Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 26
In 1829 gaf Gravenhorst een beschrijving van 274 soorten van het geslacht Ichneumon, die in Europa, en voor 't meerendeel in Duitschland, gevonden worden; hierbij zijn er echter niet weinige waarvan men alleen het wijfje of alleen het mannetje kent. De grootste en schitterendst gekleurde soorten van Sluipwespen behooren tot deze groep: rood, geel, wit en zwart prijken op haar kleed. Door samenvoeging van deze weinige kleuren ontstaat de groote verscheidenheid van teekening, die men bij de Ichneumonen opmerkt; in den regel is het wijfje bonter uitgedost dan het mannetje; dit verschil maakt het soms zeer moeielijk te ontdekken, dat zij tot één soort behooren. De wijfjes kunnen als zoodanig gemakkelijk herkend worden aan hare min of meer knobbelige, na den dood altijd eenigszins gekronkelde, draad- of borstelvormige sprieten, slechts in enkele gevallen aan de nauwelijks merkbare scheede van den legboor. Met uitzondering van eenige onder mos of in vermolmd hout overwinterende soorten, die zich reeds in 't voorjaar vertoonen, krijgt men de Ichneumonen niet vóór Juni te zien. Met plat op den rug gelegde vleugels loopen zij dan snuffelend rond op bladen van struiken, waar men ze soms in grooten getale bijeenvindt, als de Bladluizen er haar zoet uitscheidingsproduct hebben achtergelaten, of als hier de woonplaats is van rupsen, waarin zich de Sluipwespmaden ontwikkelen. Een klepperend en rammelend gedruisch kan men hooren op zulke vergaderplaatsen van allerlei Ichneumonen en andere Sluipwespen, waar men gewoonlijk ook Graafwespen en niet minder veelvuldig Vliegen en dergelijk gespuis ziet verschijnen. Een merkwaardig schouwspel verschaft dit bonte mengelmoes van lekkerbekken en roovers, zoo verschillend van aard en beweging, waarvan sommige licht en vlug, andere plomp en log, deze schroomvallig, gene onvervaard hun deel trachten te verkrijgen van den hier aanwezigen buit.
De afbeelding van Ichneumon pisorius (fig. 1), een van de grootste soorten, kan een voorstelling geven van het voorkomen van het geheele geslacht, terwijl men uit de daaronder liggende, van haar kruin beroofde, ledige pophuid van den Dennenpijlstaart kan zien, op welke wijze deze Insecten hun geboorteplaats verlaten. Tot nadere aanduiding van de genoemde soort kan dienen, dat de achterlijfssteel niet breeder is dan hoog; het achterlijf, dat uit 7 leden bestaat, loopt bij het wijfje spits toe; de buikplaat van het laatste segment is op eenigen afstand van de aanhechtingsplaats van den legboor gelegen; de ademgaten van het achterborststuk zijn langwerpig spleetvormig; de rugzijde van kop en borststuk hebben geen bijzondere eigenaardigheden. Bij het wijfje zijn het schildje en een streepje aan iederen vleugelwortel geel; het met putjes bezette en hierdoor doffe achterlijf is, met uitzondering van het bruine steellid, bleek roestrood. Bij het mannetje zijn het geheele aangezicht en het grootste deel van de pooten geel, bij het wijfje alleen de bovenrand van het oog en het midden van de scheen; bovendien hebben hare sprieten een witten ring. De niet genoemde lichaamsdeelen zijn zwart. Yan Juni af zwerft Ichneumon pisorius in gemengde naaldhoutbosschen rond. Door opgewektheid en vroolijkheid toont dit Insect zich bewust van het overwicht, dat zijn meerdere grootte hem boven zijne verwanten verschaft. Gedurende het vliegen veroorzaken zijne wijngele vleugels een duidelijk waarneembaar, gonzend gedruisch. Het wijfje steekt met haar legboor groote pijlstaartrupsen, vooral die van Dennenpijlstaarten, welke in het door haar bewoonde gebied meestal niet zeldzaam zijn; in iedere rups legt zij echter slechts één ei.
