Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 25

Chapter 253,505 wordsPublic domain

Het wijfje van Torymus regius zagen wij op een galnoot bezig met haar legboor een ei te plaatsen in de hier levende Galwesp-larve; de made, die uit dit ei ontstaat, voedt zich met de sappen van den galbewoner en brengt diens dood teweeg, zoodra zij hem niet meer noodig heeft. Uit een kleinere opening dan de rechtmatige eigenares van de woning geboord zou hebben, indien zij in 't leven was gebleven, ontsnapt ten slotte de goudgele, op den rug blauw iriseerende, met roodachtig gele pootjes uitgeruste parasiet.

Vele soorten van het geslacht Pteromalus leven als larven ten koste van Schors- en Houtkevers of van Galwespen, eenige van Schild- en Bladluizen en van maden van Vliegen. De zeer algemeen verbreide Ruigvleugelige Wesp (Pteromalus puparum) legt eieren in de poppen van verscheidene soorten van Dagvlinders, zooals van Schoenlappers (Vanessa) en van Koolwitjes (Pieris). Op plaatsen waar de poppen van deze Vlinders zich ophouden, treft men dikwijls weinig in 't oog vallende Chalcididen aan; zoodra echter de rups voor de laatste maal haar huid afgeworpen heeft en de chitine aan de oppervlakte van de pop nog week is, ziet men op het lichaam van deze en gene een wijfje van de Ruigvleugelige Wesp rondwandelen en met haar legboor een groot aantal eieren tusschen de leden van de pop schuiven, zonder deze te verwonden. Zij gaan hiermede voort, ondanks de bewegingen, die het slachtoffer met het achterlijf maakt om zijn vijand te verdrijven. Na verloop van eenigen tijd verliest de pop geheel het vermogen om zich te bewegen; haar meer en meer wankleurig wordende huid is ten slotte als een zeef met gaatjes doorboord waardoor het eene wespje na het andere de nu ledige pophuid verlaat.

Evenals de familie der Galwespen een aantal soorten bevat, die door de levenswijze harer larven op Chalcididen gelijken, zoo heeft ook deze familie vertegenwoordigers, die van den gewonen regel afwijken door hare eieren te leggen in planten en meer bepaaldelijk in vruchtbeginsels, welke hierdoor in gallen veranderen en geen zaad voortbrengen. Vooral in de bloeiwijzen van den Vijgeboom (Ficus carica) treft men zulke gallen aan. De genoemde, 6 à 9 M. hooge, oorspronkelijk uit Zuid-Azië afkomstige boom werd duizenden jaren geleden naar Syrië, Noord-Afrika en Zuid-Europa overgebracht, wordt hier nog altijd (thans ook in alle overige werelddeelen) veelvuldig gekweekt en komt velerwege in verwilderden toestand (als "geitenvijg" of "caprificus") voor. Driemaal per jaar ontwikkelt zoowel de "caprificus" als de tamme vijgenboom zijne eigenaardige schijnvruchten, die uit een hol, peervormig stengeldeel bestaan, dat van binnen met mannelijke en vrouwelijke bloemen bezet is. De 3 generaties van "caprificus"-vijgen zijn oneetbaar en heeten "mamme", "profichi" en "mammoni". Hare stamperbloemen zijn veel eerder rijp dan de meeldraadbloemen, zoodat het stuifmeel van de "mamme" de eitjes van de "profichi" moet bevruchten en deze op hun beurt rijp stuifmeel bevatten, als de stempels van de "mammoni" geschikt zijn om het te ontvangen. Het overbrengen van het stuifmeel geschiedt door Chalcididen van de geslachten Blastophaga (vooral B. grossorum) en Sycophaga, voorts door eenige in hare larven als maden parasiteerende Vliesvleugeligen (Braconiden). De overwinterende Chalcididen-wijfjes leggen eieren in de vruchtbeginsels van de "mamme"; de hieruit voortkomende wespjes vliegen, met stuifmeel beladen, naar de "profichi", veranderen ook van deze de vruchtbeginsels in gallen, welker wespjes de "mammoni" bezoeken; ook hier worden de meeste eitjes door galvorming bedorven, eenige evenwel ontwikkelen zich tot zaden, die voor kieming geschikt zijn. Bij den tammen vijgeboom zijn de bloemen zoozeer door de kultuur gewijzigd, dat de meeldraden bijna geen stuifmeel meer voortbrengen en de meeste vruchtbeginsels ongeschikt zijn om bevrucht te worden. Toch worden zijne 3 generaties van vijgen ("pedagnuoli", "cimaruoli" en "fiori") bezocht door de Insecten, die in de vruchten van den "caprificus" parasiteeren. Aan dit bezoek schrijft men een gunstigen invloed toe op de zoetheid en de saprijkheid der vijgen. Sinds onheugelijke tijden (vroeger echter meer dan nu) tracht men het te bevorderen door een bewerking, die "caprificatie" heet (en door vele onderzoekers doelloos wordt geacht); zij bestaat in het bevestigen van "caprificus"-vruchten op de takken van den tammen vijgeboom. Dientengevolge brengen de "pedagnuoli" soms rijpe zaden voort, die zich na uitzaaiing deels tot wilde, deels tot tamme vijgeboomen ontwikkelen.

