangnummer; men begint te tellen aan den binnenhoek van den zoom en noemt den daar eindigenden cutibus-tak 2. Ook dan volgt men dezen regel, als de aders nader bij den wortel van den vleugel ineenvloeien en dus uit een gemeenschappelijken steel ontspringen. Bovendien heeft de voorvleugel bij zijn binnen- of achterrand meestal 1 (soms 2)--de achtervleugel meestal 2 (soms 3)--binnenrands-, anaal- of dorsaaladers, die aan den vleugelwortel beginnen en aan den zoom of aan den achterrand eindigen. Deze krijgen alle het rangnummer 1. Wanneer er verscheidene zijn, onderscheidt men ze door toevoeging van letters aan het cijfer 1; men ontmoet dus achtereenvolgens 1a, 1b, 1c, wanneer men van den vleugelwortel naar den binnenhoek van den zoom voortgaat. Bij den voorrand vindt men één dergelijke ader, de ondervoorrandsader (subcostaalader). De voorrand zelf, ofschoon geen luchtbuis bevattend, wordt ook als een vleugelader beschouwd (voorrandsader of costa); haar geeft men bij het tellen steeds het hoogste rangnummer. Bij vele nachtvlinders is de ondervoorrandsader in de nabijheid van den vleugelwortel over een korten afstand met de voorste middelader verbonden, zoodat zij uit de middelcel schijnt voort te komen. De voorste middelader geeft in den voorvleugel achtereenvolgens (hoogstens 5) takken af, die in den voorrand en in den vleugelzoom eindigen; allerlei eigenaardigheden kunnen zich hierbij voordoen, die bruikbare kenmerken ter onderscheiding opleveren. In den achtervleugel zendt de voorste middelader slechts 2 takken uit, die in den zoom eindigen en bij de verschillende groepen groote overeenkomst vertoonen.--De open cellen, (die welke door 2 opeenvolgende aders en het daartusschen gelegen stukje van den vleugelrand gevormd worden) duidt men eveneens ieder met een cijfer aan, en wel met dat van de ader, waarop de cel volgt, wanneer men in de richting van binnen naar buiten voortschrijdt. Zoo krijgt b.v. de zeer lange, open middelcel het rangnummer 4, omdat zij tusschen de aders 4 en 5 gelegen is.
Het skelet van den vleugel, dat zooeven op beknopte wijze beschreven werd, ligt min of meer verborgen; veel meer invloed op den indruk, dien de vleugel maakt, heeft zijn bekleeding; hierdoor eerst krijgt dit orgaan zijn eigenaardig karakter. Wanneer men zegt, dat de vlindervleugels bedekt zijn met stofjes, die er afgeveegd kunnen worden, bezigt men een minstens zeer onnauwkeurige uitdrukking; iedereen weet, dat de vleugels hun schoonheid niet ontleenen aan vormlooze lichaampjes, die er op willekeurige wijze overheen gestrooid zijn, maar aan zeer fijne schubjes van een volkomen bepaalden, eigenaardigen vorm. Deze bedekken elkander als de pannen van een dak, zijn door tusschenkomst van meer of minder lange steeltjes losjes aan de huid van den vleugel gehecht, regelmatig op reeksen geplaatst en op de eene plaats dichter ineengedrongen dan op de andere; hun grootte, vorm, kleur en oppervlakte zijn bij verschillende soorten ongelijk en varieeren op denzelfden vleugel, in verband met de plaats, die zij innemen. In Brazilië leven Vlinders, welker vleugels in 't geheel geen schubben bezitten; ook in Europa komt een groep van fraaie Vlinders voor, de Glasvlinders, welker vleugels voor een groot deel doorzichtig blijven; ook hier echter bestaat er tusschen de schubben, die de overige lichaamsdeelen bedekken, een groot verschil in vorm.