De natuurlijkste overgang van de Ichneumonen tot de Cryptiden wordt gevormd door het geslacht Phygadeuon, dat grootendeels uit kleine, gedrongen gebouwde Wespen bestaat. Een van de grootste en meest verbreide soorten is Phygadeuon pteronorum (6.5 à 8.75 mM. lang), een gewone parasiet in de tonvormige cocons van de reeds dikwijls genoemde Dennenbladwesp (Lophyrus pini).
Het in alle werelddeelen vertegenwoordigde geslacht Cryptus verschilt van Ichneumon door den bij 't wijfje steeds zichtbaar naar buiten tredenden legboor, door de meestal naar een vierhoek zweemende spiegelcel en door de zeer onvolkomen verdeeling van het rugschild van het achterborststuk door twee dwarslijsten. Het mannetje (fig. 2) is slanker van gestalte dan het wijfje.--Cryptus tarsoleucus dankt zijn naam aan de witte kleur van eenige leden der achtervoeten, die men echter ook bij andere soorten aantreft. Cryptus parasiteert vooral bij Spinnen en Bladwespen.
Mesostenus gladiator (fig. 3) heeft een zeer langen legboor; het rugschild van het achterborststuk is ongedoornd en door ineenvloeiende putjes zeer oneffen. Deze groote Wesp vliegt in Juni en wordt veelvuldig op oude muren aangetroffen; vermoedelijk legt zij hare eieren in de larven van de hier wonende Graafwespen of Bijen.
Men zou de Cryptiden "Staartwespen" met gesteeld achterlijf kunnen noemen; in dit geval komt aan de Pimplariën den naam "Staartwespen" met zittend achterlijf toe. De legboor van het wijfje, die den indruk wekt van een staart, komt bij eenige geslachten uit een spleet aan de buikzijde, bij andere uit de spits van het achterlijf te voorschijn en bereikt bij deze soms het drievoud van de lichaamslengte. Het geslacht Rhyssa overtreft in dit opzicht alle leden der onderfamilie, terwijl het, wat grootte betreft, aan de spits van de geheele familie staat. Bij eenige Noord-Amerikaansche soorten heeft het wijfje een lichaamslengte van 35 mM. en bovendien een legboor, zoo dik als een paardehaar, die 104 mM. lang is; de totale lengte van dit Insect komt dus overeen met 2/3 van de lengte van het bedrukte deel dezer bladzijde. In onze naaldhoutbosschen komt een soort voor, die bij de bedoelde Noord-Amerikaansche weinig achterstaat in lichaamslengte, daar zij 28 cM. lang is, zonder den dubbel zoo langen legboor. Deze "Pijpdoorsteker", zooals een insectenverzamelaar Rhyssa persuasoria placht te noemen, heeft den kop, het borststuk en het middengedeelte van het achterlijf met witte vlekken op zwarten grond geteekend; de pooten zijn roodachtig geel. Hare maden leven parasitisch in de larven van Houtwespen (Sirex), die diepe gangen boren in stammen van naaldboomen. Het eierenleggende wijfje kan de legboor tot aan den wortel, dus ongeveer 6 cM. diep, in gaaf hout steken en de hier verborgen larve treffen.