De Hongerwespen (Evaniidae) maken een zonderlingen indruk door de bovenwaartsche richting van het achterlijf, dat met een dunnen steel opmerkelijk hoog aan de achterzijde van het borststuk is vastgehecht en bij deze afdeeling van den stam in ontwikkeling achterstaat. Deze wanverhouding, waaraan de familie haar naam ontleent, valt zeer sterk in 't oog bij het typische, over alle werelddeelen verbreide geslacht Evania (Brachygaster), dat zich kenmerkt door een zijdelings samengedrukt, sikkelvormig gekromd achterlijf, welks lengte geringer is dan die van kop en borst te zamen genomen en geheel tusschen de lange, dunne, in 't midden eenigszins gezwollen achterdijen verborgen kan worden. De larven van deze kleine wespjes parasiteeren in de eierenzakken en larven van Kakkerlakken (Blatta). Van eenige soorten althans is dit aangetoond, o.a. van de 3.5 à 4.5 mM. lange, zwarte Kleine Hongerwesp (Brachygaster minuta), die den kop en het borststuk sterk gestippeld, het achterlijf glad heeft, en, naar het schijnt, verder dan eenig ander lid harer familie noordwaarts verbreid is.

Op oude leemmuren, die den verzamelaar van Vliesvleugeligen steeds een rijken buit beloven, ziet men in den zomer, te midden van een groot aantal andere bewoners van zulke oorden, een slank diertje zich op zulk een zonderlinge wijze bewegen, dat het den opmerkzamen toeschouwer onmogelijk ontgaan kan. Als 't ware dreigend wordt het achterlijf opgeheven, dat knotsvormig is, evenals de ver uiteenwijkende achterscheenen; zoo dartelt het Insect, flauw gekromde booglijnen volgend, dicht bij den muur langs en schijnt onvermoeibaar te zijn, daar men het slechts zeer zelden met opgeheven vleugels op hooge pooten eenige schreden ziet doen. Dit is de 10 mM. lange Jichtwesp (Foenus affectator), een parasiet van de Vliesvleugeligen, die in den muur wonen. Haar borst en haar achterlijf zijn zijdelings samengedrukt; de kleur is zwart, met roode vlekken op het achterlijf en aan de kniestreek van de achterpooten; de lengte van den legboor is ongeveer gelijk aan het vierde gedeelte van die van 't achterlijf.--Een tweede, zeldzamere soort, de 14 mM. lange Pijldrager (Foenus jaculator), kenmerkt zich door de witte kleur van het wortelgedeelte van den scheen en den voet, althans van die der achterpooten; het achterlijf is in het midden rood en wordt door den legboor ver overtroffen in lengte.

De Braconiden (Braconidae) houden, wat lichaamsbouw betreft, het midden tusschen de Chalcididen en de Echte Sluipwespen, doch komen in levenswijze met beide overeen. Voor 't meerendeel zijn zij van geringe grootte, 2 1/4 à 6 1/2 mM. lang, slechts enkele bereiken een lengte van 13 mM. Het gemakkelijkst herkent men ze aan de vleugeladers, vooral hieraan, dat de voorvleugel slechts één terugloopende ader heeft. Bovendien zijn de 2e en de 3e achterlijfsring aan de rugzijde met elkander vergroeid, hetwelk vooral van belang is voor het herkennen van de ongevleugelde soorten, die ook in deze familie voorkomen, zij het dan ook veel minder talrijk dan bij de Chalcididen. De sprieten van de Braconiden zijn recht, draad- of borstelvormig en uit zulk een groot aantal leden samengesteld, dat men deze gewoonlijk niet telt.