Het soortenrijke geslacht Ephialtes heeft niet, gelijk Rhyssa, het middelste, maar het achterste borstsegment aan de rugzijde van dwarse rimpels voorzien, het andere daarentegen glad. Beide geslachten komen overeen door den langwerpigen vorm der achterlijfsleden, de groote lengte van den legboor en de kleur der pooten. Evenals bij vele andere Sluipwespen, verschilt de lengte bij leden van dezelfde soort naar gelang van de grootte der larve, waarin zij parasiteerden. Ephialtes manifestator (fig. 4) kan 35 mM. lang worden; de legboor steekt ongeveer even ver achter de spits van het achterlijf uit, maar is langer dan 't lichaam, daar zijn wortel in een spleet aan den buik verborgen is. Na den langsten dag ziet men de soorten van dit geslacht in de bosschen rondzwerven en op boomstammen zitten, vooral op zulke, waarin boorgaten voorkomen; deze moet het wijfje, naar het schijnt, met den legboor volgen. Waarschijnlijk is het haar niet mogelijk dit werktuig in het harde hout te doen doordringen en aan de hierin levende larven de verzorging van hare jongen op te dragen; terwijl de Rhyssa-wijfjes, die zachtere houtsoorten opzoeken, geen boorgat noodig hebben om haar doel te bereiken. Zeer oplettend onderzoekt het Ephialtes-wijfje elk plekje met de vooruitgestoken sprieten, welker spits zij boogvormig naar beneden kromt, besnuffelt iedere opening en verdiept zich zoozeer in dezen arbeid, dat de aanwezigheid van een toeschouwer het schuwe dier niet op de vlucht drijft. Wanneer eindelijk de geschikte plaats gevonden is, wordt het achterlijf hoog opgeheven, zoodat het dier letterlijk op den kop staat, de legboor in de gang gestoken en voorzichtig tot aan de larve voortgeschoven, waarbij de spits van het achterlijf langzamerhand daalt en de scheede van den legboor loodrecht omhoog gericht blijft. Dezen stand behoudt de Wesp, tot het ei gelegd is; zoolang dit duurt, verkeert zij in volkomen weerloozen toestand, daar zij zichzelf vastgehecht heeft. In 't volgende jaar is haar larve volwassen en spint een rolronde, zwarte cocon; de Wesp doorknaagt deze en gebruikt het boorgat van zijn gastheer om buiten te komen.
Een van de algemeenste Sluipwespen en tevens een van de grootste inheemsche leden der onderfamilie, wanneer zij gedurende haar ontwikkeling over een overvloed van voedsel kon beschikken, is Pimpla instigator, zwart van kleur, behoudens de scheen en de voet van de 4 voorste pooten, en de scheen van de achterpooten, die helder geelrood zijn. De reden van de algemeenheid dezer soort en van het afwisselen der grootte harer leden van 11 tot 19.5 mM., is gelegen in de gewoonte van het wijfje om met de verzorging van haar kroost een groot aantal rupsen van zeer verschillende soorten van Vlinders te belasten; in den regel prest zij rupsen van Spinners voor deze taak. Daar zij alle rupsen van dit slag, die in onze tuinen schade aanrichten, en vele van de meest beruchte boschbedervers, zooals de rups van den Nonvlinder (Ocneria monacha), de Processie-rups en de Dennenspinner-rups voor haar doel geschikt acht, ontmoet men deze zwervelinge overal. In den regel ziet men haar met eenigszins opgeheven vleugels rondwandelen op boomstammen, heggen, leemwanden, kortom op alle plaatsen, waar zij een buit kan vinden. Voordat de rustig grazende rups gevaar vermoedt, treft haar de legboor; in den kortst mogelijken tijd glijdt, ondanks alle afwerende bewegingen, het ei door den korten eileider en dringt in haar lichaam door. Half springend, half vliegend is de onheilstichter in 't zelfde oogenblik al weer verdwenen, met het doel om haar snood bedrijf in de onmiddellijke nabijheid voort te zetten. Zelfs de spinne-eieren zijn in hare zijden nestjes niet veilig voor de aanslagen van deze Wespen.
Het geslacht Pimpla, dat (evenals Ephialtes) in tal van soorten over de geheele wereld verbreid is, onderscheidt zich door een meer gedrongen lichaamsbouw: de achterlijfsleden zijn, althans bij 't wijfje, steeds breeder dan lang; de legboor bereikt slechts zelden de lengte van het achterlijf.
Niet zelden merkt men aan de toppen der twijgen van jonge dennen een uitzweeting van hars op. Ten onrechte heeft men deze producten "harsgallen" genoemd, daar zij niet door woekering van het celweefsel van de plant ontstaan, maar door de werkzaamheid van een in 't jonge hout borende rups, die een harsachtig vocht doet uitvloeien, dat, aan de lucht blootgesteld, verhardt. De hierdoor gevormde knobbels, welke mettertijd de grootte van walnoten bereiken, bevatten de rups en later de pop van een sierlijk vlindertje (Retinia resinella), dat tot de familie der Bladrollers (Tortricina) behoort. In de lente van het tweede jaar van hun bestaan moet men deze "gallen" inzamelen om het Insect op te kweeken; dikwijls echter ziet men in plaats van den Vlinder een zwarte Pimplariër van nauwelijks 8.75 mM. lengte--Glypta resinanae--uit den knobbel te voorschijn komen. In den zomer klautert dit wespje tusschen de dennenaalden rond; het behoeft waarschijnlijk geen andere verblijfplaats op te zoeken, daar hier, zooals bekend is, genoeg Bladluizen voorkomen, welker uitwerpselen gretig worden opgelekt. Het wijfje onderzoekt nauwkeurig iedere jonge "harsgal" en weet zeer goed de hierin verborgen rups te treffen. Deze blijft den geheelen winter door leven met den kiem des doods in 't lichaam; in de lente echter bevat haar woonplaats geen zwart vlinderpopje, maar een cocon van lichte kleur, waaruit weldra de Sluipwesp ontwijkt.
De Plantenetende Wespen (Hymenoptera phytophaga) verschillen in den imago-toestand van alle overige Vliesvleugeligen door het aangegroeid zijn van 't achterlijf en door het grooter aantal cellen in den voorvleugel, waarvan vooral de zoogenaamde lancetvormige cel vermelding verdient. Als larven onderscheiden zij zich van alle overige leden der orde door de grootere zelfstandigheid, waarmede zij optreden bij het eten van levende plantendeelen: de meeste leven vrij op de plant, eenige in gangen, die zij boren. De bovenstaande naam heeft uitsluitend betrekking op de larven, daar alle Vliesvleugeligen in den imago-toestand hoofdzakelijk zoete stoffen gebruiken, geen bladen of hout eten.
De kop staat in den regel dicht voor de borst en is (behoudens eenige uitzonderingen) van bijoogen, 6- (of 7-) ledige kaaktasters en 4-ledige liptasters voorzien. De sprieten zijn niet gebroken, bij de meeste draad- of borstelvormig, gelijk in de geheele orde regel is; vooral als tooi van de mannetjes treft men ook andere vormen aan. Het achterlijf is gemiddeld dubbel zoo lang als de borst, bij het mannetje een weinig platgedrukt, bij het wijfje meestal rolvormig. Aan de buikzijde ziet men de tweekleppige scheede van den legboor, die op een mes, een schrobzaag, een vijl of een rasp gelijkt. Met alle overige legboordragende Vliesvleugeligen hebben deze Wespen den tweeledigen dijring gemeen.
De larven van de Echte Galwespen zijn de eenige tot dusver behandelde Vliesvleugeligen, die plantaardig voedsel direct aan de plant ontleenen; als volkomen zelfstandige wezens kan men ze echter niet beschouwen, daar zij in gallen wonen en de gelegenheid missen om zich vrij te bewegen. Ook bij de Plantenetende Wespen komen borende larven voor; ook deze genieten meer vrijheid dan de galbewoners, daar zij aan hare gangen iedere gewenschte richting kunnen geven. De borende larven zijn voor 't meerendeel Houtwespen en hebben in dit geval 6 duidelijk waarneembare, soms echter rudimentaire pooten; enkele larven van Bladwespen, kenbaar aan haar grooter aantal pooten, hebben een soortgelijke levenswijze.