Naar den bouw der monddeelen heeft men deze soortenrijke familie in drie groepen verdeeld. Bij de Geslotenmondigen (Clidostomi) is het kopschild afgerond, toegespitst of ondiep uitgesneden en kruisen de beide bovenkaken elkander, zoodat de mondopening er door bedekt wordt, of zich hoogstens als een smalle spleet vertoont.--Bij de Kringmondigen (Cyclostomi) blijft tusschen het van onderen diep uitgesneden kopschild (met naar binnen teruggeslagen bovenlip) en de bovenkaken (die zoo kort zijn, dat alleen de spitsen elkander aanraken) een half-kringvormige ruimte over.--Bij de Buitentandigen (Exodontes) zijn de bovenkaken zoo kort, dat zij elkander in 't geheel niet raken, en bovendien als 't ware verdraaid, daar beide haar gewelfde zijde naar den onderrand van den kop, de holle zijde naar buiten richten. Deze zoo slecht gewapende Braconiden leggen eieren in larven van Vliegen en Kevers.

Aan de boogvormig naar onderen gerichte sprieten, het lancetvormige achterlijf met duidelijken steel, waarvan het 2e en het 3e lid onderling niet vergroeid zijn, herkent men de kleine, hoogstens 2.4 mM. lange Bladluisdooders (Aphidius), die, evenals de vroeger genoemde Parasiet-galwespen van het geslacht Allotria, alle in Bladluizen leven en daarom het best door kweeking verkregen kunnen worden. De Bladluis, die een Aphidius-larve bevat, bezwijkt, zoodra deze tot rijpheid is gekomen en zit dan met zijwaarts gerichte pooten en met een bolvormig gezwollen, metaalachtig glinsterend achterlijf te midden van hare gave, ongevleugelde zusters. Een gat in haar lichaam, niet grooter dan een speldeprik, levert het bewijs, dat de Wesp de ledige huid van haar gastheer verlaten heeft.

Andere Geslotenmondigen noemt men Kleinbuiken (Microgaster) wegens de kortheid van het zittende of bijna ongesteelde achterlijf; zij vormen het meest verbreide en soortenrijkste geslacht van de geheele familie en komen in de volgende opzichten overeen: de sprieten zijn plomp; de randader is voorbij de vleugelstip flauw en onduidelijk; het rugschild van het middelborststuk heeft geen scherpe, zijdelingsche groeven; het achterlijf is altijd korter dan het voorste deel van den stam, aan de buikzijde meestal naar de spits samengedrukt; bij het wijfje komt hier uit een wijde spleet de weinig uitstekende legboor te voorschijn.

Met uitzondering van 2 soorten, die Bladluizen en eieren van Spinnen bewonen, leven de Microgaster-maden in larven van Vlinders, meer in behaarde dan in naakte. Zij zelf dienen op haar beurt tot woonplaats aan kleine Pteromalinen. Zoodra de Microgaster-larven rijp zijn, verlaten zij haar gastheer door gaten, die zij in zijn huid knagen, en omgeven zich daarna onmiddellijk met een door haar gesponnen cocon. Niet zelden vindt men doode rupsen of Witjesvlinders of van Dennenspinners dicht bedekt met geelachtige cocons, die bij deze van Microgaster nemorum, bij gene van Microgaster glomeratus afkomstig zijn.

Tot de groep der Kringmondigen behoort het omvangrijke geslacht Bracon, waarvan alleen in Duitschland 200 soorten gevonden zijn; onder de kleine, parasitisch levende Wespen uit tropische gewesten, die in onze insectenverzamelingen voorkomen, zijn zij het sterkst vertegenwoordigd. Kenmerken van da Braconen zijn het zittende of bijna ongesteelde, elliptische of lancetvormige achterlijf, welks eerste ring korter is dan de 4 volgende te zamen genomen aangeduide inrichting van den mond. Roodachtige of gele tinten hebben meestal de overhand aan de pooten en het achterlijf, doch minder aan den kop; slechts bij weinige soorten is het geheele lichaam licht van kleur of zuiver zwart. Zeer dikwijls zijn ook de vleugels meer of minder sterk gekleurd, soms zelfs bijna zwart en bij uitheemsche soorten met helder gele vlekken of strepen geteekend. Naar het schijnt, parasiteeren de Braconen bij voorkeur in larven van Kevers, die ziek hout bewonen, zooals Bok-, Snuit- en Schorstorren; men ontmoet ze daarom het meest op oud hout, zoolang zij niet op bloemen bezig zijn honig te lekken.