Verreweg de meeste larven van Bladwespen leven vrij op bladen, zelfstandiger dus dan alle overige larven van Vliesvleugeligen. Daar zij door hare bonte kleuren op rupsen van Vlinders gelijken, en er door onkundigen dikwijls mede verward worden, geeft men haar den naam van bastaardrupsen. Meestal gezellig zitten zij in den toestand van rust spiraalsgewijs opgerold op of onder een blad. Het eten geschiedt schrijlings zittend op den rand van het blad, die door haar op een zeer eigenaardige wijze omzoomd wordt, wanneer verscheidene zich op één blad bevinden. Ook hebben vele de zonderlinge gewoonte om het achterlijf in den vorm van een vraagteeken op te heffen en regelmatig op en neer te bewegen, zoodra één van haar begonnen is de maat te slaan. Met uitzondering van het 4e en dikwijls ook van het voorlaatste lid van den romp, draagt elk segment één paar korte pootjes; alleen de 3 voorste paren (de borstpooten) zijn hoornachtig, in leden verdeeld en van een klauw voorzien; de overige gelijken op vleeschknobbeltjes of wratten, die ingetrokken en uitgestulpt kunnen worden. Door de genoemde gewoonten en door het aantal pooten (20 of 22) verschillen de bastaardrupsen van de rupsen der Vlinders, die nooit meer dan 16 pooten hebben. Bij oppervlakkige beschouwing schijnt haar huid naakt; hoewel men er bij nader onderzoek een dun haarkleed en dikwijls ook duidelijke doorntjes op ziet, is zij echter nooit zoo dicht behaard als bij vele echte rupsen. Zij is getooid met heldere kleuren; deze zijn niet talrijk; de gewone teekening bestaat uit donkere vlekken op lichten grond. De bastaardrupsen hebben enkelvoudige oogen en kleine sprieten; zij verwisselen herhaaldelijk van huid, en veranderen daarbij soms niet slechts van kleur, maar ook van vorm.
De larven van de meeste soorten verlaten, zoodra zij volwassen zijn, haar voederplant en spinnen in of op den grond, onder afgevallen bladen of te midden van het mos, soms ook aan den stengel van andere planten een tonvormige, meestal perkamentachtige, soms echter zachtere cocon, waarin zij ineengekrompen en bewegingloos den winter doorbrengen en eerst kort voor het uitvliegen van de Wesp in een vrije pop veranderen. Sommige soorten brengen ieder jaar 2 of meer generaties voort; de ontwikkelingsduur van de zomergeneratie is in dit geval zeer kort; bij andere soorten wordt voor de volledige reeks van gedaantewisselingen een vol jaar of meer vereischt.
Men verdeelt de Plantenwespen in 2 familiën: de Houtwespen en de Bladwespen.
De familie der Houtwespen (Xylophaga, Uroceridae) omvat slechts een gering aantal geslachten en soorten, die hoofdzakelijk Europa en Noord-Amerika bewonen. Van de Bladwespen verschillen zij door het bezit van slechts één doorn aan het einde der voorschenen. De legboor van het wijfje steekt meestal voorbij de spits van het langwerpige achterlijf uit en is van een zaagvormigen toestel voorzien. De larven, die in plantenstengels, vooral in hout leven, hebben een hoornachtigen kop zonder oogen en zeer korte sprieten, maar met krachtige kaken, een geelachtig witte kleur, 3 paar kleine (soms rudimentaire) of in 't geheel geen pooten aan de borst, geen pooten aan 't achterlijf.
De Gewone Houtwesp of Dennen-houtwesp (Sirex juvencus, fig. 1) vertoont zich in Juni, Juli, hoogstens nog in Augustus, zelden later, in sommige jaren bijzonder talrijk; er zijn echter volstrekt geen regelmatige perioden in deze veelvuldigheid op te merken. Eigenaardige kenmerken van dit geslacht leveren: het skelet van het voorste borstsegment, welks beide halve ringen (rugschild en borstschild) ten opzichte van elkander verschoven kunnen worden,--het rugschild van het achterborststuk met zijne twee op ademgaten gelijkende, spleetvormige openingen,--de monddeelen door het ontbreken der kaaktasters en door 2- of 3-ledige liptasters. Het achterlijf eindigt in een doorn, die reeds bij de larve aangeduid is en o.a. aan de Wesp goede diensten bewijst bij het verlaten van den door haar als larve geboorden gang; de scheede van den legboor ligt er van onderen dicht tegen aan. Het wijfje van de genoemde soort is staalblauw met geelachtig roode pooten (te beginnen bij de zeer korte dijen) en gele vleugels. Het mannetje verschilt aanmerkelijk van zijn wederhelft: een breede, geelbruine gordel omgeeft zijn achterlijf; de breede achterscheenen en -voeten zijn even donker van kleur als het overige lichaam. Gemiddeld is het wijfje 26 mM., het mannetje slechts half zoo lang. De kaken van de larve zijn symmetrisch.