Als voorbeeld noemen wij Bracon palpebrator, waarvan wij een groot aantal exemplaren verkregen uit dennenstammetjes, die sterk aangetast waren door de Rood-en-wit-bonte Dennensnuittor. De borst is op den rug glad en glanzig; zwart is de hoofdkleur; rood zijn de pooten, met uitzondering van de achterste, en het achterlijf, met uitzondering van een zwarte vlek op den eersten ring.

Spathius clavatus is een medebewoner van ons huis, voor zoover hier bepaalde soorten van Kevers voorkomen. Zijn larve parasiteert n.l. bij de Klopkevers, die in oud houtwerk, o.a. in oude meubels gangen boren, vooral bij Anobium striatum en misschien ook bij het Bonttorretje. Doe hem dus geen kwaad, wanneer hij zich tusschen Juni en Augustus op de vensterruiten vertoont!--Zijn grootte wisselt af tusschen 4 1/2 en 8 3/4 mM. De kleur is grootendeels bruinachtig rood; de tasters, de heupen en een breede ring aan den wortel van den scheen zijn bruinachtig wit, de vleugels donker gevlekt. De legboor is langer dan het lichaam.

De Echte Sluipwespen (Ichneumonidae) onderscheiden zich van de vroeger genoemde parasitische Wespen door den bouw van de vleugels; in den voorvleugel hebben zij twee terugloopende aders; de Braconiden hebben er slechts één. Bovendien versmelt bij de Echte Sluipwespen altijd de voorste middelcel met de eerste onderrandcel; dikwijls is van de ader, die deze beide cellen scheidt, nog een klein takje over. In den voorvleugel komen dus voor: een vleugelstip, een randcel, 3 onderrandcellen (of slechts 2, indien de middelste, de zoogenaamde spiegelcel, vervalt) en 2 middelcellen. Een ander kenmerk leveren de veelledige, rechte sprieten. Geen enkele Sluipwesp gonst bij 't opvliegen of bij 't gaan zitten; zonder gedruisch nadert zij haar slachtoffer; alleen van de grootste soorten hoort men soms een eenigszins krakenden vleugelslag.

Vroeger hebben wij reeds de aandacht gevestigd op verschillende gevallen, die zich bij het parasitisme kunnen voordoen. Dat de dood van den gastheer eerst plaats vindt, als de parasiet hem niet meer noodig heeft, staat in verband met de wijze, waarop deze zich voedt. Men onderstelt, dat het eerste voedsel van de Sluipwesp-made bestaat uit het "vetlichaam", een vlokkig, meestal wit gekleurd weefsel, dat tusschen de verschillende inwendige organen van het insectenlichaam ligt en vermoedelijk een bergplaats is van reserve-stoffen. Alle edelere deelen, die voor het leven van den gastheer onmisbaar zijn, blijven gespaard, zoolang de parasiet nog niet zijn vollen wasdom bereikt heeft.

Om een overzicht te verkrijgen van het heirleger van soorten, waaruit deze familie bestaat, heeft men haar in 5 onderfamiliën verdeeld, die door overgangen gedeeltelijk onderling samenhangen, hoewel hunne typische representanten zeer duidelijk van elkander verschillen.

Als de kern van de familie, de vereeniging van hare edelste vertegenwoordigers, kan men de Ichneumonen (Ichneumones) beschouwen. De steel, die het van boven naar beneden platgedrukte, lancetvormige achterlijf met het borststuk verbindt, is op zulk een wijze gebogen, dat het achtereinde van den eersten ring en alle volgende leden van het achterlijf hooger geplaatst zijn dan de wortel van den steel. De ademgaten van het eerste segment zijn achter het midden van den steel en niet nader bij elkander dan bij het achterste uiteinde van den ring gelegen. De legboor kan meestal volkomen in het lichaam verborgen worden. De spiegelcel is vijfhoekig. De sprieten zijn bij het mannetje altijd borstelvormig, bij het wijfje soms draadvormig. Tot de Ichneumonen behooren de bontst gekleurde Sluipwespen; de wijfjes tooien zich met rood, zwart en wit (of geel); in geen familie vindt men even zuivere kleuren als in deze en een grooter verschil van kleur tusschen de mannetjes en wijfjes. De larven, voor zoover bekend, onderscheiden zich door een zekere fletschheid; zij spinnen geen cocon, daar groote vlinderpoppen haar tot woonplaats dienen. Door deze te bewaren, kan men de Wesp verkrijgen, die zich een weg baant naar buiten door het bovenste deel van de pophuid weg te knagen. Daarom legt het wijfje in iedere rups slechts één ei.

De Cryptiden (Cryptidae) kunnen den legboor niet geheel terugtrekken; een deel van dit orgaan treedt nog in den rusttoestand door een spleet aan de buikzijde van 't achterlijf naar buiten; de ademgaten van het eerste achterlijfssegment zijn dichter bij elkander dan bij het uiteinde van dit segment gelegen. De eenige Echte Sluipwespen zonder of met rudimentaire vleugels vormen het geslacht Pezomachus; voor 't meerendeel zijn zij zeer klein en parasiteeren bij andere Sluipwespen.

De Pimplariën (Pimplariae) kenmerken zich over 't algemeen door een zittend, van boven naar beneden samengedrukt achterlijf, welks eerste lid niet gebogen is en op of voor het midden ademgaten heeft; de legboor steekt dikwijls zeer ver achter het lichaam uit. In den regel is de spiegelcel driehoekig; soms ontbreekt zij geheel.

De Sikkelwespen (Ophionidae) hebben aan het zijdelings samengedrukte achterlijf een meestal rechten steel en een weinig naar buiten tredenden legboor. De spiegelcel is driehoekig of ontbreekt.

Van de Tryphoniden (Tryphonidae) kan men eigenlijk geen andere kenmerken opgeven dan dat deze Echte Sluipwespen tot geen der vier vorige onderfamiliën behooren.

Een der meest gewone soorten van Tryphoniden is de 11 mM. lange Tryphon (Exenterus) marginatorius, kenbaar aan den gelen achterrand der achterlijfsringen, aan de veranderlijke gele teekening op den kop en het borststuk (welker overigens zwarte oppervlakte door rimpeltjes oneffen is) en aan het volkomen ontbreken van een einddoorn aan den gelen, van onderen zwarten achterscheen. Deze Sluipwesp vliegt bij voorkeur in dennebosschen rond, en legt op de bastaardrups van de Gewone Dennenbladwesp (Lophyrus pini) een ei, dat aan de huid door tusschenkomst van een haakje bevestigd wordt. Het slachtoffer, dat zich tevergeefs door krachtige bewegingen tegen den vijand heeft verzet, spint weldra een tonvormige cocon om hierin te overwinteren, alsof er niets gebeurd is. De parasitische made, die nu het ei verlaat, blijft buiten op de rups zitten en zuigt haar volkomen uit; zij laat van haar gastheer niets anders over dan de verschrompelde huid, die een klein hoekje beslaat van de cocon, waarbinnen de indringer zelf een spinsel vervaardigt, dat slechts de helft van de beschikbare ruimte vult.

Het geslacht Bassus onderscheidt zich door den nagenoeg vierzijdigen vorm van het segment, waardoor het korte, eivormige achterlijf aan het borststuk bevestigd is.

Bassus albosignatus heeft geen lange ontdekkingsreis te doen voor het opsporen van een geschikte legplaats voor hare eieren, maar vindt deze bij het azen op het zoete vocht, dat de Bladluizen uitscheiden, in de Bladluizen-etende, op kleine Bloedzuigers gelijkende maden van Zweefvliegen (Syrphus). De made, die zulk een ei met zich omdraagt, schijnt zich hierover niet veel te bekommeren; zij blijft vreten, totdat zij groot genoeg geworden is om zich in te spinnen. Uit haar peervormige cocon, die in overlangsche richting aan een denne- of sparrenaald, aan een breed blad, of aan een ander plantendeel is vastgehecht, komt echter geen Vlieg, maar een Wesp te voorschijn. Deze is 5.2 à 8.6 mM. lang en op zwarten grond met vele witte vlekken en ringen geteekend.