Het achterlijf van de Reuzen- of Sparrenhoutwesp (Sirex gigas) is grootendeels geel, bij het mannetje aan de spits zwart, bij het wijfje met een kort achter het voorste einde beginnenden, zwarten gordel geteekend; de kop en de borst zijn dofzwart; de ver uitpuilende wangen en de sprieten zijn geel, evenals alle pooten. Men vindt deze soort in streken, waar sparren groeien, omdat hare larven bij voorkeur deze naaldboomen bewonen.
Beide Wespen leven slechts korten tijd en verschijnen nu eens vroeger, dan weer later, niet dikwijls echter vóór het einde van Juni. Uitgezonderd de jaren waarin zij buitengewoon veelvuldig zijn, krijgt men ze nagenoeg niet te zien, want zij houden zich tamelijk goed verborgen op den stam of in de kroon der door hen bezochte boomen. Hun luid gebrom gedurende het vliegen gelijkt eenigszins op dat van een Paardewesp en staat naar alle waarschijnlijkheid in nauw verband met de twee spleten op het achterborststuk. Het ei wordt 18 cM. diep in een gaven boomstam gelegd. De gekronkelde gangen, die de voortdurend dieper doordringende larve in het hout knaagt, worden, daar zij in omvang toeneemt, steeds wijder en kunnen ten slotte een middellijn van meer dan 4.5 mM. bereiken. Zij zijn met houtspaantjes en uitwerpselen gevuld. Het is gebleken, dat de larve soms eerst na verscheidene jaren volwassen is. Zij knaagt, om zich voor den poptoestand een rustplaats te bereiden, het uiteinde van haar gang een weinig dieper uit en vervaardigt een hier aanvangende gang, die zich tot dicht bij de oppervlakte van den stam uitstrekt, om aan de Wesp het verlaten van het hout gemakkelijk te maken. Vooral de larve van de Sparrenhoutwesp komt dikwijls met het timmerhout in woningen. Bechstein verhaalt, dat in Juli 1798 in de boekdrukkerij te Schnepfenthal gedurende 10 opeenvolgende dagen iederen morgen een groot aantal gele Houtwespen uit de pas gelegde vloer te voorschijn kwamen en bij de vensterruiten langs fladderden. In het huis van een koopman te Schleusingen vertoonden zich in Juli 1843 een menigte van dezelfde Wespen; deze waren echter afkomstig uit een balklaag onder de vloer, die in 't vorige jaar vernieuwd was; zij hadden zich dus ook door de planken een weg moeten banen. Te Bautzen kwamen in Augustus 1856 eveneens uit de balklaag onder een vloer 60 à 80 exemplaren van de Gewone Houtwesp te voorschijn. Daar het huis al sedert 2 1/2 jaar voltooid was en de eieren in het hout gelegd moeten zijn, toen de balken in de open lucht lagen, heeft het waarschijnlijk ongeveer 3 jaren geduurd, voordat deze kiemen als Wespen de planken doorboorden. Dergelijke feiten heeft men ook waargenomen in mijnen; hier speelden de gevleugelde Insecten vervolgens de rol van berggeesten en doofden de lampen der mijnwerkers uit. Het is voorgekomen, dat deze dieren, om hun streven naar vrijheid te bevredigen, behalve het hout, ook de looden platen, waarmede het bekleed was, doorknaagden. Te Nuszdorf hebben gele Houtwespen herhaaldelijk gaten gemaakt in de looden kamers van de zwavelzuurfabrieken; later geschiedde dit ook te Freiberg door de staalblauwe soort. Uit de genoemde voorbeelden blijkt, hoe lastig deze insecten soms kunnen zijn, hoewel zij in den gevleugelden toestand in hun gewone omgeving aan de boomen geen schade meer toebrengen.