Een andere soort heeft ongeveer dezelfde levenswijze, daar zij eieren legt in larven van Lievenheersbeestjes (Coccinella), die zich eveneens met Bladluizen voeden.

Verreweg de meeste Sikkelwespen (Ophionidae) dragen met volle recht dezen naam, daar haar achterlijf van voren tot een steel versmald is en naar achteren allengs in breedte toeneemt.

Bij boomen en struiken, vooral in bosschen, ziet men de Dennenspinner-sikkelwesp (Anomalon circumflexum) met hare talrijke verwanten, die bijna hetzelfde uiterlijk vertoonen, op zeer bevallige wijze zweven. Evenals deze, houdt zij zich bezig met tusschen de bladen te zoeken naar de rups, die aan één harer jongen kost en inwoning zal verschaffen. Uit het ei, dat zij in de rups legt, komt een 2.25 mM. lange made (fig. 1), die niet veel dikker is dan een paardehaar; zij heeft een bruinen, hoornachtigen kop en een langen staart. In een volgend ontwikkelingstijdperk is zij breeder, maar tevens door het allengs verdwijnen van den staart korter geworden. In een derde stadium (fig. 3) komen volledig vertakte luchtbuizen, maar nog geen ademgaten voor. Ook de monddeelen zijn nu compleet, daar bij de reeds vroeger aanwezige bovenkaken zich onderkaken en onderlip hebben gevoegd, waaruit gelede tasters zijn ontsproten; ook de sprieten beginnen zich te vertoonen. Nog iets later (fig. 4) verkeert de larve in den toestand, waarin men de andere parasitische larven kent. Haar kop is thans betrekkelijk klein, voor 't zuigen goed geschikt; de staart is verdwenen. Naar het schijnt, houdt het dier zich nu minder met het opnemen van voedsel bezig dan met het behouden van zijn plaats in de meer en meer verkwijnende rups, die zich oogenschijnlijk op normale wijze ontwikkelt, groeit, vervelt, winterslaap houdt (indien het een Dennenspinner-rups is), nogmaals van huid verwisselt, een cocon spint en in den poptoestand overgaat, terwijl in de Sluipwesp-larve de reeds genoemde veranderingen tot stand komen. Deze verkrijgt eerst nu de in fig. 5 voorgestelde gedaante, d.w.z., zij verandert eveneens in een pop. In Mei of Juni heeft de laatste gedaantewisseling plaats en baant de Wesp zich met de kaken een weg door hare omkleedsels. De kop, het borststuk, de spits van het achterlijf, de heupen en de uiterste gedeelten van de achterscheen en de achterdij zijn zwart; de overige lichaamsdeelen, waarbij ook de binnenrand van de oogen, de tasters en het schildje, hebben een geelroode kleur, die aan de voeten het lichtst is; de sprieten zijn bruinachtig rood.

Een groot aantal leden van dezelfde onderfamilie komen door houding en kleur met de genoemde soorten zoo zeer overeen, dat een ongeoefende allicht geneigd zal zijn ze voor gelijksoortig te houden; overal ontmoet men leemkleurige Sikkelwespen, die met bovenwaarts gerichte vleugels op struiken, heggen en bloemen rondwandelen of langzaam, als 't ware tuimelend, soms met hoorbaar gonzenden vleugelslag, wegvliegen om in de onmiddellijke nabijheid op eenigszins plompe wijze weder neer te strijken en hier te zoeken naar hetgeen zij ginds niet vonden. Hoewel deze Insecten in vorm met Anomalon overeenstemmen, blijkt het bij nader onderzoek, dat zij tot andere geslachten behooren en wel vooral tot Ophion (fign. 7 en 8) en Paniscus, die o.a. merkwaardig zijn, doordat hare eieren een steel bezitten. Dikwijls ziet men één van deze eieren of verscheidene, die trosvormig dicht opeengedrongen zijn, aan de spits van het achterlijf van de vrouwelijke Wesp hangen; door haar vorm en glanzig zwarte kleur gelijken zij wel eenigszins op zaden van sommige planten, o.a. op die van den bekenden kattestaart (Amarantus).